id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081010.3 Rolnummer: F.06.0096.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2008-11-28 Raadplegingen: 637 - laatst gezien 2026-07-03 09:49 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081010.3 Fiche 1 Artikel 464, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1992)laat de provinciën en gemeenten niet toe om, naast de opcentiemen op de onroerende voorheffing, gemeentebelastingen te heffen op het kadastraal inkomen
(1).
(1)Zie de conl. van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Gemeentebelastingen Vrije woorden: Provinciën en gemeenten - Belastingheffing - Bevoegdheid - Belastingen op het kadastraal inkomen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 464, 1° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 10 okt. 2008, AR F.06.0096.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Gemeentebelastingen Vrije woorden: Provinciën en gemeenten - Belastingheffing - Bevoegdheid - Belastingen op het kadastraal inkomen Tekst van de beslissing Nr. F.06.0096.N STAD BILZEN, vertegenwoordigd door het College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 3740 Bilzen, Deken Paquayplein 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen C. A., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 november 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 464, in het bijzonder 1°, van het Wetboek der Inkomstenbelastingen, zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit dd. 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet dd. 12 juni 1992 (hierna WIB
(1992)genoemd); - artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 1, 2, 3a, 7, 8 en 9 van het Besluit van 17 december 2001 van de stad Bilzen houdende een basisdienstenbelasting voor gezinnen en bedrijven. Aangevochten beslissingen Om het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, haar te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep en het bestreden vonnis te bevestigen, heeft het bestreden arrest beslist dat: "Uit de voorbereidende werken bij de wet van 1948 (de verbodsbepaling van het huidige artikel 464, 1°, WIB
(1992)komt inhoudelijk overeen met de verbodsbepaling van artikel 83 van de samengeschakelde wetten op de inkomstenbelasting, zoals gewijzigd door artikel 34 van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën. De wetgever heeft later geen wezenlijke bespreking meer gewijd aan deze verbodsbepaling zodat de voorbereidende werken van de voormelde wet van 24 december 1948 in casu relevant zijn, meer bepaald de Memorie van Toelichting, Parl. St. Senaat, 1948-49, nr. 492, 11), uit de historische evolutie van de litigieuze verbodsbepaling, uit het feit dat het kadastraal inkomen rechtstreeks of onrechtstreeks ook als grondslag dient voor andere inkomstenbelastingen, evenals uit de opname in artikel 464 van het WIB van agglomeraties die evenwel op grond van de wet van 7 juli 1972 alleen opcentiemen op de onroerende voorheffing kunnen heffen, evenals uit de inpassing van artikel 464 van het WIB
(1992)in het globale systeem van het WIB
(1992)(met bvb. vooral de vroeger geldende regels m.b.t. de verrekenbaarheid en de aftrekbaarheid van de onroerende voorheffing inclusief de opcentiemen) blijkt dat het de bedoeling van de wetgever altijd is geweest om een volledige scheiding aan te brengen tussen de gemeente- en de rijksbelastingen, door alle gemeentelijke aandelen in of opcentiemen of belastingen op materie getroffen door de inkomstenbelastingen af te schaffen. Alleen voor opcentiemen op de onroerende voorheffing werd een uitzondering gemaakt. Het kadastraal inkomen zelf werd echter niet beschikbaar gesteld voor de gemeentebelastingen (R.v.St. 18 maart 2003, nr. 117.154, Lokale en Regionale Belastingen 2003, p. 74, met noot M De Jonckheere). Het litigieuze belastingreglement gebruikt in casu wel degelijk het kadastraal inkomen als grondslag, zij het dat (de eiseres) hieraan eigen ‘schijven' vastknoopt. De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat dit belastingreglement buiten toepassing dient te worden gelaten en dat de litigieuze aanslag voor de basisdienstenbelasting 2001 dient vernietigd te worden." Grieven Krachtens artikel 464, 1°, van het WIB
