← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081020.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081020.6 Rolnummer: S.07.0077.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-11-10 Raadplegingen: 259 - laatst gezien 2026-07-03 02:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Om te bepalen of een aan de werknemer toegekende aandelenoptie, dit is het recht om, gedurende een welbepaalde termijn, een bepaald aantal aandelen aan te kopen of, naar aanleiding van de verhoging van het kapitaal van een vennootschap, op een bepaald aantal aandelen in te schrijven tegen een vastgestelde of een nog vast te stellen prijs, een in geld waardeerbaar voordeel is waarop de werknemer "ingevolge zijn dienstbetrekking" recht heeft ten laste van zijn werkgever in de zin van artikel 2 van de loonbeschermingswet, dient het tijdstip van de toekenning van de optie in aanmerking te worden genomen

(1).
(1)Zie Cass., 4 feb. 2002, AR S.00.0022.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020204.5, A.C., 2002, nr 79. Thesaurus CAS: LOON - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Berekening Vrije woorden: Loonbegrip - Aandelenoptie - In geld waardeerbaar voordeel Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Art. 2 Wet - 29-06-1981 - Artt. 23, eerste en tweede lid en 38, § 1 Wet - 27-06-1969 - Art. 14, §§ 1 en 2 Fiche 2 Het in geld waardeerbaar voordeel dat de werknemer geniet wanneer hij de optie licht en de marktwaarde van het aandeel op dat ogenblik hoger ligt dan de vastgestelde uitoefenprijs, is uitsluitend het gevolg van de fluctuaties van de aandelenkoers en van de hoedanigheid van optie- of aandeelhouder van de betrokken werknemer en is niet het gevolg van zijn dienstbetrekking; noch het feit dat de aandelenoptie onverhandelbaar en slechts beperkt overdraagbaar is, noch het feit dat zij slechts kan gelicht worden op voorwaarde dat er nog een op de arbeidsovereenkomst gestoelde band bestaat tussen de werknemer en de werkgever, doet daaraan af
(1).
(1)Zie Cass., 4 feb. 2002, AR S.00.0022.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020204.5, A.C., 2002, nr
  1. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Berekening Vrije woorden: Berekening bijdragen - Loon - Voordeel verworven ingevolge de dienstbetrekking - Aandelenoptie - In geld waardeerbaar voordeel bij het lichten van de optie - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Art. 2 Wet - 29-06-1981 - Artt. 23, eerste en tweede lid en 38, § 1 Wet - 27-06-1969 - Art. 14, §§ 1 en 2 Tekst van de beslissing Nr. S.07.0077.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  2. DU PONT DE NEMOURS BELGIUM, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2800 Mechelen, Antoon Spinoystraat 6 - Industriezone Mechelen-Zuid 1, optredend in eigen naam en in haar hoedanigheid van rechtsopvolger van de nv DU PONT ENGINEERED PARTS, en van de bvba IDAC BELGIUM, beide met zetel gevestigd te 2800 Mechelen, Antoon Spinoystraat 6 - Industriezone Mechelen-Zuid 1,
  3. DU PONT COORDINATION CENTER, commanditaire vennootschap op aandelen, met zetel te 2800 Mechelen, Antoon Spinoystraat 6 - Industriezone Mechelen-Zuid 1,
  4. DU PONT ENGINEERS PARTS N.V., naamloze vennootschap met zetel te 2800 Mechelen, Antoon Spinoystraat 6-Industriezone Mechelen Zuid 1,
  5. IDAC BELGIUM NV, besloten vennotschap met zetel te 2800 Mechelen, Antoon Spinoystraat 6- Industriezone Mechelen Zuid 1, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 november 2006 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, inzonderheid 1° en 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (Loonbeschermingswet), voor de wijziging bij wet van 22 mei 2001; - de artikelen 1, §1, 14, §1, en §2, 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet); - de artikelen 1, 2, §1, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Algemene beginselenwet sociale zekerheid); - artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest vernietigt het vonnis van de eerste rechter en verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de verweersters principieel gegrond: "De toekenning van de optie aan de werknemer tot het verkopen van aandelen aan