← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081024.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081024.8 Rolnummer: C.07.0533.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2008-11-13 Raadplegingen: 537 - laatst gezien 2026-07-03 02:43 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081024.8 Fiches 1 - 2 Niet ontvankelijk, wegens het persoonlijk karakter van de vordering tot adoptie, is het verzoek tot hervatting van het geding en de vordering tot gedinghervatting die de partijen in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van de overleden adoptant hebben gedaan

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: ADOPTIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Vordering - Aard - Cassatieberoep - Overlijden van de adoptant - Verzoek tot hervatting van het geding - Hoedanigheid van rechtsopvolger - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Vordering tot adoptie - Overlijden van de adoptant - Verzoek tot hervatting van het geding - Hoedanigheid van rechtsopvolger - Ontvankelijkheid Fiches 3 - 4 Op het verzoek dat ertoe strekt de partijen akte te verlenen van de voortzetting van de procedure tot adoptie kan in het kader van de procedure voor het Hof geen acht worden geslagen wanneer het werd geformuleerd na het verstrijken van de termijn van artikel 1093 van het Gerechtelijk Wetboek
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: ADOPTIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Voortzetting van de procedure - Cassatieberoep - Verzoek - Termijn Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1093 en 1231-20 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Adoptie - Verzoek tot voortzetting van de procedure - Termijn - Artikel 1093 Ger.W. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1093 en 1231-20 Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. VAN INGELGEM, Cass., 24 okt. 2008, AR C.07.0533.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: ADOPTIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Vordering - Aard - Cassatieberoep - Overlijden van de adoptant - Verzoek tot hervatting van het geding - Hoedanigheid van rechtsopvolger - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Vordering tot adoptie - Overlijden van de adoptant - Verzoek tot hervatting van het geding - Hoedanigheid van rechtsopvolger - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ADOPTIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Voortzetting van de procedure - Cassatieberoep - Verzoek - Termijn Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Adoptie - Verzoek tot voortzetting van de procedure - Termijn - Artikel 1093 Ger.W. Tekst van de beslissing Nr. C.07.0533.N 1. D. B. J., 2. D. B. P., eisers, in gedinghervatting opgeroepen partijen, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar de eisers woonplaats kiezen, tegen 1. D. B. J., verweerder, 2. V. N, 3. V. R., 4. V. R. P., verweersters, de derde en vierde verweerster, in gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partijen, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 juli 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijk bepalingen - de artikelen 319, 319bis, beide zoals van toepassing voor hun wijziging bij wet van 1 juli 2006, 350, §1 en §3, en 362, beide artikelen zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 24 april 2003, 1315, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 772, 807, 870 en 1138, 2° en 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk het de taak van de rechter is om desnoods ambtshalve op de hem voorgelegde feiten de juiste rechtsregel toe te passen, zoals onder meer afgeleid uit artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel, dat de rechter verbiedt ambtshalve door partijen uitgesloten betwistingen op te werpen, zoals onder meer vastgelegd in de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Rechtdoende op het hoger beroep van de eisers bij het bestreden arrest van 30 juli 2007 wijst het Hof van Beroep te Gent hun verzoek tot heropening van de debatten af als niet gegrond, verklaart hun hoger beroep toelaatbaar, doch wijst het af als ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis, dus ook waar het overging tot de homologatie van de adoptieakte, opgesteld op 25 augustus 2004 voor notaris Werckx. Deze beslissing is onder meer gestoeld op volgende overwegingen. "Op 20 juni 2007 werd door (de eisers) een verzoekschrift tot heropening van de debatten neergelegd met drie bijlagen. (De verweerder) heeft, na de aanzegging bij gerechtsbrief d.d. 21 juni 2007, binnen de acht dagen opmerkingen met vier bijlagen op dezelfde wijze doen toekomen op 28 juni 2007. (De eisers) hebben vervolgens op hun beurt wederopmerkingen geformuleerd, neergelegd ter griffie op 2 juli 2007. (...) 