← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.2 Rolnummer: C.07.0531.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-21 Raadplegingen: 676 - laatst gezien 2026-07-03 10:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het in de artikelen 136, § 2, eerste en vierde lid van de wet van 14 juli 1994, neergelegde verbod om de in de wet bedoelde prestaties te cumuleren met de vergoedingen verschuldigd krachtens het gemeen recht of krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving en de indeplaatsstelling van de verzekeringsinstelling in de rechten van de rechthebbende zijn alleen van toepassing in zoverre die prestaties en vergoedingen betrekking hebben op dezelfde schade of hetzelfde deel van de schade

(1).
(1)Zie Cass., 4 mei 1988, AR 6476, A.C., 1987-1988, nr
  1. Zie Cass., 10 feb. 1992, AR 9293, A.C., 1992, nr
  2. Zie Cass., 22 okt. 1993, AR 8034, A.C., 1993, nr
  3. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden - Uitkeringsverzekering Vrije woorden: Verzekeringsinstelling - Verleende prestaties - Cumulatieverbod - Indeplaatsstelling - Dezelfde schade - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - Art. 136, § 2, eerste en vierde lid Fiche 2 Wanneer de verzekeringsinstelling arbeidsongeschiktheidsuitkeringen heeft betaald voor een bepaalde periode, treedt zij niet in de rechten van de rechthebbende met betrekking tot de bedragen die de aansprakelijke naar gemeen recht verschuldigd is voor een daaropvolgende periode, nu de gemeenrechtelijke vergoeding in dat geval niet hetzelfde deel van de schade dekt als de door de verzekeringsinstelling betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden - Uitkeringsverzekering Vrije woorden: Arbeidsongeschiktheid - Verzekeringsinstelling - Periodiek verleende prestaties - Subrogatie - Dezelfde schade Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - Art. 136, § 2, eerste en vierde lid Tekst van de beslissing Nr. C.07.0531.N V.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579, bus 40, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 22 juni 2007 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 12 juni 2008 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 136, §2, vierde lid, van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet van 9 augustus 1963 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (tevens in de versie zoals dit artikel, vóór de coördinatie bij het koninklijk besluit van 14 juli 1994, bestond als artikel 76quater, §2, vierde lid, van de wet van 9 augustus 1963); - de artikelen 1319, 1320, 1322, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing De rechtbank van eerste aanleg verklaart eisers hoger beroep ongegrond en bevestigt het vonnis van de politierechtbank waarbij de eiser wordt veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag van 45.191,14 euro aan de verweerder. De rechtbank van eerste aanleg beslist aldus op volgende gronden (pag. 3-5 van het bestreden vonnis): "De rechtbank stelt vast : (...) dat diezelfde politierechtbank op 11 februari 2003 een vonnis heeft uitgesproken, waarin onder meer: * de veroordeling van (de eiser) werd uitgesproken tot betaling aan E.B. van 52.381,63 euro te vermeerderen met de moratoire rente vanaf 11 februari 2003 tot de dag der effectieve betaling (in het vonnis wordt dit bedrag samengevat als volgt berekend: 95.980,65 euro loonverlies in de periode van 16 mei 1993 tot 30 augustus 1998 + 29.320,69 euro loonverlies in de periode van 1 september 1998 tot 11 februari 2003 + 52.381,63 euro loonverlies voor de toekomst, d.w.z. vanaf de datum van het vonnis = 177.682,97 euro in totaal, met dien verstande dat de door E.B. reeds ontvangen dagvergoedingen vanwege (de verweerder) ten bedrage van in totaal 126.933,27 euro in mindering dienden te worden gebracht van de schade tot op de datum van het vonnis maar niet op de toekomstige schade, aangezien de verleden en toekomstige schade ten bedrage van 52.381,63 euro aan E.B. toekwam) (in het vonnis wordt daarenboven opgemerkt dat wel degelijk het volledige bedrag van de door de mutualiteit verleende prestaties moet worden aangerekend op de globale vergoeding die naar gemeen recht verschuldigd is); (...) Er wordt niet betwist dat het vonnis van 11 februari 2003 in kracht van gewijsde is gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit evenwel niet dat er sprake is van rechterlijk gewijsde wat de in dit vonnis gemaakte overweging betreft dat het volledige bedrag van de door (de verweerder) verleende prestaties moet worden aangerekend op de volledige vergoeding die naar gemeen recht verschuldigd is omdat de verleden en toekomstige schade voor de toepassing van het subrogatierecht