id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080926.5 Rolnummer: C.07.0416.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-11-05 Raadplegingen: 653 - laatst gezien 2026-07-03 09:44 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Niet ontvankelijk, bij gebrek aan belang, is het cassatiemiddel dat niet tot cassatie kan leiden doordat de bestreden beslissing op grond van een door het Hof in de plaats gestelde reden naar recht verantwoord is
(1)Zie Cass., 22 april 2005, AR C.04.0194.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050422.7, A.C., 2005, nr 238. In dat - hiervoor onder nr ... gepubliceerd - arrest stelt het Hof de vraag of het bestreden vonnis niet naar recht verantwoord is op in de plaats gestelde redenen, die het Hof vermeldt, zodat het middel, al was het gegrond, niet ontvankelijk is, in zoverre het schending aanvoert van artikel 1053, van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof heeft de zaak toen verdaagd naar de openbare terechtzitting van 26 september 2008 teneinde de partijen toe te laten over deze vraag standpunt in te nemen (conform de rechtspleging weerhouden in zijn Jaarverslag 2006, p. 199). Het hierna gepubliceerd arrest, op deze terechtzitting uitgesproken - na neerlegging van de nota's van de partijen en nieuwe behandeling - heeft die redenen integraal aangenomen. De samenvatting ervan wordt derhalve beperkt tot wat het toevoegt aan het arrest van 26 juni 2008, waarnaar voor het overige verwezen wordt. Zie ook Cass., 19 maart 2007, AR C.03.0582.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.3, A.C., 2007, nr 145. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Onsplitsbaarheid GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Substitutie van motieven - Cassatiemiddel - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Belang UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Onsplitsbaarheid GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang Vrije woorden: Substitutie van motieven - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. C.07.0416.N V. J. G., eiser, aan wie rechtsbijstand werd verleend op 21 augustus 2007, onder nummer G.07.0112.N, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. D.V.D. V. G., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest. 2. V.J.G., als wettelijke erfgenaam van V. B. en V. M., 3. V.R.M., 4. V.M.E.G., 5. V.J.G.B., 6. V.S.C.G., 7. V.L.G., 8. V.H.M.G., 9. V.Y.G, 10. V.G.M., 11. D.L., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen op respectievelijk 14 februari 2005 en 7 mei 2007, in hoger beroep, gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt. Gelet op het arrest van het Hof van 26 juni 2008. De eiser heeft op 24 september 2008 een nota ter griffie neergelegd. De verweerder sub 1 heeft op 18 september 2008 een nota ter griffie neergelegd. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 28, 30, 31, 807, 1042, 1051, 1053, 1056 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen - De rechtbank van eerste aanleg verklaart in haar tussenvonnis van 14 februari 2005 "het hoofdberoep, ingesteld door de echtgenoten V.-V. in de procedure met rolnummer 86/1563/A, ontvankelijk in zoverre het strekt tot de hervorming van het bestreden vonnis", en "de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige bezetting van de oorspronkelijke pachtgronden, ingesteld door baron d.V.d.V.G., en de tussenvordering tot vrijwaring, ingesteld door de consorten V.R.,V.M.,V.J.,V.S.en V.L., beide ontvankelijk", o.m. op volgende gronden: ‘De beide zaken betreffen een (principaal) hoger beroep tegen éénzelfde vonnis, gewezen door de vrederechter van het kanton Beringen op 14.07.1986. Met het oog op een goede rechtsbedeling is het derhalve aangewezen om de beide zaken, die samenhangend zijn in de zin van artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek, samen te voegen teneinde ze gelijktijdig te behandelen en te berechten. 3. De samenhang - de onsplitsbaarheid - (...)
- a)De oorspronkelijke vorderingen van de baron strekten ertoe de door hem aan de echtgenoten V.-V. gegeven pachtopzeg geldig te doen verklaren en te horen zeggen voor recht dat er door de echtgenoten V.-V. geen geldige pachtoverdracht aan hun zoon V.J.(de eiser) gedaan was. Dat deze beide vorderingen samenhangend zijn in de zin van artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek wordt niet betwist.