1. Overeenkomstig artikel 772 van het Gerechetlijk Wetboek kan een verschijnende partij de heropening van de debatten vragen wanneer zij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt. 2. Het door (de eisers) ter griffie neergelegde en overgelegde verzoekschrift, evenals de kennisgeving ervan, beantwoordt aan de vereisten van artikel 773, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het is gelet op het belang en de hoedanigheid van (de eisers) als verschijnende partijen, ontvankelijk. 3.1. (De eisers) vragen de heropening van de debatten op volgende gronden. Zij houden voor, tijdens het beraad, te zijn gecontacteerd door P.Z., bloedverwant in neerdalende lijn van (de verweerder). Deze persoon zou wensen te getuigen wat betreft zijn persoonlijke indrukken over het werkelijkheidsgehalte van de affectieve banden en de familiale sfeer tussen de partijen bij de adopties sinds 2004. Het aanbod tot getuigenis van P.Z. omschrijven (de eisers) als een nieuw feit, dat hen niet gekend was op 22 maart 2007, en van overwegend belang gezien het betrekking heeft op de affectio adoptionis. 3.2. (De verweerder) laat in zijn opmerkingen in hoofdzaak gelden dat de nieuwe verklaring, die overigens integraal wordt betwist, niet kan gekwalificeerd worden als een ‘nieuw stuk of feit van overwegend belang'. 4. De bijlage 1 van (de eisers) betreft een mailbericht van 20 juni 2007 van de eerste (eiser) aan zijn raadsman met de mededeling dat de verklaring van P.Z. werd aangehecht. Hij verduidelijkte dat ‘P.' hem vroeg om het nodige te doen om desbetreffende verklaring aan het hof (van beroep) te bezorgen. De bijlage 1 bevat de verklaring van 20 juni 2007 met als hoofding P.Z. (en adres), evenals de vrije vertaling ervan. Het is voor het hof (van beroep) niet controleerbaar of desbetreffende verklaring inderdaad wel degelijk uitgaat van P.Z. (de bijlage is ongetekend en het mailbericht komt rechtstreeks van de eerste (eiser)), wiens beweerde afstammingsband ten overstaan van de (verweerder) daarenboven niet objectief wordt bewezen. Er is bovendien onzekerheid over het feit of het verzoek tot heropening niet voortvloeit uit het initiatief van een in zake zijnde partij. Er is eveneens twijfel of dit getuigenis niet voor het in beraad nemen kon worden aangevoerd. (De eisers) houden gestand dat zij door P.Z. werden gecontacteerd nadat deze vernomen had welke standpunten (de verweerder) op de terechtzitting van 22 maart 2007 had ingenomen. Nochtans spreekt de eerste (eiser) P.Z. in zijn mailbericht vertrouwelijk aan als `P.'. Zoals (de verweerder) overigens terecht aanvoert hebben de partijen tijdens de procedure ruimschoots de gelegenheid gehad hun standpunt te verduidelijken en te bewijzen, onder meer door middel van verklaringen (ook inzake de affectio adoptionis). Het als bijkomend argument aanvoeren van een zoveelste verklaring in dit verband - zelfs indien deze uitgaat van een beweerd door de kandidaat-adoptant erkende zoon waarvan in de procedure door geen der partijen gewag werd gemaakt -, die overigens ten zeerste wordt betwist, kan op zichzelf geen reden zijn tot heropening. Naar het oordeel van het hof (van beroep) zijn de door (de eiser) aangegeven feiten noch de door hen voorgebrachte stukken tenslotte van aard het beraad wezenlijk en fundamenteel dusdanig te beïnvloeden dat zij als zijnde van ‘overwegend belang' kunnen aangezien worden, mede gelet op de stukken waarop het hof (van beroep) tot dusver acht mocht slaan. Het verzoek tot heropening van de debatten, waaromtrent het hof (van beroep) trouwens op onaantastbare wijze oordeelt, dient in de gegeven omstandigheden als niet gegrond te worden afgewezen. Het afwijzen van het verzoek tot heropening van het debat heeft tot gevolg dat de stukken die er aanleiding toe waren, buiten het beraad worden gehouden. 