de vastgestelde uitoefenprijs ongeacht de koers van het aandeel via een aandelenoptieprogramma en de kans om aandeelhouder te worden in het bedrijf is ongetwijfeld een voordeel dat toegekend wordt uit hoofde van zijn tewerkstelling. De toekenning van opties tot aankoop van aandelen lijkt geen loon te vormen in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet, gezien door de optie de werknemer slechts de kans krijgt op winst, op een financieel voordeel dat zich ten vroegste kan realiseren op het ogenblik van de lichting van de optie. (De Koster - Financiële participatie voor werknemers: sociaalrechtelijke aspecten, Oriëntatie 1 - januari 1994, p. 7). In verband met de notie ‘lopend jaarloon' inzake de optieplannen houdt de schaarse rechtspraak voor dat geen enkel element uit een optieplan aanleiding geeft tot toekenning van een voordeel in de zin van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet: de (bij hypothese onverhandelbare en voorwaardelijke) optie zelf is onwaardeerbaar en de eventuele meerwaarde gerealiseerd op het ogenblik van lichting is het rechtstreeks gevolg van een privé-transactie zonder voldoende band met de tewerkstelling om te kunnen gelden als tegenprestatie van arbeid (De Koster, op. cit. p. 9) . Dezelfde stelling is ook terug te vinden in de rechtspraak van het Hof van Cassatie in (zijn) arrest dd. 4 februari 2002 (onuitgegeven - S.00.0022.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020204.5/1) waarin het volgende wordt overwogen: ‘dat wanneer de werknemer de optie licht en de aandelen sinds het sluiten van de overeenkomst een grotere waarde hebben dan de te betalen optieprijs, de werknemer van een voordeel geniet; dat dit voordeel nog groter is wanneer, na de periode waarin hij de verworven aandelen niet mag teruggeven of overdragen om van de in artikel 45 bedoelde fiscale vrijstelling te kunnen genieten, de werknemer nog met meer winst de aandelen verkoopt; dat de bedoelde aandelen evenwel ook in waarde kunnen dalen zodat het verkrijgen zelf van de aandelenoptie voor de werknemer louter een kans op winst uitmaakt, te beschouwen als een voordeel verworven krachtens de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet; dat de eventuele winst die de werknemer realiseert wanneer hij de optie licht en later tot verkoop van de aandelen overgaat, uitsluitend het gevolg is van de fluctuaties van de aandelenkoersen en van zijn hoedanigheid van aandeelhouder en niet het gevolg is van de in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, noch een voordeel krachtens de arbeidsovereenkomst'. Hoewel het Belgisch recht onderscheiden loonbegrippen hanteert in de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 en in de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 en het loonbegrip in de wet van 12 april 1965 veel ruimer is kan dezelfde redenering aangaande het lichten van een optie en de verkoop van aandelen in beide wetgevingen in aanmerking worden genomen. (...) In de aandelenoptie bedoeld in artikel 45 van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen bekomt de werknemer een voordeel dat niet als loon wordt beschouwd voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen. (...) Het ( arbeids)hof stelt vast dat wanneer de uitoefening overeenstemt met de werkelijke waarde van het aandeel op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst tot aandelenoptie, er voor de gereglementeerde aandelenoptieplannen geen loon in aanmerking wordt genomen voor de berekening aan sociale zekerheidsbijdragen. In casu gaat het evenwel niet over gereglementeerde optieplannen maar staat het vast dat geen korting wordt gegeven op de uitoefenprijs op het ogenblik van de toekenning van de optie. In het algemeen hebben opties een intrinsieke waarde en een venale waarde vermits zij verhandelbaar zijn. In casu wordt het verhandelen van de opties echter uitgesloten en vervalt daarom de venale waarde. Op het ogenblik van de toekenning van de optie is er bijgevolg geen in geld waardeerbaar voordeel. Het (arbeids)hof is van mening dat het voordeel dat de werknemer kan realiseren bij het lichten van de optie geen uitstaans heeft met zijn dienstbetrekking maar het