← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081031.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081031.4 Rolnummer: C.06.0604.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2008-11-24 Raadplegingen: 322 - laatst gezien 2026-07-03 02:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien bewarend beslag op een zeeschip wordt gelegd voor een zeevordering waarvoor een derde instaat, is aan het vereiste dat het beslagexploot op straffe van nietigheid de naam, voornaam en de woonplaats van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, bevat, voldaan wanneer het, naast de beschrijving van het zeeschip, hetzij de naam en de woonplaats van de schuldenaar van de zeevordering, hetzij de naam en de woonplaats van de eigenaar van het zeeschip vermeldt. Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Bewarend beslag - Voorwaarden bewarend beslag - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Bewarend beslag - Bewarend beslag op schip Vrije woorden: Zeeschip - Beslagexploot - Vermeldingen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1389, 2°, 1468, 1469 en 1470 Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Bewarend beslag - Voorwaarden bewarend beslag - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Bewarend beslag - Bewarend beslag op schip Vrije woorden: Zeeschip - Beslag - Bewarend beslag - Beslagexploot - Vermeldingen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1389, 2°, 1468, 1469 en 1470 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0604.N BLANC NAVIGATION Co. Ltd., vennootschap naar het recht van Malta, met zetel te 14 Marina Court, Abate Rigord Street, Ta ‘Xbiex, Malta, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen KRISTENSONS PETROLEUM INC., vennootschap naar het recht van New Jersey (Verenigde Staten van Amerika), met zetel te 80 Broad Street 2M, Red Bank, N.J. 07701, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 juni 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1389, 2°, en 1470 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het door de eiseres ingestelde verzet, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, ongegrond en verwerpen het verweer van de eiseres dat het beslagexploot nietig was, op grond van de volgende motieven: "1. Beslagexploot nietig? (De eiseres) houdt voor dat het beslagexploot nietig moet worden verklaard, omdat noch in het verzoekschrift noch in de beschikking noch in het beslagexploot zoals betekend op 2 november 2002 aangegeven werd wie de schuldenaar is tegen wie het beslag werd gelegd. (De eiseres) beroept zich op artikel 1389, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek hetwelk stipuleert dat het beslagexploot op straffe van nietigheid bevat: de naam, de voornaam en de woonplaats van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, terwijl eveneens artikel 1470 van het Gerechtelijk Wetboek werd genegeerd, hetwelk inhoudt: ‘Het beslagexploot bevat, behalve de vermeldingen voorgeschreven in artikel 1389:...'. In het verzoekschrift tot bewarend beslag op zeeschip van 2 november 2002 wordt effectief geen melding gemaakt van de gegevens van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt. In het motiverend gedeelte vermeldt (de verweerster) dat zij bunkers heeft geleverd aan het zeeschip Blanc, varende onder de vlag van Malta (gross tonnage: 20592, bouwjaar 1975), ‘hetwelk zich thans bevindt in de haven van Antwerpen, kaai 661'. Verder werd in het overwegend gedeelte vermeld dat (de verweerster) gemachtigd zou worden tot het leggen van bewarend beslag op zeeschip Blanc, varende onder Maltese vlag, bouwjaar 1975, zich thans bevindende in de haven van Antwerpen aan kaai 661 of welke andere plaats in het havengebied. De eerste rechter oordeelde dat het beslag rechtsgeldig werd gelegd omdat het om een beslag ging waarom werd verzocht door de leverancier van bunkers aan het in beslag genomen schip. Volgens de eerste rechter is