id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.6 Rolnummer: C.06.0070.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-11-10 Raadplegingen: 715 - laatst gezien 2026-07-03 02:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Als uitgangspunt voor de beoordeling van de onmogelijkheid tot naleving van de hoofdveroordeling, die door de veroordeelde wordt aangevoerd als grond van zijn vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom, gelden de inspanningen en de zorgvuldigheid die hij sedert de uitspraak aan de dag heeft gelegd, zodat de beoordeling van die onmogelijkheid in beginsel dient te gebeuren aan de hand van feiten en omstandigheden die zich sedert de uitspraak hebben voorgedaan. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Opheffing, opschorting of vermindering - Onmogelijkheid aan de hoofdveroordeling te voldoen - Beoordeling - Criteria Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies Wet - 26-11-1973 - Art. 4 Fiche 2 Ingeval de onmogelijkheid van de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen, die door deze wordt aangevoerd als grond van zijn vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom, het gevolg is van door de veroordeelde voor de veroordeling gemaakte fouten, mag de rechter hiermede, zij het slechts onder bijzondere omstandigheden, rekening houden
(1)Benelux Hof nr A 2006/5/12, 29 april 2008, www.courbeneluxhof.info. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Opheffing, opschorting of vermindering - Onmogelijkheid aan de hoofdveroordeling te voldoen - Beoordeling - Criteria - Fouten van vóór de veroordeling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies Wet - 26-11-1973 - Art. 4 Annotaties Publicaties: RAGB - Nic CLIJMANS; De beoordeling in de tijd van de onmogelijkheid om aan de veroordeling onder dwangsom te voldoen - 2009, 365-374 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0070.N PET CENTER, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 3540 Herk-De-Stad, Neerstraat 25, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen S. W., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 oktober 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Hof heeft op 10 november 2006 een prejudiciële vraag gesteld aan het Benelux-Gerechtshof. Het Benelux-Gerechtshof heeft die vraag op 29 april 2008 beantwoord. De eiseres en de verweerder hebben na het arrest van het Benelux-Gerechtshof een nota neergelegd. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De dwangsomrechter verklaart de vordering van de eiseres op grond van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek ongegrond om reden dat geen onmogelijkheid in de zin van deze wetsbepaling zou voorliggen (cf. aangevochten arrest, p. 6 "De vordering van de bvba Petcenter tot opheffing, opschorting of herleiding van de bij arrest van 14 december 2004 opgelegde dwangsom, is dan ook ongegrond"), meer bepaald op volgende gronden: "Er is sprake van onmogelijkheid in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek indien het onredelijk zou zijn om van de veroordeelde meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan hij heeft betracht (Cass., 30 mei 2002). De onmogelijkheid die de veroordeelde aan eigen gebrek aan zorgvuldigheid te danken heeft, geldt niet als onmogelijkheid in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek. (...) Het feit dat de veroordeelde zich door derden moet laten bijstaan bij de uitvoering van zijn hoofdveroordeling levert geen onmogelijkheid in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek op. Thans is de bvba Petcenter erin geslaagd om binnen een periode van minder dan vijf maanden een stamboom met stempel exportpedigree te bekomen vanuit Hongarije (ook al is dit document volgens partij S. nog behept met enkele tekortkomingen), waaruit blijkt dat zij dus ook reeds in 2000 in de mogelijkheid was om deze documenten te bekomen. De bvba Petcenter heeft zich dus door haar eigen nalatigheid en stilzitten in een moeilijke situatie gebracht. Dat de exportpedigree enkel door de eigenaar en niet door de professionele verkoper zou kunnen bekomen worden, zoals de bvba Petcenter thans voorhoudt, blijkt niet uit de voorliggende stukken". Grieven 1.1. Artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt: "De rechter die een dwangsom heeft opgelegd, kan op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Voor zover de dwangsom verbeurd was voordat de onmogelijkheid intrad, kan de rechter haar niet opheffen of verminderen". 