← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.3 Rolnummer: S.07.0103.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-10-21 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-07-03 03:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 42, eerste lid, van de Sociale Zekerheidswet Werknemers 1969 en artikel 34, eerste en voorlaatste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 volgt dat het recht van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om een vordering in te stellen tot betaling van de bijdragen voor het verstreken kwartaal, slechts ontstaat na het verstrijken van de in het voorlaatste lid van het artikel 34 bepaalde termijn en dat de verjaringstermijn derhalve slechts op dat ogenblik ingaat. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Sociale-zekerheidsbijdragen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Verminderingen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Werkgevers - Bijdragen - Rechtsvordering van de R.S.Z. - Verjaringstermijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - Art. 42, eerste lid Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - Art. 34, eerste en voorlaatste lid Fiche 2 Uit het geheel van de bepalingen van artikel 127bis, eerste en tweede lid van de Programmawet van 30 december 1988, en artikel 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127bis, van de Programmawet van 30 december 1988 volgt dat de werkgever, die nalaat binnen de termijn bepaald in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 voor de werknemers bedoeld in de artikelen 118, § 1, 1°, 2°, 3° en 6°, en 119, a en c, van de Programmawet van 30 december 1988 bij het bevoegde gewestelijk bureau het in dit artikel bedoeld getuigschrift aan te vragen, het recht verliest om het voordeel van Hoofdstuk VII van zelfde wet te genieten. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Sociale-zekerheidsbijdragen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Verminderingen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Werkgevers - Bijdragevermindering - Voorwaarde - Aanvragen van een getuigschrift - Aard van de voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 30-12-1988 - Art. 127bis, eerste en tweede lid Koninklijk Besluit - 05-08-1991 - Art. 1, eerste lid Fiche 3 Het in de artikelen 10 en 11, van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel houdt niet in dat uit de enkele omstandigheid dat een overheidsinstelling in bepaalde gevallen en zonder verantwoording nalaat aan het niet vervullen van een door de wet voorziene formaliteit de door deze wet voorziene gevolgen te verbinden, rechten kunnen worden geput door een derde, die heeft nagelaten dezelfde formaliteit te vervullen. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Sociale-zekerheidsbijdragen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Verminderingen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: Gelijkheid van de Belgen voor de wet - Handelswijze van een overheidsinstelling - Rechten die een derde hieruit kan putten Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Tekst van de beslissing Nr. S.07.0103.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen INSURANCE COMPANY VERSTRAETEN, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2275 Lille (Wechelderzande), Azalealaan 23, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 20 mei 2005 en 16 februari 2007 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 23, 28 en 42 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet), artikel 28 vóór en nà zijn wijziging bij wet van 25 januari 1999, doch vóór zijn wijziging bij wet van 27 december 2005, artikel 42 vóór zijn wijziging bij wet van 3 juli 2005; - de artikelen 34 en 54 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (Uitvoeringsbesluit). Aangevochten beslissing Het bestreden tussenarrest van 20 mei 2005 oordeelt dat de vordering van de eiser, in de mate dat ze betrekking heeft op het eerste kwartaal van 1997, verjaard is: "(De eiser) ging een eerste maal tot dagvaarding over op 19 april 2002 op basis van een aangehecht rekeninguittreksel van 4 april 2002. Dit rekeninguittreksel vermeldt een ambtshalve regularisatie (code 121) voor het eerste kwartaal 1997. Uit de feiten blijkt dat deze ambtshalve regularisatie betrekking heeft op het annuleren door (de eiser) van bijdrageverminderingen die door (de verweerster) via SD WORX waren toegepast. (De verweerster) paste deze bijdrageverminderingen voor M.V.T. toe