← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081021.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081021.6 Rolnummer: P.08.0852.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-11-13 Raadplegingen: 524 - laatst gezien 2026-07-03 07:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche Private geschriften vallen onder de bescherming van de artikelen 193 en 196 Strafwetboek wanneer ze in zekere mate tot bewijs kunnen dienen van wat erin wordt vermeld of vastgesteld en in rechte gevolgen kunnen hebben, dit is dat ze door het gebruik waarvoor ze worden geredigeerd, derden nadeel kunnen berokkenen en wegens hun inhoud en vorm door de gemeenschap als waar mogen worden beschouwd

(1).
(1)Cass., 20 sept. 2005, AR P.05.0268.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050920.8, A.C., 2005, nr 442; Zie: Cass., 18 april 2006, AR P.06.0010.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060418.7, A.C., 2006, nr
  1. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Valsheid Vrije woorden: Private geschriften - Strafrechtelijke bescherming Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193 en 196 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.08.0852.N A P, beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, eiser, tegen
  2. INTERNATIONAL STRATEGIES GROUP Ltd, vennootschap naar het recht van de Britse Maagdeneilanden, met zetel te 1 F Columbus Centre, PO Box 901, Rad Town, Island of Tortola (Britse Maagdeneilanden) en met exploitatiezetel te 01-62, 078880 Singapore, 62 Wallich Street, burgerlijke partij,
  3. P V L, burgerlijke partij,
  4. ABN-AMRO BANK nv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 1082 PP Amsterdam (Nederland), Gustav Mahlerlaan 10, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer van 9 oktober 2007 (C/1644/07), van 20 november 2007 (C/1941/07), van 7 januari 2008 (C/25/08) en van 29 april 2008 (C/777/08). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Hij doet ook zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep tegen het arrest van 7 januari
  5. M G doet eveneens zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand
  6. Alhoewel het arrest van 7 januari 2008 geen eindbeslissing is, staat daartegen cassatieberoep open na het eindarrest van 29 april
  7. Er is bijgevolg geen grond tot het verlenen van de gevraagde afstand.
  8. M G heeft geen cassatieberoep ingesteld. Zijn afstand heeft bijgevolg geen voorwerp. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  9. Bij het arrest van 9 oktober 2007 oordeelt het hof van beroep onder meer dat het gelet op het feit dat de medebeklaagde een persoon is met een der hoedanigheden bepaald in artikel 479 Wetboek van Strafvordering, ook ten aanzien van de eiser bevoegd is kennis te nemen van de strafvervolging. Het oordeelt ook dat gelet op het aannemen van verzachtende omstandigheden er aanleiding is voor de telastlegging A ten aanzien van de eiser slechts een correctionele straf uit te spreken zodat het hof van beroep ook op die grond bevoegd is. Dit zijn beslissingen over de bevoegdheid waartegen met toepassing van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering onmiddellijk cassatieberoep openstaat. Het cassatieberoep dat is ingesteld op 5 mei 2008 is, in zoverre tegen die beslissingen ingesteld, laattijdig en mitsdien niet ontvankelijk.
  10. Voor het overige beveelt het voormelde arrest van 9 oktober 2007 de heropening van het debat. Dit is een gewone ordemaatregel. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang evenmin ontvankelijk.
  11. Het arrest van 29 april 2008 spreekt de eiser vrij wegens de telastlegging CI en verklaart de burgerlijke rechtsvorderingen in zoverre gesteund op die telastlegging alsmede de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 2 niet ontvankelijk. In zoverre tegen die beslissingen gericht is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 193, 196, 197 en 214 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de in de telastlegging A.I bedoelde geschriften een strafbare valsheid opleveren op de enkele grond dat ten tijde van de feiten op de beurs fenomenale winsten konden gemaakt worden en zonder vast te stellen dat elke controle van de enkel tussen de partijen geldende geschriften door toedoen van de eiser onmogelijk was gemaakt.
  13. Het arrest oordeelt niet dat de in de telastlegging A.I bedoelde geschriften wettelijke bescherming genieten op de enkele grond dat ten tijde van de feiten op de beurs fenomenale winsten konden geboekt worden. Het oordeelt ook dat die stukken intellectueel vals zijn, zich aan het openbaar vertrouwen opdringen en een maatschappelijke bewijswaarde hebben. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  14. Private geschriften vallen onder de bescherming van de artikelen 193 en 196 Strafwetboek wanneer ze in zekere mate tot bewijs kunnen dienen van wat erin wordt vermeld of vastgesteld en in rechte gevolgen kunnen hebben, dit is dat ze door het gebruik waarvoor ze worden geredigeerd, derden nadeel kunnen berokkenen en wegens hun inhoud en vorm door de gemeenschap als waar mogen worden beschouwd. Indien alleenstaande beweringen geen strafbare valsheid in geschrifte opleveren, is dit anders wanneer die beweringen een geheel uitmaken met documenten die een juridische draagwijdte hebben.
