id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081020.4 Rolnummer: S.08.0014.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-11-10 Raadplegingen: 422 - laatst gezien 2026-07-03 02:49 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het in artikel 22ter, van de RSZ-wet van 27 juni 1969 bepaalde vermoeden van voltijdse tewerkstelling van de deeltijdse werknemers bij ontstentenis van openbaarmaking van hun normale werkroosters geldt niet alleen voor de dag van de vaststelling van de bedoelde ontstentenis, maar voor de ganse periode van tewerkstelling. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Berekening Vrije woorden: Onregelmatige deeltijdse tewerkstelling - Vermoeden van voltijdse tewerkstelling Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - Art. 22ter Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSTIJDEN EN RUSTTIJDEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Berekening Vrije woorden: Deeltijdse arbeid - Ontstentenis van openbaarmaking van werkroosters - Vermoeden van voltijdse tewerkstelling Tekst van de beslissing Nr. S.08.0014.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen LEDERWAREN JAMA, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2530 Boechout, Mussenhoevelaan 46, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 mei 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, §1, eerste lid, 14, §1, 22 en 22ter, de tweede zin in het bijzonder, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet), artikel 22ter zoals ingevoegd bij artikel 181 van de Programmawet van 22 december 1989, doch vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001; - artikel 157 van de Programmawet van 22 december 1989; - de artikelen 1350 en 1352 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing: Het bestreden arrest bevestigt het vonnis van de eerste rechter waar deze oordeelde dat de eiser, bij gebrek aan bewijs dat de verweerster heeft nagelaten de werkroosters openbaar te maken gedurende de volledig gevorderde periode, zich alleen kan beroepen op het vermoeden van de voltijdse tewerkstelling voor de dag van de vaststellingen, namelijk 9 januari 1997: "Uit het proces-verbaal van 16 januari 1997, opgemaakt naar aanleiding van de controle op 9 januari 1997, komt vast te staan dat een afschrift van de deeltijdse arbeidsovereenkomsten, afgesloten tussen (de verweerster) en respectievelijk J.V. en M.W., niet voorhanden was in de winkel aan de Statielei in Mortsel op het ogenblik dat de controle plaatsvond. Anderzijds blijkt uit het procedureverloop en de stukken die worden neergelegd dat dergelijke arbeidsovereenkomsten wel degelijk schriftelijk werden vastgesteld overeenkomstig artikel 11bis WAO (stukken 1 en 2 van (de verweerster)). Verder houdt (de verweerster) al vanaf november 1997 vol dat een afschrift van deze arbeidsovereenkomsten normaal en altijd werden en worden bewaard in de winkel in Mortsel. Net op het moment van de controle op 9 januari 1997 waren ze daar niet aan te treffen omdat ze door de zaakvoerder mee naar huis waren genomen voor aanpassing, gelet op de kersverse wijzigingen in (het) uurrooster. Er is in het dossier geen reden terug te vinden om deze stellingname als leugenachtig van de hand te wijzen. In die omstandigheden komt het aan (de eiser) toe het positieve bewijs te leveren dat deze uitleg niet strookt met de waarheid, dat de arbeidsovereenkomsten niet in de winkel in Mortsel werden bewaard of op welke precieze tijdstippen niet aan het vereiste van openbaarmaking in de zin van artikel 157 van de Programmawet van 22 december 1989 was voldaan. Dit bewijs levert (de eiser) niet. Bij gebreke aan een dergelijk bewijs kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat aan het voornoemde vereiste van openbaarmaking niet werd voldaan, buiten de datum van controle van 9 januari 1997. (...) De conclusie is dan ook dat een inbreuk op artikel 157 van bedoelde Programmawet (het enige artikel dat hier aan de orde
- is)slechts vaststaat voor de dag van 9 januari 1997 omdat op die dag het afschrift van de arbeidsovereenkomsten niet aan de inspecteur kon worden voorgelegd. Voor die dag geldt dan ook de toepassing van artikel 22ter van de R.S.Z.-wet met betrekking tot de twee werknemers waarop de vordering van (de eiser) slaat" (p.6, zesde alinea t.e.m. p.7, vijfde alinea). Het bestreden arrest bevestigt dienvolgens de door de arbeidsrechtbank bevolen onderzoeksmaatregel, waarbij verweerster werd toegelaten om met getuigen aan te tonen dat beide werkneemsters op 9 januari 1997 deeltijds werkten, en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar deze rechtbank. Grieven 1. De artikelen 157 tot 159 van de Programmawet van 22 december 1989 leggen aan de werkgevers verplichtingen op met betrekking tot de bekendmaking van de werkroosters van de deeltijdse werknemers en met betrekking tot de vaststelling van de afwijkingen op de normale werkroosters. Deze voorschriften strekken ertoe een efficiënte controle mogelijk te maken op de werkelijk verrichte prestaties, met het oog op de voorkoming en de bestrijding van zwartwerk. Zo bepaalt artikel 159 (lees 157) van voormelde Programmawet dat een afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer schriftelijk vastgesteld overeenkomstig artikel 11bis van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, of een uittreksel van die arbeidsovereenkomst met de werkroosters en met de identiteit van de deeltijdse werknemer waarop deze van toepassing zijn, alsmede zijn handtekening en die van de werkgever, moet worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden met toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. 