id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.4 Rolnummer: S.07.0119.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-21 Raadplegingen: 464 - laatst gezien 2026-07-03 03:29 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080922.4 Fiche 1 De schade aan de prothese komt, overeenkomstig artikel 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967, voor vergoeding in aanmerking wanneer de schade zich voordoet tijdens de uitvoering van het werk, zonder dat vereist is dat het slachtoffer op dat ogenblik van de prothese gebruik maakte
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Algemeen UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Begrip en bewijs SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Vergoeding van protheses - Geen gebruik van de prothese op het ogenblik van het ongeval Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - Art. 3ter, eerste lid Fiche 2 Concl. adv.-gen. MORTIER, Cass., 22 sept. 2008, AR S.07.0119.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Algemeen UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Begrip en bewijs SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Vergoeding van protheses - Geen gebruik van de prothese op het ogenblik van het ongeval Tekst van de beslissing Nr. S.07.0119.N VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, namens wie optreedt de Vlaamse Minister van Werk, Onderwijs en Vorming, met burelen te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Koning Albert II-laan, 15, Hendrik Consciencegebouw, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.G., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 april 2007 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat:
- de verweerster in april 2004 als lerares in een school voor buitengewoon secundair onderwijs een groep leerlingen begeleidde op "bosklassen";
- zij bij het douchen van de jongeren, haar bril aan een van de leerlingen had meegegeven om hem weg te leggen in een ander lokaal;
- de betrokken leerling de bril onopzettelijk heeft laten vallen;
- de verweerster aanspraak maakt op vergoeding voor de beschadiging van de bril. III. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. Bestreden beslissing Het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, verklaart in het bestreden arrest van 12 april 2007, na alle andere en strijdige conclusies als ongegrond te hebben verworpen, eiseres' hoger beroep ongegrond, bevestigt het bestreden vonnis van 4 oktober 2005 van de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, oordeelt aldus dat de verweerster op 20 april 2004 het slachtoffer was van een arbeidsongeval waardoor de schade aan haar bril moest worden vergoed en veroordeelt de eiseres "onder voorbehoud van algehele of gedeeltelijke recuperatie ten laste van de Federale Schatkist, tot betaling aan (de verweerster) van 234 euro, meer de wettelijke en de gerechtelijke intresten" en verwijst de eiseres in de kosten van beide aanleggen. Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest pp. 3-5): "3.
- Met betrekking tot de feitelijke gegevens wordt verwezen naar het vonnis a quo (pagina's 2 en 3), die door het arbeidshof alhier integraal worden hernomen. Het wordt niet betwist dat (de verweerster), bij de begeleiding van haar leerlingen tijdens het douchen, haar bril heeft afgezet uit voorzorg tegen dampontwikkeling en dat één van haar leerlingen deze bril onopzettelijk heeft laten vallen. 3.
- Wettelijk uitgangspunt ter zake is artikel 26 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 dat het slachtoffer recht geeft op herstellings- en vervangingskosten van de prothesen en orthopedische toestellen, waaraan het ongeval schade heeft veroorzaakt. Deze bepaling geldt eveneens indien het ongeval geen letsel heeft veroorzaakt. De rechtspraak en rechtsleer met betrekking tot de privé-sector kunnen doorgaans probleemloos gelden voor de overheidssector: reeds bij de opmaak van de wet van 3 juli 1967 werd een zo groot mogelijk parallellisme met de privé-sector nagestreefd (cfr. Gedr. St. Kamer 1966-1967, 339 - 6°, p. 5). Tijdens de parlementaire bespreking van de Arbeidsongevallenwet werd aan de term prothese een ruime betekenis gegeven en de bril als voorbeeld van prothese aangehaald (cfr. Parl. St. Senaat, 1970-1971, nr. 215,102). De beschadiging van de bril volstaat, maar de vereiste van plotselinge gebeurtenis blijft wel bestaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (cfr. Arbh. Bergen 28 maart 1986, S. RK. 1987,46; Arbh. Antw. 3 november 1992, De Verzekering 1993, 21). In casu zijn deze drie elementen, in toepassing van artikel 2 van de wet van 3 juli 1967, aanwezig, namelijk 1) de bril is beschadigd, 2) door de plotselinge gebeurtenis die bestaat in de val van de bril veroorzaakt door een leerling, 3) tijdens de uitvoering van het ambt van geïntimeerde als lerares. (vgl. Cass. 25 maart 1985, J. T.T. 1985 499; Cass. 18 maart 1985, RW. 1984-1985, 2825). 3.