vanaf het begin van haar tewerkstelling op 4 november 1996. Door deze verminderingen pas op de helling te zetten vanaf het eerste kwartaal 1997 geeft (de eiser) aan dat hij de vijfjarige verjaringstermijn wil respecteren. Deze termijn is beginnen lopen in november 1996 en werd pas geldig gestuit door de eerste dagvaarding van 19 april 2002. Deze dagvaarding situeert zich in het tweede kwartaal van 2002. Deze stuiting in het tweede kwartaal van 2002 maakt dat (de eiser) in het verleden maar kan teruggaan vanaf de stuitingsdatum tot en met het tweede kwartaal 1997. Dus de regularisatie kan niet terugreiken tot het eerste kwartaal van 1997. Bovendien zijn er de aangetekende brieven van 6 en 11 juni 2002, die trouwens expliciet vermelden dat ze zijn verstuurd om de verjaring te stuiten. Een beetje eigenaardig wel omdat intussen de dagvaarding van 19 april 2002 voor een stuiting had gezorgd. Er bestaat tegenstrijdigheid over het gegeven hoever (de eiser) nu effectief is teruggegaan. Volgens de eerste ingebrekestelling van 6 juni 2002 (stukken 5 van (de eiser)) was (de verweerster) een bedrag van 1.047,92 euro verschuldigd voor het eerste kwartaal 1997. Volgens de tweede ingebrekestelling van 11 juni 2002 (stukken 5 van (de eiser)) was (de verweerster) hetzelfde bedrag verschuldigd voor het tweede kwartaal 1997. De tweede ingebrekestelling vermeldt uitdrukkelijk: ‘Deze brief vervangt en vernietigt onze brief van 6 juni 2002'. Deze vermelding doet veronderstellen dat (de eiser) inderdaad niet verder wil teruggaan dan het tweede kwartaal van 1997. Desondanks herneemt het rekeninguittreksel, dat is vastgehecht aan de eerste dagvaarding, hetzelfde bedrag van 1.047,92 euro als bijdragen voor het eerste kwartaal van 1997. Leest men dit rekeninguittreksel in combinatie met het rekeninguittreksel, afgesloten op 12 augustus 2002, dat is vastgehecht aan de tweede dagvaarding van 7 oktober 2002, dan stelt men vast dat voor het tweede kwartaal 1997 opnieuw 1.047,92 euro in rekening wordt gebracht. Een en ander is niet duidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat de vordering van (de eiser), bij zoverre ze betrekking zou hebben op het eerste kwartaal van 1997 verjaard is. Als (de eiser) zou toegeven dat de vordering, zoals ze is ingesteld in de eerste dagvaarding van 19 april 2002, met betrekking dus tot het eerste kwartaal van 1997, verjaard is, dan merkt het (arbeids)hof op dat het rekeninguittreksel, dat is vastgehecht aan deze dagvaarding een creditpost bevat van 183,13 euro. Indien de vordering van (de eiser) op basis van dit rekeninguittreksel zou komen te vervallen omwille van de verjaring, wat moet er dan met dit credit gebeuren? Om één en ander op punt te zetten, heropent het (arbeids)hof de debatten" (tussenarrest, p.5 - 6). In het eindarrest van 16 februari 2007 vernietigt het arbeidshof het vonnis van de eerste rechter en wordt de vordering van de eiser ongegrond verklaard. Grieven 1. Overeenkomstig artikel 34, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit zijn de socialezekerheidsbijdragen door de werkgever verschuldigd op de navolgende vier data van elk jaar: 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december. De kwartaalbijdrageschuld die de werkgever op grond van artikel 23, §2, RSZ-wet aan de eiser is verschuldigd, ontstaat bijgevolg eerst op de vier, in het Uitvoeringsbesluit voorgeschreven data van elk jaar. 2. De bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn, dienen door de werkgever, uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal, te worden betaald (artikel 34, voorlaatste lid, Uitvoeringsbesluit). Hierdoor ontstaat het recht om een vordering in te stellen wegens niet betaalde bijdragen pas bij het verstrijken van voormelde termijn. 3. Ook de verjaring van de vordering tot betaling van niet betaalde bijdragen betreffende een bepaald kwartaal kan bijgevolg pas ingaan de dag na het verstrijken van de maand die op het kwartaal volgt (artikel 42 RSZ-wet). 