id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.1 Rolnummer: S.07.0095.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-21 Raadplegingen: 667 - laatst gezien 2026-07-03 03:29 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080922.1 Fiche 1 De regel van artikel 3,4°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, krachtens dewelke, om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, de betrokken persoon niet in staat mag zijn door eigen inspanningen toereikende bestaansmiddelen te verwerven, geldt niet wanneer, om billijkheidsredenen, moet aanvaard worden dat de betrokkene geen blijk dient te geven van werkbereidheid. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: Recht op maatschappelijke integratie - Toelaatbaarheidsvoorwaarden - Gebrek aan toereikende bestaansmiddelen - Werkbereidheid - Billijkheidsredenen - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - Art. 3, 4° en 5° Fiche 2 De enkele omstandigheid dat een persoon van meer dan 25 jaar, die blijk heeft gegeven in de mogelijkheid te verkeren om, op duurzame wijze en in het kader van een passende functie, toereikende bestaansmiddelen te verwerven en derhalve blijk heeft gegeven van maatschappelijke integratie, opnieuw studies wenst aan te vatten, verder te zetten of te hervatten, kan niet worden aangezien als een billijkheidsreden van aard de betrokkene van werkbereidheid te ontslaan, ook al zouden deze studies van aard zijn zijn beroepsmogelijkheden te vergroten of hem toe te laten een hoger loon te verdienen. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: Recht op maatschappelijke integratie - Toelaatbaarheidsvoorwaarden - Gebrek aan toereikende bestaansmiddelen - Aanvatten, verderzetten of hervatten van studies - Billijkheidsreden - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - Art. 3, 4° en 5° Tekst van de beslissing Nr. S.07.0095.N A.R., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9050 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN HOLSBEEK, met burelen te 3220 Holsbeek, Dreef 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 juni 2007 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; - de artikelen 2, 3, inzonderheid 5°, 4, §1, 12, en 13, §1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van tot het verkrijgen met ingang van 16 september 2004 van onder meer het leefloon, het hoger beroep van de eiser ongegrond en bevestigt (dit) het vonnis van de arbeidsrechtbank van 6 april
- Het arbeidshof beslist dat de eiser voor de periode van 16 september 2004 tot en met 30 juni 2006 geen aanspraak kan maken op leefloon. Die beslissing is gesteund op de volgende motieven: "Conform artikel 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie moet de persoon die recht vraagt tegelijkertijd aan een aantal voorwaarden gesteld bij deze wet voldoen. (...) Artikel 3, 5°, voorziet dat de aanvrager werkbereid moet zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is. Uit de voormelde functiebeschrijving van Service Engineer blijkt niet dat deze functie ongepast was voor (de eiser). Het feit dat men zich op zijn werk verveelt en gefrustreerd is, is irrelevant. De bewering van (de eiser) dat hij door zijn stotteren en dyslexie geen verdere door-groeimogelijkheden bij de nv Simac had, wordt door geen document van de werkgever bevestigd en (de eiser) verwijst enkel naar een orthopedagogisch verslag van maart 1998 met een advies destijds gegeven in verband met een nieuwe studiekeuze. (De eiser) kon, na vier jaar werken opteren om opnieuw te studeren (met succes trouwens) teneinde zijn ambities waar te maken, zijn beroepsmogelijkheden te vergroten en een hoger loon te verdienen, maar het (arbeids)hof is van mening dat deze ambitie niet moet betaald worden door de gemeenschap en het voortzetten van deze studies (na twee jaar tijdskrediet) geen billijkheidsreden is in de zin van artikel 3, 5°, van voormelde wet die (de eiser) ontslaat van zijn plicht tot werkbereidheid. Het volstaat niet dat de studies aan de leefloonaanvrager betere levensomstandigheden toelaten of dat zij hem een bredere waaier aan beroepsmogelijkheden bieden; er moet ook worden onderzocht of maatschappelijke dienstverlening noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. De opdracht van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bestaat er in de maatschappelijke dienstverlening te verzekeren waarop elke persoon recht heeft en deze centra zijn niet gehouden om aan studiefinanciering te doen. Het (arbeids)hof verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 26 februari 2001 van de derde kamer met A.R. nr. S.99.0112 (Soc. Kron., 2001, 350), waarin dit Hof heeft geoordeeld dat een student (die na zijn graduaat een licentie wilde volgen) enkel recht heeft op het bestaansminimum als dit noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid en dat studies die hem toelaten betere levensomstandigheden te kennen, zijn opleiding te volbrengen en een betere toegang tot de arbeidsmarkt te hebben, zonder te onderzoeken of de sociale hulp noodzakelijk is om een leven te leiden conform de menselijke waardigheid, niet volstaan om het bestaansminimum toe te kennen. Hoewel de wet inzake het recht op maatschappelijke integratie een veel ruimere doelstelling heeft dan de wet betreffende het recht op een bestaansminimum, wordt als voorwaarde in artikel 1 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum gesteld dat gerechtigd is op het bestaansminimum diegene die geen toereikende bestaansmiddelen heeft noch in staat is deze door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven en deze voorwaarde wordt eveneens voorzien in artikel 3, 4°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Het (arbeids)hof is van mening dat dezelfde redenering van het Hof van Cassatie mag worden aangehouden voor wat de toekenning van bestaansminimum als van maatschappelijke integratie en leefloon betreft. Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 26 februari 2001 voormeld bevestigd dat artikel 1 van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, dat het principe en het doel van de maatschappelijke dienstverlening bepaalt namelijk de mogelijkheid een leven te leiden dat aan de menselijke waardigheid beantwoordt, ook van toepassing is op het bestaansminimum. Het arbeidshof is van oordeel dat artikel 1 van de wet van 8 juli 1976 eveneens geldt en van toepassing is op de maatschappelijke integratie en het leefloon. De verwijzing naar emancipatie en betere levensomstandigheden in verband met de beoordeling van de menselijke waardigheid, zoals voorzien in artikel 1 van de Organieke Wet voormeld is volgens het (arbeids)hof een te ruime interpretatie gegeven door (de eiser), gezien het Hof van Cassatie betere levensomstandigheden, volbrengen van de opleiding en bijkomende toegang tot de algemene arbeidsmarkt onvoldoende heeft geoordeeld om een bestaansminimum toe te kennen en het nodig vond dat bijkomend wordt onderzocht of maatschappelijke dienstverlening noodzakelijk was om een menswaardig leven te leiden. De stelling van (de eiser) dat hij een menswaardig leven zou kunnen leiden indien hij maandelijks onderbrekingsuitkeringen zou bekomen wordt niet aangenomen door het (arbeids)hof, gezien blijkt dat de geldelijke nood geen bedreiging vormt, nu in de loop van de procedure is gebleken dat (de eiser) op 31 juni 2006 (einddatum van zijn vordering tot uitkeringen-leefloon minstens maatschappelijke steun) op zijn spaarrekening nog een saldo heeft van 3.500 euro en dat (de eiser) aan zijn vader de gevraagde bijdragen (voor eten en gebruik van de wagen!) ten bedrage van 1.800 euro, 842,22 euro en 865,18 euro heeft kunnen blijven betalen. Het (arbeids)hof besluit dat (de eiser) niet gerechtigd is op leefloon als alleenstaande voor de periode van 16 september 2004 tot en met 30 juni 2006 gezien hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, 4° en 5°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Het (arbeids)hof dient de overige toekenningsvoorwaarden van voormelde wet niet verder te onderzoeken" (5e blad, midden, t.e.m. 8e blad, derde alinea, van het bestreden arrest). Grieven
- Op grond van artikel 2 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, hieronder afgekort als de Wet Maatschappelijke Integratie, heeft elke persoon recht op maatschappelijke integratie. Dat artikel bepaalt tevens dat dit recht onder de voorwaarden bepaald in deze wet kan bestaan uit een tewerkstelling en/of een leefloon, die al dan niet gepaard gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. Artikel 12 van de Wet Maatschappelijke Integratie bepaalt dat iedere persoon vanaf 25 jaar recht heeft op maatschappelijke integratie wanneer hij voldoet aan de in de artikelen 3 en 4 gestelde voorwaarden. Artikel 13, §1, van de Wet Maatschappelijke Integratie verduidelijkt dat het recht op maatschappelijke integratie kan worden gerealiseerd door ofwel de toekenning van een leefloon, ofwel een tewerkstelling door middel van een arbeidsovereenkomst bedoeld in de artikelen 8 en
- Op grond van artikel 3 van de Wet Maatschappelijke Integratie moet de persoon, om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, tegelijkertijd en onverminderd de bijzondere voorwaarden die door die wet worden gesteld,
(1)zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben in de door de Koning te bepalen zin,
(2)meerderjarig zijn of hiermee gelijkgesteld zijn overeenkomstig de bepalingen van deze wet,
(3)behoren tot één van de in dat artikel bepaalde categorieën van personen,
(4)niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak kunnen op maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven,