het voldoende dat er enerzijds sprake is van een allegatie van zeevordering en anderzijds aanduiding is van het schip wanneer er geen zeevordering is in hoofde van de scheepseigenaar, zodat de gegevens die in het verzoekschrift werden verstrekt, volstonden om een bewarend beslag op schip toe te staan. Terzake dient onderstreept te worden dat volgens het proces-verbaal van bewarend beslag op schip van 2 november 2002 de gerechtsdeurwaarders optredend voor (de verweerster) kopie heeft overgemaakt van de minuten van hogervermelde beschikking aan kapitein Redulas Nikolaos, bevelvoerder van het schip ms. Blanc, thans gemeerd in de haven van Antwerpen aan nr. 661 der dokken. Tevens werd door de gerechtsdeurwaarder in vermeld proces-verbaal de volledige gegevens van het schip vermeld, inclusief de naam van de eigenaar, adres, afmetingen, vlag e. d. Het (hof van beroep) is van oordeel dat het beslagexploot rechtsgeldig is, zoals door de Beslagrechter terecht werd gemotiveerd en beslist. De beslagakte is een deurwaardersakte, betekend aan de beslagene of een derde. De akte moet dus, buiten de vermeldingen die eigen zijn aan iedere betekeningsakte, de aanduidingen bevatten, die eigen zijn aan de beslagakten. Artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek is van algemene aard; de regel die het bevat wordt aangevuld door andere bepalingen die eigen zijn aan ieder bewarend of uitvoerend beslag in het bijzonder (in casu artikel 1470 van het Gerechtelijk Wetboek) (Van Reepinghen Gerechtelijk Wetboek, blz. 500). Ten onrechte meent (de eiseres) te moeten afleiden uit de gegevens van het verzoekschrift en de beschikking dat de debiteur ‘het schip' zou zijn, daar (de verweerster) enkel gevraagd heeft machtiging tot het leggen van bewarend beslag op het zeeschip Blanc, hetwelk logischerwijze de eigenaar van dat schip betreft. Het beslagexploot van 2 november 2002 bevat de door de wet voorziene gegevens. De Beslagrechter maakte wel degelijk toepassing van artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek en zag evenmin artikel 1470 van het Gerechtelijk Wetboek over het hoofd. Het beslag is derhalve rechtsgeldig gelegd" (bestreden arrest, blz. 6-8). Grieven Eerste onderdeel Artikel 1470 van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende het bewarend beslag op zeeschepen en binnenschepen, bepaalt dat het beslagexploot de vermeldingen voorgeschreven in artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek bevat. Artikel 1389, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het beslagexploot op straffe van nietigheid de naam, voornaam en de woonplaats bevat van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt. De appelrechters stellen vast dat er in het verzoekschrift tot bewarend beslag geen melding gemaakt wordt van de gegevens van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt. Verder blijkt uit de vaststellingen van de appelrechters dat noch de beschikking waarbij toelating werd gegeven tot het leggen van bewarend beslag, noch het proces-verbaal van bewarend beslag op het schip deze gegevens bevatten. De appelrechters beslissen niettemin dat het beslagexploot van 2 november 2002 de door de wet voorziene gegevens bevat, dat de beslagrechter wel degelijk toepassing maakte van artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek en evenmin artikel 1470 van het Gerechtelijk Wetboek over het hoofd zag. In zoverre de appelrechters aldus beslissen dat het beslagexploot betreffende het bewarend beslag de naam, voornaam en de woonplaats van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, niet dient te bevatten, schenden zij de artikelen 1389, 2°, en 1470 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel Artikel 1470 van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende het bewarend beslag op zeeschepen en binnenschepen, bepaalt dat het beslagexploot de vermeldingen voorgeschreven in artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek bevat. Artikel 1389, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het beslagexploot op straffe van nietigheid de naam, voornaam en de woonplaats bevat van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt. De appelrechters stellen vast dat in het verzoekschrift tot bewarend beslag effectief geen melding gemaakt wordt van de gegevens van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt. In zoverre de appelrechters van oordeel zijn dat het beslagexploot van 2 november 2002 en de beschikking van de beslagrechter van dezelfde datum de door de wet voorziene gegevens bevatten, schenden zij de bewijskracht van deze akten (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Het proces-verbaal van bewarend beslag op schip van 2 november 2002 en de beschikking van de beslagrechter van dezelfde datum bevatten de volgende vermeldingen: "Proces-verbaal van bewarend beslag op schip Het jaar tweeduizend en twee, op twee november Op verzoek van: Kristensions-Petroleum Inc., vennootschap naar het recht van New Jersey (U.S.A.) met zetel 80 Broad Street, Suite 2M, Red Bank, N.J. 07701. Hebbende als raadslieden Huyghe, Ballet, Stas & Van der Schueren, Lange Nieuwstraat 43 te 2000 Antwerpen Advokaat G Huyghe ( ...) Advokaat K. Ballet ( ...) -- Verzoekende partij ten einde dezer woonst kiezende in het kantoor van ondergetekende gerechtsdeurwaarder. Heb ik ondergetekende Guido Dupont, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van Hugo Luyten, Gerechtsdeurwaarder met kantoor te 2018 Antwerpen aan de Justitiestraat nr. 35, Betekend en kopie gelaten aan: Kapitein Redulas Nikolaos bevelvoerder van het schip ms Blanc thans gemeerd in de haven van Antwerpen, aan nummer 661 der dokken zijnde aan boord van dit schip, en er sprekende met: alwaar ik het afschrift dezer ter hand heb kunnen stellen conform art. 33 tot 35 van het Gerechtelijk Wetboek aan: de kapitein hemzelf - mijn origineel werd niet getekend voor ontvangst der kopij; - van de minuut van een beschikking, verleend door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, in datum van 02/11/2002, waarbij aan verzoekster de machtiging wordt verleend om bewarend beslag te leggen op het voornoemde schip; Doende deze betekening onder alle voorbehoud, en ten zulken einde als naar recht, tot kennisgeving en onderrichting van de betekende partij; En krachtens de hierboven betekende beschikking, heb ik ondergetekende gerechtsdeurwaarder, vergezeld zijnde van: - de heer Jan Phlippo, gepensioneerde, meerderjarige Belg, daartoe aangezochte getuige, woonst kiezende in mijn kantoor, en van Guy Henderyckx, hoofdinspecteur van de scheepvaartpolitie te Antwerpen, Bewarend beslag gelegd op: het schip ms Blanc toebehorende aan: Blanc Navigation C° Ltd., 14 Marina Court, Abate Rigord Str., Ta Xbiex, Malta en varende onder de vlag van Malta met alle instrumenten en aanhorigheden; met een lengte van 185,75 m met een breedte van 26,15 meter met een bruto tonnemaat van 20.592 Ton I.M.O. nr. L 738.396 gebouwd: Kalanes Mek Verbsted A/S Norway 20/03/1975 motor: BIW 6 cylinder (6K74EF) met een vermogen van: 11.600 HP Derhalve heb ik de kapitein verklaard dat het hem verboden is de haven van Antwerpen te verlaten, totdat er in rechte anders zal worden bevolen of toegestaan; De betekende verklarende dat dit beslag wordt gelegd om betaling of zekerheidsstelling te bekomen van een bedrag van 425.057,00 euro; Tenslotte trek ik de aandacht van de beslagene partij op het hiernavolgend wetsartikel: Artikel 507 Strafwetboek: ‘Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met een geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro worden gestraft de beslagene en allen die voorwerpen waarop tegen hem beslag is gedaan, in zijn belang bedrieglijk vernietigen of wegmaken. Dezelfde bepaling is van toepassing op de echtgenoot of op hen die in zijn belang roerende goederen vernietigen, beschadigen of wegmaken, ten aanzien waarvan een maatregel is uitgevaardigd als bedoeld in artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek, en in de artikelen 1253septies, tweede lid, en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek'. Na mijn proces-verbaal van beslag ondertekend te hebben, samen met voornoemde personen, liet ik de geadresseerde(

