← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.4 Rolnummer: C.07.0214.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-11-05 Raadplegingen: 1332 - laatst gezien 2026-07-03 10:28 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een rechtssubject, titularis van een subjectief recht, verliest de bij dit recht horende rechtsvordering niet door ze niet onmiddellijk uit te oefenen of verder uit te oefenen en evenmin door een houding aan te nemen als zou hij ze niet uitoefenen of verder uitoefenen

(1).
(1)Zie Cass., 20 feb. 1992, AR 9050, A.C., 1991-92, nr 325 en Cass., 6 nov. 1997, AR C.96.0120.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971106.11, A.C., 1997, nr 456. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Rechtsmisbruik Vrije woorden: Niet-uitoefening Fiche 2 De rechtsvordering gaat verloren ingeval het rechtssubject er afstand van doet, in geval van verjaring en indien de wet uitzonderingen bepaalt
(1).
(1)Zie Cass., 20 feb. 1992, AR 9050, A.C., 1991-92, nr 325 en Cass., 6 nov. 1997, AR C.96.0120.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971106.11, A.C., 1997, nr 456. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Rechtsmisbruik Fiches 3 - 4 De rechter kan, ingeval van procesmisbruik, de uitoefening van de rechtsvordering beperken; dit is met name het geval indien het rechtssubject zijn rechtsvordering uitoefent of verder uitoefent zonder redelijk of afdoende belang dan wel op een wijze die kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtig en zorgvuldig persoon te buiten gaat
(1).
(1)Zie Cass., 10 juni 2004, AR C.02.0039.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040610.5, A.C., 2004, nr 315, met concl. van advocaat-generaal Thijs, en Cass., 6 jan. 2006, AR C.04.0358.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060106.4, A.C., 2006, nr
  1. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Rechtsmisbruik Vrije woorden: Procesmisbruik - Macht van de rechter - Rechtsvordering - Beperking Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Rechtsmisbruik Vrije woorden: Procesmisbruik - Macht van de rechter - Beperking Tekst van de beslissing Nr. C.07.0214.N ROBERT, naamloze vennootschap, met zetel te 2030 Antwerpen, Vosseschijnstraat 11, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen SHANKS VLAANDEREN, naamloze vennootschap, met zetel te 8800 Roeselare, Regenbeekstraat 7C, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 19 oktober 2006 in laatste aanleg gewezen door de Vrederechter van het tiende kanton te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 821, 823 en 824 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt; - het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht niet wordt vermoed en enkel kan worden afgeleid uit feiten of omstandigheden die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn; - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen De vrederechter verklaart de vordering van de eiseres ongegrond op grond dat de eiseres haar vordering niet binnen een redelijke termijn geconcretiseerd heeft. De vrederechter overweegt meer bepaald: "De vordering van eiseres ingeleid met dagvaarding van 21 februari 1995 en van de vrijwillig tussenkomende partij beoogt de veroordeling van verweerster tot betaling van haar facturen van 26 mei 1994 en 24 januari 1995 voor een totaal bedrag van 1.237,90 euro. Deze vordering wordt niet alleen ten gronde betwist - de facturen werden, weze het niet onmiddellijk, geprotesteerd - doch de verweerster werpt niet geheel ten onrechte de rechtsverwerking en de schending van haar rechten van verdediging in. Nadat zij immers onder druk van de toepassing van artikel 735 van het Gerechtelijk Wetboek onmiddellijk, nl. op 16 maart 1995, haar besluiten neerlegde zonder de voorafgaande mededeling van de stukken waarop de eiseres zich steunde, gebeurde er gedurende iets meer dan 10 jaar totaal niets, integendeel, werd de zaak op onze zitting van 10 december 1998 van de rol weggelaten waarna ze zeven jaar later nl. op 14 december 2005 door eisers werd geactiveerd door het neerleggen van hun besluiten dus na bijna 11 jaar na de inleiding van het geding. Meer nog, slechts dan maken de eisers hun stukken over waarop de verweerster terecht reageert door te stellen dat zij zich hierop niet meer kan verdedigen omdat zij over geen documenten van meer dan 10 jaar geleden beschikt en betrokken aangestelden niet kunnen worden gehoord. Rechtsverwerking is inderdaad geen algemeen rechtsbeginsel en afstand van recht wordt niet vermoed doch dit belet niet dat op eisende partij als "meest naarstige" de verplichting rust haar vordering binnen een redelijke termijn te concretiseren en bij de tegenpartij niet de indruk te verwekken niet langer aan te dringen en zeker niet door het laten aanslepen van een zaak de verweerder de kansen op een ernstig verweer te ontnemen. Bovendien maakt dergelijke wijze van procederen rechtsmisbruik uit nu de lopende gerechtelijke interesten beduidend hoger zijn dan de gemiddelde bankinteresten en de schade die de verwerende partij hierdoor lijdt buiten proportie is met de winst die de eiseres maakt" (bestreden vonnis, blz. 2). Grieven Eerste onderdeel Artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degene die ze hebben aangegaan, tot wet strekken. Zij kunnen niet worden herroepen dan met hun wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend. Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht. Een verbintenis die overeenkomstig de wet regelmatig is ontstaan, kan alleen teniet worden gedaan door één van de op beperkende wijze in de wet opgesomde redenen. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel waarin de theorie is vastgelegd van de zogenaamde rechtsverwerking, volgens welke een verbintenis teniet gaat wanneer de houder ervan een houding aanneemt die objectief onverenigbaar is met die verbintenis of wanneer de houder dit recht niet onmiddellijk uitoefent. Enkel indien zou blijken dat de houder van het recht afstand heeft gedaan van zijn recht, misbruik maakt van dit recht of wanneer de voorwaarden van de extinctieve verjaring zijn vervuld, kan het recht teniet gaan. Er is sprake van rechtsmisbruik wanneer de rechthebbende dat recht uitoefent zonder redelijk en afdoend belang, op een wijze die de perken van de normale uitoefening van zijn rechten door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat. De vrederechter stelt vast dat de eiseres haar stukken pas bijna elf jaar na de inleiding van het geding heeft overgemaakt, waarop de verweerster terecht heeft gereageerd heeft door te stellen dat zij zich hierop niet meer kan verdedigen omdat zij over geen documenten van meer dan tien jaar beschikt en de betrokken aangestelden niet meer kunnen worden gehoord. De vrederechter stelt nog vast dat op de eisende partij de verplichting rust haar vordering binnen een redelijke termijn te concretiseren en bij tegenpartij niet de indruk te verwekken niet langer aan te dringen en zeker niet door te laten aanslepen van een zaak de verweerder de kans op een ernstig verweer te ontnemen. Aldus stelt de vrederechter niet vast dat de eiseres haar recht uitoefent zonder redelijk en afdoend belang, op een wijze die de perken van de normale uitoefening van zijn rechten door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat. Aldus schendt de vrederechter artikel 1134, inzonderheid eerste en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt. Tweede onderdeel Artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degene die ze hebben aangegaan, tot wet strekken. Zij kunnen niet worden herroepen dan met hun wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend. Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht. Een verbintenis die overeenkomstig de wet regelmatig is ontstaan, kan alleen teniet worden gedaan door één van de op beperkende wijze in de wet opgesomde redenen. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel waarin de theorie is vastgelegd van de zogenaamde rechtsverwerking, volgens welke een verbintenis teniet gaat wanneer de houder ervan een houding aanneemt die objectief onverenigbaar is met die verbintenis of wanneer de houder dit recht niet onmiddellijk uitoefent. Enkel indien zou blijken dat de houder van het recht afstand heeft gedaan van zijn recht, misbruik maakt van dit recht of wanneer de voorwaarden van de extinctieve verjaring zijn vervuld, kan het recht teniet gaan. In zoverre de vrederechter beslist dat de wijze van procederen van de eiseres rechtsmisbruik uitmaakt nu de lopende gerechtelijke interesten beduidend hoger zijn dan de gemiddelde bankinteresten en de schade die verwerende partij hierdoor lijdt buiten proportie is met de winst die de eiseres maakt, verantwoordt de vrederechter zijn beslissing evenmin naar recht. Nu de vrederechter vaststelt dat enkel het vorderen van gerechtelijke interesten rechtsmisbruik uitmaakt, kon hij enkele deze vordering tot betaling van gerechtelijke interesten op die grond afwijzen. Het enkele feit dat het vorderen van gerechtelijke interesten rechtsmisbruik uitmaakt houdt echter niet in dat de vordering tot betaling van de hoofdsom eveneens rechtsmisbruik uitmaakt. Nu de vrederechter niet vaststelt dat het vorderen van de hoofdsom door de eiseres rechtsmisbruik uitmaakt, kon hij de vordering van de eiseres tot betaling van deze hoofdsom niet afwijzen op grond van de enkele overweging dat het vorderen van gerechtelijke interesten rechtsmisbruik uitmaakt. De vrederechter schendt dan ook artikel 1134, inzonderheid eerste en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek alsook het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt. Derde onderdeel Artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degene die ze hebben aangegaan, tot wet strekken. Zij kunnen niet worden herroepen dan met hun wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend. Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht. Een verbintenis die overeenkomstig de wet regelmatig is ontstaan, kan alleen teniet worden gedaan door één van de op beperkende wijze in de wet opgesomde redenen. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel waarin de theorie is vastgelegd van de zogenaamde rechtsverwerking, volgens welke een verbintenis teniet gaat wanneer de houder ervan een houding aanneemt die objectief onverenigbaar is met die verbintenis of wanneer de houder dit recht niet onmiddellijk uitoefent. Enkel indien zou blijken dat de houder van het recht afstand heeft gedaan van zijn recht, misbruik maakt van dit recht of wanneer de voorwaarden van de extinctieve verjaring zijn vervuld, kan het recht teniet gaan. Artikel 821 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat bij afstand van rechtsvordering de eiser afziet van zowel de rechtspleging als van het recht zelf. Afstand van rechtsvordering doet het recht teniet om te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de rechter was gebracht. Afstand van rechtsvordering is slechts mogelijk met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken (artikel 823, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Afstand kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. Stilzwijgende afstand mag alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering (artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek). In zoverre de vrederechter beslist dat de eiseres afstand deed van haar recht door gedurende tien jaar niets te ondernemen, verantwoordt hij zijn beslissing niet naar recht. Uit het enkele feit dat een partij haar recht niet onmiddellijk uitoefent, kan immers geen afstand worden afgeleid. In zoverre de vrederechter de vordering van de eiseres afwijst op grond dat zij afstand deed van haar recht, schendt de vrederechter dan ook de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek en 821, 823 en 824 van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht niet wordt vermoed en enkel kan worden afgeleid uit feiten en omstandigheden die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn. Vierde onderdeel Artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degene die ze hebben aangegaan, tot wet strekken. Zij kunnen niet worden herroepen dan met hun wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend. Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht. Een verbintenis die overeenkomstig de wet regelmatig is ontstaan, kan alleen teniet worden gedaan door één van de op beperkende wijze in de wet opgesomde redenen. Wanneer de nakoming van de verbintenis in rechte wordt gevorderd, dient de verwerende partij de nodige maatregelen te nemen om haar rechten te vrijwaren. Zij kan zelf de procedure bespoedigen of, integendeel, een afwachtende houding aannemen. In dat laatste geval dient zij echter alle (bewarende) maatregelen te nemen om haar recht van verdediging te vrijwaren. Er kan dan ook geen schending van het recht van verdediging zijn, indien de partij die zich op de schending van het recht van verdediging beroept, zelf aan de oorsprong ligt van deze schending van het recht van verdediging. Een partij die nalaat om zelf de nodige bewarende maatregelen te nemen en nalaat de documenten bij te houden die nodig zijn voor het voeren van haar verweer of nalaat tijdig de betrokken personen te laten horen, kan zich derhalve niet beroepen op een schending van het recht van verdediging. Hieruit volgt dat de vordering van de eiseres niet kon worden afgewezen op de enkele grond dat het recht van verdediging van de verweerster geschonden was nu zij naliet de documenten tot staving van haar verweer bij te houden en de betrokken personen niet meer konden worden gehoord. Door de vordering van de eiseres af te wijzen op grond dat het recht van verdediging van de verweerster geschonden was omdat zij over geen documenten van 10 jaar geleden beschikt en de betrokken aangestelden niet meer kunnen worden gehoord, verantwoordt de vrederechter zijn beslissing derhalve niet naar recht (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Een rechtssubject, titularis van een subjectief recht, verliest de bij dit recht horende rechtsvordering niet door ze niet onmiddellijk uit te oefenen of verder uit te oefenen en evenmin door een houding aan te nemen als zou hij ze niet uitoefenen of verder uitoefenen. De rechtsvordering gaat wel verloren in geval het rechtssubject er afstand van doet, in geval van verjaring en indien de wet uitzonderingen bepaalt. Bovendien kan de rechter, in geval van procesrechtsmisbruik, de uitoefening van de rechtsvordering beperken. Dit is met name het geval indien het rechtssubject zijn rechtsvordering uitoefent of verder uitoefent zonder redelijk of afdoende belang dan wel op een wijze die kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtig en zorgvuldig persoon te buiten gaat.