- b)De rechtbank stelt thans vast dat de echtgenoten V.-V. hun hoger beroep enkel gericht hebben tegen de baron en dat zij hun zoon, die tevens procespartij was in eerste aanleg, niet (althans niet in eigen naam) in de beroepsprocedure betrokken hebben, en dat de baron zijn navolgend hoger beroep (waarover verder meer) eveneens enkel gericht heeft tegen V.J.(de eiser), doch niet tegen de echtgenoten V.-V. noch tegen hun rechtsopvolgers. Nochtans is het duidelijk dat de betwisting betreffende de geldigheid van de pachtopzeg en de geldigheid van de hieraan al dan niet voorafgegane pachtoverdracht noodzakelijkerwijze in aanwezigheid van alle hierbij betrokken partijen, met name de verpachter, de oorspronkelijke pachters en de pachtovernemer, dient gevoerd te worden. Zo immers, is een pachtoverdracht ofwel geldig ofwel ongeldig, doch kan deze geenszins tegelijkertijd geldig zijn ten aanzien van de oorspronkelijke pachters en ongeldig ten aanzien van de beweerde pachtovernemer. Huidig geschil is dan ook onsplitsbaar in de zin van de artikelen 753 en 1053 van het Gerechtelijk Wetboek. Eén en ander impliceert dat in de beide beroepsprocedures in principe zowel de verpachter (i.c. de baron), de oorspronkelijke pachters (i.c. de echtgenoten V.-V. of hun rechtsopvolgers) en de beweerde pachtovernemer (i.c. (de eiser)) moesten betrokken worden, hetgeen in casu niet gebeurd is strictu sensu. De samenvoeging van de beide beroepsprocedures, zoals hoger bevolen, heeft evenwel tot gevolg dat alle voornoemde partijen thans in de procedure tot hoger beroep betrokken zijn, zodat het probleem van de onsplitsbaarheid zich in de beide samengevoegde zaken thans niet langer stelt. (...) 4. De ontvankelijkheid van het hoofdberoep, ingesteld door de echtgenoten V.-V. (...)
- b)Hierboven werd reeds gesteld dat het hoofdberoep, ingesteld door de echtgenoten V.-V., tijdig en regelmatig naar vorm is. De baron vecht de ontvankelijkheid van dit hoger beroep als dusdanig niet aan, in zoverre het ertoe strekt de hervorming van het bestreden vonnis te bekomen. De rechtbank bemerkt terzake geen ambtshalve op te werpen excepties van onontvankelijkheid. Het hoofdberoep, ingesteld door de echtgenoten V.-V., als zijnde (tevens) een hervormingsberoep is derhalve ontvankelijk. (...) 7. De ontvankelijkheid van de nieuwe vordering van de baron strekkende tot het bekomen van een schadevergoeding wegens onrechtmatige bezetting der gronden. Bij besluiten, neergelegd ter griffie op 12.12.2003, vordert de baron thans voor het eerst in graad van beroep betaling vanwege de consoorten V. in hun hoedanigheid van erfopvolgers van de echtgenoten V.-V. (doch om de één of de andere reden niet van V.J.in eigen naam) de betaling van een schadevergoeding wegens de onrechtmatige bezetting der gronden na de pachtopzeg van 1984, provisioneel begroot op 2.500,00 euro. (...) Er kan (...) aanvaard worden dat de huidige vordering tot schadevergoeding berust op een feit of een handeling aangevoerd in de gedinginleidende akte, met name de pachtopzeg en de daarmee gepaard gaande terbeschikkingstelling van de gronden aan het einde van de opzegtermijn. De rechtbank is in de gegeven omstandigheden dan ook van oordeel dat de voormelde vordering tot schadevergoeding van de baron wel degelijk voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek en dat deze eis derhalve ontvankelijk is. Hangende het hoofdberoep met betrekking tot de geldigheid van de pachtopzeg en de geldigheid van de pachtoverdracht, is deze eis ten gronde evenwel nog niet in staat van wijzen. 