1.2. Het aangevochten arrest is niet naar recht verantwoord en schendt artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre het, ter beoordeling van het al dan niet voorliggen van een onmogelijkheid in de zin van voormelde wetsbepaling, overweegt dat de eiseres reeds in 2000 in de mogelijkheid was om de documentatie in kwestie te bezorgen aan tegenpartij, zodat "de bvba Petcenter zich dus door haar eigen nalatigheid en stilzitten in een moeilijke situatie (heeft) gebracht". De onmogelijkheid om de hoofdveroordeling na te komen mag weliswaar niet te wijten zijn aan een eigen gebrek aan zorgvuldigheid van de veroordeelde, doch dit biedt de dwangsomrechter nog niet de mogelijkheid, ter beoordeling daarvan, terug te grijpen naar een handelen of verzuim van de veroordeelde dat dateert van vόόr zijn veroordeling. Het is te dezen slechts bij arrest van 14 december 2004 van het Hof van Beroep te Antwerpen dat de eiseres voor het eerst wordt veroordeeld tot afgifte van welbepaalde documenten (binnen de acht dagen na de betekening, onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging). Het niet in aanmerking nemen van een onmogelijkheid tot uitvoering van een veroordeling die de veroordeelde aan een eigen gebrek aan zorgvuldigheid te wijten heeft, impliceert aldus minstens een voorafgaande veroordeling en laat enkel toe het gedrag van de veroordeelde na diens veroordeling "in rekening te brengen". Besluit Op grond van de overweging dat "thans (...) de bvba Petcenter erin geslaagd (
- is)om binnen een periode van minder dan vijf maanden een stamboom met stempel exportpedigree te bekomen vanuit Hongarije (ook al is dit document volgens partij S. nog behept met enkele tekortkomingen), waaruit blijkt dat zij dus ook reeds in 2000 in de mogelijkheid was om deze documenten te bekomen" en - bijgevolg - dat "de bvba Petcenter zich dus door haar eigen nalatigheid en stilzitten in een moeilijke situatie gebracht (heeft)", kon de dwangsomrechter niet wettig de vordering van de eiseres op grond van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek afwijzen wegens gebrek aan ‘onmogelijkheid' in de zin van deze wetsbepaling. (eigen vetbedrukking) Het aangevochten arrest is dan ook niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1385quinquies, 569, 5° en - voor zover als nodig, - de artikelen 1395, 1396, 1489 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het aangevochten arrest verklaart de vordering tot schadeloosstelling van de eiseres wegens procesrechtsmisbruik ongegrond, meer bepaald op volgende gronden: "De bvba Petcenter vordert ook de veroordeling van partij S. tot betaling van een schadevergoeding van 1.000,00 euro wegens misbruik van procesrecht, voorhoudende dat partij S. enkel zou speculeren op het bekomen van de dwangsom ingevolge de niet-nakoming van de hoofdverbintenis, eerder dan op de nakoming van de hoofdverbintenis. Het feit dat partij S. is overgegaan tot betekening van het arrest voor het verstrijken van de door hem vooropgestelde betalingstermijn van de hem toegekende schadevergoeding, houdt geen misbruik van procesrecht in. De raadsman van partij S. heeft immers in het schrijven van 21 december 2004 waarbij de afrekening werd overgemaakt en een betalingstermijn tot 15 januari 2005 werd vooropgesteld, uitdrukkelijk gesteld dat de uitgifte werd gelicht en dat na ontvangst ervan tot betekening zou worden overgegaan. De tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing kan niet als rechtsmisbruik beschouwd worden. Ook deze vordering is derhalve ongegrond". Grieven 2.1. Op grond van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek is de dwangsomrechter uitsluitend bevoegd tot opheffing of vermindering van de dwangsom, dan wel opschorting van de looptijd ervan, in geval van onmogelijkheid de hoofdveroordeling te voldoen. Naar luid van artikel 569, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van "geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten". Door de vordering van eiser strekkende tot het verkrijgen van schadevergoeding wegens procesrechtmisbruik af te wijzen als ongegrond, achtte de dwangsomrechter zich derhalve bevoegd tot beoordeling van deze vordering. Nochtans valt dergelijke vordering (strekkende tot het verkrijgen van schadevergoeding wegens procesrechtmisbruik) niet onder het toepassingsgebied van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, dat inderdaad enkel spreekt van "opheffing" of "vermindering" van de dwangsom, dan wel "opschorting van de looptijd" ervan, en uitsluitend te dien einde de rechter die de dwangsom heeft opgelegd de bevoegdheid toekent om van die vorderingen kennis te nemen. 