gevolg is van de fluctuatie van de aandelenkoersen en van zijn hoedanigheid van aandeelhouder (cfr. arrest van het Hof van Cassatie van 4 februari 2002 voormeld). Ook werd reeds vermeld dat de optie in het privé vermogen valt van de werknemer, gezien de erfgenamen gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van overlijden de aandelenopties kunnen uitoefenen en de optie dus beperkt overdraagbaar is. Het (arbeids)hof is van oordeel dat het niet vrij overdraagbaar zijn van de optie niet belet dat de werknemer bij het lichten van de optie een voordeel realiseert, niet ingevolge zijn dienstbetrekking, maar op een ogenblik en op de manier die hem het beste uitkomt en in de hoedanigheid van aandeelhouder. De verwijzing door (de eiser) naar het arrest van het Hof van Cassatie in het dossier van Agfa-Gevaert (Cass. 11 september 1995, J.T.T. 1995, 433), waarin werd geoordeeld dat het arbeidshof, nu het aanneemt dat de dividenden noodzakelijk behoren tot de winstbewijzen waarvan de toekenning rechtstreeks verband houdt met arbeid, verricht ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst, niet wettig beslist dat die dividenden geen loon zijn, moet met de nodige omzichtigheid worden bekeken. Het winstbewijs is een effect dat wordt uitgegeven voor inbrengen die vanwege hun aard niet in het kapitaal van de vennootschap kunnen worden ingebracht of die in elk geval buiten het maatschappelijk kapitaal worden uitgegeven en waarvan de statuten de rechten bepalen; het winstbewijs is onverhandelbaar en onoverdraagbaar, geeft geen toegang tot de algemene vergadering der aandeelhouders en geeft ook geen stemrecht; dividenden worden uitgekeerd na afloop van een boekjaar wanneer er winst is. Bij een aandelenoptie wordt er een overeenkomst gesloten waarbij de vennootschap er zich toe verbindt aan de werknemer tegen een vastgestelde prijs, binnen een bepaalde periode, een aantal aandelen die haar maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen te verkopen. Terecht merken (de verweersters) ook op dat in voormeld arrest het Hof van Cassatie aanstoot heeft genomen aan de redenering van het arbeidshof en het arrest geen algemene princiepswaarde heeft omdat het hoofdzakelijk gedetermineerd werd door de specificiteit van de winstdeling bij Agfa-Gevaert en door deze juridische vaststellingen geformuleerd door het Arbeidshof te Antwerpen (De Vos - Financiële participatie en het loonbegrip in artikel 2 van de loonbeschermingswet: een never ending story? Soc. Kron., 1996, 223). Samenvattend kan worden gesteld dat de toekenning van deze optie een voordeel is ingevolge de dienstbetrekking, maar dat op het ogenblik van de toekenning dit voordeel niet in geld waardeerbaar is, gezien de optie onverhandelbaar is en dat er op het ogenblik van de toekenning dus geen bijdrageplichtig loon is. Ingevolge het lichten van de optie worden aandelen verworven en wordt een meerwaarde gerealiseerd bij beslissing van de werknemer; deze winst bij de lichting van de optie is uitsluitend het gevolg van de speculatieve fluctuaties van de aandelenkoersen en maakt evenmin bijdrageplichtig loon uit voor de betrokken werknemer. Het (arbeids)hof dient de overige constitutieve criteria van het loonbegrip zoals bepaald in artikel 2, lid 1, 3°, van de wet van 12 april 1965 voormeld niet verder te onderzoeken. (De verweersters) hebben ten onrechte sociale zekerheidsbijdragen betaald op het verschil tussen de vastgestelde uitoefenprijs bepaald in de opties en de marktwaarde van de aandelen op het ogenblik van het lichten van de opties" (p.4 - 8). Grieven Eerste onderdeel
  6. In zijn beroepsbesluiten verdedigde de eiser de stelling dat een aandelenoptieplan, zoals in casu het geval was, een aantal kenmerken kan vertonen die met zich meebrengen dat de band met de dienstbetrekking fundamenteel aanwijsbaar blijft zodat op het ogenblik dat het lichten van de optie en de waardeerbaarheid van het voordeel aan de orde is, geenszins kan worden gesteld dat het gerealiseerde voordeel het uitsluitend gevolg is van speculatieve aandelenkoersen en de hoedanigheid van loutere aandeelhouder (zie recapitulatieve conclusies van 25 september 2002, p.15, derde alinea).