(5)werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is, en
(6)zijn rechten laten gelden op uitkeringen die hij kan genieten krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving. Op grond van artikel 4, §1, van de Wet Maatschappelijke Integratie kan van de betrokkene worden gevergd dat hij zijn rechten laat gelden op onderhoudsgeld vanwege daartoe gehouden personen, deze laatste beperkt zijnde tot de echtgenoot of, in voorkomend geval, de ex-echtgenoot, de ascendenten en descendenten in de eerste graad, de adoptant en de geadopteerde. De Wet Maatschappelijke Integratie stelt aldus niet als voorwaarde voor toekenning van het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) dat de toekenning van dat recht noodzakelijk moet zijn om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Die voorwaarde komt noch in de artikelen 2, 3 en 4, noch in enige andere bepaling van die wet voor. Artikel 3, 5°, van de Wet Maatschappelijke Integratie bepaalt niet dat, om op grond van een billijkheidsreden vrijgesteld te kunnen worden van de verplichting werkbereid te zijn, vereist is dat de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hieronder afgekort als de OCMW-wet), overeenkomstig welk de maatschappelijke dienstverlening (waarop elke persoon recht heeft) tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, is niet van toepassing op het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon). Dat artikel bepaalt enkel de voorwaarde voor de toekenning van maatschappelijke dienstverlening, maar laat het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) niet van diezelfde voorwaarde afhangen.
- Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "(de eiser), na vier jaar werken kon opteren om opnieuw te studeren (met succes trouwens) teneinde zijn ambities waar te maken, zijn beroepsmogelijkheden te vergroten en een hoger loon te verdienen, maar het van mening is dat deze ambitie niet moet betaald worden door de gemeenschap en dat het voortzetten van deze studies (na twee jaar tijdskrediet) geen billijkheidsreden is in de zin van artikel 3, 5°, van voormelde wet die (de eiser) ontslaat van zijn plicht tot werkbereidheid" (6e blad, vijfde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof steunt zijn zienswijze dat het voortzetten van de studies door de eiser geen billijkheidsreden uitmaakt in de zin van artikel 3, 5°, van de Wet Maatschappelijke Integratie, op het motief dat het niet volstaat dat de studies aan de "leef loonaanvrager" betere levensomstandigheden toelaten of dat zij hem een bredere waaier aan beroepsmogelijkheden bieden, maar ook moet worden onderzocht of maatschappelijke dienstverlening noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid (6e blad, zesde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "het verwijst naar een arrest van (het Hof) van 26 februari 2001 van de derde kamer met A.R. nr. S.99.0112.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010226.2 (Soc. Kron., 2001, 350), waarin (het Hof) heeft geoordeeld dat een student (die na zijn graduaat een licentie wilde volgen) enkel recht heeft op het bestaansminimum als dit noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid en dat studies die hem toelaten betere levensomstandigheden te kennen, zijn opleiding te volbrengen en een betere toegang tot de arbeidsmarkt te hebben, zonder te onderzoeken of de sociale hulp noodzakelijk is om een leven te leiden conform de menselijke waardigheid, niet volstaan om het bestaansminimum toe te kennen" (6e blad, voorlaatste alinea, t.e.m. 7e blad, bovenaan, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt dat "dezelfde redenering van (het Hof) mag worden aangehouden voor wat de toekenning van bestaansminimum als van maatschappelijke integratie en leefloon betreft" (7e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest). Uit de hierboven vermelde door het arbeidshof in het bestreden arrest gemaakte overwegingen blijkt dat het arbeidshof van oordeel is dat, om op grond van een billijkheidsreden, zoals het voortzetten van studies, vrijgesteld te kunnen worden van de verplichting werkbereid te zijn, vereist is dat de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
- Zoals hierboven onder nr. 1 werd uiteengezet, bepaalt noch artikel 3, 5°, noch enige andere bepaling van de Wet Maatschappelijke Integratie dat, om op grond van een billijkheidsreden vrijgesteld te kunnen worden van de verplichting werkbereid te zijn, vereist is dat de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat, om op grond van een billijkheidsreden, zoals het voortzetten van studies, vrijgesteld te kunnen worden van de verplichting werkbereid te zijn, vereist is dat de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. 3.