(1992), is het aan de gemeenten, alsook aan de agglomeraties en de provincies verboden om opcentiemen te heffen op de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en de belasting der niet-inwoners, of om gelijkaardige belastingen te heffen op de grondslag of op het bedrag van deze verschillende inkomstenbelastingen, met uitzondering van wat de onroerende voorheffing betreft. Deze bepaling houdt een beperking in van de fiscale autonomie van de gemeenten en provincies en moet bijgevolg strikt geïnterpreteerd worden. Volgens voormelde bepaling is het derhalve aan de gemeente enkel verboden om, hetzij, 1°, enerzijds, opcentiemen te heffen op de vermelde vormen van inkomstenbelastingen, hetzij 2°), anderzijds, slechts die belastingen te heffen op het bedrag of op de grondslag van diezelfde inkomstenbelastingen die er gelijkaardig aan zijn, terwijl 3°) de onroerende voorheffing van beide gevallen wordt uitgezonderd. Eerste onderdeel Uit het reglement van 17 december 2001 genomen door de eiseres blijkt dat de litigieuze belasting (basisdienstenbelasting gezinnen) verschuldigd is door ieder gezin dat op 1 januari van het belastingjaar al dan niet ingeschreven in het bevolkingsregister van de eiseres en er een woongelegenheid in gebruik heeft of zich het gebruik ervan voorbehoudt (artikel 3, a, van het reglement). Volgens artikel 7 van hetzelfde reglement is de belasting verschuldigd per woongelegenheid op het grondgebied van de gemeente gelegen dat door het gezin gebruikt wordt als een hoofdverblijf. Aldus wordt de litigieuze belasting geheven op elke in de gemeente gelegen woongelegenheid die door een gezin als hoofdverblijf gebruikt wordt. Dit is duidelijk geen opcentiem op enige vorm van voormelde inkomstenbelastingen. De litigieuze belasting wordt verder geheven op basis van het kadastraal inkomen van het onroerend goed, zoals gekend op 1 januari van het belastingjaar (artikel 8 van het reglement) en wordt vastgelegd op een vast bedrag naargelang de schijf waarin het kadastraal inkomen valt (artikel 9 van het reglement). Het feit dat het bedrag van de litigieuze belasting op een vast bedrag wordt vastgelegd in functie van de schijf waarin het kadastraal inkomen valt van de woongelegenheid van het gezin, betekent niet dat die belasting op het "bedrag" of op de "grondslag" van de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting der niet-inwoners wordt geheven. Het blijft een belasting die geheven wordt op de woongelegenheid die door een gezin als hoofdverblijf gebruikt wordt. Dit belastbaar feit, nl. het bestaan van een woongelegenheid op het grondgebied van de gemeente dat door het gezin gebruikt wordt als een hoofdverblijf, heeft geen uitstaans met de juridische toestanden waarin het kadastraal inkomen in de voormelde inkomstenbelastingen als inkomen wordt belast, nl. het hebben van eigendomsrecht of vruchtgebruik op een onroerend goed gelegen in België. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist, dat het litigieuze belastingreglement in casu wel degelijk het kadastraal inkomen gebruikt als grondslag, zij het dat de gemeente hieraan eigen schijven vastknoopt, zodat de eerste rechter terecht dan ook heeft geoordeeld dat dit belastingreglement buiten toepassing dient te worden gelaten en dat de litigieuze aanslag voor de basisdienstenbelastingen 2001 dient vernietigd te worden, nu de litigieuze belasting geen opcentiem is (Schending van artikel 464, 1°, WIB
(1992)en de artikelen 1, 2, 3a, 7, 8 en 9 van het litigieuze belastingreglement van 17 december 2001), maar een belasting die geheven wordt op elke in de gemeente gelegen woongelegenheid die door een gezin als hoofdverblijf gebruikt wordt en daarom niet alleen niet geheven wordt, noch op het bedrag, noch op de grondslag van de in artikel 464, 1°, WIB
(1992)vermelde inkomstenbelastingen (Schending van artikel 464, 1°, WIB
(1992)en de artikelen 1, 2, 3a, 7, 8 en 9 van het litigieuze belastingreglement van 17 december 2001), en die ook geen daarmee gelijkaardige belasting is nu het belastbaar feit niet enige vorm van inkomen is, maar wel het gebruik door een gezin van een woongelegenheid als hoofdverblijf in de gemeente (Schending van artikel 464, 1°, WIB
(1992)en de artikelen 1, 2, 3a, 7, 8 en 9 van het litigieuze belastingreglement van 17 december 2001) en derhalve toepassing diende te vinden (Schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel Volgens artikel 464, 1°, in fine WIB
(1992)geldt geen van de door deze bepaling ingestelde verboden wat de onroerende voorheffing betreft. Aldus kan alles wat de onroerende voorheffing betreft door een gemeente belast worden, waaronder het kadastraal inkomen waarop voormelde voorheffing berekend wordt. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist, dat het litigieuze belastingreglement in casu wel degelijk het kadastraal inkomen gebruikt als grondslag, zij het dat de gemeente hieraan eigen schijven vastknoopt, zodat de eerste rechter terecht dan ook heeft geoordeeld dat dit belastingreglement buiten toepassing dient te worden gelaten en dat de litigieuze aanslag voor de basisdienstenbelastingen 2001 dient vernietigd te worden, nu blijkens de voormelde vaststelling van de appelrechters de litigieuze belasting de onroerende voorheffing betreft en dus niet verboden is door enige wettelijke bepaling (schending van artikel 464, 1°, WIB
(1992)en de artikelen 1, 2, 3a, 7, 8 en 9 van het litigieuze belastingreglement van 17 december 2001) en derhalve toepassing diende te vinden (schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zijn de provincies, de agglomeraties en gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de opcentiemen op de onroerende voorheffing betreft.