5. Uit de tekst van het artikel 773 van het Gerechtelijk Wetboek valt niet af te leiden dat de verzoekende partij nog zou kunnen antwoorden op de gegeven opmerkingen. Nog afgezien echter van de vraag naar de mogelijkheid, zelfs wenselijkheid daarvoor, doen de door (de eisers) op 2 juli 2007 ter griffie neergelegde opmerkingen geen afbreuk aan voormelde conclusie. (...) 6. Krachtens artikel 350, §3, van het (oud) Burgerlijk Wetboek in fine gaat de rechtbank, met inachtneming van alle wettige belangen, na of de adoptie op wettige redenen steunt en de andere door de wet gestelde voorwaarden vervuld zijn. (...) 7. Hetgeen voorafgaat noopt tot de bevestiging van het bestreden vonnis op voormelde gronden. De door de wet gestelde voorwaarden zijn vervuld en de adoptie steunt op wettige redenen. De adoptie is niet in strijd met de openbare orde en schendt geen wetsbepalingen van dwingende aard. Zij strekt de betrokkenen tot voordeel. 8. Alle anders luidende conclusies worden door het hof (van beroep) verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant". Grieven Eerste onderdeel 1. Naar luid van het artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek kan een verschijnende partij, indien zij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van de debatten vragen. Een nieuw feit veronderstelt dat het door de betrokken partij niet eerder kon worden voorgelegd of ingeroepen, hetzij omdat zij het bestaan ervan niet kende of kon kennen, hetzij omdat het stuk of feit als zodanig nog niet bestond. Uit een en ander volgt dat het de feitenrechter, aan wie een verzoek tot heropening van de debatten wordt voorgelegd, toekomt uit te maken of het ingeroepen feit of stuk nieuw is zonder dat het hem weliswaar toekomt om zich reeds uit te spreken over de bewijswaarde van bedoeld stuk. 2. Te dezen lieten de eisers in een verzoekschrift tot heropening van de debatten, neergelegd op 20 juni 2007, gelden dat zij na het in beraad nemen van de zaak werden gecontacteerd door de heer P.Z.. Zij preciseerden dat deze persoon het initiatief nam om hen te contacteren nadat hij vernomen had welke standpunten ingenomen werden namens de verweerder op de zitting van 22 maart 2007 en dat hij een zoon is van de verweerder die echter niet voorkomt uit het eerste huwelijk van de verweerder met de moeder van de eisers en evenmin uit het tweede huwelijk van de verweerder met mevrouw N.V.R., moeder van de geadopteerde partijen. De eisers lieten in hun verzoekschrift gelden dat hij hen had verklaard dat hij wenste te getuigen over zijn persoonlijke indrukken over het werkelijkheidsgehalte van de beweerde affectieve banden en familiale sfeer die zou bestaan in het kader van de relatie tussen de verweerder en mevrouw P.V.R.en mevrouw K.V.R.en stelde van die relatie een bevoorrechte getuige te zijn, gelet op zijn regelmatige aanwezigheid in het huishouden van de verweerder sinds 2004. Zij vervolgden dat het hier een getuigenis zou betreffen door een bloedverwant in neerdalende lijn van de verweerder, die evenwel niet voorkomt uit een van beide huwelijken van de verweerder en zich slechts als een halfbroer verhoud tot de eisers en overigens geen enkele bloedband heeft met de dochter van de huidige echtgenote van de verweerder en verklaarden aan dat verzoekschrift een korte schriftelijke verklaring, die de heer P.Z. deed aan de eerste eiser en waarin hij het voorwerp van zijn getuigenis kort omschreef toe te voegen. De eisers lieten gelden dat dit aanbod tot getuigenis van de heer P.Z. een nieuw element betrof dat niet gekend was aan de partijen voor de sluiting van de debatten op de zitting van 22 maart 2007 en dat het een feit en stuk van overwegend belang betrof aangezien het betrekking had op de affectio adoptionis en op de genegenheid die de verweerder in realiteit zou genieten van de twee te adopteren dames. Zij lieten gelden dat een dergelijke getuigenis over de affectio adoptionis essentieel kan zijn in die zin dat de affectio adoptionis de centrale vraag is in het homologatiedebat en een impact kan hebben op de beslissing die het hof van beroep ter zake zou vellen. 