  15. Met de in het middel weergegeven redenen oordeelt het arrest in feite dat de inhoud van de in de telastlegging bedoelde stukken intellectueel vals is daar er geen concrete en daadwerkelijk hoogrentende beleggingsvormen of -plannen voorhanden waren om de ingelegde kapitalen te doen renderen en dat deze stukken zich opdringen aan het openbaar vertrouwen en een maatschappelijke bewijswaarde hebben. Op die grond is de beslissing dat die geschriften wettelijke bescherming genieten, naar recht verantwoord zonder dat de appelrechters nog moesten vaststellen dat de controle van die geschriften door toedoen van de eiser onmogelijk was gemaakt. In zoverre kan het onderdeel niet aangenomen worden. Tweede onderdeel
  16. Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging en van de bewijsregels in strafzaken: het arrest oordeelt dat de in de telastlegging A.I bedoelde stukken zich opdringen aan het openbaar vertrouwen en wettelijke bescherming genieten op de grond dat ten tijde van de feiten fenomenale winsten konden worden geboekt door beursspeculatie; deze vaststelling blijkt niet uit de gegevens van het dossier of uit het debat ter rechtszitting maar steunt enkel op de persoonlijke kennis van de appelrechters.
  17. De vermelding in het bestreden arrest dat ten tijde van de feiten, dit is in de jaren 1998 en 1999 op de beurs aanzienlijke winsten konden worden gemaakt, kon een uit de ervaring algemeen bekend gegeven zijn, waarop de appelrechters hun oordeel vermochten te stoelen zonder dat zij dit voorafgaandelijk aan de tegenspraak van de partijen dienden te onderwerpen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 193, 194, 196, 197 en 214 Strafwetboek: het arrest stelt het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden waarmee de eiser de feiten van de telastlegging A.I heeft gepleegd, niet vast.
  19. Bij gebreke van daartoe strekkende conclusie stelt de rechter wettig vast dat de constitutieve bestanddelen van het misdrijf verenigd zijn wanneer hij de feiten van de telastlegging bewezen verklaart zoals in de bewoordingen van de wet omschreven.
  20. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser geconcludeerd heeft over het bijzonder opzet van de feiten van de telastlegging A.I. Het arrest verklaart de feiten van de telastlegging A.I bewezen zoals in de dagvaarding in de bewoordingen van de wet omschreven. Aldus stelt het arrest vast dat die feiten gepleegd zijn met bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden en is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet aangenomen worden. Tweede middel Eerste onderdeel
  21. Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging en van de bewijsregels in strafzaken: het arrest oordeelt dat de in de telastlegging A.II bedoelde stukken zich opdringen aan het openbaar vertrouwen en wettelijke bescherming genieten op de grond dat "deze documenten mede te beschouwen zijn in de enorme beurshausse anno 1998-1999"; deze vaststelling blijkt niet uit de gegevens van het dossier of uit het debat ter rechtszitting maar steunt enkel op de persoonlijke kennis van de appèlrechters.
  22. De vermelding in het bestreden arrest van het bestaan van "enorme beurshausse anno 1998-1999" kon een uit de ervaring algemeen bekend gegeven zijn, waarop de appèlrechters hun oordeel vermochten te stoelen zonder dat zij dit voorafgaandelijk aan de tegenspraak van de partijen dienden te onderwerpen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 193, 194, 196, 197 en 214 Strafwetboek: het arrest stelt het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden waarmee de eiser de feiten van de telastlegging A.II heeft gepleegd, niet vast.
  24. Bij gebreke van daartoe strekkende conclusie stelt de rechter wettig vast dat de constitutieve bestanddelen van het misdrijf verenigd zijn wanneer hij de feiten van de telastlegging bewezen verklaart zoals in de bewoordingen van de wet omschreven.
  25. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser geconcludeerd heeft over het bijzonder opzet van de feiten van de telastlegging A.II. Het arrest verklaart de feiten van de telastlegging A.II bewezen zoals in de dagvaarding in de bewoordingen van de wet omschreven. Aldus stelt het arrest vast dat die feiten gepleegd zijn met bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden en is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet aangenomen worden. Derde onderdeel
  26. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 193, 196, 197 en 214 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de in de telastlegging A.II bedoelde geschriften een strafbare valsheid opleveren; het stelt immers niet vast dat de bestemmelingen van de van valsheid betichte documenten niet in staat waren na te gaan of de door de eiser voorgespiegelde opbrengsten wel degelijk realiseerbaar waren.
  27. Private geschriften zijn als beschermde geschriften te beschouwen en vallen onder de bescherming van de artikelen 193 en 196 Strafwetboek wanneer ze in zekere mate tot bewijs kunnen dienen van wat erin wordt vermeld of vastgesteld en in rechte gevolgen kunnen hebben, dit is dat ze door het gebruik waarvoor ze worden geredigeerd, derden nadeel kunnen berokkenen en wegens hun inhoud en vorm door de gemeenschap als waar mogen worden beschouwd. Indien alleenstaande beweringen geen strafbare valsheid in geschrifte opleveren, is dit anders wanneer die beweringen een geheel uitmaken met documenten die een juridische draagwijdte hebben.
  28. Met de in het middel weergegeven redenen oordeelt het arrest in feite dat de in de telastlegging A.II bedoelde overeenkomsten inhoudelijk vals zijn daar de erin vermelde investeringsprogramma's niet bestonden en de eiser de macht noch mogelijkheid had om de aangegane verbintenissen na te komen. Het oordeelt ook dat deze stukken een schijn van waarachtigheid hadden in het licht van de enorme beurshausse van de jaren 1998 en 1999 en zich opdringen aan het openbaar vertrouwen en een maatschappelijke bewijswaarde hebben. Op die grond is de beslissing dat die geschriften wettelijke bescherming genieten naar recht verantwoord, zonder dat de appèlrechters nog moesten vaststellen dat de controle van die geschriften door toedoen van de eiser onmogelijk was gemaakt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  29. De substantiële of op straffe van onderzoek voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 176,25 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh en op de openbare rechtszitting van 21 oktober 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081021.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050920.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060418.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.