  7. Een eerste kenmerk dat wijst op de band met de dienstbetrekking is het onoverdraagbaar karakter van de opties: "Heeft de onoverdraagbaarheid van de optie een permanent karakter (..) (dan) blijft de band met de dienstbetrekking onverminderd bestaan (...) De onoverdraagbaarheid van de aandelenoptie verwijst in wezen naar de onderliggende band met de dienstbetrekking". Bij onmiddellijk vrij overdraagbare opties wordt de band met de dienstbetrekking daarentegen onmiddellijk verbroken en kan er geen sprake zijn van heffing van socialezekerheidsbijdragen op het ogenblik van het lichten van de optie (zie recapitulatieve conclusies van 25 september 2002, p.21, voorlaatste alinea; zie ook p.14 en p.19-22, B.1). Het bestreden arrest beantwoordt dit verweer en stelt vast dat het niet vrij overdraagbaar zijn van de optie niet belet dat de werknemer bij het lichten van de optie een voordeel realiseert, niet ingevolge zijn dienstbetrekking, maar op een ogenblik en op de manier die hem het beste uitkomt en in de hoedanigheid van aandeelhouder (p.7, derde alinea).
  8. Benevens het onoverdraagbaar karakter van de aandelenoptie voerde eiser aan dat ook de voorwaarden voor het uitoefenen van de opties, zoals gesteld in het aandelenoptieplan, aantonen dat er een fundamenteel noodzakelijke band blijft bestaan tussen het lichten van de opties en de dienstbetrekking: "De aandelenopties (zijn) niet alleen niet vrij overdraagbaar (...) maar de werknemers (kunnen) principieel hun opties slechts (...) uitoefenen na de wachtperiode van één jaar tot tien jaar na de toekenning van de opties op voorwaarde dat steeds de hoedanigheid van werknemer van Du Pont De Nemours (of een aanverwante onderneming uit dezelfde groep) behouden blijft, de werknemer overgedragen wordt aan een joint venture met een participatie vanwege Du Pont van 50 pct. of meer of de werknemer na een ononderbroken tewerkstelling bij Du Pont gepensioneerd/bruggepensioneerd wordt. Ten onrechte stellen (de verweersters) hier dat de optie nog zou kunnen worden gelicht door een werknemer die ontslagen is om dringende redenen zodat hierdoor zou worden aangetoond dat er geen onlosmakelijke band bestaat met de diensbetrekking. (De eiser) wijst bij wijze van voorbeeld naar het aandelenplan 1997 (bladzijde 17). Ingeval van ontslag wegens dringende redenen en op voorwaarde dat de wachttermijn van 12 maanden vanaf de toekenning in dienstverband is verstreken eindigt het optieplan op de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dit is dus op de datum van het ontslag. Van mogelijkheid om na het ontslag wegens dringende redenen de optie nog te lichten is geen sprake méér! Dat bevestigt nog maar eens de fundamenteel noodzakelijke band met de dienstbetrekking! De fundamenteel noodzakelijke band met de tewerkstelling is hiermede niet alleen benadrukt maar ook vastgelegd in het aandelenoptieplan zelf en bestaat dienvolgens niet alleen op het ogenblik van de toekenning maar blijft opgelegd gegarandeerd aanwezig. Van een werknemer die om niet een aandelenoptie ontvangt, deze aandelenoptie niet vrij kan overdragen en de aandelenoptie principieel slechts kan lichten wanneer hij de hoedanigheid van werknemer behoudt, staat fundamenteel vast dat de realisatie en waardering van het voordeel op het ogenblik van het lichten van de optie niet louter het gevolg is van de louter in zijn hoedanigheid van aandeelhouder gerealiseerde speculatieve winsten, aangezien hij deze winsten principieel niet kan realiseren door alleen aandeelhouder te zijn maar tevens - noodzakelijkerwijs - principieel de hoedanigheid van werknemer te hebben of zich te bevinden in een daarmee gelijk te stellen situatie. Dit fundamenteel onderscheid kwam (waarschijnlijk om redenen