- Het arbeidhof beslist in het bestreden arrest dat artikel 1 van de OCMW-wet eveneens van toepassing is op het recht op maatschappelijke integratie en het recht op leefloon (7e blad, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest). Uit de overwegingen die het arbeidshof in het bestreden arrest maakt op het zevende blad, laatste alinea, t.e.m. 8e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest, blijkt dat het arbeidshof van oordeel is dat de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) voor de eiser niet noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Zoals hierboven werd uiteengezet onder nr. 1, is artikel 1 van de OCMW-wet, overeenkomstig welk de maatschappelijke dienstverlening (waarop elke persoon recht heeft) tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, niet van toepassing op het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon). De Wet Maatschappelijke Integratie maakt het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) niet afhankelijk van de voorwaarde dat de toekenning van dat recht noodzakelijk moet zijn om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het arbeidshof voegt, door de in artikel 1 van de OCMW-wet voor de toekenning van maatschappelijke dienstverlening bepaalde voorwaarde dat de betrokkene niet in staat is een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, toepasselijk te achten op het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon), een voorwaarde toe aan de Wet Maatschappelijke Integratie die daarin niet is vervat. Conclusie Door de in artikel 1 van de OCMW-wet voor de toekenning van maatschappelijke dienstverlening bepaalde voorwaarde dat de betrokkene niet in staat is een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, toepasselijk te achten op het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon), voegt het arbeidshof een voorwaarde toe aan de Wet Maatschappelijke Integratie die daarin niet is vervat (schending van de artikelen 1, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, 3, 4, §1, en 12 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie). Het arbeidshof beslist op grond van het motief dat de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) op grond van artikel 1 van de OCMW-wet noodzakelijk moet zijn om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, wat volgens het arbeidshof niet het geval is voor de eiser, niet wettig dat het voortzetten van de studies door de eiser (na twee jaar tijdskrediet) geen billijkheidsreden in de zin van artikel 3, 5°, van de Wet Maatschappelijke Integratie uitmaakt en dat aldus niet voldaan is aan de in dat artikel bepaalde voorwaarde (schending van de artikelen 1, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en 3, inzonderheid 5°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie). De op dat motief gesteunde beslissing van het arbeidshof dat de eiser voor de periode van 16 september 2004 tot en met 30 juni 2006 geen aanspraak kan maken op leefloon, is dan ook niet wettig verantwoord (schending van de artikelen 2, 12 en 13, §1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie).
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 2, 3, 4° en 5°, 12, 13, §1, en 16 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie; - artikel 27, eerste lid, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van tot het verkrijgen met ingang van 16 september 2004 van onder meer het leefloon, het hoger beroep van de eiser ongegrond en bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 6 april
- Het arbeidshof beslist dat de eiser voor de periode van 16 september 2004 tot en met 30 juni 2006 geen aanspraak kan maken op leefloon. Die beslissing is gesteund op de volgende motieven: "Conform artikel 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie moet de persoon die recht vraagt tegelijkertijd aan een aantal voorwaarden gesteld bij deze wet voldoen. Artikel 3, 4°, van voormelde wet bepaalt dat de aanvrager niet over toereikende bestaansmidden mag beschikken, noch er aanspraak kunnen op maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven. (...) Artikel 3, 5°, voorziet dat de aanvrager werkbereid moet zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is. Uit de voormelde functiebeschrijving van Service Engineer blijkt niet dat deze functie ongepast was voor (de eisen). Het feit dat men zich op zijn werk verveelt en gefrustreerd is, is irrelevant. De bewering van (de eiser) dat hij door zijn stotteren en dyslexie geen verdere doorgroeimogelijkheden bij de nv Simac had, wordt door geen document van de werkgever bevestigd en (de eiser) verwijst enkel naar een orthopedagogisch verslag van maart 1998 met een advies destijds gegeven in verband met een nieuwe studiekeuze. (De eiser) kon, na vier jaar werken opteren om opnieuw te studeren (met succes trouwens) teneinde zijn ambities waar te maken, zijn beroepsmogelijkheden te vergroten en een hoger loon te verdienen, maar het (arbeids)hof is van mening dat deze ambitie niet moet betaald worden door de gemeenschap en het voortzetten van deze studies (na twee jaar tijdskrediet) geen billijkheidsreden