8. De ontvankelijkheid van de tussenvordering tot vrijwaring In ondergeschikte orde en voor zover de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de hoger sub 7 vermelde vordering tot schadevergoeding ontvankelijk zou zijn, stellen de consoorten V.R., V.J., V.M, V.S. en V.L. een tussenvordering tot vrijwaring in opzichtens (de eiser). Blijkens zijn conclusies van 09.11.2004 betwist (de eiser) de ontvankelijkheid van deze tussenvordering niet. De rechtbank bemerkt terzake geen ambtshalve door haar op te werpen excepties van onontvankelijkheid. De tussenvordering tot vrijwaring is derhalve ontvankelijk. Ten gronde geldt ook hier dat deze vordering nog niet kan beslecht worden hangende het hoofdberoep inzake de pachtopzeg en de pachtoverdracht". - De rechtbank van eerste aanleg beslist o.m. als volgt in haar tussenvonnis van 7 mei 2007: "Verklaart het incidenteel hoger beroep van baron G.d.V.d.V.inzake rolnummer 86/1563/A en het hoofdberoep, van baron G.d.V.d.V.inzake rolnummer 02/2211/A niet ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep van de eisers in hoger beroep inzake 86/1563/A in de hiernavolgende mate gegrond. Verklaart de eisuitbreiding in graad van beroep voor wat betreft de door baron G.d.V.d.V.gevorderde dwangsom ontvankelijk en deels gegrond. (...) Verklaart de eisuitbreiding in graad van beroep door baron G.d.V.d.V.inzake de vordering tot schadevergoeding en tot betaling van de achterstallige pachtgelden ontvankelijk. Verleent baron G.d.V.d.V.akte van het feit dat deze vorderingen hoofdelijk worden gesteld ten aanzien van (de eiser) en de partijen R. V., M. V., J. V., S. V., L. V., H. V., Y. V. en G. V.. Verklaart de vordering tot betaling van de achterstallige pachtgelden thans reeds in de hierna bepaalde mate gegrond. (...) Verleent baron G.d.V.d.V.voorbehoud voor wat betreft het vorderen van een schadevergoeding wegens de eventuele milieuverontreiniging van de verpachte percelen ten aanzien van (de eiser). Verklaart de vordering in gedwongen tussenkomst van baron G.d.V.d.V.ten aanzien van L. D. gegrond en verklaart het tussenvonnis van 14.02.2005 alsook huidig vonnis gemeen aan L. D.. Verklaart de tussenvordering in vrijwaring van R..V., MV., J.V., S.V. en L.V. opzichtens (de eiser) gegrond. Veroordeelt (de eiser) tot vrijwaring van R.V., M.V., J.V., S.V. en L.V. voor alle vorderingen in hoofdsom, intresten en kosten, die er ingevolge huidig vonnis tegen hen worden uitgesproken". De rechtbank steunt deze beslissingen o.m. op volgende motieven: "A. Ontvankelijkheid (...) 2. De ontvankelijkheid van het incidenteel beroep, ingesteld door de baron in de procedure met rolnummer 86/1563/A en het hoofdberoep, ingesteld door de baron in de procedure met rolnummer 02/2211/A. (...) 2. (...) Het is slechts bij besluiten, neergelegd ter griffie op 15.09.2003, dat de baron een beperkt incidenteel beroep instelde. De redenen van dit beperkt incidenteel beroep, met name de discussie omtrent het feit of (de eiser) al dan niet procespartij was in eerste aanleg, waren evenwel al duidelijk sinds het verzoekschrift tot hoger beroep van wijlen de echtgenoten V.-V., neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 29.08.1986. Bij besluiten, neergelegd ter griffie op 29.12.1989, concludeerde de baron hierover reeds, doch vorderde hij desalniettemin de integrale bevestiging van het bestreden vonnis. Het hoofdberoep van de baron inzake 02/2211/A werd slechts ingesteld bij exploot van dagvaarding van 30.10.2002. De opeenvolgende akten waarin de baron gedurende een periode van 16 jaar steeds de bevestiging van het vonnis a quo vorderde terwijl hij terdege op de hoogte was van de discussie in kwestie, kan niet anders geïnterpreteerd worden dan als een stilzwijgende berusting in het vonnis a quo. Het incidenteel beroep van de baron inzake rolnummer 86/1563/A en het hoofdberoep, ingesteld door de baron in de procedure met rolnummer 02/2211/A, zijn dan ook niet ontvankelijk. 3. De ontvankelijkheid van de eisuitbreidingen van de baron inzake de door hem gevorderde dwangsommen voor wat betreft de ontruiming van de kwestieuze percelen en de schadevergoedingen wegens onrechtmatige bezetting (...) 2. (De eiser), V.R.,V.M.,V.J.,V.S.en V.L. betwisten de ontvankelijkheid van deze eisuitbreidingen niet en de rechtbank bemerkt ter zake geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid, zodat deze eisuitbreidingen ontvankelijk zijn. 4. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vorderingen van de baron 1. (De eiser) werpt de niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vorderingen van de baron op, zonder evenwel hiertoe een specifiek middel te ontwikkelen. 