← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081007.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081007.1 Rolnummer: P.08.0324.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-23 Raadplegingen: 651 - laatst gezien 2026-07-03 06:57 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het misdrijf van onttrekking aan de aanwijzing als lid van een stemopnemingsbureau of kiesbureau, zoals bepaald in artikel 95, § 5, Kieswetboek, voltrekt zich de dag der verkiezingen ook al heeft de dader voordien te kennen gegeven de in dat artikel bedoelde aanwijzing te weigeren. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Misdrijven - Soorten - Politieke misdrijven PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Algemeen Vrije woorden: Kieswetboek - Onttrekking aan de aanwijzing als lid van een stemopnemingsbureau of stembureau - Ogenblik waarop het misdrijf voltrokken is Wettelijke bepalingen: Kieswetboek - Artt. 95, §§ 4 en 5 Thesaurus CAS: VERKIEZINGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Misdrijven - Soorten - Politieke misdrijven PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Algemeen Vrije woorden: Kieswetboek - Misdrijf - Onttrekking aan de aanwijzing als lid van een stemopnemingsbureau of stembureau - Ogenblik waarop het misdrijf voltrokken is Wettelijke bepalingen: Kieswetboek - Artt. 95, §§ 4 en 5 Fiches 3 - 4 Het politiek misdrijf, beoogd in artikel 8, eerste lid, van het decreet van 19 juli 1831 is hetzelfde politiek misdrijf als dat bedoeld in artikel 150 Grondwet; in de beide gevallen kan een misdrijf slechts een politiek misdrijf zijn, hetzij indien het misdrijf uit de aard ervan noodzakelijk bestaat in een rechtstreekse aantasting van de politieke instellingen in hun bestaan, hun inrichting of hun werking, hetzij indien het gepleegd wordt met het oogmerk om zulke aantasting op de politieke instellingen te plegen en het feit, gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het gepleegd wordt, rechtstreeks zulke aantasting tot gevolg heeft of kan hebben

(1).
(1)Cass., 18 nov. 2003, AR P.03.0487.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.17, A.C., 2003, nr 575 met conclusie O.M.; Cass., 9 nov. 2004, AR P.04.0849.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13, A.C., 2004, nr 539. Thesaurus CAS: POLITIEK MISDRIJF UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Misdrijven - Soorten - Politieke misdrijven PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Algemeen Vrije woorden: Decreet 19 juli 1831 - Begrip politiek misdrijf - Soorten Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 Wet - 19-07-1831 - Art. 8, eerste lid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 150 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Misdrijven - Soorten - Politieke misdrijven PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Algemeen Vrije woorden: Begrip politiek misdrijf - Soorten Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 Wet - 19-07-1831 - Art. 8, eerste lid Fiche 5 De politieke instellingen, in de zin van het door het politiek misdrijf aangetaste rechtsgoed, omvatten onder meer de staatsvorm, de parlementen, het gezag en de grondwettelijke prerogatieven van de Koning, de volgorde van de troonopvolging, de machtsuitoefening van de ministers en de politieke rechten van de burgers
(1).
(1)Cass., 18 nov. 2003, AR P.03.0487.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.17, A.C., 2003, nr 575 met conclusie O.M.; Cass., 9 nov. 2004, AR P.04.0849.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13, A.C., 2004, nr
  1. Thesaurus CAS: POLITIEK MISDRIJF UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Misdrijven - Soorten - Politieke misdrijven PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Algemeen Vrije woorden: Aangetast rechtsgoed - Politieke instellingen Annotaties Publicaties: N.C. - ARNOU Luc - 2009/5 NC - ARNOU Luc - 2009/5 - p. 315-323 Tekst van de beslissing Nr. P.08.0324.N M B L D V, beklaagde, eiseres, met als raadslieden mr. Matthias Storme, advocaat bij de balie te Brussel, mr. Igor Rogiers, advocaat bij de balie te Dendermonde, en mr. Karl Vanlouwe, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 januari
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 182 Wetboek van Strafvordering, artikel 1138, 2° en 4°, Gerechtelijk Wetboek en van artikel 95, §§ 4, 5 en 10, Kieswetboek: het feit van de telastlegging dat voor het hof van beroep aanhangig was, situeert zich op 10 juni 2007; het arrest verklaart de eiseres schuldig aan dit feit alhoewel uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat deze plaatsvonden vóór die datum, met name op 15 mei 2007; dit is een overschrijding van de bevoegdheid van de appelrechters; minstens is het arrest hierdoor tegenstrijdig gemotiveerd.