- Aan de oorsprong van deze bepaling ligt artikel 83 van de samengeschakelde wetten betreffende de inkomstenbelastingen, zoals vervangen door artikel 34 van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën. Laatstgenoemde bepaling luidde als volgt: "De provinciën en gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van opcentimes op de gesplitste inkomstenbelastingen of gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van deze belastingen. Uitzondering wordt nochtans gemaakt voor de grondbelasting". De tekst van artikel 83 van de samengeschakelde wetten diende te worden aangepast omwille van de overgang van het cedulair stelsel naar het huidige systeem van de inkomstenbelastingen en werd derhalve vervangen door artikel 70 van de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen. Het nieuwe artikel 83, a, van dezelfde gecoördineerde wetten verbiedt de provinciën en gemeenten opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van de niet-verblijfhouders of gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van deze belastingen te heffen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft.
- De juiste draagwijdte van artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), voorheen artikel 351 WIB
(1964), kan worden nagegaan aan de hand van de parlementaire voorbereiding van artikel 34 van de wet van 24 december 1948 en van artikel 70 van de wet van 20 november 1962, vermits de vermelde wetsbepalingen inhoudelijk gelijk sporen. 4. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 december 1948 blijkt dat het voornoemde artikel 34 - en bijgevolg ook het latere artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), - voor de provinciën en gemeenten een bevoegdheidstoekenning inhoudt die hen alleen machtigt tot het heffen van opcentiemen op de grondbelasting (thans de onroerende voorheffing). Toen de tekst van artikel 83 van de gecoördineerde wetten op de inkomstenbelastingen in 1962 werd aangepast omwille van de overgang naar het huidig stelsel van de inkomstenbelastingen werd die interpretatie tijdens de parlementaire voorbereiding nogmaals bevestigd. De wet houdt niet alleen een verbod in voor de provinciën en gemeenten om opcentiemen te vestigen op de inkomstenbelastingen, met uitzondering van de onroerende voorheffing, maar verbiedt hen tevens gelijkaardige belastingen te vestigen op de grondslag of het bedrag van deze belastingen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt niet dat de gemeenten, naast het recht om opcentiemen te heffen op de onroerende voorheffing, tevens het recht hebben om gelijkaardige belastingen te heffen op basis van de onroerende voorheffing. 5. Omwille van de door de wetgever gewilde scheiding tussen de lokale belastingen en de rijksbelastingen moet de gelijkaardigheid van de belastingen worden beoordeeld vanuit de berekeningsgrondslag. Een algemene gemeentebelasting die gestoeld is op een van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen is derhalve een verboden gelijkaardige belasting in de zin van artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). 6. Het kadastraal inkomen vormt de grondslag van de onroerende voorheffing en is een wezenlijke component van het nettobelastbaar inkomen in de personenbelasting. Artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)laat de provinciën en gemeenten derhalve niet toe om gemeentebelastingen te heffen op het kadastraal inkomen. 7. De appelrechters stellen vast dat de basisdienstenbelasting voor gezinnen en bedrijven, die door de gemeenteraad van de eiseres werd goedgekeurd op 17 december 2001, wordt geheven op basis van het kadastraal inkomen van het onroerend goed en wordt vastgesteld op een vast bedrag per categorie van kadastraal inkomen. Zij stellen aldus vast dat de litigieuze gemeentebelasting het kadastraal inkomen als berekeningsgrondslag hanteert. Zij oordelen dat de eerste rechter terecht wegens strijdigheid met artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)heeft geoordeeld dat dit belastingreglement buiten toepassing diende te worden gelaten en verantwoorden aldus hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 8. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de gemeente aan artikel 464, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)niet het recht ontleent om een gelijkaardige belasting te heffen op basis van de onroerende voorheffing, zijnde het kadastraal inkomen. Het onderdeel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 157,02 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Paul Maffei, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 10 oktober 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081010.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081010.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110505.15 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120524.5 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120524.6 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120524.7 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120524.9 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140314.1 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140213.7 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140314.1 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160616.7 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180420.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div