is in de zin van artikel 3, 5°, van voormelde wet die (de eiser) ontslaat van zijn plicht tot werkbereidheid. Het volstaat niet dat de studies aan de leefloonaanvrager betere levensomstandigheden toelaten of dat zij hem een bredere waaier aan beroepsmogelijkheden bieden; er moet ook worden onderzocht of maatschappelijke dienstverlening noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. De stelling van (de eiser) dat hij een menswaardig leven zou kunnen leiden indien hij maandelijks onderbrekingsuitkeringen zou bekomen wordt niet aangenomen door het (arbeids)hof, gezien blijkt dat de geldelijke nood geen bedreiging vormt, nu in de loop van de procedure is gebleken dat (de eiser) op 31 juni 2006 (einddatum van zijn vordering tot uitkeringen leefloon minstens maatschappelijke steun) op zijn spaarrekening nog een saldo heeft van 3.500 euro en dat (de eiser) aan zijn vader de gevraagde bijdragen (voor eten en gebruik van de wagen!) ten bedrage van 1.800 euro, 842,22 euro en 865,18 euro heeft kunnen blijven betalen. Het (arbeids)hof besluit dat (de eiser) niet gerechtigd is op leefloon als alleenstaande voor de periode van 16 september 2004 tot en met 30 juni 2006 gezien hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, 4° en 5°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Het (arbeids)hof dient de overige toekenningsvoorwaarden van voormelde wet niet verder te onderzoeken" (5e blad, midden, t.e.m. 8e blad, derde alinea, van het bestreden arrest). Grieven
- Op grond van artikel 3, 5°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, hieronder afgekort als de Wet Maatschappelijke Integratie, moet de betrokkene, om aanspraak te kunnen maken op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "(de eiser), na vier jaar werken kon opteren om opnieuw te studeren (met succes trouwens) teneinde zijn ambities waar te maken, zijn beroepsmogelijkheden te vergroten en een hoger loon te verdienen, maar het van mening is dat deze ambitie niet moet betaald worden door de gemeenschap en dat het voortzetten van deze studies (na twee jaar tijdskrediet) geen billijkheidsreden is in de zin van artikel 3, 5°, van voormelde wet die (de eiser) ontslaat van zijn plicht tot werkbereidheid" (6e blad, vijfde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof steunt zijn zienswijze dat het voortzetten van de studies door de eiser geen billijkheidsreden uitmaakt in de zin van artikel 3, 5°, van de Wet Maatschappelijke Integratie op het motief dat het niet volstaat dat de studies aan de "leefloonaanvrager" betere levensomstandigheden toelaten of dat zij hem een bredere waaier aan beroepsmogelijkheden bieden, maar ook moet worden onderzocht of maatschappelijke dienstverlening noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid (6e blad, zesde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof is van oordeel dat de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) voor de eiser niet noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid en dat op grond van de volgende overweging: "De stelling van (de eiser) dat hij een menswaardig leven zou kunnen leiden indien hij maandelijks onderbrekingsuitkeringen zou bekomen wordt niet aangenomen door het (arbeids)hof, gezien blijkt dat de geldelijke nood geen bedreiging vormt, nu in de loop van de procedure is gebleken dat (de eiser) op 31 juni 2006 (einddatum van zijn vordering tot uitkeringen-leefloon minstens maatschappelijke steun) op zijn spaarrekening nog een saldo heeft van 3.500 euro en dat (de eiser) aan zijn vader de gevraagde bijdragen (voor eten en gebruik van de wagen!) ten bedrage van 1.800 euro, 842,22 euro en 865,18 euro heeft kunnen blijven betalen". (8e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest)
- Op grond van artikel 3, 4°, van de Wet Maatschappelijke Integratie mag een persoon om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken. Dat artikel bepaalt tevens dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de bestaansmiddelen van de persoon berekent overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van titel II van de Wet Maatschappelijke Integratie. Artikel 16, §2, van de Wet Maatschappelijke Integratie (dat deel uitmaakt van hoofdstuk II van titel II van die wet) bepaalt dat de Koning bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de inkomsten kan aanduiden die, hetzij voor het geheel, hetzij gedeeltelijk, niet in aanmerking bij het berekenen van de bestaansmiddelen. Artikel 27, eerste lid, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie (hieronder afgekort als Algemeen Reglement Maatschappelijke Integratie) bepaalt dat voor de al dan niet belegde roerende kapitalen rekening wordt gehouden met 6 pct. van de schijf gelegen tussen 6.200 euro en 12.500 euro en met 10 pct. van de boven die schijf gelegen bedragen. Die bepaling houdt in dat al dan niet belegde roerende kapitalen beneden 6.200 euro niet in aanmerking komen bij het berekenen van de bestaansmiddelen. Spaargelden dienen als roerende kapitalen in de zin van artikel 27, eerste lid, van het Algemeen Reglement Maatschappelijke Integratie te worden beschouwd. 2.