3. Uit voornoemde beschouwingen volgt zodoende dat de eisers als nieuw feit lieten gelden het feit dat de genaamde P.Z., afstammeling van de verweerder en halfbroer van de eisers, na de zitting van 22 maart 2007, waarop de zaak in beraad werd genomen, hen verklaard had gehoord te willen worden aangaande de affectieve banden bestaande tussen de verweerder en de kandidaat-geadopteerden, zulks nadat hij kennis had genomen van de standpunten die namens de verweerder op de zitting van 22 maart 2007 werden ingenomen. Het was zodoende de verklaring van deze persoon die als nieuw feit en stuk werd ingeroepen. Derhalve diende door het hof van beroep te worden onderzocht of deze verklaring als een nieuw stuk was te aanzien. Uit de door het hof van beroep gedane vaststellingen blijkt dat de verklaring als dusdanig niet eerder aan het hof van beroep werd voorgelegd, hetgeen trouwens door de verweerder ook niet werd betwist. Hij voerde daarentegen aan dat "een nieuwe, zoveelste verklaring, dan ook geen reden (kan) zijn om de debatten te heropenen". De verweerder betwistte evenmin dat deze verklaring uitging van de heer P.Z., zij het dat hij insinueerde dat de verklaring misschien wel voortvloeide uit een initiatief genomen door "een in zake zijnde partij", zonder dat hij evenwel stelde dat deze verklaring zou zijn toe te schrijven aan het initiatief van de beide eisers, die voor de bodemrechter door een onderscheiden advocaat werden vertegenwoordigd. Tenslotte ontkende de verweerder ook niet dat P.Z. een door hem erkend kind was. Waar deze feiten niet door de verweerder werden betwist dienden zij dan ook als vaststaand te worden aangenomen. Uit een en ander volgt dat noch het nieuw karakter van de verklaring ten aanzien van minstens één van de eisende partijen, noch de toerekenbaarheid van de verklaring aan de heer P.Z., noch de afstamming van de betrokkene door de verweerder in vraag werden gesteld. Het hof van beroep stelt evenmin vast dat de eisers de heer P. (Z.) reeds kenden of, indien dat wel het geval zou zijn geweest, reeds wisten dat deze hun halfbroer was en/of dat hij door hun vader was erkend of dat zij voorheen enige mogelijkheid hadden om hem ertoe te bewegen een dergelijk aanbod om te getuigen te doen. Besluit Waar het hof van beroep stelt dat er "onzekerheid (
  1. is)over het feit of het verzoek tot heropening niet voortvloeit uit het initiatief van een in zake zijnde partij", hetgeen impliceert dat minstens één van de eisende partijen het voorgelegde stuk niet had uitgelokt, zonder te preciseren welke partij het hiermee bedoelde, vermocht het hof van beroep niet wettig te beslissen dat het ingeroepen feit door geen van beide eisers als nieuw kon worden ingeroepen teneinde om de heropening van de debatten te verzoeken (schending van artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek). Waar het hof van beroep bovendien suggereert dat de verklaring mogelijks niet van P.Z. uitging omdat deze niet was ondertekend en het mailbericht rechtstreeks van de eerste eiser uitging en waar het vervolgens stelt dat de afstamming van P.Z. ook niet objectief bewezen wordt en op die grond oordeelt dat het feit niet als nieuw kon worden aangezien, daar waar noch het ene noch het andere feit door de verweerder werd betwist, legt het hof van beroep aan de eisers de bewijslast op van niet betwiste feiten (schending van de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315 van het Burgerlijk Wetboek) en werpt het hof van beroep ambtshalve een door partijen uitgesloten betwisting op (schending van het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel, dat de rechter verbiedt ambtshalve door partijen uitgesloten betwistingen op te werpen, zoals onder meer vastgesteld in de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals van de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek). Tenslotte vermocht het hof van beroep aan deze verklaring, die blijkens het verzoek een reactie was op de standpunten die namens de verweerder op de zitting van 22 maart 2007 werden ingenomen, evenmin wettig het karakter van nieuw stuk te ontzeggen omwille van het enkele feit dat de eerste eiser P.Z., die blijkens het verzoek tot heropening van de debatten een halfbroer van de eerste eiser was en die blijkens de antwoordopmerkingen van de verweerder door hem werd erkend als zijn zoon, in zijn mailbericht van 20 juni 2000 vertrouwelijk aansprak als "P.", element dat op zich niet toelaat te besluiten dat de betrokken verklaring niet nieuw was (schending van artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek), althans zonder te hebben vastgesteld dat de eisers de heer P.Z. voorheen reeds kenden en, indien dat inderdaad het geval zou zijn geweest, dat zij voorheen