4. De vordering van de eiser had betrekking op de betaling van achterstallige socialezekerheidsbijdragen, meer de bijdrageopslagen en de verwijlintresten, waarvan de oudste bijdrageschuld betrekking had op het eerste kwartaal van 1997. Op grond van artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit is deze kwartaalbijdrageschuld verschuldigd vanaf 31 maart 1997, en opeisbaar vanaf 1 mei 1997, zodat de rechtsvordering tot betalen van deze bijdragen verjaard op 1 mei 2002, hetzij vijf jaar later (zie artikel 42 RSZ-wet). Op het ogenblik van de dagvaarding van 19 april 2002 waren de bijdragen voor het eerste kwartaal van 1997 derhalve nog niet verjaard zodat de appelrechters ten onrechte hebben beslist dat deze dagvaarding geen stuitende werking had voor de bijdragen verschuldigd voor het eerste kwartaal van 1997 op grond van het loutere feit dat deze dagvaarding zich situeerde in het tweede kwartaal van 2002 waardoor de eiser slechts in het verleden kan teruggaan tot het tweede kwartaal van 1997. 5. Hieruit volgt dat het bestreden tussenarrest niet wettig heeft beslist dat de regularisatie niet kan terugreiken tot het eerste kwartaal van 1997 en dat de vordering van de eiser, bij zoverre ze betrekking heeft op het eerste kwartaal van 1997, verjaard is (schending van de artikelen 23, 28 en 42 RSZ-wet, 34 en 54 Uitvoeringsbesluit). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127bis van de Programmawet van 30 december 1988, artikel 1 vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 5 september 2001; - de artikelen 114 tot 131 van de Programmawet van 30 december 1988, artikel 117, §1, zowel vóór als nà zijn vervanging bij wet van 13 februari 1998, artikel 118 en 127bis vóór hun wijziging bij wet van 2 januari 2001, artikel 119 vóór zijn wijziging bij wet van 12 augustus 2000, artikel 128 vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 30 november 2001; - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aangevochten beslissing In het bestreden tussenarrest van 20 mei 2005 komen de appelrechters tot het besluit dat de termijn van 30 dagen waarbinnen de werkgever aan het bevoegde gewestelijke bureau van de RVA het getuigschrift moet aanvragen dat hem toelaat te genieten van de bijdragevermindering van het plan-plus-één, door de eiser kennelijk niet als een vervaltermijn wordt beschouwd nu het niet-respecteren van die termijn de ene keer niet en de andere keer wel tot annulatie van de bijdragevermindering aanleiding geeft (zie de overwegingen van het tussenarrest op p. 6, derde laatste alinea t.e.m. p. 8, laatste alinea, welke de eiser bestrijdt en die hier als hernomen moeten worden beschouwd). Het tussenarrest heropent, alvorens verder recht te doen ten gronde, dienvolgens de debatten teneinde de eiser toe te laten "zijn beleid terzake te verduidelijken. De meeste duidelijkheid zou (de eiser) brengen door over een relevante periode, die minstens de periode bestrijkt die hier in geding is, een overzicht te bezorgen van zoveel mogelijk dossiers met bijdrageverminderingen en in elk van deze dossiers aan te geven wanneer het niet respecteren van de termijn van dertig dagen heeft geleid tot een annulatie. Daarbij zou best worden aangegeven waarom de beslissing telkens in de één of de andere zin werd genomen". In het eindarrest van 16 februari 2007 vernietigt het arbeidshof het vonnis van de eerste rechter en verklaart de vorderingen van de eiser ongegrond, zulks om reden dat: "De ganse vordering van (de eiser) heeft betrekking op de annulatie van de bijdrageverminderingen, die door (de verweerster) werd toegepast. (De eiser) steunt deze vordering op het gegeven dat (de verweerster) het attest C63 niet tijdig bij het bevoegde gewestelijk bureau van de RVA had aangevraagd. Hierdoor miskende (de verweerster) de toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, tot uitvoering van artikel 127bis van de Programmawet van 30 december 1988. Het openbaar ministerie situeert in zijn advies van 15 december 2006 de problematiek van de bijdrageverminderingen in het kader van het zogenaamde ‘plus één plan' op een duidelijke en overzichtelijke wijze in zijn wettelijke context. Het (arbeids)hof verwijst naar deze uiteenzetting onder de punten 4.3.2. en 4.3.3. van het schriftelijke advies. Geplaatst tegen zijn historische achtergrond is het duidelijk dat de regelgever in de vorm van het attest C63 een instrument ter beschikking wil stellen om de onderliggende realiteit, namelijk de volledig uitkeringsgerechtigde werkloosheid van de aangenomen werknemer, gemakkelijk te bewijzen. Het is duidelijk dat dit attest niets meer of niets minder is dan een wel bepaald bewijsinstrument maar dat het niet constitutief is tot vestiging van de hoedanigheid van volledig uitkeringsgerechtigde werkloosheid bij de betrokken werknemer. Het is even duidelijk dat de wetgever dit bewijsinstrument enkel heeft aangereikt met de bedoeling zekerheid en eenvoud te bewerkstelligen omtrent het bewijs dat de in dienst genomen