- Het grootste bezwaar vanwege (de eiseres) is evenwel dat (de verweerster) afstand zou hebben gedaan van het karakter van prothese van de bril, doordat zij deze bril niet alleen heeft afgezet (ten gevolge van dampvorming), maar hem ook (voorzichtig-heidshalve) naar een andere plaats heeft gebracht (bovenkamer). (De eiseres) leidt hieruit af dat het dragen van de bril voor (de verweerster) dan ook niet noodzakelijk was en zodoende zijn karakter van prothese verliest. Nochtans werd reeds terecht geoordeeld dat de bril zijn karakter van prothese niet verliest doordat hij tijdelijk wordt afgedaan omwille van damp die zich erop vormde door het door de werknemer uitgevoerde werk (cfr. Arbh. Mons 28 maart 1986, S.R.K. 1987, p. 46), jazelfs indien de val van de bril te wijten is aan een onvoorzichtigheid of persoonlijke fout van het slachtoffer (cfr. Arbh. Luik 23 oktober 1989, S.R.K. 1990, p. 134, met noot P. P.) In casu dient slechts te worden vastgesteld dat (de verweerster) haar bril blijkbaar permanent droeg (zie verklaring optieker van 19 april 2005 - stuk 8 dossier (verweerster)), uit noodzaak voor haar dagelijks leven en in haar beroep, en het enkel feit dat ze deze bril kortstondig (dit is tijdelijk), heeft afgezet ten gevolge van de door haar uitgevoerde arbeid, doet geen afbreuk aan de beschadiging van deze bril, die, als schade aan prothesen in toepassing van artikel 26 van de Arbeidsongevallenwet, overgenomen door artikel 3ter van de wet van 3 juli 1967, dient te worden vergoed. Dat (de verweerster) hierbij onvoorzichtig heeft gehandeld of nalatig is geweest, is in casu irrelevant, vermits het begrip fout van het slachtoffer in de Arbeidsongevallenwet niet meer in overweging wordt genomen (cfr. Cass. 26 januari 1977, A.C. 1977, 592)." Het vonnis a quo stelde op pagina's 2 en 3 in de door het arbeidshof hernomen motieven, inzake de feitelijke gegevens van de zaak: "De omstandigheden en materiële oorzaken van het ongeval werden als volgt omschreven: ‘Tijdens het douchen van de jongeren was het omwille van de dampsontwikkeling noodzakelijk mijn bril af te zetten. Die werd in veiligheid gebracht op een tafeltje op een bovenkamer (mezzanine). Eén van de jongeren is toch naar boven gegaan en heeft de bril (onopzettelijk) naar beneden laten vallen. Het resultaat is een onherstelbaar beschadigde bril'". Grief Er werd niet betwist dat de verweerster, als lerares, viel onder het toepassingsgebied van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. Mede door bevestiging van de beslissing van de eerste rechter stelde het arbeidshof in de bestreden beslissing vast dat de verweerster op 20 april 2004, bij de begeleiding van leerlingen tijdens het douchen, haar bril had afgezet, dat deze werd weggebracht naar een andere kamer en dat een leerling de bril onopzettelijk heeft laten vallen, waardoor deze beschadigd werd. Luidens artikel 3ter, eerste lid, van de genoemde wet van 3 juli 1967, heeft het slachtoffer recht op de herstellings- en vervangingskosten van de prothese waaraan het ongeval schade heeft veroorzaakt. Als prothese in de zin van deze bepaling moet worden verstaan een kunst- of hulpmiddel dat een valide persoon niet behoeft en dat (als gevolg van het ongeval) nodig is om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen (ledematen en organen) te steunen of te vervangen, dan wel het gebruik of de functies ervan te bevorderen, zonder dat vereist is dat deze hulpmiddelen een duurzame functie hebben. Zo kan een bril in beginsel opgevat worden als een prothese wanneer hij ertoe strekt het zicht te bevorderen. Opdat de door een arbeidsongeval veroorzaakte schade aan een prothese voor vergoeding in aanmerking zou komen overeenkomstig genoemd artikel 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 is vereist dat het betreffende kunst- of hulpmiddel, op het ogenblik van de beschadiging als prothese dienst deed, dat wil zeggen "gebruikt" werd door het slachtoffer. Zoals door de eiseres in conclusie aangevoerd (p. 3, in het midden en p. 4, in het midden) en door de verweerster niet als dusdanig betwist, gebruikte verweerster haar bril op het ogenblik van het ongeval, niet, nu hij, zoals door het arbeidshof minstens impliciet beaamd, neergelegd werd in een aanpalende ruimte. Het arbeidshof kon derhalve niet wettig oordelen dat verweersters bril, op het ogenblik dat hij beschadigd werd, als prothese dienst deed en dat de schade bijgevolg voor vergoeding in aanmerking kwam op grond van artikel 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli
- Het arbeidshof schendt dan ook artikel 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2, eerste, tweede en vierde lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, - artikel 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. Bestreden beslissing Het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, verklaart in het bestreden arrest van 12 april 2007 na alle andere en strijdige conclusies als ongegrond te hebben verworpen, eiseres' hoger beroep ongegrond, bevestigt het bestreden vonnis van 4 oktober 2005 van de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, oordeelt aldus dat de verweerster op 20 april 2004 het slachtoffer was van een arbeidsongeval waardoor de schade aan haar bril moest worden vergoed en veroordeelt de eiseres "onder voorbehoud van algehele of gedeeltelijke recuperatie ten laste van de Federale Schatkist, tot betaling aan (de verweerster) van 234 euro, meer de wettelijke en de gerechtelijke intresten" en verwijst de eiseres in de kosten van beide aanleggen. Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest pp. 3-4): "3.