reeds wisten dat deze hun halfbroer was en/of dat hij door hun vader was erkend of dat zij voorheen enige mogelijkheid hadden om hem ertoe te bewegen een dergelijk aanbod te getuigen te doen (schending van artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel 1. Naar luid van artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek kan een verschijnende partij, indien zij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van de debatten vragen. Het staat bovendien aan de rechter om, desnoods ambtshalve, de door partijen aangevoerde rechtsgronden aan te vullen en op de voor hem aangevoerde feiten de juiste rechtsregel toe te passen, zelfs zo de partijen de ter zake toepasselijke bepaling niet zouden hebben ingeroepen, zoals volgt uit artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat de rechter die naar aanleiding van een verzoek tot heropening van de debatten vaststelt dat het ingeroepen feit of stuk om een andere reden dan deze aangevoerd door de verzoekende partij van overwegend belang is voor de behandeling van de zaak, de door de partij ter rechtvaardiging van de heropening aangevoerde redenen ambtshalve zal moeten aanvullen. 2. Overeenkomstig artikel 350, §1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 24 april 2003, moet de adoptieakte ter homologatie worden voorgelegd aan de rechtbank van eerste aanleg. Blijkens artikel 350, §3, van het Burgerlijk Wetboek, in zijn versie zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 24 april 2003, zendt de griffier het verzoekschrift door aan de procureur des Konings. Deze wint alle nuttige inlichtingen in en onder meer het advies van de kinderen van de adoptant, indien zij meer dan 18 jaar oud zijn. Heeft een van de kinderen de leeftijd van 18 jaar niet bereikt, dan moet het advies worden ingewonnen van hun vader of moeder, niet-adoptant, zelfs indien deze uit de echt of van tafel en bed gescheiden is. Het betreft hier een verplichting, zoals kan worden afgeleid uit het derde lid van datzelfde artikel. De procureur des Konings zendt het verzoekschrift samen met die inlichtingen en zijn advies aan de rechtbank. Bovendien bepaalt voornoemd artikel 350, §3, van het Burgerlijk Wetboek dat de rechtbank de verschijning gelast in raadkamer van alle perso¬nen die zij geraden acht te horen, van hun verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank kan eveneens de verschijning in raadkamer gelasten van de partijen bij de adoptieakte om het homologatieverzoek te bespreken. Zij moet die verschijning gelasten indien de procureur des Konings of een van de personen wier oordeel hij verplicht is te vragen betreffende de adoptie een ongunstig advies heeft uitgebracht; die persoon wordt eveneens opgeroepen en, indien hij verschijnt, kan hij bij eenvoudige akte verklaren in het geding te willen tussenkomen. Ten slotte bepaalt dat artikel dat de rechtbank met inachtneming van alle wettige belangen nagaat of de adoptie op wettige redenen steunt en de andere door de wet gestelde voorwaarden vervuld zijn. Voornoemde bepaling maakt geen onderscheid naar gelang van de wijze waarop de afstamming van de kinderen werd vastgesteld, hetgeen impliceert dat niet alleen de kinderen, wier afstamming volgt uit het huwelijk van de adoptant met hun moeder, doch ook de kinderen die door de adoptant werden erkend, zullen moeten worden gehoord in hun advies en in de gele¬genheid zullen moeten worden gesteld, indien dat advies ongunstig is, om door de rechtbank gehoord te worden en in de procedure tussen te komen. Het hof van beroep stelt trouwens zelf in het bestreden arrest vast dat het advies van de kinderen verplicht is. Uit een en ander volgt dat de feitenrechter, aan wie een adoptieakte ter homologatie wordt voorgelegd, zal moeten onderzoeken of alle kinderen van de adoptant werden gehoord en, zo hij vaststelt dat dit niet het geval is, over het homologatieverzoek geen uitspraak zal kunnen doen zolang dat niet is gebeurd. 