werknemer de noodzakelijke in de programmawet gestelde voorwaarden vervulde om voor de werkgever het recht op bijdragevermindering te openen (zie advies van het openbaar ministerie o.c. blz. 10). Het (arbeids)hof merkte in het arrest van 20 mei 2005 op dat (de eiser) echter geen consequent gebruik maakt van dit instrument, aangereikt door de regelgever. Daarom wou het (arbeids)hof meer inzicht verkrijgen in het beleid dat (de eiser) op dit vlak hanteerde en vroeg het (arbeids)hof aan (de eiser) om dit beleid te verduidelijken. Uit de conclusies die (de eiser) nam na dit tussenarrest van 20 mei 2005 blijkt dat hij zijn beleid op dit vlak niet wenst te verduidelijken. De reden die hij daarvoor opgeeft, namelijk schending van de privacy, wordt door het (arbeids)hof verworpen. Het (arbeids)hof is namelijk van oordeel dat (de eiser) zonder de privacy te moeten schenden, perfect zijn beleid kan verduidelijken over hoe hij omgaat met het attest C63 in de afwikkeling van dossiers, waarin door de werkgever bijdrageverminderingen in het kader van het plus één plan werden toegepast. In die omstandigheden kan het (arbeids)hof enkel vaststellen dat er objectieve aanwijzingen zijn dat (de eiser) niet in alle gevallen, waarin het C63 attest door de werkgever niet tijdig werd aangevraagd bij het bevoegde gewestelijke bureau van de RVA, de beslissing nam om de bedoelde bijdrageverminderingen die door de betrokken werkgever werden toegepast, te annuleren. In het arrest van 20 mei 2005 gaf het (arbeids)hof reeds aan welk deze objectieve aanwijzingen zijn. Deze vaststelling bewijst dat (de eiser) het instrument dat de regelgever hem aanreikte om meer zekerheid en gemak te hebben bij de afhandeling van de dossiers van bijdrageverminderingen, in bepaalde gevallen niet gebruikt. Het (arbeids)hof stelt tevens vast dat de regelgever het gebruik van dit instrument niet verplicht heeft opgelegd aan (de eiser). Nu (de eiser) dan wel dan niet het verstrijken van de termijn van dertig dagen om het attest C63 aan te vragen, aangrijpt om de bijdrageverminderingen te annuleren, creëert hij een ongelijke behandeling tussen werkgevers die zich in dezelfde uitgangspositie bevinden. Zolang (de eiser) deze ongelijke behandeling niet verduidelijkt en ze verantwoordt, is het onmogelijk ze desgevallend goed te keuren. Nu in deze zaak naar recht werd aangetoond dat M.V.T. een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze was op het ogenblik dat zij door (de verweerster) in dienst werd genomen, waardoor deze laatste gerechtigd was om de bijdrageverminderingen in het kader van het plus één plan toe te passen en nu er geen reden is om (de verweerster) ongelijk te behandelen ten opzichte van andere werkgevers, van wie (de eiser) blijkbaar aanvaarde dat zij het attest C63 laattijdig aan hem overmaakte, was er voor (de eiser) geen rechtvaardiging om de bijdrageverminderingen, die door (de verweerster) waren toegepast, te annuleren" (eindarrest, p.5, derde alinea, t.e.m. p.6). Grieven De werkgever die voldoet aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 114 en 117, §1, van de Programmawet van 30 december 1988, kan aanspraak maken op een tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid, voor de nieuw in dienst genomen werknemer, zoals bedoeld in de zin van de artikelen 118 en 119 van diezelfde wet, die met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangenomen en een netto-aangroei van het personeelsbestand uitmaakt (zie de artikelen 115, 115bis en 116). Om de voordelen inzake tijdelijke bijdragevermindering te genieten moet de werkgever aan het bevoegde gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) een of meer getuigschriften opsturen die aantonen dat de werknemer de vereiste voorwaarden vervult voor de toepassing van het voordeel van de bijdragevermindering. De Koning bepaalt de voorwaarden, nadere regelen en de termijnen binnen welke de werkgevers deze getuigschriften moeten vragen en opsturen (artikel 127 van de Programmawet van 30 december 1988; een uitvoeringsbesluit ontbreekt). Op grond van artikel 127bis, eerste lid, van de Programmawet van 30 december 1988 moet de werkgever, om de voordelen inzake tijdelijke bijdragevermindering te genieten, voor de werknemers bedoeld in de artikelen 118, §1, 1°, 2°, 3° en 6° en 119,

  1. a)en