van de (de verweerder) en dus ook aangaande het cumulatieverbod (als het ware de keerzijde van dezelfde medaille) niet als dezelfde schade worden beschouwd. Deze overweging heeft immers geen uitstaans met de lastens (de eiser) uitgesproken veroordeling tot betaling aan (de verweerder), maar heeft enkel uitstaans met de lastens (de eiser) uitgesproken veroordeling tot betaling aan de heer E.B. Het is niet omdat er in dezelfde overweging terloops sprake is van het subrogatierecht van (de eiser), dat zij dienstig is als motivering voor de lastens (de eiser) uitgesproken veroordeling tot betaling aan (de verweerder). Ten gronde stelt de rechtbank vast dat in artikel 136, §2, vierde lid, van de gecoördineerde wetten betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen het hiernavolgende wordt bepaald: ‘De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende; deze indeplaatstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden'. Naar het oordeel van de Rechtbank zou aan de duidelijke tekst van artikel 136, §2, vierde lid, een voorwaarde worden toegevoegd indien de stelling van (de eiser) zou worden gevolgd, namelijk dat (de verweerder) niet gesubrogeerd is in de rechten van E.B. ten belope van de aan laatstgenoemde toegekende vergoeding wegens inkomstenschade in de toekomst, d.w.z. daterend van na het vonnis van 11 februari
  4. Het staat vast (en dit wordt trouwens niet betwist) dat (de verweerder) reeds voor in totaal 127.968,76 euro aan dagvergoedingen heeft uitbetaald. Tot beloop van dit bedrag is (de verweerder) krachtens artikel 136, §2, vierde lid, van de ZIV-Wet in de plaats getreden van E.B., niet enkel wat de door laatstgenoemde geleden schade in de periode voorafgaand aan 11 februari 2003 betreft, maar ook wat de door hem geleden schade in de periode na 11 februari 2003 betreft. De wettekst spreekt immers van ‘het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn'. Het feit dat alle reeds uitbetaalde dagvergoedingen betrekking hebben op inkomstenverlies dat E.B. heeft geleden vóór 11 februari 2003, doet naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk aan de duidelijke tekst van de wet. De eerste rechter heeft dan ook terecht beslist dat, aangezien de globale vergoeding wegens inkomstenverlies die naar gemeen recht aan E.B. verschuldigd was op basis van het vonnis van 11 februari 2003 (in totaal 177.682,97 euro) hoger is dan de door (de verweerder) in totaal berekende en uitbetaalde dagvergoedingen die dezelfde verdienvermogenschade dekken, aangezien de uitgavenstaten 1 tot en met 5 vrijwillig werden betaald en aangezien bij vonnis van 13 maart 2001 veroordeling werd uitgesproken voor wat betreft de staten 6, 8, 9 en 10 voor in totaal 40.684,73 euro, (de verweerder) het totaal bedrag niet overschrijdt dat E.B. zelf had kunnen vorderen". Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 136, §2, vierde lid, van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoordineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de schade waarvoor de verzekeringsinstelling prestaties heeft verleend, geheel of gedeeltelijk vergoeden. De gesubrogeerde verzekeringsinstelling kan niet meer dan de rechten van de oorspronkelijke schuldeiser doen gelden ten aanzien van de derde aansprakelijke. De verzekeringsinstelling treedt bijgevolg slechts in de plaats van de rechthebbende, als de door haar verleende prestaties en de gemeenrechtelijke schadevergoeding dezelfde schade of hetzelfde gedeelte van de schade van de rechthebbende dekken. Als een rechter vaststelt dat een verzekeringsinstelling arbeidsongeschiktheidsuitkeringen heeft uitbetaald voor een bepaalde periode, kan hij dan ook niet naar recht beslissen dat de verzekeringsinstelling in de plaats van de rechthebbende treedt voor de bedragen die de aansprakelijke naar gemeen recht verschuldigd is voor een daaropvolgende periode. De door de verzekeringsinstelling uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de schadevergoeding dekken in dat geval immers niet hetzelfde deel van de schade. In zijn appelconclusies (pag. 2 en 3 van de conclusie en pag. 2 van de tweede conclusie voor de rechtbank van eerste aanleg) voerde de eiser aan dat verweerders vordering betrekking heeft op de inkomstenschade van de heer B. voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 28 februari 2003, dat deze schade bij het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de Politierechtbank te Kortrijk van 11 februari 2003 is vastgesteld op 15,96 euro per kalenderdag en dat de verweerder als gesubrogeerde in de rechten van de heer B. voor die periode niet meer kan terugvorderen dan de heer B. zelf, met name het bedrag van 1.155 x 15,96 of 