2. (...) De rechtbank bemerkt ter zake geen ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid, zodat deze vorderingen ontvankelijk zijn. Het vonnis a quo kan op dit punt bevestigd worden. B. Ten gronde 1. Betreffende de oorspronkelijke vorderingen aangaande de geldigverklaring van de opzeg van 13.08.1984 en het verzet tegen de pachtoverdracht/pachtvernieuwing (...) 2.5. a. Op grond van artikel 34 van de Pachtwet zijn de overnemer, (de eiser) en de overlaters, wijlen de echtgenoten V.-V., hoofdelijk gehouden tot de verplichtingen die uit de pacht zijn ontstaan. Dit omvat eveneens de verplichting tot het ontruimen van het perceel bij het einde van de pacht. Het eerste vonnis dient dan ook bevestigd te worden in zoverre het de verplichting tot ontruiming van de kwestieuze percelen hoofdelijk uitsprak opzichtens (de eiser) en wijlen de echtgenoten V.-V.. (...) b. (...) Uit het dossier blijkt, en dit staat ook niet ter betwisting, dat enkel (de eiser) de kwestieuze percelen bezet. De materiële uitvoering van de veroordeling tot ontruiming, alhoewel hoofdelijk, rust dus de facto enkel op hem. Er zijn geen objectieve aanwijzingen voorhanden dat de partijen R. V., M. V., J. V., S. V., L. V., H. V., Y. V. en G. V. in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen de echtgenoten V.-V., deze uitvoering onmogelijk zouden maken. Bovendien acht de rechtbank het niet opportuun dat deze partijen via de dwangsommen het slachtoffer zouden worden van de mogelijke onwil van (de eiser) om de huidige veroordeling tot ontruiming uit te voeren. Er is dan ook geen reden om de ontruiming van de kwestieuze percelen ook lastens (...) R. V., M. V., J. V., S. V., L. V., H. V., Y. V. en G. V. in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen de echtgenoten V.-V. onder verbeurte van een dwangsom uit te spreken. De eisuitbreiding van de baron op dit punt is deels gegrond. 2. Aangaande de vordering tot schadevergoeding door de baron ingesteld in graad van beroep (...) 2. Nu hoger werd aangenomen dat er sprake is van een pachtoverdracht door wijlen de echtgenoten V.-V. aan (de eiser) van de kwestieuze percelen, doch er geen sprake is van een pachtvernieuwing, zijn (de eiser) enerzijds en de nalatenschap van wijlen de echtgenoten V.-V. anderzijds hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde pachtgelden voor de jaren 1984, 1985, 1986 en 1987 op grond van artikel 34 van de Pachtwet, zoals van toepassing ten tijde van de opzegging. De vordering van de baron is wat betreft de cijfermatige omvang van de gevorderde pachtgelden gegrond, nu de partijen V. deze ook niet betwisten. (...) De baron vordert op deze bedragen gerechtelijke intresten. Deze kunnen toegekend worden vanaf de datum van het instellen van deze vordering, voor het eerst gedaan bij besluiten neergelegd ter griffie op 12.12.2003. 3. 3.1. Wat betreft de schadevergoeding voor de onrechtmatige bezetting door (de eiser) van de kwestieuze percelen sinds het einde van de opzeg van 13.08.1984, wordt geen enkel stuk bijgebracht waaruit de omvang van deze schade zou moeten blijken. Over het feit dat (de eiser) ingevolge de onrechtmatige bezetting van de kwestieuze percelen een schadevergoeding verschuldigd is aan de baron kan geen betwisting bestaan. Vanaf het einde van de pachtopzeg, met name 01.04.1988, diende (de eiser) de kwestieuze percelen immers terug ter beschikking van de baron te stellen. Deze schadevergoeding kan dus slechts beginnen te lopen vanaf 01.04.1988, zijnde de einddatum van de door de baron gedane opzeg. Het procedureverloop is op dit punt niet relevant, nu (de eiser) voldoende procedurele mogelijkheden had om de procedure voortgang te laten vinden. Hij diende om de redenen aangehaald in het tussenvonnis van deze rechtbank van 14.02.2005 immers wel degelijk als een procespartij bij het vonnis a quo beschouwd te worden. Het komt de rechtbank gepast voor om met het oog op de concrete begroting van de winstderving door de baron geleden ingevolge het feit dat hij de kwestieuze percelen niet vanaf 01.04.1988 in gebruik kon nemen, over te gaan tot aanstelling van een deskundige met als opdracht advies te verlenen en over te gaan tot berekening van deze winstderving. (...) 