← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081024.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081024.9 Rolnummer: C.08.0022.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-11-13 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-07-03 02:43 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 12.6, tweede lid, van de Pachtwet, dat tot doel heeft de landbouwer in hoofdberoep te beschermen tegen een opzegging voor persoonlijke exploitatie in het voordeel van een exploitant of een toekomstige exploitant voor wie de landbouw slechts een bijberoep uitmaakt of zal uitmaken, bepaalt niet wat onder het begrip landbouwbedrijf dient te worden verstaan, zodat aan dit begrip zijn gewone betekenis moet worden toegekend; waar algemeen wordt aangenomen dat veeteelt een tak van de landbouw is en dat de varkensteelt tot de veeteelt behoort, moet een bedrijf waar aan varkensteelt wordt gedaan worden aangemerkt als een landbouwbedrijf; hieraan wordt geen afbreuk gedaan doordat de wetgever de pacht van onroerende goederen die gebruikt worden voor industriële vetmesting en industriële fokkerij, onafhankelijk van een landbouwbedrijf, heeft uitgesloten van de toepassing van deze wet. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Einde (Opzegging. Verlenging. Terugkeer. Enz) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Landpacht - Prijs Vrije woorden: Opzegging voor persoonlijke exploitatie - Landbouwbedrijf - Veeteelt - Varkensteelt Wettelijke bepalingen: Wet - 04-11-1969 - Art. 12.6, tweede lid Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Begrip. Aard van wetgeving UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Landpacht - Prijs Vrije woorden: Opzegging voor persoonlijke exploitatie - Landbouwbedrijf - Veeteelt - Varkensteelt Wettelijke bepalingen: Wet - 04-11-1969 - Art. 12.6, tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.08.0022.N 1. S. A.-M., 2. S.N., 3. S. H., eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen 1. P. C., 2. S. L., verweersters, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 15 juni 2007 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijk bepalingen - de artikelen 1, eerste lid, 1°, 2, enig lid, 1°, 7, enig lid, 1°, 10 en 12.6 van de Pachtwet, ingevoegd bij wet van 4 november 1969 en vormend afdeling III van hoofdstuk II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De tiende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge verklaart in het thans bestreden vonnis van 15 juni 2007 het hoger beroep van de verweersters toelaatbaar, stelt alvorens te oordelen over de gegrondheid ervan een landbouwkundig ingenieur als deskundige aan, met als opdracht: "- nadat hij schriftelijk kennis zal hebben gegeven aan partijen van de dag en het uur waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvangen en na partijen te hebben uitgenodigd en opgeroepen om aanwezig te zijn bij de aanvang van zijn werkzaamheden en de verdere nuttige verrichtingen, tenzij hij door de partijen wordt ontslagen van deze verplichtingen; - zich te begeven naar het landbouwbedrijf, uitgebaat door V.J., (...) te Wielsbeke en de aldaar uitgevoerde landbouwactiviteiten te onderzoeken en te beschrijven; - advies te verlenen nopens de vraag in welke mate, de aldaar uitgevoerde varkenskwekerij grondgebonden is, dan wel een industriële niet grondgebonden kwekerij uitmaakt; - in zoverre zou worden vastgesteld dat de aldaar gevoerde varkenskwekerij een industrieel en niet grondgebonden karakter zou vertonen, advies te verlenen nopens de verhouding in werkuren en inkomsten tussen de gevoerde landbouwactiviteit en de industriële varkenskwekerij teneinde te bepalen welke de hoofdactiviteit en welke de ondergeschikte activiteit uitmaakt; - van zijn bevindingen aan partijen kennis te geven en alle vragen en opmerkingen van partijen die verband houden met deze opdracht te beantwoorden; - na te gaan indien aan de hand van deze bevindingen