  2. c)van de Programmawet van 30 december 1988, bij het bevoegde gewestelijk bureau van de RVA, een getuigschrift (C63 genaamd) verkrijgen waaruit blijkt dat deze werknemer voldoet aan de voorwaarden vereist voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk. Het tweede lid van diezelfde bepaling draagt de Koning op om de voorwaarden, nadere regelen en de termijnen te bepalen binnen welke de werkgevers dit getuigschrift moeten aanvragen. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127bis van de Programmawet van 30 december 1988 bepaalt dat het getuigschrift dat aan de werkgevers toelaat te genieten van de toepassing van de artikelen 114 tot 131 van de Programmawet van 30 december 1988, voor de werknemers bedoeld in de artikelen 118, §1, 1°, 2°, 3° en 6° en 119,
  3. a)en
  4. c)van dezelfde wet, uiterlijk de dertigste dag die volgt op de dag van het begin van de tewerkstelling moet worden aangevraagd bij het bevoegde gewestelijk bureau van de RVA. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127bis van de Programmawet bepaalt dat, in afwijking van de bepalingen van artikel 1, eerste lid, het daarin voorziene getuigschrift kan aangevraagd worden binnen een termijn van 9 maanden, die een aanvang neemt de eerste dag van de maand volgend op die van de indienstneming van de werknemer, wanneer de werkgever aantoont dat voor deze indienstneming, een uitbetalingsorganisme van werkloosheidsuitkeringen een getuigschrift afgeleverd heeft dat bevestigt dat deze werknemer op dat ogenblik een volledig uitkeringsgerechtigde was en dat hij dit getuigschrift overgemaakt geeft aan de eiser in toepassing van artikel 127 van de Programmawet van 30 december 1988. Eerste onderdeel Uit voormelde bepalingen volgt dat, specifiek voor de uitkeringsgerechtigde volledige werkloze, bedoeld in de artikelen 118, §1, 1°, 2°, 3° en 6° en 119,
  5. a)en c), van de Programmawet van 30 december 1988, de werkgever binnen de door de wet gestelde termijn van 30 dagen (of van negen maanden bij toepassing van artikel 2 van datzelfde koninklijk besluit) het getuigschrift C63 dient aan te vragen bij het bevoegde gewestelijk bureau van de RVA om van de tijdelijke bijdragevermindering te kunnen genieten. Opdat dit getuigschrift als een bewijsinstrument kan gelden met de bedoeling zekerheid en eenvoud te bewerkstelligen omtrent het bewijs dat de in dienstgenomen werknemer aan de voorwaarden voldoet die voor de werkgever het recht openen op de bijdragevermindering, is vereist dat dit getuigschrift binnen de door wet voorgeschreven termijn van dertig dagen bij het bevoegde gewestelijk bureau van de RVA wordt aangevraagd, zoniet kan het getuigschrift niet meer de beoogde zekerheid verschaffen dat de werknemer werkelijk aan de wettelijke voorwaarden voldeed op het ogenblik van zijn indienstneming. De termijn van 30 dagen bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 (of van negen maanden in de hier niet van toepassing zijnde hypothese van artikel 2 van datzelfde koninklijk besluit) is derhalve door de regelgever opgevat als een vervaltermijn waarbinnen het getuigschrift noodzakelijk moet worden aangevraagd om aanspraak te kunnen maken op de tijdelijke bijdragevermindering voorzien in de artikelen 114 tot 131 van de Programmawet van 30 december 1988. Een tijdige aanvraag van het getuigschrift C63 is met andere woorden constitutief voor de vestiging van het recht op de bijdragevermindering. Wanneer de werkgever het getuigschrift niet of buiten de termijn bepaald in artikel 1 (of 2) van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 heeft aangevraagd, dan vervalt zijn recht op de bijdragevermindering ter bevordering van de tewerkstelling voorzien in hoofdstuk VII van de Titel III van de Programmawet van 30 december 1988, zelfs indien is aangetoond dat de nieuw indienstgenomen werknemer een uitkeringsgerechtigde volledige werkloze is in de zin van de artikelen 118, §1, 1°, 2°, 3° en 6° en 119,
  6. a)en c), van de Programmawet van 30 december 1988. Voor de overige werkzoekenden, daarentegen, moet de werkgever, om van het voordeel van de bijdragevermindering te kunnen genieten, niet binnen een welbepaalde termijn een getuigschrift aanvragen bij het bevoegde gewestelijk bureau van de RVA waaruit blijkt dat de werkzoekende voldoet aan de wettelijke voorwaarden vereist voor de bijdragevermindering. Hieruit volgt dat de vorderingen van de eiser niet wettig door de aangevochten arresten werden afgewezen op grond dat, eensdeels, het getuigschrift bedoeld in de artikelen 127bis van de Programmawet van 30 december 1988 en 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 niets meer of niets minder