  4. Artikel 95, § 4, Kieswetboek bepaalt de wijze van aanwijzing van de leden van stemopnemingsbureaus en stembureaus door de voorzitter van het kantonhoofdbureau. Artikel 95, § 5, Kieswetboek bepaalt : "Ieder die zich, zonder geldige reden, onttrekt aan de aanwijzing voorzien in voorgaande paragraaf, of die door zijn schuld, zijn onvoorzichtigheid of zijn nalatigheid op enigerlei wijze de hem toevertrouwde opdracht in gevaar brengt, wordt gestraft met geldboete van vijftig tot tweehonderd euro".
  5. Het misdrijf bepaald in artikel 95, § 5, voornoemd voltrekt zich de dag der verkiezingen ook al heeft de dader voordien te kennen gegeven de in dat artikel bedoelde aanwijzing te weigeren. Het is immers de dag der verkiezingen dat de onttrekking aan de aanwijzing definitief vaststaat. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 13 en 150 Grondwet en artikel 8 van het decreet van 19 juli 1831 waarbij de jury opnieuw wordt ingesteld: de restricties in de uitlegging door het arrest van het begrip "politiek misdrijf" als bedoeld in artikel 8 van het decreet van 19 juli 1831 is strijdig met artikel 150 Grondwet dat die restricties niet maakt.
  7. Artikel 150 Grondwet bepaalt: "De jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke misdrijven en drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn". Artikel 8, eerste lid, van het decreet van 19 juli 1831 waarbij de jury opnieuw wordt ingesteld, bepaalt: "Wanneer het om politieke misdrijven of om drukpersmisdrijven gaat, wordt het onderzoek gevoerd en de uitspraak gedaan zoals in criminele zaken". Deze artikelen preciseren niet wat een "politiek misdrijf" is noch wat de voorwaarden voor dergelijk misdrijf zijn.
  8. Het politiek misdrijf, beoogd in artikel 8, eerste lid, van het decreet van 19 juli 1831 is hetzelfde politiek misdrijf als dat bedoeld in artikel 150 Grondwet. In de beide gevallen kan een misdrijf slechts een politiek misdrijf zijn: - hetzij indien het misdrijf uit de aard ervan noodzakelijk bestaat in een rechtstreekse aantasting van de politieke instellingen in hun bestaan, hun inrichting of hun werking; - hetzij indien het gepleegd wordt met het oogmerk om zulke aantasting op de politieke instellingen te plegen en het feit, gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het gepleegd wordt, rechtstreeks zulke aantasting tot gevolg heeft of kan hebben. Deze politieke instellingen omvatten onder meer de staatsvorm, de parlementen, het gezag en de grondwettelijke prerogatieven van de Koning, de volgorde van de troonopvolging, de machtsuitoefening van de minister en de politieke rechten van de burgers.
  9. Het onderdeel dat er geheel van uitgaat dat het begrip "politiek misdrijf" beoogd in zowel artikel 150 Grondwet als artikel 8 van het decreet van 19 juli 1831 ruimer moet worden uitgelegd, faalt naar recht.
  10. Het onderdeel verzoekt bijkomend de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Is art. 8, eerste lid, van het decreet van 19 juli 1831 waarbij de jury opnieuw wordt ingesteld, luidens welke bepaling ‘Wanneer het om politieke misdrijven of om drukpersmisdrijven gaat, wordt het onderzoek gevoerd en de uitspraak gedaan zoals in criminele zaken', in die zin uitgelegd dat er enkel sprake is van een politiek misdrijf als dit misdrijf een rechtstreekse aantasting van de politieke instellingen tot gevolg heeft of kon hebben, concreet dat een kiesmisdrijf slechts een politiek misdrijf is wanneer de organisatie van de verkiezingen erdoor onmogelijk is gemaakt, al dan niet strijdig met de Grondwet, in het bijzonder met artikel 13 Grondwet in samenhang met artikel 60 Grondwet?" De voorgestelde prejudiciële vraag gaat uit van de onjuiste rechtsopvatting dat het begrip politiek misdrijf in zowel artikel 150 Grondwet als in artikel 8, lid 1, van het Decreet van 19 juli 1831 ruimer moet worden uitgelegd dan zoals hierboven vermeld. Zij dient bijgevolg niet te worden gesteld. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 13 en 150 Grondwet en artikel 8 van het decreet van 19 juli 1831 waarbij de jury opnieuw wordt ingesteld: uit het feit dat de weigering van een individu kan worden geneutraliseerd, kan het arrest niet afleiden dat het feit van de weigering zelf niet uit de aard ervan zou kunnen bestaan in een rechtstreekse aantasting van de politieke instellingen, hier de kiesrechten van de burgers; bovendien gaat het arrest niet na of de weigering van een groep personen met een gemeenschappelijk opzet kan bestaan in een rechtstreekse aantasting van de politieke instellingen in hun bestaan, hun inrichting of hun werking.
