id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080923.3 Rolnummer: P.08.0468.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-23 Raadplegingen: 594 - laatst gezien 2026-07-03 10:16 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De opheffing van het strafbare karakter van het misdrijf van instandhouding inzake stedenbouw heeft alleen het verval van de op dat misdrijf gesteunde strafvordering tot gevolg; bij ontstentenis van andersluidende bepaling brengt deze wijziging niet mee dat de instandhouding, die strafbaar was in de periode waarin zij plaatsvond, niet langer de grondslag kan uitmaken van een herstelvordering, noch dat de strafrechter voor wie de herstelvordering werd ingesteld op het ogenblik dat de instandhouding nog strafbaar was, zijn bevoegdheid verliest nog verder de herstelvordering te beoordelen
(1).
(1)Cass., 13 dec. 2005, AR P.05.0693.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.8, A.C., 2005, nr. 666, met concl. O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Verordeningen - Stedenbouwkundige verordeningen Vrije woorden: Instandhoudingsmisdrijf - Strafbaar karakter - Opheffing - Verval van de strafvordering - Herstelvordering Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 146 en 149 Fiche 2 De Hoge Raad voor het Herstelbeleid treedt overeenkomstig artikel 198bis Stedenbouwdecreet 1999 niet op als een gerechtelijke instantie waartoe derden zich kunnen wenden of die hen kan binden, maar uitsluitend als adviesorgaan voor de rechter die verder zijn volledige beoordelingsbevoegdheid over de herstelvordering behoudt; de beginselen van een eerlijke procesvoering zijn door het debat voor de rechter volkomen gewaarborgd. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Verordeningen - Stedenbouwkundige verordeningen Vrije woorden: Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Adviesorgaan Fiche 3 Het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid met betrekking tot de verzoeken bedoeld in artikel 198bis Stedenbouwdecreet 1999 is geen eenzijdige beslissing waardoor de rechtspositie van derden wordt gewijzigd; het betreft enkel een advies dat de rechter na verder debat beoordeelt, en dat bijgevolg geen voorafgaand horen van deze derden vereist. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Verordeningen - Stedenbouwkundige verordeningen Vrije woorden: Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Aard van het advies Fiche 4 De enkele bekrachtiging van de bindende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen heft de bestemmingsvoorschriften van de bestaande gewestplannen niet op; behoudens toepassing van de regeling bepaald in de artikelen 172 en 190, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999, blijven deze bestemmingsvoorschriften van kracht zolang zij niet door een ruimtelijk uitvoeringsplan worden gewijzigd en blijven ze aldus de rechtsgrond voor het herstel. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Verordeningen - Stedenbouwkundige verordeningen Vrije woorden: Ruimtelijk structuurplan Vlaanderen - Bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen - Gelding Fiche 5 De ingevolge artikel 65 Wet Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw 1962 ingestelde vordering tot herstel van de plaats in de vorige staat, is aan geen vormvereiste gebonden: het volstaat dat de wil van de bevoegde overheid blijkt uit de gegevens van de zaak
(1).
(1)Cass., 29 okt. 1996, AR P.96.0336.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961029.4, A.C., 1996, nr.
- Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Verordeningen - Stedenbouwkundige verordeningen Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Bevoegde overheid - Vordering - Vorm Tekst van de beslissing Nr. P.08.0468.N J G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Ghysels, advocaat bij de balie te Brussel, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Stephan Wyckaert, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 27 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999: de strafrechter kan alleen het herstel bevelen wanneer hij ook een straf oplegt. Bij afwezigheid van straf konden de appelrechters geen herstel bevelen.
- De opheffing van het strafbare karakter van het misdrijf van instandhouding inzake stedenbouw heeft alleen het verval van de op dat misdrijf gesteunde strafvordering tot gevolg. Bij ontstentenis van andersluidende bepaling brengt deze wijziging niet mee dat de instandhouding, die strafbaar was in de periode waarin zij plaatsvond, niet langer de grondslag kan uitmaken van een herstelvordering, noch dat de strafrechter voor wie de herstelvordering werd ingesteld op het ogenblik dat de instandhouding nog strafbaar was, zijn bevoegdheid verliest nog verder de herstelvordering te beoordelen. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden niet eisers verweer dat bij afwezigheid van bestraffing ook geen herstel mocht worden bevolen.
- De appelrechters vermelden de redenen waarom zij oordelen dat ondanks het verval van de strafvordering, nog het herstel kan worden bevolen. De omstandigheid dat zij daarover een andere mening hebben dan hetgeen de eiser in conclusie aanvoert, vormt geen motiveringsgebrek. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de beginselen van eerlijke procesvoering in strafzaken inzonderheid de regels met betrekking tot de openbaarheid en het debat op tegenspraak: door het uitbrengen van zijn advies over de herstelvordering komt de Hoge Raad voor het Herstelbeleid tussen in de uitoefening van de rechterlijke functie zonder dat daarbij evenwel aan de voorwaarden van een eerlijk proces wordt voldaan.
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, treedt de Hoge Raad voor het Herstelbeleid overeenkomstig artikel 198bis Stedenbouwdecreet 1999 niet op als een gerechtelijke instantie waartoe derden zich kunnen wenden of die hen kan binden, maar uitsluitend als adviesorgaan voor de rechter die verder zijn volledige beoordelingsbevoegdheid over de herstelvordering behoudt. De beginselen van een eerlijke procesvoering zijn door het debat voor de rechter volkomen gewaarborgd. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van de hoorplicht: bij de adviesverlening krijgt de eiser niet de kans om voor de Hoge Raad voor het Herstelbeleid zijn standpunt naar voren te brengen.