4. De baron vordert in de motivering van zijn besluiten, neergelegd ter griffie op 16.01.2006, tevens dat hem voorbehoud zou worden verleend voor een eventuele schadevergoeding wegens milieuverontreiniging veroorzaakt door (de eiser) op de kwestieuze percelen. Deze vordering wordt niet hernomen in het dispositief. (De eiser) voert dienaangaande geen verweer. Gelet op de door de baron overgelegde stukken kan hem dit voorbehoud verleend worden. (...) 3. Aangaande de vordering in gedwongen tussenkomst van de baron ten aanzien van L. D. (...) 2. Deze vordering (...) is gegrond, nu ingevolge het stelsel van algehele gemeenschap bestaande tussen de echtgenoten L. D. en Y. V. moet vermeden worden dat betreffende huidig geschil, hetwelk overigens voor een deel onsplitsbaar is, naderhand opzichtens L. D. opnieuw procedures zouden moeten gevoerd worden. (...) 4. Aangaande de tussenvordering in vrijwaring van de partijen R. V., M. V., J. V., S. V. en L. V. opzichtens (de eiser) (De eiser) voert aangaande deze tussenvordering geen verweer. Nu uit hoger ontwikkelde redenering blijkt dat (de eiser) minstens reeds sedert 13.09.1984 de enige exploitant/bezetter is van de kwestieuze percelen, is deze tussenvordering gegrond voor wat betreft de veroordeling tot betaling van de achterstallige pachtgelden - in hoofdsom, interesten en kosten -, dewelke tevens ten aanzien van R. V., M. V., J. V., S. V. en L. V. wordt uitgesproken". Grieven 1.1 Krachtens artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek moet hoger beroep, wanneer het geschil onsplitsbaar is, gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep (eerste lid). Bovendien moet deze de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken (tweede lid). Bij niet-inachtneming van deze regels wordt het hoger beroep niet toegelaten (derde lid). Te dezen stelt de rechtbank in haar tussenvonnis van 14 februari 2005 o.m. vast: (
- a)"dat de echtgenoten V.-V. hun hoger beroep enkel gericht hebben tegen de baron en dat zij hun zoon, die tevens procespartij was in eerste aanleg, niet (althans niet in eigen naam) in de beroepsprocedure betrokken hebben", (
- b)"dat de baron zijn navolgend hoger beroep (waarover verder meer) eveneens enkel gericht heeft tegen V.J.(de eiser), doch niet tegen de echtgenoten V.-V. noch tegen hun rechtsopvolgers", (
- c)dat "huidig geschil onsplitsbaar is in de zin van de artikelen 753 en 1053 van het Gerechtelijk Wetboek ", nu het "duidelijk is dat de betwisting betreffende de geldigheid van de pachtopzeg en de geldigheid van de hieraan al dan niet voorafgegane pachtoverdracht noodzakelijkerwijze in aanwezigheid van alle hierbij betrokken partijen, met name de verpachter, de oorspronkelijke pachters en de pachtovernemer, dient gevoerd te worden", aangezien "immers, (...) een pachtoverdracht ofwel geldig ofwel ongeldig (is), doch (...) geenszins tegelijkertijd geldig (kan) zijn ten aanzien van de oorspronkelijke pachters en ongeldig ten aanzien van de beweerde pachtovernemer", en (
- d)dat "één en ander impliceert dat in de beide beroepsprocedures in principe zowel de verpachter (i.c. de baron), de oorspronkelijke pachters (i.c. de echtgenoten V.-V. of hun rechtsopvolgers) en de beweerde pachtovernemer (i.c. (de eiser)) moesten betrokken worden, hetgeen in casu niet gebeurd is strictu sensu" (p. 15-16). 1.2 Krachtens artikel 30 van hetzelfde wetboek kunnen rechtsvorderingen als samenhangende zaken worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht. De toepassing van dit artikel in hoger beroep kan echter geenszins tot gevolg hebben dat twee, wegens niet-naleving van de regels gesteld in artikel 1053, ontoelaatbare hogere beroepen, toelaatbaar zouden worden in de zin van dit artikel 1053, louter door hun samenvoeging wegens samenhang in de zin van voormeld artikel 30, zoals door de rechtbank in haar tussenvonnis van 14 februari 2005 vastgesteld (p. 4). 