  12. Is geen politiek misdrijf, het misdrijf dat wegens zijn aard niet bestaat in een rechtstreekse aantasting van de politieke instellingen in hun bestaan, hun inrichting of hun werking of wanneer het, alhoewel gepleegd met het oogmerk om zulke aantasting op de politieke instellingen te plegen, zulke aantasting niet rechtstreeks tot gevolg heeft of kan hebben. Dit houdt in dat wanneer het misdrijf bestaat in de weigering zijn medewerking te verlenen aan de organisatie van de verkiezingen van de wetgevende lichamen, de verrichtingen daardoor effectief onmogelijk moeten worden gemaakt of moeten kunnen worden gemaakt.
  13. Er is geen aantasting van de politieke instellingen in hun bestaan, hun inrichting of hun werking wanneer de weigering zijn medewerking te verlenen aan de organisatie van de verkiezingen wordt voorkomen en zelfs geneutraliseerd door wettelijke bepalingen die voorzien in de nodige maatregelen om, niettegenstaande die weigering, de verrichtingen van stemopneming op de dag der verkiezingen te waarborgen. In dat geval kunnen de burgers immers hun stemrecht of hun recht zich kandidaat te stellen steeds ten volle uitoefenen en blijft de werking van de instellingen, waarvan de wetgevende lichamen deel uitmaken, gewaarborgd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Voor het overige oordeelt het arrest: "dat ook anderen eenzelfde mening als de beklaagde zouden toegedaan geweest zijn en zich op identieke wijze zouden gedragen hebben (...) kan al evenmin resulteren in een andere besluitvorming in deze strafzaak".
  15. Anders dan het onderdeel aanvoert, gaat het arrest aldus na of de weigering van een grotere groep personen met een gemeenschappelijk opzet uit zijn aard kan bestaan in een rechtstreekse aantasting van de politieke instellingen in hun bestaan, hun inrichting of hun werking. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, en mist het feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  16. Het onderdeel voert miskenning aan van het vermoeden van onschuld en van de regels van de bewijslast in strafzaken: het strafdossier bevat geen enkel element waaruit de vaststelling kan worden afgeleid dat het stemrecht of het recht zich kandidaat te stellen voor de wetgevende verkiezingen van 10 juni 2007 door het optreden van de eiseres geenszins is aangetast. Het onderdeel dat het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 13, 149 en 150 Grondwet en van artikel 8 van het decreet van 19 juli 1831 alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld en van de regels van de bewijslast in strafzaken: het arrest beantwoordt het verweer van de eiseres niet dat een collectieve weigering de organisatie van de verkiezingen in gevaar kon brengen.
  18. Het onderdeel preciseert niet hoe en waardoor het arrest het vermoeden van onschuld miskent. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  19. Het arrest oordeelt dat de weigering van de eiseres gelet op de door de wetgever bepaalde maatregelen die toelaten dat de verkiezingsverrichtingen toch kunnen plaatsvinden, geen rechtstreekse aantasting is van de politieke instellingen, hun bestaan, hun inrichting of hun werking en zulke aantasting niet tot gevolg kan hebben. Het oordeelt verder: "dat ook anderen eenzelfde mening als de beklaagde zouden toegedaan geweest zijn en zich op identieke wijze zouden gedragen hebben (...) kan al evenmin resulteren in een andere besluitvorming in deze strafzaak". Hierdoor beantwoordt het arrest het bedoelde verweer en is het regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet aangenomen worden.
  20. Verder voert het onderdeel aan dat het bestreden arrest onvoldoende elementen heeft vastgesteld om in feite bewezen te achten dat ook de collectieve actie waaraan eiseres deelnam onmogelijk een rechtstreekse aantasting van de kiesrechten van de burgers kon meebrengen. Het verplicht aldus het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van de regels inzake de bewijslast is het niet ontvankelijk.
  21. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de hierboven vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 13 en 150 Grondwet en artikel 8 van het decreet van 19 juli 1831, is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt de conclusie van de eiseres niet dat deze een geldige reden had om niet deel te nemen aan de organisatie van de verkiezingen.
  23. De eiseres heeft voor het hof van beroep in conclusie aangevoerd dat zij een geldige reden, als bedoeld in artikel 95, § 5, Kieswetboek, had om niet mee te werken aan de organisatie van de verkiezingen omdat de parlementsverkiezingen van 10 juni 2007 naar haar oordeel ongrondwettig waren.