3. Te dezen voerden de eisers in hun verzoek tot heropening van de debatten aan na het in beraad nemen van de zaak te zijn gecontacteerd door de heer P.Z., erop wijzende dat hij een zoon was van de verweerder die echter niet voorkomt uit het eerste huwelijk van de verweerder met de moeder van de eisers en evenmin uit het tweede huwelijk van de verweerder met mevrouw N.V.R., moeder van de geadopteerde partijen. De heer P.Z. was zodoende een afstammeling in neerdalende lijn van de verweerder en een halfbroer van de eisers, hetgeen door de verweerder niet werd betwist. Integendeel, in zijn opmerkingen gericht aan het hof van beroep in antwoord op het verzoek tot heropening van de debatten, liet hij onder punt 3 gelden dat hij het bestaan van P.Z. niet "verborgen gehouden" had. Hij liet enkel gelden dat "door de adoptie van P.Z. door de familie Z. de vaststelling van de afstamming van P.Z. (de erken¬ning van P.Z. door (de verweerder)) geen juridische gevolgen (heeft), behoudens de toepassing van de verbodsbepalingen inzake het huwelijk bedoeld in de artikelen 161 tot 164 (de huwelijksbeletselen)". De verweerder erkende zodoende in zijn antwoordnota expliciet de heer P.Z. erkend te hebben, hetgeen inhield dat zijn afstamming ten aanzien van de verweerder wettelijk, zoals bedoeld in de artikelen 319 en 319bis van het Burgerlijk Wetboek, en derhalve ook objectief vaststond, zelfs zo hij hiervan de juridische gevolgen afzwakte door te wijzen op de omstandigheid dat P.Z. was geadopteerd door de familie Z.. Artikel 362, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 24 april 2003, stelt ter zake evenwel niets anders dan dat de vaststelling van de afstamming van de gea¬dopteerde ten aanzien van een derde, na het vonnis of arrest dat de adoptie homologeert of uitspreekt, de adoptie laat bestaan en slechts gevolgen heeft voor zover deze niet in strijd zijn met die van de adoptie, bepaling waaruit wordt afgeleid dat de erkenning slechts gevolgen heeft in zoverre zij de geadopteerde tot voordeel strekt. Een en ander verhindert derhalve niet dat de afstamming van de heer P.Z. ten aanzien van de verweerder vaststond. In een schrijven, neergelegd op 2 juli 2007 ter griffie van het hof van beroep, waarbij de eisers repliceerden op deze opmerkingen, benadrukten de eisers dat de heer P.Z. een erkende zoon van de verweerder was, wiens bestaan de verweerder evenwel verborgen had gehouden aan het hof van beroep te Gent, zoals kon worden opgemaakt uit zijn 100 pagina's tellende conclusie. Er bestond zodoende een consensus omtrent het feit dat de heer P.Z. een erkend kind van verweerder was, wiens advies niet eerder werd ingewonnen bij toepassing van voornoemd artikel 350, §3, van het Bur¬gerlijk Wetboek en die voor de sluiting van de debatten evenmin in de gele¬genheid was gesteld geworden om in raadkamer gehoord te worden overeen¬komstig voornoemd artikel 350, §3, van het Burgerlijk Wetboek en om in de procedure tussen te komen, gegeven dat door het hof van beroep desnoods ambtshalve diende te worden opgeroepen. Besluit Waar het hof van beroep in het bestreden arrest stelt dat de beweerde afstamming van P.Z. ten opzichte van de verweerder niet ob¬jectief was bewezen, daar waar er omtrent dit feit geen betwisting bestond, doch de verweerder integendeel erkende P.Z. erkend te hebben, en de regeling inzake de bewijslast enkel geldt ten aanzien van betwiste feiten, werpt het hof van beroep ambtshalve een door partijen uitgesloten betwisting op (schending van het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel, dat de rechter verbiedt ambtshalve door partijen uitgesloten betwistingen op te werpen, zoals onder meer vastgesteld in de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals van de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek) en doet het uitspraak in miskenning van de regels inzake de bewijslast (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek). Derhalve vermocht het hof van beroep niet wettig te beslissen dat de afstammingsband van de heer P.Z. ten aanzien van de verweerder niet objectief vaststond (schending van artikelen 319, 319bis, beide artikelen zoals van toepassing voor hun wijziging bij wet van 1 juli 2006, en 362, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 24 april 2003 van het Burgerlijk Wetboek), kon het niet wettig beslissen, zonder tekort te komen aan de op hem rustende plicht om op de hem voorgelegde feiten de juiste rechtsregel toe te passen en de door partijen aange¬voerde rechtsgronden desnoods ambtshalve aan te vullen, dat er niet diende te worden ingegaan op het verzoek van de eisers om de debatten te heropenen teneinde deze persoon vooralsnog te horen en dat er over het verzoek tot homologatie ten gronde uitspraak kon worden gedaan zonder dat deze afstammeling