18.433,80 euro. De eiser voerde voorts aan dat bijgevolg niet de integrale vordering van de verweerder moet worden vergeleken met de integrale vordering van de heer B. ten opzichte van de eiser, maar dat hun vorderingen slechts mogen worden vergeleken, voor zover zij betrekking hebben op de periode van 1 januari 2000 tot en met 28 februari 2003, vermits de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waarvoor de verweerder in de rechten van de heer B. is getreden, betrekking hebben op die periode. De appelrechters stellen vast dat de verweerder aan de heer B. dagvergoedingen heeft uitbetaald voor een totaal bedrag van 127.968,76 euro en dat deze vergoedingen betrekking hebben op het door betrokkene vóór 11 februari 2003 geleden inkomstenverlies. Toch beslissen de appelrechters dat de verweerder tot beloop van dit bedrag in de plaats is getreden van de heer B. , niet enkel wat de schade van de heer B. in de periode vóór 11 februari 2003 betreft, maar ook voor de door hem geleden schade in de periode na 11 februari
  5. De appelrechters stellen vast dat de globale gemeenrechtelijke schadevergoeding (177.682,97 euro) hoger is dan het bedrag van de door de verweerder betaalde dagvergoedingen (127.968,76) euro en leiden daaruit af dat de verweerders vordering het totaal bedrag niet overschrijdt dat de heer B. zelf had kunnen vorderen. De appelrechters verklaren vervolgens verweerders vordering tot betaling van 45.191,14 euro gegrond, hoewel dit bedrag ruimschoots het bedrag van de door de heer B. in dezelfde periode geleden schade, gelijk aan 18.433,80 euro, overtreft. De appelrechters beslissen derhalve niet naar recht dat de verweerder in de plaats is getreden van de heer B. , ook voor de door die persoon geleden schade in de periode na 11 februari
  6. Daardoor miskennen zij de wettelijke term "die de schade waarvoor de verzekeringsinstelling prestaties heeft verleend, geheel of gedeeltelijk vergoeden" en laten zij de verweerder in de plaats treden van de heer B. voor een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat de verweerder verschuldigd is aan de heer B. (schending van artikel 136, §2, vierde lid, van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals in het middel gepreciseerd). De beslissing van de appelrechters leidt tevens ertoe dat de eiser gehouden is tot betaling aan de verweerder en de heer B. samen van een bedrag dat hoger is dan het bedrag van de naar gemeen recht vastgestelde schadevergoeding (schending van de artikelen 136, §2, vierde lid, van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals in het middel gepreciseerd en 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Overeenkomstig de artikelen 1319 en 1320 van het Burgerlijk Wetboek levert de authentieke akte tussen de contracterende partijen en hun erfgenamen of rechtverkrijgenden een volledig bewijs op van de overeenkomst die erin is vervat. De akte, zij het een authentieke of een onderhandse, levert tussen partijen bewijs op, zelfs van hetgeen daarin slechts bij wijze van vermelding wordt uitgedrukt, mits de vermelding rechtstreeks verband houdt met de beschikking. In zijn appelconclusies (pag. 2 en 3 van de conclusie en pag. 2 van de tweede conclusie voor de rechtbank van eerste aanleg) voert de eiser aan dat verweerders vordering betrekking heeft op de inkomstenschade van de heer B. , die bij het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de Politierechtbank te Kortrijk van 11 februari 2003 is vastgesteld op 15,96 euro per kalenderdag en dat de verweerder als gesubrogeerde in de rechten van de heer B. voor die periode niet meer kan terugvorderen dan de heer B. zelf, met name het bedrag van 1.155 x 15,96 of 18.433,80 euro. De appelrechters stellen wel vast dat de Politierechtbank te Kortrijk in het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 11 februari 2003 overweegt dat de verleden en toekomstige schade voor de toepassing van het subrogatierecht van de mutualiteit en dus ook aangaande het cumulatieverbod (als het ware de keerzijde van zelfde medaille) niet als dezelfde schade worden beschouwd, maar verwerpen het verweer van de eiser dat deze overweging van de politierechtbank geen uitstaans heeft met de lastens de eiser uitgesproken veroordeling tot betaling aan de verweerder. Uit de in het bestreden vonnis (pag. 4) aangehaalde bewoordingen van het vonnis van de Politierechtbank te Kortrijk van 11 februari 2003 "met dien verstande dat de door E.B. reeds ontvangen dagvergoedingen vanwege (de verweerder) ten bedrage van in totaal 126.933,27 euro in mindering dienden te worden gebracht van de schade tot op de datum van het vonnis maar niet op de toekomstige schade, aangezien de verleden en