2. In artikel 22ter van de RSZ-wet zijn wettelijke vermoedens opgenomen die de niet-naleving van voormelde voorschriften inzake de publiciteit van werkroosters sanctioneren en die specifiek zijn ingesteld ten gunste van de eiser, ten behoeve van de inning en invordering van de verschuldigde sociale-zekerheidsbijdragen. Luidens de tweede zin van artikel 22ter van de RSZ-wet worden de deeltijdse werknemers, bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht. 3. Het vermoeden van artikel 22ter, tweede zin, van de RSZ-wet, krijgt uitwerking in alle gevallen waarin de voorschriften inzake de bekendmaking van de werkroosters, vastgesteld in de artikelen 157 tot 159 van de Programmawet van 22 december 1989, niet worden nageleefd en dus ook wanneer de afschriften van de arbeidsovereenkomsten, volgens de beweringen van de werkgever, normaal gezien altijd worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan worden geraadpleegd met toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, doch uitzonderlijk, net op het moment van een controle door de sociale inspectie, elders worden bewaard. In die hypothese kan de eiser zich op het vermoeden van artikel 22ter, tweede zin, van de RSZ-wet, beroepen voor de volledige periode die hij in aanmerking kan nemen voor regularisatie, zonder dat hij moet bewijzen op welke precieze tijdstippen binnen die periode niet aan het vereiste inzake bekendmaking van de werkroosters is voldaan. Omwille van het feit dat op het tijdstip van de controle niet was voldaan aan de voorschriften inzake de bekendmaking van de werkroosters, wordt krachtens artikel 22ter, tweede zin, van de RSZ-wet, precies vermoed dat deze voorschriften, behoudens tegenbewijs, ook voordien niet door de werkgever werden nageleefd. Wanneer de voorschriften inzake de bekendmaking van de werkroosters niet worden nageleefd dan wordt inderdaad vermoed dat de betrokken deeltijdse werknemers steeds hun arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, en niet enkel op de dag van de controle waarop de inbreuken door de sociale inspectie worden vastgesteld. Elke andere interpretatie van artikel 22ter, tweede zin, van de RSZ-wet zou dit vermoeden volledig uithollen en zinloos maken in het kader van een efficiënte controle op de werkelijk verrichte prestaties, met het oog op de voorkoming en de bestrijding van zwartwerk. De werking van het vermoeden van artikel 22ter, tweede zin, van de RSZ-wet is bijgevolg niet beperkt tot de dag zelf waarop de inbreuken op de voorschriften inzake de bekendmaking van de werkroosters worden vastgesteld, maar strekt zich uit tot de volledige periode waarvoor de eiser, binnen de grenzen van de verjaring, een vordering tot regularisatie van socialezekerheidsbijdragen kan instellen. 4. Het wettelijk vermoeden van artikel 22ter, tweede zin, van de RSZ-wet, waarvan de draagwijdte en werking hoger werd toegelicht, ontslaat degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs (artikel 1352 van het Burgerlijk Wetboek). 5. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, zonder miskenning van de werking van het wettelijk vermoeden van artikel 22ter, tweede zin, van de RSZ-wet, heeft beslist dat dit vermoeden enkel van toepassing is op de dag van de controle van 9 januari 1997 omdat enkel voor die dag een inbreuk op artikel 157 van de Programmawet van 22 december 1989 vaststaat en de eiser niet aantoont dat vóór die datum evenmin was voldaan aan het vereiste inzake de bekendmaking van de deeltijdse arbeidsovereenkomsten (schending van de artikelen 1, §1, eerste lid, 14, §1, 22, 22ter, de tweede zin in het bijzonder, van de RSZ-wet, 157 van de Programmawet van 22 december 1989 en 1350 en 1352 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Het in artikel 22ter van de R.S.Z.-wet van 27 juni 1969 bepaalde vermoeden van voltijdse tewerkstelling van de deeltijdse werknemers bij ontstentenis van openbaarmaking van hun normale werkroosters geldt niet alleen voor de dag van de vaststelling van de bedoelde ontstentenis, maar voor de ganse periode van tewerkstelling. 2. Het arrest dat anders oordeelt, schendt de voormelde wetsbepaling. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 20 oktober 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081020.4 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100326.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090216.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div