is dan een bewijsinstrument dat niet constitutief is voor het recht op de tijdelijke bijdragevermindering en waarvan de regelgever het gebruik niet verplicht heeft opgelegd, anderdeels, de termijn bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 geen vervaltermijn is zodat een laattijdige aanvraag van het getuigschrift het recht op de bijdragevermindering niet in de weg kan staan (schending van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 en 114 tot 131 van de Programmawet van 30 december 1988). Tweede onderdeel Het feit dat de eiser, volgens de appelrechters, het verstrijken van de termijn van dertig dagen om het getuigschrift aan te vragen, nu eens niet en dan weer wel aangrijpt om de bijdragevermindering te annuleren, kan geen wettige grondslag vormen om het voordeel van de bijdragevermindering toe te kennen aan de verweerster die na het verstrijken van voormelde termijn het vereiste getuigschrift heeft aangevraagd van het bevoegde gewestelijk bureau van de RVA. De ongelijke behandeling die daaruit voortvloeit tussen werkgevers die zich in dezelfde uitgangspositie bevinden in zoverre de eiser niet consequent en systematisch voor alle werkgevers de termijn van artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 opvat als een vervaltermijn, kan niet tot gevolg hebben dat aan de verweerster een voordeel wordt toegekend waarop zij krachtens de wet geen aanspraak kan maken. In zoverre de bijdragevermindering gekoppeld is aan de formele doch substantiële voorwaarde van een tijdige aanvraag van het getuigschrift aan het bevoegde gewestelijk bureau van de RVA kan de door het arrest vastgestelde ongelijke behandeling niet leiden tot een beleid dat ingaat tegen wettelijke bepalingen. De beweerde schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (de artikelen 10 en 11 van de Grondwet) door de eiser kan bijgevolg niet wettig tot gevolg hebben dat aan de verweerster, in strijd met artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, het voordeel van de bijdragevermindering wordt toegekend. Hieruit volgt dat het arbeidshof niet wettig de vorderingen van de eiser heeft afgewezen op grond dat er geen rechtvaardiging voorhanden is om de door de verweerster toegepaste bijdragevermindering te annuleren nu er geen reden is om de verweerster ongelijk te behandelen ten opzichte van andere werkgevers, van wie de eiser blijkbaar aanvaardde dat zij een laattijdig aangevraagd getuigschrift aan hem overmaakten zonder dat de bijdragevermindering werd geannuleerd (schending van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, 114 tot 131 van de Programmawet van 30 december 1988 en 10 en 11 van de Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Krachtens artikel 42, eerste lid, van de RSZ-wet, verjaren de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op de werkgevers die onder deze wet vallen, na vijf jaar. Krachtens artikel 34, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van zelfde wet, is het bedrag van de bijdragen door de werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigd op de navolgende vier data van elk jaar: 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december. Krachtens het voorlaatste lid van artikel 34 van hetzelfde koninklijk besluit, dienen de bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn, uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal te worden betaald 2. Uit deze bepalingen volgt dat het recht van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om een vordering in te stellen tot betaling van de bijdragen voor het verstreken kwartaal, slechts ontstaat na het verstrijken van de in het voorlaatste lid van het artikel 34 bepaalde termijn en dat de verjaringstermijn derhalve slechts op dat ogenblik ingaat. 3. De appelrechters oordelen dat, waar de verjaring pas geldig werd gestuit door de eerste dagvaarding van 19 april 2002, die zich situeert in het tweede kwartaal van 2002, de vordering van de eiser slechts kan terugreiken tot en met het tweede kwartaal van 1997 en niet tot het eerste kwartaal van hetzelfde jaar. 4. Door op die gronden te oordelen dat de vordering van de eiser, in zoverre die betrekking heeft op het eerste kwartaal van 1997, verjaard is, terwijl de vijfjarige verjaring met betrekking tot de voor dit kwartaal door de verweerster verschuldigde bijdragen slechts inging op 1 mei 1997, schenden de appelrechters artikel 42, eerste lid, van de RSZ-wet en artikel 34, eerste lid en