eigen aan het dossier) niet aan bod in het voorliggend arrest van het Arbeidshof te Brussel welke aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 4 februari 2002 van het Hof van Cassatie. Uit de beschouwingen welke hierin aan bod komen kan evenwel fundamenteel worden afgeleid dat het Arbeidshof te Brussel deze stelling onderschrijft (zie hoger). Terecht heeft de eerste rechter de stelling van (de eiser) gevolgd" (recapitulatieve conclusies van 25 september 2002, p.22, laatste alinea, t.e.m. p.23; zie ook p.14 en p.19-22, B.1). "Gelet op hetgeen hieraan voorafgaat moet worden herhaald dat in casu (...) - De aandelenoptie kan principieel door de werknemer slechts word(en) uitgeoefend indien hij de hoedanigheid behoudt waardoor dienvolgens niet alleen de band met de tewerkstelling op het ogenblik van de toekenning van de aandelenoptie maar ook op het ogenblik van de realisatie van de meerwaarde (lichten van de optie) is vastgesteld en aangetoond" (recapitulatieve conclusies van 25 september 2002, p.25, punt 13, derde streep). "Ten onrechte stellen (de verweersters) ‘dat indien de werknemer de mogelijkheid zou hebben zijn aandelenoptie te lichten met realisatie van een bepaalde winst niet zou kunnen worden aangenomen dat deze meerwaarde zou voortvloeien uit de dienstbetrekking aangezien op het ogenblik van het lichten van de optie alle banden met de dienstbetrekking, in de mate dat die er al zouden zijn geweest, verbroken zouden zijn en de werknemer, die naar eigen goeddunken op een bepaald ogenblik beslist om de opties te lichten en op dat ogenblik daadwerkelijk een meerwaarde realiseert, die meerwaarde enkel zou realiseren ingevolge het goede beheer van zijn privé-vermogen'. Deze stelling is manifest onjuist en gaat in tegen het aandelenoptieplan van (de verweersters) aangezien de werknemers hun optie slechts mogen uitoefenen na een wachtperiode van 1 jaar tot 10 jaar na de toekenning van de optie en op voorwaarde dat steeds de hoedanigheid van werknemer van Du Pont De Nemours (of een aanverwante onderneming uit dezelfde groep) behouden blijft. (zie aandelenoptieplan - zie uitdrukkelijke verwijzing door de eerste (verweerster) in haar conclusies voor de eerste rechter, blz 2, onderaan - blz 3). Met andere woorden gesteld: Een werknemer die ingevolge zijn dienstbetrekking bij de groep Du Pont De Nemours een aandelenoptie verwerft moet principieel werknemer blijven. Met ander woorden gesteld: Zo er geen enkele dienstbetrekking meer is en de band met de dienstbetrekking niet bestaat/bestond tot en met pensioen kan de werknemer de optie niet lichten en kan hij nooit een meerwaarde realiseren!" (recapitulatieve conclusies van 25 september 2002, p.26, punt 16). "Terecht stellen (de verweersters) dat ‘deze meerwaarde' nooit gegarandeerd wordt en enkel voortvloeit uit een eventuele positieve evolutie van de beurswaarde van het aandeel (aanvullende conclusies eerste rechter, bladzijde 8, §1), doch deze bemerking verhindert geenszins dat deze meerwaarde - indien ze wordt gerealiseerd - haar oorsprong vindt en onlosmakelijk verbonden is met de aandelenoptie op zich en nooit kan gerealiseerd worden indien de werknemer bij (de verweersters) ingevolge zijn tewerkstelling de hoedanigheid niet zou verkrijgen van werknemer en aldus recht heeft op de aandelenoptie - net zomin als de uitkering van een dividend - onlosmakelijk verbonden met het winstbewijs in het dossier Agfa-Gevaert - op het ogenblik van de toekenning van het winstbewijs gegarandeerd was en ook afhankelijk was van de winstevolutie binnen het bedrijf maar toch door het Hof van Cassatie als loon werd beschouwd op het ogenblik van de realisatie van het dividend" (recapitulatieve conclusies van 25 september 2002, p.27, punt 17).