tussen partijen een verzoening kan worden bereikt; - na verloop van deze verrichtingen een verslag op te maken en te ondertekenen, voorafgegaan van de wettelijke eedformule, en dit verslag neer te leggen ter burgerlijke griffie van deze rechtbank binnen de termijn van zes maanden vanaf de kennisgeving overeenkomstig art. 965 Ger. W.". De rechtbank zegt voor recht dat de eiseressen de kosten van het deskundigenonderzoek zullen dienen voor te schieten en verwijst de zaak naar de bijzondere rol. De rechtbank steunt haar beslissing op volgende motieven (vonnis p. 5, vanaf de voorlaatste alinea): "Uit de bepalingen van artikel 12.6 - derde lid, WLP (lees: wet op de landpacht) blijkt voldoende dat - ingeval van betwisting over het ernstig karakter van het voorgenoemde eigen gebruik - het bewijs moet worden geleverd door de opzeggende verpachter. Deze bepaling is terzake toepasselijk, nu (de verweerster(s)) het karakter van het voorgenoemde eigen gebruik betwist(

  1. en)op grond van de argumentering dat de landbouwgoederen waarvoor opzeg werd gegeven zouden worden aangewend in een landbouwexploitatie die ondergeschikt zou zijn aan de hoofdactiviteit van Dhr. V.J. als industriële varkenskweker. 2.3.b. (De verweerster(s)) voert (voeren) aan dat uit de door (de eiseres(sen)) voorge¬legde stukken niet voldoende bijkt dat de door Dhr. V.J. uitgevoerde activiteiten in hoofdorde zouden behoren tot een landbouwactiviteit, vermits de hoofdactiviteit van deze zou bestaan in een industriële varkenskwekerij. Als een industriële varkenskwekerij dient te worden beschouwd de vetmesterij of fokkerij, onafhankelijk van een landbouwbedrijf, waarbij de kweek van deze dieren niet of weinig afhankelijk is van de bodemopbrengst. Dit soort van landbouwbedrijvigheid is weinig of niet grondgebonden en dient eerder te worden beschouwd als een soort nieuwe nijverheid of handel. Hoewel de veeteelt traditioneel als een tak van de landbouw wordt beschouwd en hoewel pacht van onroerende goederen om aan veeteelt te doen in principe onder de Pachtwet valt, werd door de wetgever het gros van deze pachtcontracten in de sector van de vetmesterij en van de fokkerij buiten de Pachtwet geplaatst. De wetgever heeft de pacht van onroerende goederen bestemd voor de veekweek enkel onder de Pachtwet willen behouden als het om grondgebonden kweek van dieren gaat, nuttig voor de landbouw d.w.z. om dieren die hoofdzakelijk met de bodemopbrengst worden gevoederd zonder dat het bijvoederen van industriële voeders daarbij zou uitgesloten zijn (...). De aanwezigheid van een relatief klein stuk grond bij het bedrijf, onvoldoende om de dieren te voederen met de opbrengst van de bodem, leidt niet noodzakelijk tot het besluit van een grondgebonden karakter van de veekweek (...). Anderzijds kan een landbouwer worden toegelaten tot een bijverdienste in de industriële vetmesterij of fokkerij, zonder dat hij hierbij wordt uitgesloten van de bescherming van de pachtwet, doch alleen in zoverre deze bijkomende activiteit wordt uitgevoerd op hetzelfde erf en bijkomstig of ondergeschikt is aan de andere landbouwactiviteit (...). Het feit dat een opzeg wordt betekend voor eigen gebruik betreffende landbouwgoederen die zullen bestemd worden tot een niet grondgebonden vetmesterij is daarom niet noodzakelijk ongeldig overeenkomstig artikel 7.1. WLP (...) doch dient te worden onderzocht in functie van artikel 12.6 WLP met name indien deze strekt tot de hoofdactiviteit dan wel tot een ondergeschikte activiteit van de persoon voor wiens exploitatie de opzeg werd betekend. Door (de eiseressen) worden tal van stukken voorgelegd waaruit weliswaar blijkt dat Dhr. V.J. daadwerkelijke landbouwactiviteiten uitoefent terwijl tevens niet wordt ontkend dat hij daarnaast ook varkenskweker is. De vraag evenwel of de door hem uitgevoerde landbouwactiviteiten industrieel dan wel grondgebonden zouden zijn en de vraag of deze activiteiten ondergeschikt zouden