1.3 Hieruit volgt dat de rechtbank, in haar tussenvonnis van 14 februari 2005, niet wettig heeft geoordeeld dat "de samenvoeging van de beide beroepsprocedures, zoals hoger bevolen, (...) evenwel tot gevolg (heeft) dat alle voornoemde partijen thans in de procedure tot hoger beroep betrokken zijn, zodat het probleem van de onsplitsbaarheid zich in de beide samengevoegde zaken thans niet langer stelt" (schending van de artikelen 30, 31 en 1053 van het Gerechtelijk Wetboek). Bijgevolg kon de rechtbank evenmin wettig oordelen dat het hoofdberoep van de echtgenoten V.-V. ‘tijdig en regelmatig naar de vorm is' en als ‘hervormingsberoep' ontvankelijk is (schending van de artikelen 1051, 1053 en 1056 van het Gerechtelijk Wetboek). 2.1 In haar tussenvonnis van 7 mei 2007 verklaart de rechtbank van eerste aanleg zowel het incidenteel beroep van eerste verweerder in de zaak met rolnummer 86/1563/A, als zijn hoofdberoep in de zaak met rolnummer 02/2211/A, niet ontvankelijk. Nu de rechtbank, zoals hierboven aangetoond, evenmin wettig oordeelt dat het hoofdberoep van de echtgenoten V.-V. als ‘hervormingsberoep' ontvankelijk is, werd geen enkel ontvankelijk hoger beroep bij de rechtbank ingesteld, zodat het vonnis van de eerste rechter overeenkomstig artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek in kracht van gewijsde is getreden. 2.2 Een hoger beroep heeft slechts een devolutieve werking in de zin van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, indien het ontvankelijk is, terwijl bij de appelrechter geen ontvankelijke nieuwe vordering, bij toepassing van de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, kan worden ingesteld indien geen enkel ontvankelijk hoger beroep bij hem werd ingesteld. Hieruit volgt dat de rechtbank niet wettig kennis kon nemen van, noch uitspraak doen over: - de ontvankelijkheid van de vordering van eerste verweerder tot gedwongen tussenkomst in hoger beroep van L. D. en de gegrondheid van deze vordering; - de ontvankelijkheid van de vordering van eerste verweerder tot schadevergoeding wegens onrechtmatige bezetting van de oorspronkelijke pachtgronden; - de ontvankelijkheid van de tussenvordering tot vrijwaring van derde tot en met zevende verweerders en de gegrondheid van deze vordering; de ‘eisuitbreiding in graad van beroep' van de eerste verweerder m.b.t. de door hem gevorderde dwangsom voor de vertraging ‘in de uitvoering van de ontruiming van de kwestieuze percelen vanaf de dertigste dag volgend op de betekening van (het) vonnis'; - de ‘eisuitbreiding in graad van beroep' van de eerste verweerder m.b.t. de door hem gevorderde schadevergoeding en achterstallige pachtgelden met aanstelling van een deskundige en toekenning van een voorbehoud voor ‘een schadevergoeding wegens de eventuele milieuverontreiniging van de verpachte percelen' ten aanzien van de eiser (tussenvonnis van 7 mei 2007, p. 17-19 en 22-24). Door niettemin ‘het hoger beroep van eisers in hoger beroep inzake 86/1563/A in de hiernavolgende mate gegrond' te verklaren en te beslissen over voormelde vorderingen heeft de rechtbank dan ook haar tussenvonnissen van 14 februari 2005 en 7 mei 2007 niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 28, 807, 1042 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. De appelrechters oordelen dat het geschil dat het voorwerp is van het hoger beroep van de echtgenoten V.-V., oorspronkelijke pachters en rechtsvoorgangers van de eiser en van de verweerders 2 tot en met 11, onsplitsbaar is, zonder op dit punt te worden bekritiseerd. 2. Artikel 1053, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat hoger beroep, wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep. Krachtens het tweede lid van die wetsbepaling, moet de eiser in hoger beroep bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van het debat in de zaak betrekken. Krachtens het derde lid van dit artikel wordt, bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels, het hoger beroep niet toegelaten. Krachtens het vierde lid van dit artikel kan de beslissing worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen. 3. Uit die bepalingen volgt dat de afwezige partij in het hoger beroep moet worden betrokken en dat derhalve het tijdige initiatief hiertoe moet uitgaan van een partij die de tegenwerpelijkheid van de tussen te komen beslissing nastreeft. In de regel is dit de appellant. Aan de wet is eveneens voldaan als een geïntimeerde de afwezige partij in het hoger beroep betrekt, met het oog op de tegenwerpelijkheid van de beslissing. Deze partij kan er immers belang bij hebben dat het hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard. 4. De appelrechters stellen vast dat het beroepen vonnis op 1 augustus 1986 ten verzoeke van de eerste verweerder betekend werd aan de echtgenoten V.