  24. Met de redenen die het arrest (blz. 18 tot 24) vermeldt, onderzoekt het de schuld van de eiseres in het licht niet enkel van haar toerekenbaarheid maar ook van de door haar opgeworpen gewetensbezwaren gegrond op de aangevoerde ongrondwettelijkheid van de verkiezingen. Het arrest oordeelt dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat de verkiezingen van 10 juni 2007 ongrondwettelijk zijn om te besluiten: "de door de (eiseres) ingeroepen gewetensbezwaren, politieke redenen en burgerzin vormden in hoofde van de (eiseres) en mede in acht genomen alle hoger gedane juridische en feitelijke bevindingen, geen ‘geldige reden' om zich op 10 juni 2007 te onttrekken aan haar aanstelling als plaatsvervangend bijzitter van het stemopnemingsbureau nr. 11 B te Wetteren". Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 95, § 5, Kieswetboek: het arrest miskent het begrip "geldige reden" als bedoeld in dat artikel door dit te beperken tot de "strafuitsluitingsgronden" bepaald in de artikelen 70 en 71 Strafwetboek.
  26. Het arrest oordeelt onder meer dat de politieke drijfveer van de eiseres geen geldige reden was om te weigeren mee te werken aan de organisatie van de verkiezingen daar niet voldoende aannemelijk gemaakt is dat die verkiezingen ongrondwettelijk waren. Aldus beperkt het arrest het begrip "geldige reden" als bedoeld in artikel 95, § 5, Kieswetboek niet tot de rechtvaardigingsgronden van de artikelen 70 en 71 Strafwetboek. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  27. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld en de regels van de bewijslast in strafzaken: het openbaar ministerie brengt geen enkel element aan om te bewijzen dat de door de eiseres aangehaalde redenen geen geldige reden zijn in de zin van artikel 95, § 5, Kieswetboek.
  28. Het onderdeel is niet gericht tegen de bestreden beslissing maar tegen het optreden van het openbaar ministerie. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Vierde middel
  29. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op de conclusie van de eiseres dat het verbod tot discriminatie haar heeft verhinderd deel te nemen aan de organisatie van discriminerende verkiezingen zodat er overeenkomstig artikel 70 Strafwetboek geen misdrijf kan zijn.
  30. Het arrest oordeelt (r.o. 58): "Hoewel de (eiseres) aanvoerde (en thans nog steeds aanvoert) dat de verkiezingen van 10 juni 2007 ‘ongrondwettig' zouden zijn, is dit standpunt - naar normen van strafrecht - tot op vandaag niet voldoende aannemelijk geworden". Hierdoor geeft het arrest eveneens te kennen dat de verkiezingen niet discriminerend waren zodat er geen sprake was van deelname aan enige discriminatie. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Vijfde middel Eerste onderdeel
  31. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 13 en 48 Grondwet, de artikelen 1, 9 en 26 Bijzondere Wet Arbitragehof, artikel 231 Kieswetboek, artikel 5 Gerechtelijk Wetboek en artikel 70 Strafwetboek: het arrest verwerpt het verweer van de eiseres geput uit de ongrondwettelijkheid van de kieswet niet op grond van de vaststelling dat de overgangsperiode van vier jaar bepaald in het arrest 30/2003 van 26 mei 2003 van het Grondwettelijk Hof nog niet zou zijn verstreken op de dag van de verkiezingen van 10 juni 2007, maar wel met het oordeel dat enkel de Kamer en de Senaat uitspraak doen over de geldigheid van de kiesverrichtingen en op grond dat de grondwettelijkheid van de verkiezingen niet door het Grondwettelijk Hof kan worden onderzocht; hierdoor verwart het arrest de geldigheid van de verkiezingen wat de leden en opvolgers van Kamer en Senaat betreft met de vraag naar de grondwettelijkheid van de kieswet op grond waarvan de verkiezingen georganiseerd zijn en miskent het de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof vast te stellen dat de verkiezingen ongrondwettig zijn georganiseerd.