zijn, zowel wat betreft de gepresteerde werkuren als wat betreft de verworven inkomsten, aan de daarnaast uitgevoerde activiteiten als varkenskweker kunnen niet worden beantwoord dan middels een deskundigenonderzoek terzake. Het komt deze rechtbank dan ook aangewezen voor om thans terzake een deskundigenonderzoek te bevelen, met de opdracht zoals hierna zal worden bepaald". Grieven Artikel 1, eerste lid, 1°, van de Pachtwet, ingevoegd bij wet van 4 november 1969, vormend afdeling III van hoofdstuk II van titel VIII van het derde boek van het Burgerlijk Wetboek, stelt dat de Pachtwet van toepassing is op de pacht van onroerende goederen die hoofdzakelijk gebruikt worden in een landbouwbedrijf (eerste lid). Voorts definieert het (tweede lid) wat moet worden verstaan onder "landbouwbedrijf", met name de bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop. De veeteelt met het oog op de verkoop valt aldus in beginsel onder de Pachtwet. Artikel 2, enig lid, 1°, van de Pachtwet sluit de pacht van onroerende goederen, die gebruikt worden voor industriële vetmesterij en industriële fokkerij die onafhankelijk zijn van een landbouwbedrijf, uit het toepassingsgebied van de wet uit. Aldus kan een industriële vetmester of fokker, die onafhankelijk is van een landbouwbedrijf, niet de hoedanigheid van pachter in de zin van de Pachtwet verwerven. Artikel 7, enig lid, 1°, van de Pachtwet verleent aan de verpachter de mogelijkheid om bij het verstrijken van elke pachtperiode een einde aan de pacht te maken omwille van een ernstige reden, die kan bestaan in het voornemen van de verpachter om zelf het gepachte goed te exploiteren of die exploitatie over te dragen aan zijn echtgenoot of andere, nader in de wet genoemde, naaste familieleden. Artikel 10 van de Pachtwet sluit uit de "eigen exploitatie" bepaalde activiteiten uit, met name, in beginsel, de aanplanting van bomen, of, in bepaalde gevallen, de verkoop van gras of van te velde staande oogst. Aldus wordt de industriële veeteelt of fokkerij niet uitgesloten uit het begrip "eigen exploitatie". Artikel 12.6 van de Pachtwet bepaalt: "Bij het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging, gaat de rechter na of de opzeggingsredenen ernstig en gegrond zijn en met name of uit alle omstandigheden van de zaak blijkt dat de verpachter de als opzeggingsredenen bekend gemaakte voornemens ten uitvoer zal brengen. Daarenboven, wanneer de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, kan de opzegging voor persoonlijke exploitatie door de rechter slechts geldig worden verklaard indien het exploiteren van het landbouwbedrijf, waarin de betrokken landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, een overwegend deel van de beroepsactiviteit van degene of degenen die volgens de opzegging de landbouwexploitatie moeten voortzetten en bovendien, indien zij rechtspersonen zijn, degene of degenen die als bestuurder of als zaakvoerder de leiding hebben van de activiteit zal uitmaken. In geval van betwisting over het ernstig karakter van het voorgenoemde eigen gebruik, moet de verpachter preciseren hoe degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant is of zijn aangewezen, de persoonlijke werkelijke en voortgezette exploitatie zullen uitvoeren en bewijzen dat zij daartoe in staat zijn, alsmede dat zij aan de in artikel 9 gestelde voorwaarden voldoen". Aldus zal, wanneer, zoals in onderhavige zaak, de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, de opzegging voor persoonlijke exploitatie slechts geldig kunnen worden verklaard indien ook de exploitatie van het landbouwbedrijf, waarin de betrokken goederen zullen worden opgenomen, een overwegend deel van de beroepsactiviteit zal vormen van degene of degenen die de landbouwexploitatie moeten voortzetten. Deze eigen exploitatie moet dus de uitbating van een landbouwbedrijf betreffen, zonder dat de industriële vetmesterij of fokkerij van dieren met het oog op de verkoop