  9. Het bestreden arrest antwoordt niet op de onder voormeld punt 3 aangehaalde conclusies van de eiser dat het lichten van de aandelenopties wel degelijk geschiedt binnen het kader van de dienstbetrekking en dat de meerwaarde die wordt gerealiseerd bij het lichten van de opties bijgevolg loon uitmaakt waarop sociale bijdragen zijn verschuldigd, in zoverre de aandelenopties door de werknemers slechts kunnen worden uitgeoefend na een wachtperiode van één jaar tot tien jaar na de toekenning van de opties en voor zover zij de hoedanigheid van werknemer van de Du Pont De Nemours groep hebben behouden, desgevallend tot en met hun pensioen, hetzij zich bevinden in een daarmee gelijk te stellen situatie, zoals de overdracht van de werknemer aan een joint venture waarin Du Pont De Nemours een participatie bezit van 50 pct. of meer. Met deze specifieke uitoefeningsvoorwaarden voor het lichten van de opties, die inhouden dat er een noodzakelijke band met de dienstbetrekking blijft bestaan, werd geen rekening gehouden door de appelrechters bij het beoordelen van de vraag of er socialezekerheidsbijdragen zijn verschuldigd op het voordeel dat voortvloeit uit het lichten van de aandelenopties die verweersters aan hun werknemers hebben toegekend.
  10. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing niet regelmatig met redenen heeft omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet). Tweede onderdeel
  11. Luidens de artikelen 14 van de RSZ-wet en 23 van de Algemene beginselenwet sociale zekerheid worden de sociale zekerheidsbijdragen berekend op basis van het loon van de werknemer zoals gedefinieerd in artikel 2 van de Loonbeschermingswet. Artikel 2 van de Loonbeschermingswet bepaalt dat onder het begrip loon moet worden verstaan, het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. Een aan de werknemer toegekend voordeel maakt deel uit van het loon wanneer de individuele werknemer, onder de overeengekomen voorwaarden, aanspraak kan maken ten laste van zijn werkgever op de toekenning van dat voordeel en hij zijn recht stoelt op de dienstbetrekking. De omstandigheid dat de bedoelde voordelen buiten de normale contractuele loonvorming en in afwijking van de traditionele loonvormen eenzijdig door de werkgever worden toegekend, met toepassing van het vennootschapsrecht, doet geen afbreuk aan de hierboven gegeven loondefinitie.
  12. De werkgever die er zich, in het kader van een aandelenoptieplan, toe verbindt om aan zijn werknemers, binnen een bepaalde periode, tegen een bij overeenkomst vastgestelde uitoefenprijs, een aantal aandelen te verkopen, op voorwaarde dat er bij het lichten van de opties nog een band bestaat tussen de werkgever en de werknemer die gestoeld is op de arbeidsovereenkomst, verschaft aan zijn werknemers, bij het uitoefenen van die opties, voor zover een meerwaarde wordt gerealiseerd, een in geld waardeerbaar voordeel waarop die werknemers ingevolge hun dienstbetrekking recht hebben ten laste van hun werkgever in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet. Wanneer de uitoefening van de aandelenoptie onderworpen is aan de voorwaarde dat er een duidelijk aanwijsbare band bestaat met de bestaande of vroegere tewerkstelling bij een werkgever, dan vindt het voordeel dat voortvloeit uit het lichten van de optie noodzakelijk zijn oorsprong in de bestaande of bestaand hebbende arbeidsovereenkomst en niet uitsluitend in de van de arbeidsovereenkomst onderscheiden rechtsverhouding die op grond van het vennootschapsrecht is ontstaan als gevolg van het bezit van de aandelenopties en het verwerven van aandelen.