- Met betrekking tot de feitelijke gegevens wordt verwezen naar het vonnis a quo (pagina's 2 en 3), die door het arbeidshof alhier integraal worden hernomen. Het wordt niet betwist dat (de verweerster), bij de begeleiding van haar leerlingen tijdens het douchen, haar bril heeft afgezet uit voorzorg tegen dampontwikkeling en dat één van haar leerlingen deze bril onopzettelijk heeft laten vallen. 3.
- Wettelijk uitgangspunt ter zake is artikel 26 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 dat het slachtoffer recht geeft op herstellings- en vervangingskosten van de prothesen en orthopedische toestellen, waaraan het ongeval schade heeft veroorzaakt. Deze bepaling geldt eveneens indien het ongeval geen letsel heeft veroorzaakt. De rechtspraak en rechtsleer met betrekking tot de privé-sector kunnen doorgaans probleemloos gelden voor de overheidssector: reeds bij de opmaak van de wet van 3 juli 1967 werd een zo groot mogelijk parallellisme met de privé-sector nagestreefd (cfr. Gedr. St. Kamer 1966-1967, 339 - 6°, p. 5). Tijdens de parlementaire bespreking van de Arbeidsongevallenwet werd aan de term prothese een ruime betekenis gegeven en de bril als voorbeeld van prothese aangehaald (cfr. Parl. St. Senaat, 1970-1971, nr. 215,102). De beschadiging van de bril volstaat, maar de vereiste van plotselinge gebeurtenis blijft wel bestaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (cfr. Arbh. Bergen 28 maart 1986, S.R.K. 1987,46; Arbh. Antw. 3 november 1992, De Verzekering 1993, 21). In casu zijn deze drie elementen, in toepassing van artikel 2 van de wet van 3 juli 1967, aanwezig, namelijk 1) de bril is beschadigd, 2) door de plotselinge ge¬beurtenis die bestaat in de val van de bril veroorzaakt door een leerling, 3) tijdens de uitvoering van het ambt van (de verweerster) als lerares. (vgl. Cass. 25 maart 1985, J.T.T. 1985 499; Cass. 18 maart 1985, RW. 1984-1985, 2825)". Het vonnis a quo stelde op pagina's 2 en 3 in de door het arbeidshof hernomen motieven, inzake de feitelijke gegevens van de zaak: "De omstandigheden en materiële oorzaken van het ongeval werden als volgt omschreven: ‘Tijdens het douchen van de jongeren was het omwille van de dampsontwikkeling noodzakelijk mijn bril af te zetten. Die werd in veiligheid gebracht op een tafeltje op een bovenkamer (mezzanine). Eén van de jongeren is toch naar boven gegaan en heeft de bril (onopzettelijk) naar beneden laten val¬len. Het resultaat is een onherstelbaar beschadigde bril'". Grief Er werd niet betwist dat de verweerster, als lerares, viel onder het toepassingsgebied van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. Mede door bevestiging van de beslissing van de eerste rechter stelde het arbeidshof in de bestreden beslissing vast dat de verweerster op 20 april 2004, bij de begeleiding van leerlingen tijdens het douchen, haar bril had afgezet, dat deze werd weggebracht naar een andere kamer en dat een leerling de bril onopzettelijk heeft laten vallen, waardoor deze beschadigd werd. Luidens artikel 3ter, eerste lid, van de genoemde wet van 3 juli 1967, heeft het slachtoffer recht op de herstellings- en vervangingskosten van de prothese waaraan het ongeval, dit is arbeidsongeval, schade heeft veroorzaakt. Luidens artikel 2 van de genoemde wet van 3 juli 1967 wordt onder arbeidsongeval verstaan het ongeval dat zich tijdens en door de uitoefening van het ambt heeft voorgedaan en dat een letsel veroorzaakt (eerste lid). Het ongeval overkomen tijdens de uitoefening van het ambt wordt, behoudens tegenbewijs, geacht door de uitoefening van het ambt te zijn overkomen (tweede lid van voornoemde wetsbepaling). Wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van een letsel, het bestaan van een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, wordt het letsel behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt (vierde lid van voornoemde wetsbepaling). De omstandigheid dat, zoals uit het genoemde artikel 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 blijkt, in afwijking van artikel 2, vierde lid, van deze wet, niet vereist is dat het ongeval, benevens schade aan de prothese, een (lichamelijk) letsel heeft veroorzaakt, verhindert niet dat de eiseres niet kan geacht worden het slachtoffer te zijn geweest van een arbeidsongeval door het loutere feit dat haar bril, die als prothese kan dienst doen, beschadigd wordt op een ogenblik dat deze zich bevindt in een ander lokaal. Hieraan doet geen afbreuk de omstandigheid dat de eiseres zich had ontdaan van haar bril/prothese wegens het werk dat zij diende uit te voeren, noch dat de schade werd toegebracht tijdens de uitvoering van haar prestaties. Het arbeidshof kon bijgevolg niet wettig oordelen dat de eiseres het slachtoffer werd van een arbeidsongeval in de zin van artikel 2 van de genoemde wet van 3 juli 1967, dat overeenkomstig artikel 3ter, eerste lid, van dezelfde wet, aanleiding moest geven tot de vergoeding van de schade aan haar prothese (schending van artikelen 2, eerste, tweede en vierde lid, en 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector).
- Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector; - de artikelen 4, enig lid, 2° en 3°, en 25 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. Bestreden beslissing Het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, verklaart in het bestreden arrest van 12 april 2007, na alle andere en strijdige conclusies als ongegrond te hebben verworpen, eiseres' hoger beroep ongegrond, bevestigt het bestreden vonnis van 4 oktober 2005 van de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, oordeelt aldus dat de verweerster op 20 april 2004 het slachtoffer was van een arbeidsongeval waardoor de schade aan haar bril moest worden vergoed en veroordeelt de eiseres "onder voorbehoud van algehele of gedeeltelijke recuperatie ten laste van de Federale Schatkist, tot betaling aan (de verweerster) van 234 euro, meer de wettelijke en de gerechtelijke intresten" en verwijst de eiseres in de kosten van beide aanleggen. Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest pp. 3-5) : "3.
- (...) In casu dient slechts te worden vastgesteld dat (de verweerster) haar bril blijkbaar permanent droeg (zie verklaring optieker van19 april 2005 - stuk 8 dossier (verweerster)), uit noodzaak voor haar dagelijks leven en in haar beroep, en het enkel feit dat ze deze bril kortstondig (dit is tijdelijk), heeft afgezet ten gevolge van de door haar uitgevoerde arbeid, doet geen afbreuk aan de beschadiging van deze bril, die, als schade aan prothesen in toepassing van artikel 26 van de Arbeidsongevallenwet, overgenomen door artikel 3ter van de wet van 3 juli 1967, dient te worden vergoed. 3.
- Het wordt niet betwist dat (de verweerster) behoort tot het onderwijzend personeel van de Vlaamse Gemeenschap en aldus op basis van artikel 1.5° van de wet van 3 juli 1967 valt onder de toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving in de overheidssector. Minstens is niet betwist dat het ongeval diende aangegeven te worden bij de minister bevoegd voor onderwijs behorend tot de Vlaamse Gemeenschap en dat het koninklijk besluit van 24 januari 1969 in casu toepasselijk is. Volgens artikel 25 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 worden de prothesekosten betaald door de Administratieve Gezondheidsdienst, die deze dan moet recupereren van de Schatkist (zie ook "Arbeidsongevallen in de publieke sector" - R. Janvier - p. 137-138 - 3.1.
- - "Wie heeft recht op vergoeding?"). Hieruit volgt evenwel niet dat de vordering van het slachtoffer ook tegen de Belgische Staat moet worden gericht (cfr. Cass. 29 november 1999, RW. 2000-2001, 1164). Hetzelfde geldt voor de gerechtskosten. 3.