ervan, die in beginsel een landbouwbedrijvigheid in de zin van artikel 1 van de Pachtwet uitmaakt, zou worden uitgesloten. Deze landbouwbedrijvigheid moet een overwegend deel vormen van de beroepsactiviteit van de overnemer. Geenszins wordt vereist dat de industri¬ële vetmesterij of fokkerij ondergeschikt is aan een andere landbouwbedrijvig¬heid. Overeenkomstig artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil, een deskundige gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven. De beoordeling van de noodzaak van dergelijk deskundigenonderzoek is in beginsel soeverein. Wanneer een partij in het geding evenwel met het oog op de toe te passen wetsbepalingen, de door een tegenpartij voorgestelde omschrijving van de opdracht van de deskundige betwist, behoort het aan de rechter dienaangaande een beslissing te nemen. Deze beslissing moet pertinent zijn in het licht van de toe te passen rechtsregel, zeker wanneer de rechter oordeelt dat de partij die de omschrijving van de opdracht van de deskundige betwist, de kosten van het deskundigenonderzoek moet voorschieten. De eiseressen zetten, gelet op het bovenstaande, dan ook terecht in hun conclusie uiteen dat, voor zover de uitgeoefende landbouwactiviteit een overwegend deel vormde van de beroepsactiviteit van de overnemer, het hierbij van geen belang was dat deze landbouwactiviteit een industriële vetmesterij betrof, zodat het niet relevant was een deskundige te gelasten met een onderzoek naar de verhouding van de activiteit van industriële vetmesterij tot het geheel van de landbouwactiviteiten van de overnemer van de pachtgoederen (eerste conclusie in hoger beroep, randnummers 15 en 16; tweede conclusie in hoger beroep, randnummers 4 en 5). Waar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge in het bestreden vonnis, na terecht te hebben overwogen dat een opzeg betekend voor eigen gebruik betreffende landbouwgoederen die zullen bestemd worden tot een niet grondgebonden vetmesterij, niet noodzakelijk ongeldig is overeenkomstig artikel 7, enig lid, 1°, van de Pachtwet, vervolgens stelt dat de opzeg "dient te worden onderzocht in functie van artikel 12.6 WLP met name indien deze strekt tot de hoofdactiviteit dan wel tot een ondergeschikte activiteit van de persoon voor wiens exploitatie de opzeg werd betekend" (arrest p. 6, voorlaatste alinea), blijkt uit de verdere overwegingen van het bestreden vonnis en uit de omschrijving van de opdracht van de deskundige, dat de appelrechter van oordeel is dat de niet grondgebonden vetmesterij bijkomstig of ondergeschikt moet zijn in het geheel van de door de overnemer uitgeoefende landbouwactiviteiten. Zo stelt de rechtbank, onder verwijzing naar het standpunt van de verweersters, dat de vraag of de door de heer J.V., die de exploitatie van de over te nemen goederen zou waarnemen, uitgevoerde landbouwactiviteiten industrieel zijn dan wel grondgebonden zijn en de vraag of deze activiteiten ondergeschikt zouden zijn (zowel wat werkuren als inkomsten betreft) aan de daarnaast uitgevoerde activiteiten als varkenskweker, niet kunnen worden beantwoord dan middels een deskundigenonderzoek terzake. Zo ook geeft de rechtbank opdracht aan de deskundige, advies te verlenen nopens de vraag in welke mate de door de heer J.V. uitgevoerde varkenskwekerij grondgebonden is, dan wel een industriële niet grondgebonden kwekerij uitmaakt en, in zoverre zou worden vastgesteld dat de gevoerde varkenskwekerij een industrieel en niet grondgebonden karakter zou vertonen, advies te verlenen nopens de verhouding in werkuren en inkomsten tussen de gevoerde landbouwactiviteit en de industriële varkenskwekerij teneinde te bepalen welke de hoofdactiviteit en welke de ondergeschikte activiteit uitmaakt. Aldus neemt de rechtbank ten onrechte aan dat, wanneer de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, voor de geldigheid van een opzegging van pacht met het oog op eigen exploitatie, vereist is dat