in neerdalende lijn van de verweerder en halfbroer van de eisers diende gehoord te worden (schending van het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk het de taak van de rechter is om desnoods ambtshalve op de hem voorgelegde feiten de juiste rechtsregel toe te passen, zoals onder meer afgeleid uit artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van artikel 350, §3, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 24 april 2003), kon het niet wettig beslissen dat de verklaring van de heer P.Z., gelet op de stukken waarop het hof van beroep tot dusver reeds acht mocht slaan, niet van overwegend belang was (schending van de artikelen 772 van het Gerechtelijk Wetboek en 350, §3, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 24 april 2003) en kon het bijgevolg evenmin wettig besluiten dat de door de wet gestelde voorwaarden zijn vervuld en de adoptie steunt op wettige re¬denen, niet in strijd is met de openbare orde en geen wetsbepalingen van dwingende aard schendt (schending van artikel 350, §1 en §3, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 24 april 2003). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Hervatting van het geding 1. De vordering tot adoptie is een persoonlijke vordering. Het verzoek tot hervatting van het geding en de vordering tot gedinghervatting uitgaande van N.V., K.V.R.en P.V.R.in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van wijlen de verweerder, J.D.B., overleden te Knokke-Heist op 4 november 2007, dient daarom als niet ontvankelijk te worden afgewezen, zoals door de eisers opgeworpen. Voortzetting van de procedure tot adoptie 2. Op het verzoek van K.V.R.en P.V.R.dat ertoe strekt hen akte te verlenen van de voortzetting van de procedure tot adoptie op grond van artikel 1231-20 van het Gerechtelijk Wetboek, kan in het kader van de procedure voor het Hof, geen acht worden geslagen, daar het werd geformuleerd na het verstrijken van de termijn van artikel 1093 van het Gerechtelijk Wetboek. Middel Eerste onderdeel 3. Krachtens artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek, kan een verschijnende partij, indien zij gedurende het beraad een nieuw feit of stuk van overwegend belang ontdekt, de heropening van het debat vragen, zolang het vonnis niet is uitgesproken. 4. Het behoort aan de partij, die de heropening van het debat vraagt, aan te tonen dat het door hem ingeroepen feit of stuk als nieuw dient te worden aangezien. 5. De appelrechters oordelen dat: - het niet zeker is dat het feit of stuk, dat ter ondersteuning van het verzoek tot heropening van het debat wordt ingeroepen, niet voortvloeit uit het initiatief van een partij; - er eveneens twijfel is of het als nieuw feit of stuk aangevoerde getuigenis niet voor het in beraad nemen van de zaak kon worden aangevoerd; - de partijen overigens tijdens de procedure ruimschoots de gelegenheid hebben gehad hun standpunt te verduidelijken en te bewijzen, onder meer door middel van verklaringen. 6. De appelrechters geven aldus te kennen dat de eisers in gebreke blijven aan te tonen dat het door hen, ter ondersteuning van hun verzoek tot heropening van het debat ingeroepen feit of stuk als nieuw dient te worden aangezien en verantwoorden op die gronden naar recht hun beslissing de heropening van het debat niet te gelasten. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 7. Het vergeefs door het eerste onderdeel aangevochten oordeel van de appelrechters dat de eisers in gebreke blijven aan te tonen dat het door hen ingeroepen feit of stuk als nieuw dient te worden aangezien, draagt de beslissing van de appelrechters om het verzoek tot heropening van het debat af te wijzen. Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt N.V., K.V.R.en P.V.R.in de kosten van betekening van het verzoekschrift tot hervatting van het geding en van de dagvaarding tot gedinghervatting. Veroordeelt de eisers in de overige kosten. De kosten zijn begroot op de som van 976,42 euro jegens de eisende partijen en op de som van 758,65 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2008 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081024.8 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081024.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110930.2 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110930.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.