  32. Het bestreden arrest oordeelt niet enkel zoals in het onderdeel aangehaald. Het oordeelt ook (r.o. 58): "Hoewel de beklaagde aanvoerde (en thans nog steeds aanvoert) dat de verkiezingen van 10/06/2007 ‘ongrondwettig' zouden zijn, is dit standpunt - naar normen van strafrecht - tot op vandaag niet voldoende aannemelijk geworden" en "de stelling van de beklaagde (...) met betrekking tot de ongrondwettigheid van de verkiezingen van 10/06/2007 wordt niet beaamd in de rechtsleer (...); de auteurs stellen dat de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde termijn om de ongrondwettigheid af te wenden verstreek op 19/06/2007 en ‘de verklaring tot herziening van de Grondwet van 1 mei 2007' maakte het mogelijk de verkiezingen te laten plaatsvinden op 10 juni 2007, vooraleer het grondwettigheidsoordeel van het Grondwettelijk Hof in werking zou treden." Aldus oordeelt het arrest dat de verkiezingen van 10 juni 2007 niet kennelijk ongrondwettelijk zijn daar de overgangsperiode van vier jaar bepaald in het arrest 30/2003 van het Grondwettelijk Hof nog niet verstreken was. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  33. Voor het overige komt het onderdeel op tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. De hierboven vermelde redenen dragen immers het oordeel dat de verkiezingen van 10 juni 2007 niet kennelijk ongrondwettelijk zijn. Tweede onderdeel
  34. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd daar het de grondwettelijkheid van de kieswet onderzoekt en tezelfdertijd oordeelt dat dit tot de uitsluitende bevoegdheid van de wetgevende kamers behoort.
  35. Het arrest oordeelt niet dat de wetgevende kamers de uitsluitende bevoegdheid hebben om de grondwettelijkheid van de kieswet te beoordelen. Het oordeelt dat alleen zij, zowel wat hun leden als wat de opvolgers betreft, uitspraak doen over de geldigheid van de kiesverrichtingen. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Zesde middel Eerste onderdeel
  36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt het verweer van de eiseres niet dat zij in dwaling verkeerde.
  37. Het arrest oordeelt: - "de eigen verklaringen van de [eiseres] overtuigen het [hof van beroep] bovendien dat zij zich, heel bewust, en na weloverwogen beraad, op strafbare wijze onttrok aan haar ‘aanwijzing'." (r.o. 57); - "de [eiseres] handelde naar de opvatting van dit [hof van beroep] integendeel feitelijk al te lichtzinnig en zelfs nalatig. Zij verzuimde bovendien - op grond van eigen overmoed - zich voldoende nader en correct in te lichten met betrekking tot de eventuele gevolgen van haar (bewust gekozen) handelswijze, hoewel zij daartoe in de mogelijkheid verkeerde (zij werd verwittigd door het openbaar ministerie en volhardde)." (r.o. 57 in fine); - "het [hof van beroep] benadrukt en herhaalt dat de gegevens van het strafdossier de overtuiging afdwingen dat de [eiseres] zich enkel op basis van een eigen (al te lichtzinnige en strafbare) opvatting omtrent de zedelijke en maatschappelijke waarde van een bestaande wettelijke regeling, gelezen in samenhang met de tekst van een arrest van het Grondwettelijk Hof, liet verleiden tot de veruitwendiging van een bepaald maatschappelijk (strafbaar) gedrag." (r.o. 59); - "de [eiseres] trachtte op onredelijke, onaanvaardbare en in ieder geval onrechtmatige en strafbare wijze haar persoonlijke visie inzake eventuele (on)grondwettigheid en/of (on)geldigheid van de verkiezingen al te voorbarig en buiten elk legitiem kader in de plaats te stellen van de beslissingen of besluitvorming van organen die (en dit zelfs op exclusieve wijze) daartoe wetshalve bevoegdheid kregen toegekend." (r.o. 60); - "de door [de eiseres] ingeroepen gewetensbezwaren, politieke redenen en burgerzin vormden in hoofde van de [eiseres] en mede in acht genomen alle hoger gedane juridische en feitelijke bevindingen, geen ‘geldige reden' om zich op 10 juni 2007 te onttrekken aan haar aanstelling als plaatsvervangend bijzitter van het stemopnemingsbureau nr. 11 B te Wetteren." (r.o. 67);
  38. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  39. Het onderdeel voert schending aan van artikel 71 Strafwetboek: het arrest erkent ten onrechte de verschoonbare dwaling over de ongrondwettelijkheid van de verkiezingen van 10 juni 2007 niet als een strafuitsluitingsgrond; het leidt bovendien het onverschoonbare karakter van de dwaling van de eiseres over die ongrondwettelijkheid af uit feiten waaruit het niet kan worden afgeleid.
  40. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, stelt het arrest niet vast dat de eiseres in dwaling verkeerde over het al dan niet grondwettelijk karakter van de verkiezingen van 10 juni
  41. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  42. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Begroot de kosten op 126,09 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 7 oktober 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081007.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.17 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.