id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081003.4 Rolnummer: C.07.0198.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-10-23 Raadplegingen: 506 - laatst gezien 2026-07-03 03:09 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het instellen van hoger beroep maakt een onderdeel uit van het voeren van een rechtsgeding waarbij de gemeente als eiser, hetzij als verweerder, betrokken is, zodat het daarmee belast college van burgemeester en schepenen van de gemeente daartoe een formele beslissing moet nemen
(1)Zie Cass., 4 mei 2001, AR C.98.0199.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010504.6, A.C., 2001, nr. 255, met concl. OM.; R.v. St., Gemeente Watermaal-Bosvoorde, nr. 129.679, 24 maart 2004 en R.v. St., Gemeente Berlare, nr. 137.950, 2 dec. 2004; Arbitragehof, nr. 32/91, 14 nov. 1991, 3.B.1, A.A., 1991, 333; J. ASTAES, M. BAETSLE, B. BEELEN, S. BOULLART, A. COOLSEAT, P. DE SMEDT, J. DUJARDIN, J. NYCKEES, B. ROELANDTS, G. VAN HAEGENBORGH, J.P. VAN SPEYBROECK, College van burgemeester en schepenen - bevoegdheden, Die Keure, 2003, 302, nr. 488. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENTE - Nieuwe Gemeentewet - Rechtsgedingen gemeente Vrije woorden: Partijen - Gemeente - College van burgemeester en schepenen - Beslissing - Vorm Wettelijke bepalingen: Gemeentewet - 24-06-1988 - Artt. 104, tweede lid, 108bis, 123, 8° en 270 Thesaurus CAS: GEMEENTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENTE - Nieuwe Gemeentewet - Rechtsgedingen gemeente Vrije woorden: Rechtsgeding - Hoger beroep - College van burgemeester en schepenen - Beslissing - Vorm Wettelijke bepalingen: Gemeentewet - 24-06-1988 - Artt. 104, tweede lid, 108bis, 123, 8° en 270 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0198.N 1. BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE LEDEGEM, met kantoor op het gemeentehuis te 8880 Ledegem, Rollegemstraat 132, 2. GEMEENTE LEDEGEM, vertegenwoordigd door het College van burgemeester en schepenen, met kantoren te 8880 Ledegem, Rollegemstraat 132, eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen 1. MARCEL LUYCKX, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8880 Ledegem, Roeselarestraat 2, 2. L.M., en, 3. L.G., 4. L.D., 5. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 november 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 123, 8°, hernummerd bij artikel 2, §3, van de wet van 27 mei 1989 (B.S., 30 mei 1989) en voor zijn afschaffing door het gemeentedecreet van 15 juli 2005 (inwerkingtreding op 1 januari 2007), en 270, alinea's 1 en 2, van het koninklijk besluit van 24 juni 1988 betreffende de codificatie van de Nieuwe Gemeentewet (B.S., 3 september 1988, err. B.S., 8 juni 1990), voor zijn wijziging bij het gemeentedecreet van 15 juli 2005; - artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 440, tweede lid, en 870 van het Gerechtelijk Wetboek; - voor zoveel als nodig, de artikelen 17 en 703 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Tot staving van zijn beslissing om het hoger beroep van de eisers onontvankelijk te verklaren, heeft het aangevochten arrest o.a. wat volgt geoordeeld (arrest, 8-9, nrs. 6 en 6.1.): "Gelet op voorgaande overwegingen, dient te worden besloten dat zowel het hoger beroep van (de eiser), handelend in zijn hoedanigheid van burgemeester, als het hoger beroep van (de eiseres), worden ingesteld namens dezelfde rechtspersoon, met name ‘Gemeente Ledegem'. Artikel 123, 8°, van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat het College van burgemeester en schepenen belast is met het voeren van rechtsgedingen, waarbij de gemeente, hetzij, als eiser, hetzij, als verweerder, betrokken is. Naar luid van het tweede lid van artikel 270 van de Nieuwe Gemeentewet en behoudens de in het eerste en tweede lid van deze bepaling gestelde uitzonderingen, mogen rechtsvorderingen, waarbij de gemeente als eiser optreedt, slechts worden ingesteld na machtiging door de gemeenteraad. De machtiging tot het instellen van hoger beroep, bepaald bij artikel 270, tweede lid, van de Nieuwe Gemeentewet, mag worden gegeven tot aan de sluiting van de debatten, wat te dezen is gebeurd. Artikel 123, 8°, van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat het College van burgemeester en schepenen belast is met het voeren van rechtsgedingen. Uit de uitdrukkelijke termen van de akte van hoger beroep blijkt niet dat het hoger beroep van (de eiser), op de bij artikel 123, 8°, van de Nieuwe Gemeentewet bepaalde wijze, werd ingesteld. Uit de door de (eisers) onder nummer 2 in de debatten gebrachte stukken blijkt bovendien dat het College van burgemeester en schepenen pas op 30 december 2005 - en dus na de bij artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn - beslist heeft tot het instellen van hoger beroep". Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 440, tweede lid, 870 en, voor zoveel als nodig, 703 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat "de advocaat als gevolmachtigde van de partij (verschijnt) zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist". De rechtspraak van het Hof is gevestigd in deze zin dat "de advocaat die voor een rechtscollege van de rechterlijke orde een akte van rechtspleging verricht en zich ertoe beperkt in die akte te verklaren dat hij optreedt in naam van een rechtspersoon die genoegzaam is geïdentificeerd door de opgave van zijn benaming, zijn rechtskarakter en zijn maatschappelijke zetel wettelijk vermoed wordt daartoe een regelmatige lastgeving van het bevoegde orgaan van die rechtspersoon te hebben gekregen" en dat "een partij gerechtigd is te bevestigen dat de beslissing om een akte van rechtspleging te verrichten niet goedgekeurd is door de organen van de rechtspersoon en niet van hem uitgaat, maar dat de bewijslast rust op de partij die zulks betwist'' (Cass., 17 april 1997, A.C. 1997, 456). Uit deze wettekst en de rechtspraak van het Hof vloeit voort dat de advocaat in het voormelde geval wettelijk vermoed wordt een regelmatige lastgeving te hebben ontvangen van het daartoe bevoegde orgaan van de rechtspersoon. Deze regelmatigheid van de lastgeving van de advocaat impliceert dat deze door het bevoegde orgaan werd toegekend maar eveneens dat, indien noodzakelijk, de beslissing van het bevoegde orgaan om op te treden en lastgeving aan de advocaat te geven, niet laattijdig is. In hun tweede aanvullende conclusie van 24 januari 2006 hebben de eerste tot en met de derde verweerders aangevoerd dat het hoger beroep onontvankelijk was om de reden dat de beslissing van de gemeenteraad had moeten genomen worden binnen de termijn tot het instellen van het hoger beroep. Deze laatsten hebben dus de regelmatigheid van het optreden van het College van burgemeester en schepenen wat de tijdigheid van een beslissing van dit College om hoger beroep in te stellen, niet betwist. In zoverre de appelrechters stellen: "Uit de door (de eisers) onder nummer 2 in de debatten gebrachte stukken blijkt bovendien dat het College van burgemeester en schepenen pas op 30 december 2005 - en dus na de bij artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn - beslist heeft tot het instellen van hoger beroep", terwijl geen ernstige betwisting van de regelmatigheid van de beslissing, wat de tijdigheid ervan betreft, van het College van burgmester en schepenen van de Gemeente Ledegem om hoger beroep in te stellen, door de eerste tot en met de derde verweerders werd aangevoerd, hebben de appelrechters het vermoeden voortvloeiend uit artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek en de toepasselijke bewijslast miskend (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Schending van de artikelen 123, 8°, hernummerd bij artikel 2, §3, van de wet van 27 mei 1989 (B.S., 30 mei 1989) en voor zijn afschaffing door het gemeentedecreet van 15 juli 2005 (inwerkingtreding op 1 januari 2007), en 270, alinea's 1 en 2, van de het koninklijk besluit van 24 juni 1988 betreffende de codificatie van de Nieuwe Gemeentewet (B.S., 3 september 1988, err. B.S., 8 juni 1990), voor zijn wijziging bij het gemeentedecreet van 15 juli 2005 en, voor zoveel als nodig, schending van artikelen 17 en 703 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 123, 8°, van de Gemeentewet, hernummerd bij artikel 2, §3, van de wet van 27 mei 1989 (B.S., 30 mei 1989) en voor zijn afschaffing door het gemeentedecreet van 15 juli 2005 (inwerkingtreding op 1 januari 2007), bepaalt dat "het College van burgemeester en schepenen belast (
- is)met" " het voeren van rechtsgedingen waarbij de gemeente, hetzij, als eiser, hetzij, als verweerder betrokken is". Artikel 270 van de Gemeentewet, in zijn alinea's 1 en 2, bepaalt, voor zijn wijziging door het gemeentedecreet van 15 juli 2005, wat volgt: "Bij elke tegen de gemeente ingestelde rechtsvordering treedt het College van burgemeester en schepenen als verweerder op. Het stelt de vorderingen in kort geding en de bezitsvorderingen in; het verricht alle handelingen tot bewaring van recht of tot stuiting van verjaring en van verval. Alle andere rechtsvorderingen waarbij de gemeente als eiser optreedt, mogen door het college slechts worden ingesteld na machtiging van de gemeenteraad". Uit deze wettekst volgt dat enkel een ‘machtiging van de gemeenteraad' vereist was voor de ‘rechtsvordering' waarbij