- Eerste onderdeel Het arbeidshof overweegt dat "de stelling van (de eiser) dat hij een menswaardig leven zou kunnen leiden indien hij maandelijks onderbrekingsuitkeringen zou bekomen niet wordt aangenomen, gezien blijkt dat de geldelijke nood geen bedreiging vormt, nu in de loop van de procedure is gebleken dat (de eiser) op 31 juni 2006 (einddatum van zijn vordering tot uitkeringen-leefloon minstens maatschappelijke steun) op zijn spaarrekening nog een saldo heeft van 3.500 euro en dat (de eiser) aan zijn vader de gevraagde bijdragen (voor eten en gebruik van de wagen!) ten bedrage van 1.800 euro, 842,22 euro en 865,18 euro heeft kunnen blijven betalen" (8e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof houdt aldus bij zijn beoordeling van de vraag of de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) voor de eiser noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, rekening met het feit dat de eiser op 31 juni 2006, zijnde de einddatum van zijn vordering tot het verkrijgen van leefloon, op zijn spaarrekening nog een saldo heeft staan van 3.500 euro. Indien de feitenrechter bij zijn onderzoek naar de bestaansmiddelen van de betrokkene (in het kader van zijn beoordeling of de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) voor de betrokkene noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid) vaststelt dat de betrokkene over spaargelden beschikt, dient hij toepassing te maken van artikel 27, eerste lid, van het Algemeen Reglement Maatschappelijke Integratie en kan hij niet het volledige bedrag aan spaargelden in aanmerking nemen dat de betrokkene op één bepaald ogenblik heeft. Het arbeidshof stelt vast dat de eiser over spaargelden beschikte, zodat het toepassing diende te maken van artikel 27, eerste lid, van het Algemeen Reglement Maatschappelijke Integratie, wat het evenwel niet heeft gedaan. Conclusie Door geen toepassing te maken van artikel 27, eerste lid, van het Algemeen Reglement Maatschappelijke Integratie en het volledige bedrag aan spaargelden in aanmerking te nemen bij het onderzoek naar de bestaansmiddelen van de eiser, schendt het arbeidshof dat artikel, evenals de artikelen 3, 4°, en 16 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (schending van de artikelen 27, eerste lid, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie, 3, 4°, en 16 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie). Het arbeidshof overweegt dan ook niet wettig dat niet kan aangenomen worden dat de eiser een menswaardig leven zou kunnen leiden indien hij maandelijks onderbrekingsuitkeringen zou verkrijgen (en dus dat de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie (in de vorm van een leefloon) voor de eiser niet noodzakelijk was om een menswaardig leven te leiden) en beslist op grond van die overweging niet wettig dat het voortzetten van de studies door de eiser (na twee jaar tijdskrediet) geen billijkheidsreden in de zin van artikel 3, 5°, van de Wet Maatschap-pelijke Integratie uitmaakt en dat aldus niet voldaan is aan de in dat artikel bepaalde voorwaarde (schending van artikel 3, 5°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie). De op dat motief gesteunde beslissing van het arbeidshof dat de eiser voor de periode van 16 september 2004 tot en met 30 juni 2006 geen aanspraak kan maken op leefloon, is derhalve niet wettig verantwoord (schending van de artikelen 2, 12 en 13, §1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie). 2.