de door de overnemer voorgenomen industriële vetmesterij of fokkerij geen overwegend deel vormt van de landbouwactiviteit van de overnemer (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde artikelen, artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek uitgezonderd), minstens gelast de rechtbank de deskundige niet wettig en spijts de aanvoeringen van de eiseressen in dat verband, met een opdracht die niet pertinent is in het licht van de toe te passen wetsbepalingen (schending van alle in de aanhef van het middel genoemde wetsbepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 12.6, tweede lid, Pachtwet bepaalt dat, wanneer de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, de opzegging voor persoonlijke exploitatie door de rechter slechts geldig kan worden verklaard indien het exploiteren van het landbouwbedrijf, waarin de betrokken landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, een overwegend deel zal uitmaken van de beroepsactiviteit van degene of van degenen die volgens de opzegging de landbouwexploitatie moeten voortzetten en bovendien, indien zij rechtspersonen zijn, degene of degenen die als bestuurder of als zaakvoerder de leiding hebben van de activiteit. 2. Dit artikel heeft tot doel de landbouwer in hoofdberoep te beschermen tegen een opzegging voor persoonlijke exploitatie in het voordeel van een exploitant of een toekomstige exploitant voor wie de landbouw slechts een bijberoep uitmaakt of zal uitmaken. 3. Artikel 12.6, tweede lid, Pachtwet bepaalt niet wat onder het begrip landbouwbedrijf dient te worden verstaan, zodat aan dit begrip zijn gewone betekenis moet worden toegekend. Algemeen wordt aangenomen dat veeteelt een tak van de landbouw is en dat de varkensteelt tot de veeteelt behoort, zodat een bedrijf waar aan varkensteelt wordt gedaan moet worden aangemerkt als een landbouwbedrijf. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan doordat de wetgever in artikel 2.1°, Pachtwet de pacht van onroerende goederen die gebruikt worden voor industriële vetmesterij en industriële fokkerij, onafhankelijk van een landbouwbedrijf, heeft uitgesloten van de toepassing van deze wet. 4. De appelrechters stellen vast dat door de eiseressen tal van stukken worden voorgelegd waaruit weliswaar blijkt dat de man van de tweede eiseres daadwerkelijk landbouwactiviteiten uitoefent, terwijl tevens niet wordt ontkend dat hij daarnaast ook varkenskweker is. Vooraleer te beslissen over het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging die door de eiseressen is gegeven voor de persoonlijke exploitatie door de man van de tweede eiseres, bevelen de appelrechters een deskundigenonderzoek teneinde na te gaan of de varkenskwekerij van de begunstigde van de opzegging grondgebonden is, dan wel een industriële niet grondgebonden kwekerij uitmaakt en teneinde in voorkomend geval na te gaan welke de verhouding is tussen de gevoerde landbouwactiviteit en de industriële varkenskwekerij teneinde te bepalen welke activiteit hoofdactiviteit is en welke een ondergeschikte activiteit. 5. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de begunstigde van de opzegging een gemengd landbouwbedrijf exploiteert, bestaande uit akkerbouw en uit varkensteelt. De appelrechters die niet vaststellen dat het terzake om twee afzonderlijke bedrijven gaat, kunnen de geldigverklaring van de opzegging niet laten afhangen van de vraag of voormelde varkenskwekerij als dan niet grondgebonden is en of zij voor de begunstigde van de opzegging al dan niet een hoofdactiviteit uitmaakt. Door aldus te oordelen schenden de appelrechters artikel 12.6, tweede lid, Pachtwet. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 24 oktober 2008 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081024.9 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180104.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100528.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.