voorlaatste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van die wet. Het middel is gegrond. Tweede middel Eerste onderdeel 5. Krachtens artikel 127bis, eerste lid, van de Programmawet van 30 december 1988, zoals te dezen van toepassing, moet de werkgever, om te genieten van een tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling, zoals dit voordeel voorzien is in het hoofdstuk VII van deze wet, voor de werkgevers bedoeld in de artikelen 118, §1, 1°, 2°, 3° en 6° en 119, a en c, van dezelfde wet, bij het bevoegd gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, een getuigschrift verkrijgen waaruit blijkt dat deze werknemer voldoet aan de voorwaarden vereist voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk. Krachtens artikel 127bis, tweede lid, van dezelfde wet, bepaalt de Koning de voorwaarden, de nadere regelen en de termijnen binnen welke de werkgevers dit getuigschrift moeten aanvragen. Krachtens artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127 bis van de Programmawet van 30 december 1988, zoals te dezen van toepassing, moet het getuigschrift dat aan de werknemers toelaat te genieten van de toepassing van de artikelen 114 tot 131 van voormelde Programmawet, voor de werknemers bedoeld in de artikelen 118, §1, 1°, 2°, 3° en 6° en 119, a en c, van dezelfde wet, bij het bevoegde gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening worden aangevraagd ten laatste de dertigste dag die volgt op de dag van het begin van de tewerkstelling. 6. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de werkgever, die nalaat, binnen de termijn bepaald in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 voor de werknemers bedoeld in de artikelen 118, §1, 1°, 2°, 3° en 6° en 119, a en c, van de Programmawet van 30 december 1988, bij het bevoegde gewestelijk bureau het in dit artikel bedoeld getuigschrift aan te vragen, het recht verliest om het voordeel van hoofdstuk VII van zelfde wet te genieten. 7. De appelrechters oordelen dat het bedoeld getuigschrift slechts een bewijsinstrument is, dat door de wetgever werd aangereikt met de bedoeling zekerheid en eenvoud te bewerkstelligen omtrent het bewijs dat de in dienst genomen werknemer de noodzakelijke in de Programmawet gestelde voorwaarden vervult om voor de werkgever het recht op bijdragevermindering te openen, maar waarvan het gebruik niet verplicht werd opgelegd. De appelrechters geven aldus te kennen dat de door de eiser aangevoerde omstandigheid dat de verweerster het bedoelde getuigschrift niet tijdig had aangevraagd, niet het verlies meebracht van het recht om het voordeel te genieten van een tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen. 8. Door aldus te oordelen schenden de appelrechters artikel 127bis van de Programmawet van 30 december 1988 en artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, zoals te dezen van toepassing. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel 9. Het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet neergelegde gelijkheids-beginsel houdt niet in dat uit de enkele omstandigheid dat een overheidsinstelling in bepaalde gevallen en zonder verantwoording nalaat aan het niet vervullen van een door de wet voorziene formaliteit de door deze wet voorziene gevolgen te verbinden, rechten kunnen worden geput door een derde, die heeft nagelaten dezelfde formaliteit te vervullen. 10. De appelrechters oordelen dat, nu de eiser, de Rijksdienst voor sociale zekerheid, in bepaalde gevallen het verstrijken van de termijn van dertig dagen om het attest C63 aan te vragen aangrijpt om de bijdrageverminderingen te annuleren en in andere gevallen niet en hij aldus werkgevers, die zich in een zelfde uitgangspositie bevinden, ongelijk behandelt zonder hiervoor enige verantwoording te geven, het niet naleven door de verweerster van de termijn voor het indienen van bedoeld getuigschrift de beslissing om de bijdrage-verminderingen te annuleren niet kan rechtvaardigen. 11. Door aldus te oordelen, terwijl het niet naleven van de termijn voor het aanvragen van het getuigschrift wettelijk het verlies impliceert van het recht om het voordeel van hoofdstuk VII van de Programmawet van 30 december 1988 te genieten, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden arresten, behalve in zoverre de beroepen ontvankelijk worden verklaard. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde arresten. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 22 september 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.