- Tweede onderdeel Minstens maakt het arbeidshof het door het Hof uit te oefenen toezicht op de naleving van artikel 27, eerste lid, van het Algemeen Reglement Maatschappelijke Integratie, onmogelijk. Voor de toepassing van artikel 27, eerste lid, van het Algemeen Reglement Maatschappelijke Integratie dient rekening te worden gehouden met de spaargelden (roerende kapitalen) waarover de betrokkene beschikt tijdens de periode waarvoor het leefloon wordt gevorderd. Het arbeidshof geeft in het bestreden arrest enkel aan dat de eiser op 31 juni 2006, zijnde de einddatum van zijn vordering tot het verkrijgen van een leefloon, op zijn spaarrekening nog een bedrag had staan van 3.500 euro (8e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest). Het geeft niet aan over hoeveel spaargelden de eiser beschikte tijdens de periode waarvoor hij leefloon vorderde. Conclusie Door niet aan te geven over hoeveel spaargelden de eiser tijdens de periode waarvoor hij leefloon vorderde beschikte, maakt het arbeidshof het toezicht door het Hof op de naleving van artikel 27, eerste lid, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie, onmogelijk en schendt aldus artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens artikel 2, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, heeft elke persoon recht op maatschappelijke integratie. Krachtens artikel 3, 4°, van die wet, moet de persoon om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, tegelijkertijd en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij deze wet worden gesteld, niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak kunnen op maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven. Krachtens artikel 3, 5°, van zelfde wet, moet de persoon om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten ook werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is.
- De regel van artikel 3, 4°, van voormelde wet krachtens dewelke, om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, de betrokken persoon niet in staat mag zijn door eigen inspanningen toereikende bestaansmiddelen te verwerven, geldt niet wanneer, om billijkheidsredenen, moet aanvaard worden dat de betrokkene geen blijk dient te geven van werkbereidheid. De enkele omstandigheid dat een persoon van meer dan 25 jaar, die blijk heeft gegeven in de mogelijkheid te verkeren om, op duurzame wijze en in het kader van een passende functie, toereikende bestaansmiddelen te verwerven en derhalve blijk heeft gegeven van maatschappelijke integratie, opnieuw studies wenst aan te vatten, verder te zetten of te hervatten, kan niet worden aangezien als een billijkheidsreden van aard de betrokkene van werkbereidheid te ontslaan, ook al zouden deze studies van aard zijn zijn beroepsmogelijkheden te vergroten of hem toe te laten een hoger loon te verdienen.
- De appelrechters stellen vast dat de eiser, die geboren is op 29 september 1978 en met ingang van 16 september 2004 leefloon aanvroeg om aangevatte studies verder te zetten, in staat was door zijn inspanningen bestaansmiddelen te verwerven, nu hij gedurende meer dan vier jaar in loondienst heeft gewerkt. Zij oordelen dat: - artikel 3, 5°, van de wet van 26 mei 2002 bepaalt dat de aanvrager werkbereid moet zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is; - uit de beschrijving van de door de eiser uitgeoefende functie niet blijkt dat deze functie voor hem niet passend was; - de eiser, na vier jaar werken, kon opteren om opnieuw te studeren teneinde zijn ambities waar te maken, zijn beroepsmogelijkheden te vergroten en een hoger loon te verdienen, maar dat deze ambitie niet moet betaald worden door de gemeenschap en dat het voortzetten van die studies geen billijkheidsreden is in de zin van artikel 3, 5°, van voormelde wet, die de eiser ontslaat van zijn plicht tot werkbereidheid.
- Op deze gronden vermochten de appelrechters, zonder schending van het artikel 3, 5°, van de wet 26 mei 2002, te oordelen dat de eiser niet voldeed aan de in dit artikel vermelde voorwaarde om het recht op maatschappelijke integratie en leefloon te kunnen genieten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters ten onrechte oordelen dat de eiser op grond van billijkheidsredenen niet kan worden ontslagen van de verplichting tot werkbereidheid, nu niet blijkt dat hij, door het niet verder zetten van zijn beroepswerkzaamheden, geen menswaardig leven meer zou kunnen leiden, vecht het een overtollige reden van het arrest aan. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. Overige grieven
- Gelet op de in randnummer 4 vermelde beslissing kunnen de overige grieven, al waren zij gegrond, niet tot cassatie leiden en zijn zij, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Kosten
- Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dient de verweerder te worden veroordeeld in de kosten. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de verweerder in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 176,74 euro jegens de eisende partij en op de som van 250,98 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 22 september 2008 uitgesproken door afdelings-voorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080922.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010226.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121119.3 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.845 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div