  1. n)een kopij van dit exploot op de wettelijk voorgeschreven wijze, samen met een afschrift van de erin betekende beslissing, zonodig onder een gesloten omslag; Waarvan akte,- Kosten: 738,72 euro. De getuige de scheepvaartpolitie de gerechtsdeurwaarder (Guido DUPONT, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder)" De bij dit proces-verbaal betekende beschikking van 2 november 2002 bevat de volgende vermeldingen: "Bewarend beslag op schip Hoogdringendheid Beschikking Wij, Dirk Scheers, beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, Overwegende dat, gezien de hoogdringendheid, de tegenwoordigheid van een griffier niet kon worden gevorderd; Gezien het hieraan gehechte verzoekschrift, ingediend door Meester G. Huyghe, advocaat te Antwerpen en de redenen erin vermeld; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in rechtszaken; Gezien artikelen 47, 170, 1413 tot 1421 en 1467 tot 1480 van het Gerechtelijk Wetboek; Verlenen aan de verzoekende partij toelating om bewarend beslag te leggen in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, op het schip in het verzoekschrift aangeduid, voor een bedrag van 425.057 euro, hierin begrepen de hoofdsom, de intresten en de kosten. Machtigen zo nodig de gevorderde gerechtsdeurwaarder om zowel de beslaglegging als de gebeurlijke opheffing ervan te betekenen en aan te zeggen op een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag, of bij nacht; Gelet op de hoogdringendheid, verklaren onze beschikking uitvoerbaar op minuut en vertrouwen deze toe, tot maandag 4 november 2002 om 12.00 uur, aan gerechtsdeurwaarder H. Luyten te Antwerpen; Gegeven in onze woning te Aartselaar, op zaterdag 2 november 2002, te 16:00 uur. In zoverre de appelrechters beslissen dat dit beslagexploot of deze beschikking de naam, voornaam en de woonplaats bevat van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, bevatten, beslissen zij dat deze akten een gegeven bevatten, dat er niet in staat en schenden zij de bewijskracht van deze akten (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1415, 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het door de eiseres ingestelde verzet, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, ongegrond en verwerpen het verweer van de eiseres dat er geen zeevordering bestond, op grond van de volgende motieven: "2. De allegatie van zeevordering. (De eiseres) argumenteert dat (de verweerster) een ‘vordering in rem' zou hebben ingesteld, meer bepaald een vordering tegen een schip, wat naar Belgisch recht niet mogelijk is. (De eiseres) meent dat de eerste rechter ten onrechte toelating heeft gegeven om bewarend beslag te leggen op een roerend goed, zonder meer, voor een vordering op dat goed. (De eiseres) richt aan de eerste rechter het verwijt dat deze aanvaard heeft dat een bewarend beslag mogelijk is lastens ‘een schip' van zodra er een zeevordering is. (Eiseres) leest in de beschikking wat er niet staat. De Beslagrechter vermeldde onder meer: ‘Overeenkomstig artikel 1469, §1, van het Gerechtelijk Wetboek kan beslag worden gelegd op het schip waarop de zeevordering betrekking heeft. Het is daarbij mogelijk dat bewarend beslag wordt gelegd op een zeeschip waarop een bepaalde zeevordering betrekking heeft zonder dat de eigenaar van dat schip de schuldenaar is van de bewuste zeevordering'. De Beslagrechter heeft toelating verleend aan (de verweerster) (oorspronkelijke verzoekende partij) om bewarend beslag te leggen in het gerechtelijke arrondissement Antwerpen, op het schip in het verzoekschrift aangeduid, voor een bedrag van 425.057 euro, hierin begrepen de hoofdsom, de