de gemeente ‘als eiser' optrad. Het hoger beroep beantwoordt niet aan deze omschrijving nu het slechts een gewoon rechtsmiddel is waardoor het rechtsgeding wordt verder gezet voor de appelrechter (zie artikel van het 1068 Gerechtelijk Wetboek; raadpl. o.m. : G. de Leval, Éléments de procédure civile, 2e ed., 2005, nr. 232 en de verwijzing naar het verslag Van Reepinghen, Pasin, 1967, p. 465). In zoverre de appelrechters hebben gesteld dat "Uit de door (de eisers) onder nummer 2 in de debatten gebrachte stukken bovendien (blijkt) dat het College van burgemeester en schepenen pas op 30 december 2005 - en dus na de bij artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn - beslist heeft tot het instellen van hoger beroep" en hebben beslist dat het hoger beroep bijgevolg onontvankelijk is, hebben ze impliciet maar zeker beslist dat een specifieke formele beslissing van het College van burgemeester en schepenen te dezen noodzakelijk was om een, ontvankelijk hoger beroep in te stellen. Uit de vaststellingen van het aangevochten arrest vloeit voort dat de eerste tot en met de derde verweerders de - in solidum met de vierde verweerder - veroordeling van de eisers hebben gevorderd (aangevochten arrest, p. 3-4, nr. 3.1.), zodat het voormelde arrest heeft vastgesteld dat de eisers oorspronkelijk de hoedanigheid van "verweerders" in deze zaak hadden. In zoverre het hoger beroep slechts de voorzetting is van het geding in eerste aanleg waarin de eisers de hoedanigheid hadden van "verweerders", is de beslissing van de appelrechters die een formele beslissing van het College van burgmeester en schepenen vereist om hoger beroep in te stellen, niet naar recht verantwoord. Het bestreden arrest schendt dan ook de in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Het onderdeel gaat uit van de veronderstelling dat de eerste tot en met derde verweerders de regelmatigheid van het optreden van het College van burgemeester en schepenen wat de tijdigheid van een beslissing van dit college om hoger beroep in te stellen betreft, voor de appelrechters niet hebben betwist. 2. Het bestreden arrest stelt vast, zonder dat het op dit punt wordt aangevochten, dat (de eerste tot en met de derde verweerders) met hun op 25 januari 2006 neerge¬legde conclusie besluiten tot de niet-ontvankelijkheid of ontoelaatbaarheid van het door de (tweede eiser) ingestelde hoger beroep en dat zij daartoe aanvoeren dat de beslissing om in rechte op te treden, bij toepassing van artikel 123, 8°, en van artikel 270 van de Nieuwe Gemeentewet, moet genomen worden door het College van burgemeester en schepenen na machtiging door de gemeenteraad, dat geen dezer beslissingen dateert van voor het neerleggen van de beroepsakte en dat geen dezer beslissingen binnen de beroepstermijn werd genomen. De appelrechters stellen aldus vast dat eerste tot en met derde verweerders de tijdigheid van de collegebeslis¬sing om hoger beroep in te stellen hebben betwist. 3. Het onderdeel gaat aldus uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 4. Krachtens artikel 123, 8°, van de Nieuwe Gemeentewet, voor zijn opheffing door het Nieuwe Gemeentedecreet van 15 juli 2005, is het College van burgemeester en schepenen belast met het voeren van de rechtsgedingen waarbij de gemeente als eiser, hetzij als verweerder, betrokken is. 5. Het instellen van hoger beroep maakt een onderdeel uit van het voeren van een rechtsgeding, zodat het College van burgemeester en schepenen daartoe moet beslissen. 6. De beslissingen van het College van burgemeester en schepenen worden krachtens de artikelen 104, tweede lid, en 108bis van de Nieuwe Gemeentewet, zoals die bepalingen golden voor de opheffing door het Nieuwe Gemeentedecreet, genotuleerd door de secretaris en de overgeschreven notulen worden krachtens artikel 108, derde lid, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals dit gold voor de opheffing door het Nieuwe Gemeentedecreet, door de burgemeester en door de secretaris getekend. 7. Het onderdeel, dat ervan uitgaat dat voor het instellen van hoger beroep geen formele beslissing van het College van burgemeester en schepenen vereist is ingeval de gemeente in eerste aanleg als verweerder in het rechtsgeding betrokken was, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 605,32 euro jegens de eisende partijen en op de som van 102,84 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 3 oktober 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081003.4 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010504.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100401.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div