  13. Het bestreden arrest stelt vast dat de werknemers hun opties in principe kunnen uitoefenen na een wachtperiode van één jaar tot tien jaar na de toekenning van de opties, op voorwaarde dat, hetzij, de hoedanigheid van werknemer behouden blijft of de werknemer gepensioneerd of gebruggepensioneerd wordt, hetzij, de werknemer wordt overgedragen naar een joint venture met een participatie vanwege Du Pont De Nemours van 50 pct. of meer. Zonder de bestaande of bestaand hebbende dienstbetrekking, of een daarmee gelijk te stellen situatie, kunnen de aandelenopties derhalve niet door de werknemers worden gelicht en kan er bijgevolg geen meerwaarde worden gerealiseerd zodat de winst die wordt verwezenlijkt door het uitoefenen van de opties noodzakelijk een voordeel uitmaakt waarop de werknemers ingevolge hun dienstbetrekking recht hebben ten laste van hun werkgever. Het loutere feit dat het bestaan en de omvang van het voordeel afhankelijk is van de «speculatieve fluctuaties van de aandelenkoersen» en van de keuze van de werknemer omtrent het tijdstip waarop de opties worden gelicht, ontneemt aan dit voordeel niet de kwalificatie van loon in zoverre noch deze beslissing van de werknemer, noch het verloop van de beurskoers het loonkarakter van een voordeel kunnen bepalen.
  14. Ook de onverhandelbaarheid en de beperkte overdraagbaarheid van de aandelenopties (enkel bij overlijden van de werknemer) bevestigen de band met de dienstbetrekking in zoverre zulks tot gevolg heeft dat de opties, behoudens ingeval van overlijden, enkel door de werknemers kunnen worden uitgeoefend. Deze band met de dienstbetrekking wordt niet doorbroken door het loutere feit dat de aandelenoptie na de toekenning in het privé-vermogen valt van de werknemer. De op het ogenblik van het lichten van de opties door de werknemers verwezenlijkte meerwaarde kan bijgevolg enkel worden verworven ingevolge de dienstbetrekking en is niet uitsluitend het gevolg van de speculatieve fluctuaties van de aandelenkoersen of van de hoedanigheid van aandeelhouder.
  15. Hieruit volgt dat, gelet op de
(1)onverhandelbaarheid van de aandelenopties,
(2)hun beperkte overdraagbaarheid (enkel bij overlijden),
(3)en de noodzakelijke band met de dienstbetrekking die voorhanden moet zijn op het ogenblik van het lichten van de opties, het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat de winst voor de werknemers bij het lichten van de opties geen uitstaans heeft met hun dienstbetrekking en uitsluitend het gevolg was van de eigen beslissing van de werknemers omtrent het ogenblik van het lichten van de opties, van de speculatieve fluctuaties van de aandelenkoersen en van hun hoedanigheid van aandeelhouder, dienvolgens niet wettig heeft beslist dat dit voordeel niet beantwoordt aan het loonconcept dat in de Loonbeschermingswet wordt gehanteerd. De beslissing dat verweersters steeds ten onrechte socialezekerheidsbijdragen hebben betaald op het verschil tussen de vastgestelde uitoefenprijs voor de opties en de marktwaarde van de aandelen op het ogenblik van het lichten van de opties en dat hun vorderingen tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde sociale bijdragen principieel gegrond zijn, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 2, inzonderheid 1° en 3°, van Loonbeschermingswet, 1, §1, 14, §1 en §2, 23, §1, van de RSZ-wet, 1, 2, §1, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, van de Algemene beginselenwet sociale zekerheid). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  1. Het bestreden arrest stelt vast dat de werknemers hun opties in principe maar mogen uitoefenen na een wachtperiode van één jaar tot tien jaar na de toekenning van de opties, op voorwaarde dat de hoedanigheid van werknemer van Du Pont de Nemours behouden blijft, dat de werknemer overgedragen wordt naar een joint venture met een participatie vanwege Du Pont de Nemours van 50 pct. of meer of dat de werknemer gepensioneerd of bruggepensioneerd wordt. Het oordeelt dat: - het toekennen van de optie aan de werknemer ongetwijfeld een voordeel is dat toegekend wordt uit hoofde van zijn tewerkstelling; - de opties geen venale waarde hebben omdat ze niet verhandelbaar zijn, zodat er op het ogenblik van de toekenning van de optie geen in geld waardeerbaar voordeel is; - het voordeel dat de werknemer kan realiseren bij het lichten van de optie geen uitstaans heeft met zijn dienstbetrekking maar het gevolg is van de fluctuatie van de aandelenkoersen en van zijn hoedanigheid van aandeelhouder; - de optie in het privé-vermogen van de werknemer valt, aangezien zijn erfgenamen de aandelenoptie kunnen uitoefenen gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van overlijden, en de optie dus beperkt overdraagbaar is; - het niet vrij overdraagbaar zijn van de optie niet belet dat de werknemer bij het lichten van de optie een voordeel realiseert, niet ingevolge zijn dienstbetrekking, maar op een ogenblik en op de manier die hem het beste uitkomt en in de hoedanigheid van aandeelhouder.