  3. Te dezen oordeelt de vrederechter dat: - de eiseres, door bijna elf jaar nadat zij het geding inleidde voor het eerst conclusie te nemen en haar "stukkenbundel" aan de verweerster over te maken, het recht van verdediging van de verweerster heeft geschonden, nu deze over geen documenten van ruim tien jaar geleden meer beschikt en enkele betrokkenen niet meer kunnen worden gehoord; - de eiseres, door als meest naarstige partij haar rechtsvordering niet binnen een redelijke termijn verder uit te oefenen, bij de verweerster de indruk heeft gewekt niet langer aan te dringen en deze laatste bovendien de kansen op een ernstig verweer heeft ontnomen; - dergelijke wijze van procederen bovendien rechtsmisbruik uitmaakt, nu de lopende gerechtelijke interest beduidend hoger is dan de gemiddelde bankinterest en de schade die de verweerster hierdoor lijdt buiten proportie is met de winst die de eiseres maakt. Door aldus te oordelen, weegt de vrederechter de in het geding zijnde belangen tegen elkaar af en gaat hij na of de eiseres, door aldus haar rechtsvordering verder uit te oefenen, niet kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtig en zorgvuldig persoon te buiten gaat.
  4. Het onderdeel, dat de vrederechter verwijt de verdere uitoefening van de rechtsvordering aan de eiseres te ontzeggen, zonder hierbij op een naar recht verantwoorde wijze procesrechtsmisbruik na te gaan, kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  5. Het onderdeel gaat er van uit dat de vrederechter oordeelt dat de verdere uitoefening van de rechtsvordering van de eiseres, enkel wat betreft de gerechtelijke interest, procesrechtsmisbruik uitmaakt.
  6. In de lijn van de onder randnummer 2 aangehaalde redenen oordeelt de vrederechter dat "dergelijke wijze van procederen" procesrechtsmisbruik uitmaakt, mede gelet op het aspect van de gerechtelijke interest. Zodoende oordeelt de vrederechter niet dat de verdere uitoefening van de rechtsvordering van de eiseres, enkel wat betreft de gerechtelijke interest, procesrechtsmisbruik uitmaakt, maar betrekt hij het aspect van de gerechtelijke interest in zijn algemeen oordeel dat de eiseres procesrechtsmisbruik pleegt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  7. Het onderdeel gaat er van uit dat de vrederechter oordeelt dat de eiseres afstand heeft gedaan van het bedoelde subjectieve recht en de bij dit recht horende rechtsvordering.
  8. Zoals blijkt uit voormelde randnummers 2 en 5, oordeelt de vrederechter niet in die zin. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  9. Het onderdeel gaat er van uit dat het oordeel van de vrederechter de vordering van de eiseres afwijst omdat zij het recht van verdediging van de verweerster heeft geschonden.
  10. Zoals blijkt uit voormelde randnummers 2 en 5, oordeelt de vrederechter niet in die zin. De vrederechter betrekt meer precies de bedoelde schending van het recht van verdediging in zijn algemeen oordeel dat de eiseres procesrechtsmisbruik pleegt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 484,39 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 17 oktober 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2013:ARR.20130204.7 ECLI:BE:CALIE:2014:ARR.20140206.9 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130318.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150402.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150402.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160916.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170623.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231116.1N.13 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.107 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971106.11 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040610.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060106.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.