-V., maar niet aan de eiser. De appelrechters oordelen, enerzijds, dat in de loop van de beroepsprocedure aanhangig gemaakt door de echtgenoten V.-V., de eerste verweerder de eiser op 30 oktober 2002 heeft gedagvaard in hoger beroep "stellende dat de laatstgenoemde noodzakelijkerwijze tevens als procespartij betrokken dient te worden in het hoger beroep, ingesteld door de echtgenoten V.-V.". Aldus geven zij te kennen dat het voorwerp van de dagvaarding van de eerste verweerder ertoe strekt de eiser in een onsplitsbaar geschil, voorwerp van het hoger beroep van de echtgenoten V.-V., te betrekken. De appelrechters oordelen, anderzijds, dat de eerste verweerder met die dagvaarding van 30 oktober 2002 een navolgend hoger beroep heeft ingesteld tegen de eiser en dat hij vordert dat de door hem aanhangig gemaakte beroepsprocedure zou worden samengevoegd met de beroepsprocedure ingeleid door de echtgenoten V.-V.. Vervolgens oordelen zij dat de beide beroepsprocedures samenhangend zijn zodat ze dienen gevoegd. Aldus gaan de appelrechters ervan uit, enerzijds, dat de dagvaarding van 30 oktober 2002 door de eerste verweerder tot doel had de eiser te betrekken in de beroepsprocedure die werd aanhangig gemaakt door de echtgenoten V.-V. en, anderzijds, dat met die dagvaarding een afzonderlijk navolgend hoger beroep werd ingesteld. Die uitgangspunten zijn tegenstrijdig. 5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt: - het beroepen vonnis werd niet betekend aan de eiser; - de echtgenoten V.-V. hebben hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis van 14 juli 1986; - dit hoger beroep was niet gericht tegen hun zoon J.V., de eiser, die eveneens partij was voor de eerste rechter; - de eerste verweerder, verpachter, heeft op 30 oktober 2002 de eiser J.V. gedagvaard in de volgende bewoordingen " Het vonnis a quo werd op 1 augustus 1986 betekend aan (de echtgenoten V.-V.), die vervolgens op 29 augustus 1986 hoger beroep hebben ingesteld tegen (de eerste verweerder) (...) ertoe strekkend dit vonnis te laten vernietigen en te hervormen, doch waarin (de eiser) niet werd betrokken" en "Bijgevolg is het noodzakelijk (de eiser), een regelmatige procespartij in eerste aanleg, te betrekken in het hoger beroep". Uit het voorgaande volgt dat de echtgenoten V.-V. in een volgens het bestreden vonnis onsplitsbaar geschil hoger beroep hebben ingesteld, zonder de eiser daarin te betrekken en dat de eerste verweerder binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van het debat, de eiser in de zaak heeft betrokken. 6. Op grond van voormelde in de plaats gestelde redenen is de beslissing van de appelrechters dat de hogere beroepen ontvankelijk zijn, naar recht verantwoord. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek, kan het niet tot cassatie leiden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. 7. Voor het overige is het middel geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek en is het in zoverre niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 1278,46 euro, in debet, jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 26 september 2008 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080926.5 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.12 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170127.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050422.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090423.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120308.12 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120323.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160506.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180412.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180412.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div