intresten en de kosten. Ten onrechte meent (de eiseres) hiervan te moeten maken dat de Beslagrechter toelating zou gegeven hebben om bewarend beslag op het schip van 2 november 2002 blijkt trouwens overduidelijk dat bewarend beslag werd gelegd op het schip ms. Blanc toebehorende aan Blanc Navigation Company Ltd. en varende onder de vlag van Malta. Nergens staat vermeld dat zulks gebeurde voor een vordering op dat schip zelf. De door (de eiseres) ingeroepen argumenten naar aanleiding van de bespreking in verband met het al dan niet ontstaan van een maritieme vordering kunnen niet aanvaard worden. Het is verworven dat de vordering van (de verweerster) leveringen betreft van bunkers aan het zeeschip Blanc, schip waarop beslag werd gelegd. Artikel 1468, k, van het Gerechtelijk Wetboek stipuleert dat een zeevordering in schuld of recht uit een der volgende oorzaken betekent: ‘Leveranties, waar ook, van waren, materiaal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan'. Ingevolge het arrest Omala (Hof van Cassatie van 10 mei 1976) kan bewarend beslag worden gelegd op het zeeschip waarop de zeevordering betrekking heeft ten aanzien van een schuldvordering waarvoor enkel de bevrachter instaat, al was de rederschap niet naar die bevrachter overgegaan. De uiteenzetting van (de eiseres) in verband met de regels inzake bewarend beslag op zeeschepen, zoals beheerst door het Internationaal Verdrag van 10 mei 1952 is in casu niet relevant. Ook de beschouwingen van (de eiseres) in verband met de vordering ‘in rem' zijn niet terzake dienend en bovendien ongegrond. (De eiseres) heeft het verkeerd voor, wanneer zij voorhoudt dat (de verweerster) een vordering ‘in rem' heeft gesteld door het indienen van het verzoekschrift op 2 november 2002, waarbij machtiging werd gevraagd tot het leggen van bewarend beslag op het zeeschip Blanc, varende onder Maltese vlag, bouwjaar 1975. (De verweerster) poneert - terecht - dat de eigenaar met zijn schip en ten belope van zijn schip gehouden is ‘in rem' overeenkomstig de in België geldende regels inzake bewarend beslag op zeeschepen, zelfs al is hij niet de contractuele schuldenaar. De scheepseigenaar is gehouden wanneer de zeevordering de facto haar oorzaak vindt in een verbintenis van de bevrachter of een derde, zodat bewarend beslag op het zeeschip waarop de zeevordering betrekking heeft mogelijk is voor alle zeevorderingen van artikel 1468 van het Gerechtelijk Wetboek, onverschillig of ze door de eigenaar of door iemand anders zijn veroorzaakt. Tussen het artikel 9 van de Beslagconventie en artikelen 1468-1469 van het Gerechtelijk Wetboek bestaat geen tegenstrijdigheid en artikel 9 van de vermelde conventie houdt geen verband met de mogelijkheden en de voorwaarden van bewarend beslag op een zeeschip, waarin het Verdrag voorziet. (Cass. 1 oktober 1993, R.H.A. 1994, 132). (De eiseres) verwijt aan (de verweerster) dat deze laatste in de procedure in eerste aanleg uitdrukkelijk zou hebben toegegeven dat bewarend beslag werd gelegd op het zeeschip voor haar beweerde vordering lastens het schip zelf. Uit de bewoordingen noch van het verzoekschrift noch van de beschikking noch van het proces-verbaal van bewarend beslag van 2 november 2002 kan worden afgeleid dat (de verweerster) zou verzocht hebben beslag te leggen lastens het zeeschip, maar steeds werd vermeld op het zeeschip Blanc. De eerste rechter heeft op gegronde motieven aangenomen dat in casu er duidelijk een allegatie van een zeevordering was, daar de vordering zelfs werd gestaafd met de nodige stukken waaruit bleek dat de leveringen inderdaad gedaan waren aan het aangeduide schip, het ms. Blanc. Terecht onderstreepte de Beslagrechter dat de beslissing over de grond van de zaak enkel toekwam aan de bodemrechter, zodat in dit stadium het volstond dat de vordering de marginale toets doorstaat en, op basis van de stukken, werd de vordering prima facie gegrond verklaard. Het lijdt geen twijfel dat