- Ter terechtzitting van 8 maart 2007 legt (de verweerster) een factuur neer van. 30 april 2004 van optieker W. D. en begroot zij haar schade op 234 euro, bedrag dat door (de eiseres) niet wordt betwist, en derhalve dient te worden toegekend". Grief Er werd niet betwist dat de verweerster, als lerares, viel onder het toepassingsgebied van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. Mede door bevestiging van de beslissing van de eerste rechter stelde het arbeidshof in de bestreden beslissing vast dat de verweerster op 20 april 2004, bij de begeleiding van leerlingen tijdens het douchen, haar bril had afgezet, dat deze werd weggebracht naar een andere kamer en dat een leerling de bril onopzettelijk heeft laten vallen, waardoor deze beschadigd werd. Luidens artikel 3ter, eerste lid van de genoemde wet van 3 juli 1967, heeft het slachtoffer recht op de herstellings- en vervangingskosten van de prothese waaraan het ongeval, dit is arbeidsongeval, schade heeft veroorzaakt. Dit wordt bevestigd in artikel 4, enig lid, 2° en 3° van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. Artikel 25 van dit koninklijk besluit van 24 januari 1969 bepaalt dat "de kosten van (...) prothese (...) worden betaald door de Administratieve gezondheidsdienst en ten laste (zijn) van de Schatkist". Zoals door de eiseres in conclusie aangevoerd (syntheseconclusie p. 6, 2), kon het arbeidshof de eiseres niet veroordelen tot betaling van de door de genoemde wet van 3 juli 1967 bepaalde vergoedingen, doch kon het hoogstens vaststellen dat de betreffende kosten het gevolg zijn van een arbeidsongeval, waarvan de betaling moet geschieden door de Administratieve Gezondheidsdienst, die behoort tot de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, zoals onder meer blijkt uit artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 augustus 1939 tot regeling van de inrichting der geneeskundige onderzoekingen door den administratieve gezondheidsdienst, in plaats van de provinciale pensioen-commissies en uit artikel 3 van de wet van 17 februari 1849 tot wijziging van de wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen en waarvan de naam werd vervangen en de taken werden overgenomen door de Sociaal-medische Rijksdienst (zie in het bijzonder de artikelen 1 en 13 van het koninklijk besluit van 25 juli 1969 (B. St. 13 december 1969, 12076) en die behoort tot het Bestuur van de Medische Expertise in het toenmalige Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu (koninklijk besluit van 12 december 1994 tot oprichting, organisatie en vastlegging van de personeelsformatie van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, in het bijzonder artikel 2, enig lid, 7°), thans de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid Voedselketen en Leefmilieu (koninklijk besluit van 23 mei 2001 houdende oprichting van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid Voedselketen en Leefmilieu, B. St. 29 mei 2001, 17.827, in het bijzonder artikel 2, §1, enig lid, 3°). Het arbeidshof schendt bijgevolg artikelen 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, 4, enig lid, 2° en 3°, en 25 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de wet naar en van het werk. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Luidens artikel 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, heeft het slachtoffer recht op de herstellings- en vervangingskosten van de prothese waaraan het ongeval schade heeft veroorzaakt. De schade aan de prothese komt voor vergoeding in aanmerking wanneer de schade zich voordoet tijdens de uitvoering van het werk, zonder dat vereist is dat het slachtoffer op dat ogenblik van de prothese gebruik maakte.
- Het middel dat ervan uitgaat dat een prothese enkel voor vergoeding in aanmerking komt wanneer die op het ogenblik van de beschadiging gebruikt werd door het slachtoffer, berust op een verkeerde rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht. Tweede middel
- Mede gelet op het antwoord op het eerste middel, berust het middel dat er van uitgaat dat de prothese niet voor vergoeding in aanmerking komt, wanneer die prothese zich omwille van de uitvoering van het werk in een ander lokaal bevindt dan waar de arbeid wordt uitgevoerd, op een verkeerde rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert aan dat het arrest "de eiseres niet (kon) veroordelen tot betaling van de (bedoelde) vergoeding". De appelrechters veroordelen de eiseres niet zondermeer tot betaling van de bedoelde vergoedingen, maar doen dit "onder voorbehoud van algehele of gedeeltelijke recuperatie ten laste van de Federale Schatkist". Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 146,21 euro jegens de eisende partij en op de som van 79,36 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 22 september 2008 uitgesproken door afdelings-voorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080922.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080922.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div