- Het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid met betrekking tot de verzoeken bedoeld in artikel 198bis Stedenbouwdecreet 1999 is geen eenzijdige beslissing waardoor de rechtspositie van derden wordt gewijzigd. Het betreft enkel een advies dat de rechter na verder debat beoordeelt, en dat bijgevolg geen voorafgaand horen van deze derden vereist. Het onderdeel faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van het decreet van 16 december 1997 en het decreet van 19 maart 2004 tot bekrachtiging van de bindende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, de artikelen 20 en 31 Stedenbouwdecreet 1999 in samenhang met het beginsel van behoorlijk bestuur: bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de herstelvordering houden de appelrechters ten onrechte geen rekening met de dwingende bepalingen van het ruimtelijke structuurplan Vlaanderen waardoor de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op een goed gelegen in het agrarisch gebied van een gewestplan een subjectief recht heeft op een herbeoordeling van de stedenbouwkundige bestemming van dit goed; minstens houden zij geen rekening met het onredelijk lang wachten van de Vlaamse regering om aan deze dwingende bepalingen gevolg te geven.
- Het middel voert onder meer aan "dat wanneer in uitvoering van het RSV [Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen] een ruimtelijk structuurplan wordt opgesteld, [eisers] eigendom met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet langer in het agrarisch gebied zal behouden blijven en hij dus wel een regularisatievergunning kan krijgen". Dit vereist een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- De enkele bekrachtiging van de bindende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen heft de bestemmingsvoorschriften van de bestaande gewestplannen niet op. Behoudens toepassing van de regeling bepaald in de artikelen 172 en 190, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999, blijven deze bestemmingsvoorschriften van kracht zolang zij niet door een ruimtelijk uitvoeringsplan worden gewijzigd. Ze blijven aldus de rechtsgrond voor het herstel. De omstandigheid dat de overheid zou nalaten haar decretale verplichtingen uit te voeren binnen een redelijke termijn houdt niet in dat daardoor alle bestaande gewestplanbestemmingen "agrarisch gebied" achterhaald zijn, en iedere daarop gestoelde herstelvordering onredelijk wordt. In zoverre faalt het middel naar recht. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 4 Stedenbouwdecreet 1999, de artikelen 14 en 21, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1996, de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 159 Grondwet en artikel 3 Wet Raad van State: alhoewel het bestreden arrest zijn oordeel steunt op de ministeriële besluiten die het perceel van de eiser uit het bijzonder plan van aanleg "zonevreemde bedrijven" uitsluiten, oordeelt het ten onrechte dat het de onwettigheid van deze besluiten, zoals door de eiser aangevoerd voor de Raad van State, niet moet onderzoeken.
- Anders dan waarvan het middel uitgaat, steunen de appelrechters hun oordeel over de wettigheid van de herstelvordering niet op de ministeriële besluiten die eisers perceel uitsluiten uit het bijzonder plan van aanleg "zonevreemde bedrijven". Zij stoelen hun oordeel op de vaststelling dat de eiser niet over een vergunning beschikt, en dat het ontbreken daarvan door een eventuele vernietiging van deze ministeriële besluiten, niet ongedaan wordt gemaakt. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Vijfde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 65 Stedenbouwwet 1962 en voor zoveel als nodig artikel 68 Stedenbouwdecreet 1996: ten onrechte oordelen de appelrechters dat het voor de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen volstaat om de herstelvordering aanhangig te maken bij gewone brief gericht tot het openbaar ministerie, dit terwijl deze herstelvordering, zoals elke vordering, op de bij wet bepaalde wijze voor de rechtbank moet worden ingeleid.
- De appelrechters stellen vast dat bij het instellen van de herstelvordering nog het oude artikel 65 Stedenbouwwet 1962 van toepassing was. Dit artikel bepaalt niet op welke wijze de herstelvordering bij de strafrechtelijke instanties aanhangig dient gemaakt te worden. Het optreden van het bevoegde bestuur is niet aan vormvereisten onderworpen, voor zover dit bestuur duidelijk zijn wil en de redenen ervan te kennen heeft gegeven en daarover tegenspraak kan worden gevoerd. Zij verantwoorden aldus hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters wijzen zonder opgave van redenen de door de eiser geformuleerde prejudiciële vraag af als "kennelijk niet strijdig".
- De appelrechters stellen vast dat bij het instellen van de herstelvordering nog het oude artikel 65 Stedenbouwwet 1962 van toepassing was dat niet bepaalde op welke wijze de herstelvordering aanhangig diende gemaakt te worden bij de strafrechtelijke instanties. Bij ontstentenis van enig vormvoorschrift was het voldoende dat op basis van de stukken van de rechtspleging het bestuur duidelijk zijn wil te kennen had gegeven om een herstelvordering in te stellen zodat het inleiden per gewone brief volstond om de herstelvordering in te stellen.
- Aldus vermelden zij de redenen waarom naar hun oordeel het gelijkheidsbeginsel kennelijk niet wordt miskend en geen prejudiciële vraag wordt gesteld. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 88,47 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 23 september 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080923.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130514.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961029.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110531.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div