  2. Met deze redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  3. Krachtens de artikelen 23, eerste lid, en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, hierna Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid genoemd, en artikel 14, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hierna RSZ-wet genoemd, worden de socialezekerheidsbijdragen berekend op basis van het loon van de werknemer. Krachtens artikel 23, tweede lid, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid en artikel 14, §2, van de RSZ-wet, wordt het begrip loon, dat voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen in aanmerking wordt genomen, bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hierna Loonbeschermingswet genoemd, dit is het geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer "ingevolge de dienstbetrekking" recht heeft ten laste van zijn werkgever.
  4. Om te bepalen of een aan de werknemer toegekende aandelenoptie, dit is het recht om, gedurende een welbepaalde termijn, een bepaald aantal aandelen aan te kopen of, naar aanleiding van de verhoging van het kapitaal van een vennootschap, op een bepaald aantal aandelen in te schrijven tegen een vastgestelde of een nog vast te stellen prijs, een in geld waardeerbaar voordeel is waarop de werknemer "ingevolge de dienstbetrekking" recht heeft ten laste van zijn werkgever in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet, dient het tijdstip van de toekenning van de optie in aanmerking te worden genomen. Wanneer de werknemer de optie licht en de aandelen sinds de toekenning van de aandelenoptie een grotere waarde hebben dan de te betalen optieprijs, geniet de werknemer weliswaar een voordeel. De bedoelde aandelen kunnen echter ook in waarde dalen zodat het verkrijgen zelf van de aandelenoptie voor de werknemer louter een kans op winst uitmaakt. Het in geld waardeerbaar voordeel dat de werknemer geniet wanneer hij de optie licht en de marktwaarde van het aandeel op dat ogenblik hoger ligt dan de vastgestelde uitoefenprijs, is uitsluitend het gevolg van de fluctuaties van de aandelenkoers en van de hoedanigheid van optie- of aandeelhouder van de betrokken werknemer en is niet het gevolg van zijn dienstbetrekking. Noch het feit dat de aandelenoptie onverhandelbaar en slechts beperkt overdraagbaar is, noch het feit dat zij slechts kan gelicht worden op voorwaarde dat er nog een op de arbeidsovereenkomst gestoelde band bestaat tussen de werknemer en de werkgever, doet daaraan af.
  5. Het arrest oordeelt dat: - de toekenning van de optie een voordeel is ingevolgde de dienstbetrekking; - dit voordeel op het ogenblik van de toekenning niet in geld waardeerbaar is aangezien de optie onverhandelbaar is, zodat er op dat ogenblik geen bijdrageplichtig loon is; - ingevolge het lichten van de optie, aandelen worden verworven en een meerwaarde wordt gerealiseerd bij beslissing van de werknemer; - de winst bij de lichting van de optie uitsluitend het gevolg is van de speculatieve fluctuaties van de aandelenkoersen en van zijn hoedanigheid van aandeelhouder. Op grond van deze redenen oordeelt het arrest naar recht dat de winst gerealiseerd bij het lichten van de aandelenoptie voor de betrokken werknemer geen bijdrageplichtig loon uitmaakt, zodat de verweersters ten onrechte socialezekerheidsbijdragen hebben betaald op het verschil tussen "de vastgestelde uitoefenprijs bepaald in de opties en de marktwaarde op het ogenblik van het lichten van de opties". Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 355,10 euro jegens de eisende partij en op de som van 138,10 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 20 oktober 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081020.6 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020204.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.