toekomstige schade niet worden beschouwd als dezelfde schade voor de toepassing van het subrogatierecht van de mutualiteit, en dus ook aangaande het cumulatieverbod" en inzonderheid uit de woorden "voor de toepassing van het subrogatierecht van de mutualiteit" blijkt onomstotelijk dat de overweging van de politierechtbank evenzeer uitstaans heeft met de vordering van de verweerder als met de vordering van de heer B. . De appelrechters die beslissen dat die overweging geen uitstaans heeft met de lastens de eiser uitgesproken veroordeling tot betaling aan de verweerder, geven bijgevolg een uitlegging van het vonnis van 11 februari 2003, die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Door van het vonnis van de Politierechtbank te Kortrijk van 11 februari 2003 een uitlegging te geven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, miskennen de appelrechters derhalve de bewijskracht van dat vonnis (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Door hun beslissing dat de verweerder tot beloop van het bedrag van 127.968,76 euro in de plaats is getreden van de heer B. , ook voor de door hem geleden schade in de periode na 11 februari 2003, te steunen op die uitlegging van het vonnis laten de appelrechters de verweerder in de plaats treden van de heer B. voor een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat de verweerder verschuldigd is aan de heer B. (schending van artikel 136, §2, vierde lid, van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals in het middel gepreciseerd). De beslissing van de appelrechters leidt tevens ertoe dat de eiser gehouden is tot betaling aan de verweerder en de heer B. samen van een bedrag dat hoger is dan het bedrag van de naar gemeen recht vastgestelde schadevergoeding (schending van de artikelen 136, §2, vierde lid, van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals in het middel gepreciseerd en 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  7. Krachtens artikel 136, §2, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de bij deze wet bepaalde prestaties geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend, behoudens in zoverre de bedragen die krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend minder belopen dan de prestaties van de verzekering. Op grond van artikel 136, §2, vierde lid, van dezelfde wet, treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende tot beloop van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.
  8. Het in deze bepalingen neergelegde verbod om de in de wet bedoelde prestaties te cumuleren met de vergoedingen verschuldigd krachtens het gemeen recht of krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving en de indeplaatsstelling van de verzekeringsinstelling in de rechten van de rechthebbende zijn alleen van toepassing in zoverre die prestaties en vergoedingen betrekking hebben op dezelfde schade of hetzelfde deel van de schade. Wanneer de verzekeringsinstelling arbeidsongeschiktheidsuitkeringen heeft betaald voor een bepaalde periode, treedt zij niet in de rechten van de rechthebbende met betrekking tot de bedragen die de aansprakelijke naar gemeen recht verschuldigd is voor een daaropvolgende periode, nu de gemeenrechtelijke vergoeding in dat geval niet hetzelfde deel van de schade dekt als de door de verzekeringsinstelling betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat: - de eiser aansprakelijk werd gesteld voor een verkeersongeval waarvan de heer E. B. , rechthebbende van de verweerder, het slachtoffer werd; - de Politierechtbank van Kortrijk bij vonnis van 11 februari 2003 de eiser veroordeelde, onder meer, tot betaling van een schadevergoeding aan de heer B. ; - de verweerder de betaling van dagvergoedingen aan de heer B. heeft stopgezet na het voormelde vonnis van de Politierechtbank van Kortrijk; - de vordering van de verweerder betrekking heeft op dagvergoedingen uitbetaald aan de heer B. in de periode van 1 januari 2000 tot en met 28 februari
  10. Na te hebben vastgesteld dat alle reeds uitbetaalde dagvergoedingen betrekking hebben op inkomstenverlies dat de heer B. heeft geleden vóór 11 februari 2003, oordelen de appelrechters dat de verweerder in de plaats is getreden van de heer B. , niet alleen wat de door hem geleden schade in de periode voorafgaand aan 11 februari 2003 betreft, maar ook wat de door hem geleden schade in de periode na 11 februari 2003 betreft. Hierdoor schenden de appelrechters artikel 136, §2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
  11. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 22 september 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220127.1N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.