2.2. De vordering strekkende tot schadevergoeding wegens procesrechtsmisbruik is dan ook onderworpen aan de gemeenrechtelijke bevoegdheidsregeling, die te dezen de toepassing van artikel 569, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek met zich meebrengt. Op grond van deze bepaling neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van "de geschillen inzake tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten" (en waarbij, voor een aantal aangelegenheden, de beslagrechter bevoegd werd gemaakt: zie de artikelen 1395, 1396, 1489 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek). Het Hof oordeelde reeds dat een vordering tot schadevergoeding wegens roekeloze en tergende tenuitvoerlegging van een vonnis aldus tot de bevoegdheid behoorde van de rechtbank van eerste aanleg. Besluit De dwangsomrechter was in onderhavig geval dan ook niet bevoegd om uitspraak te doen over de vordering strekkende tot schadevergoeding wegens procesrechtmisbruik, zodat diens beslissing waarbij deze vordering ongegrond werd verklaard, niet naar recht verantwoord is (schending van de in het middel aangeduide wetsbepalingen). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde, de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan kan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid van de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Voornoemd artikel stemt overeen met artikel 4 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom. 2. Het Benelux-Gerechtshof heeft in het dictum van zijn arrest van 29 april 2008 verklaard voor recht dat "Artikel 4, lid 1, eenvormige Benelux-wet Dwangsom dient aldus te worden uitgelegd dat in het geval de onmogelijkheid die de veroordeelde aanvoert het gevolg is van een eigen gebrek aan zorgvuldigheid, daterend van voor de veroordeling, de rechter op grond hiervan slechts onder bijzondere omstandigheden de in die bepaling bedoelde maatregelen mag weigeren". 3. Als uitgangspunt voor de beoordeling van de onmogelijkheid tot naleving van de hoofdveroordeling gelden de inspanningen en de zorgvuldigheid die de veroordeelde sedert de uitspraak heeft aan de dag gelegd. Om die reden dient de beoordeling, in beginsel te gebeuren aan de hand van feiten en omstandigheden die zich sedert de uitspraak hebben voorgedaan. De rechter mag evenwel, indien de gestelde onmogelijkheid een gevolg is van door de veroordeelde voor de veroordeling gemaakte fouten, hiermede, zij het slechts in bijzondere omstandigheden rekening houden. Hierbij kan met name gedacht worden aan gedragingen die de veroordeelde, in het zicht van de mogelijke veroordeling, welbewust heeft verricht om de naleving daarvan te bemoeilijken of te beletten. 4. De appelrechter wijst de vordering van de eisers tot opheffing van de verbeurde dwangsommen wegens de tijdelijke onmogelijkheid om aan de veroordeling tot afgifte van de originele stamboomdocumenten te voldoen af omdat de eiseres na de verkoop in juli 2000 "in gebreke (
- is)gebleven om aan haar leveringsplicht te voldoen en is (...) blijven stilzitten", zij eerst "na de betekening van het arrest van 14 december 2004 stappen heeft ondernomen bij de Hongaarse stamboomfederatie om de correcte stamboomdocumenten te bekomen" en "thans is geslaagd om binnen een periode van minder dan vijf maanden een stamboom met stempel en exportpedigree te bekomen (...) waaruit blijkt dat zij ook reeds in 2000 in de mogelijkheid was om deze documenten te bekomen". 5. Door aldus de afwezigheid van de onmogelijkheid voor de eiseres om tijdig de documenten af te leveren te steunen op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor het tijdstip van de veroordeling zonder te steunen op bijzondere omstandigheden, is het arrest niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Tweede middel Omvang van cassatie 6. De vernietiging van de beslissing omtrent de dwangsom strekt zich ook uit tot de beslissing omtrent de schadevergoeding wegens procesmisbruik die hiermee nauw verbonden is. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 17 oktober 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.6 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160512.3 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181019.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.1 ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091215.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div