van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (WAM-wet), §1 voor zijn wijziging bij wet van 19 januari 2001; - artikel 1251, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Grieven Artikel 29bis WAM-wet bepaalt dat, bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is "betrokken", met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, vergoed wordt door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet. Wanneer er meerdere motorrijtuigen "betrokken" zijn bij het verkeersongeval, dan mag het slachtoffer of zijn rechthebbenden zich tot elk van de verzekeraars van een van de "betrokken" voertuigen richten, waarbij de verzekeraar die betaald heeft, krachtens de artikelen 29bis, §4, WAM-wet en 1251, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, over een regresvordering beschikt tegen de verzekeraars van de andere bij het ongeval "betrokken" voertuigen (zie vonnis, p.5, tweede en derde alinea). Eerste onderdeel Een motorrijtuig is bij een verkeersongeval "betrokken" in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet indien zijn aanwezigheid "enig verband" houdt met de totstandkoming van het verkeersongeval, hierbij "een of andere rol" heeft gespeeld of "op een of andere manier" is tussengekomen. Wanneer er een rechtstreeks contact is geweest tussen het motorvoertuig en het verkeersslachtoffer dan is voldaan aan de voorwaarde dat de aanwezigheid van dat motorrijtuig in verband moet staan met de totstandkoming van het ongeval en is er sprake van "betrokkenheid" van dat motorvoertuig. Het bestreden vonnis betwistte niet dat er naar aanleiding van het verkeersongeval een contact was geweest tussen de geparkeerde Opel Vectra en het slachtoffer W. nu in het vonnis uitdrukkelijk werd vastgesteld dat het slachtoffer, na de zware klap tegen de voorruit van de Citroën ZX, tegen een verder gelegen geparkeerde wagen Opel Vectra was terechtgekomen, en dat dit een gevolg was van het ongeval: - "de fietser kwam terecht tot tegen de voorkant van een aldaar geparkeerde wagen" (vonnis, p.3, eerste alinea); - "het feit dat hij nadien ten gevolge van deze zware klap (tegen de voorruit van de Citroën ZX) tegen een verder gelegen geparkeerde wagen terechtkwam is een gevolg van dit ongeval" (vonnis, p.6, tweede alinea). Hieruit volgt dat het bestreden vonnis, in strijd met deze vaststellingen, niet wettig heeft kunnen oordelen dat het geparkeerde voertuig Opel Vectra niet betrokken was bij het verkeersongeval in de zin van artikel 29bis WAM-wet zodat de vordering van eiseres niet wettig ongegrond werd verklaard (schending van de artikelen 29bis, §
Tweede onderdeel Voor de betrokkenheid van het motorvoertuig in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet is niet vereist dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de aanwezigheid van het voertuig en het verkeersongeval. Een geparkeerd voertuig kan aldus ook betrokken zijn bij een verkeersongeval indien het verkeersongeval zich ook zou hebben voorgedaan buiten de aanwezigheid van het geparkeerde voertuig. De toepassing van artikel 29bis WAM-wet vereist evenmin dat het motorvoertuig moet hebben bijgedragen tot het ontstaan van het ongeval of een weerslag heeft gehad op de totstandkoming van het ongeval nu zulks de "betrokkenheid" van een motorvoertuig bij een verkeersongeval evenzeer laat afhangen van een causale tussenkomst van dat voertuig bij de totstandkoming van het ongeval. Het bestreden vonnis stelt vast dat: - niet blijkt dat het voertuig van de heer D. (Opel Vectra) heeft bijgedragen tot het ontstaan van het ongeval; - het feit dat de fietser, als gevolg van de zware klap tegen de voorruit van de Citroën ZX, nadien tegen de geparkeerde Opel Vectra was terechtgekomen, geen enkele weerslag heeft gehad wat betreft de totstandkoming van het ongeval; - indien deze geparkeerde wagen er niet was geweest, ware de fietser mogelijks op ongeveer dezelfde plaats tegen de grond terechtgekomen. Uit deze vaststellingen blijkt dat de rechtbank aannam dat er een oorzakelijk verband moet voorhanden zijn tussen de aanwezigheid van het geparkeerde voertuig Opel Vectra en het verkeersongeval opdat er sprake kan zijn van betrokkenheid in de zin van artikel 29bis WAM-wet. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis, omwille van het ontbreken van een causale tussenkomst van de Opel Vectra bij het ontstaan van het verkeersongeval, niet wettig heeft kunnen beslissen dat de aanwezigheid van de geparkeerde wagen hier niet kan worden geïnterpreteerd als een "betrokkenheid" van het voertuig in de zin van artikel 29bis WAM-wet en de vordering van eiseres bijgevolg niet wettig ongegrond heeft kunnen verklaren (schending van de artikelen 29bis, §
Derde onderdeel Waar het voertuig voor de toepassing van artikel 29bis WAM-wet "betrokken" moet zijn bij het verkeersongeval (zie het eerste en tweede onderdeel), is niet vereist dat het voertuig zelf rechtstreeks betrokken moet zijn bij de totstandkoming van de schade. Een voertuig kan bij een verkeersongeval "betrokken" zijn in de zin van artikel 29bis WAM-wet zonder dat dit voertuig aan de oorzaak ligt van de letsels van het slachtoffer. Bij het bepalen van de "betrokkenheid" van een motorvoertuig bij een verkeersongeval speelt het derhalve geen enkele rol in welke mate het voertuig zelf betrokken was bij de schade. Het begrip "betrokkenheid" veronderstelt weliswaar een zeker verband tussen het motorvoertuig en de schadelijke gevolgen van het verkeersongeval, maar vereist niet dat de schade werd veroorzaakt of toe te rekenen is aan het betrokken motorvoertuig. Het enkele feit dat het motorvoertuig Opel Vectra regelmatig stond geparkeerd en niet heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade of hierop geen weerslag heeft gehad, sluit derhalve niet uit dat dit motorvoertuig ‘betrokken' was bij het verkeersongeval en zijn schadelijke gevolgen. De schade die voor vergoeding in aanmerking kan komen met toepassing van artikel 29bis WAM-wet is de schade die aan het globale ongevalsgebeuren toerekenbaar is, ongeacht door welk van de bij het verkeersongeval betrokken voertuigen de schade werd veroorzaakt. De vaststelling in het vonnis dat "Uit het verslag van de deskundige en de voorgebrachte foto's (...) duidelijk (blijkt) dat het stoten met het hoofd tegen de voorruit van de Citroën ZX (...) het doorslaggevend element is wat de verdere gevolgen van dit tragisch ongeval betreft", kan derhalve geen wettige grondslag vormen voor de beslissing van de rechtbank dat "de aanwezigheid van de geparkeerde wagen (...) hier niet (...) geïnterpreteerd (kan) worden als een "betrokkenheid" van een ander voertuig in de zin van artikel 29bis WAM-wet" (vonnis, p. 6, tweede alinea). Hieruit volgt dat het bestreden vonnis, op grond van voormelde beschouwingen nopens de niet-toerekenbaarheid van de schade aan het geparkeerde voertuig Opel Vectra, in zoverre dit voertuig geen doorslaggevend element was voor de gevolgen van het ongeval, niet wettig heeft kunnen oordelen dat het geparkeerde voertuig niet betrokken was bij het verkeersongeval (schending van de artikelen 29bis, §
III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.