in casu (de verweerster) over een maritieme vordering beschikt. Waar (de eiseres) voorhoudt dat er geen basis meer zou zijn voor het beslag omdat de vordering enkel tegen de eigenaar van het zeeschip werd gericht en omdat de bodemrechter de vordering van (de verweerster) ten laste van de scheepseigenaar ongegrond heeft verklaard kan dit argument niet weerhouden worden. Het hoort niet aan de Beslagrechter om in te spelen op de grond van de zaak zelf. Hij dient enkel vast te stellen of er een allegatie van zeevordering is en of beslag kan worden gelegd op het schip wat op de zeevordering betrekking heeft. Ten overvloede dient onderlijnd te worden dat het door (de verweerster) bijgebrachte arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 15 oktober 2002 inzake ms. Southgate in casu niets bijbrengt, daar klaarblijkelijk het voorwerp van de tegenspraak er niet op gericht was de beschikking op dat punt te bekritiseren" (bestreden arrest, blz. 8-10). Grieven De artikelen 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen welke zeeschepen, tot waarborg van een zeevordering, voor bewarend beslag vatbaar zijn en welke de zeeschulden zijn die tot dit beslag wettelijk aanleiding kunnen geven. De artikelen 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek brengen mee dat beslag kan worden gelegd op het schip waarop de zeevordering betrekking heeft, onverschillig of de eigenaar of een andere persoon instaat voor de zeeschuld in de zin van artikel 1468 van het Gerechtelijk Wetboek. Bewarend beslag op een zeeschip is enkel mogelijk wanneer de schuldeiser beschikt over een zeevordering, zoals omschreven in artikel 1468 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze vordering is noodzakelijkerwijze een vordering tegen een welbepaalde schuldenaar en vloeit verder voort uit de oorzaken vermeld in artikel 1468 van het Gerechtelijk Wetboek. In principe volstaat het dat de beslaglegger een zeevordering aanvoert. Indien er hierover evenwel betwisting bestaat, moet de beslagrechter oordelen of het bestaan van de aangevoerde schuldvordering zeker en opeisbaar is en vaststaande is of vatbaar voor een voorlopige raming (artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek), minstens of deze vordering voldoende aannemelijk voorkomt (de artikelen 1415, 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek). Een zeevordering bestaat slechts indien zij tegen een welbepaalde schuldenaar gericht is. De artikelen 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek hebben niet de strekking dat het schip zelf de schuldenaar van de vordering wordt. De beslaglegger die een zeevordering aanvoert, dient dan ook de schuldenaar van zijn vordering aan te duiden. Doet hij dat niet, dan blijft hij in gebreke een essentieel onderdeel van zijn vordering aan te duiden en voldoet hij niet aan het vereiste dat hij een zeevordering moet aanvoeren. Indien de schuldenaar niet wordt aangeduid, kan er dan ook geen beslag gelegd worden. Indien verder de schuldenaar niet wordt aangeduid, wordt de eigenaar van het schip in de onmogelijkheid gesteld om het bestaan van de zeevordering te betwisten en wordt de rechter in de onmogelijkheid gesteld te onderzoeken of de zeevordering voldoende aannemelijk voorkomt. Derhalve kan er geen sprake zijn van een "allegatie" van een zeevordering in de zin van de artikelen 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek indien de schuldenaar van deze vordering niet wordt aangeduid, en kan er in dat geval evenmin beslag op het zeeschip gelegd worden (de artikelen 1415, 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek). In zoverre de appelrechters derhalve beslissen dat het geen belang heeft tegen wie de zeevordering gericht is, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 1415, 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek). In zoverre de appelrechters verder beslissen dat het volstaat dat er een "allegatie" van zeevordering is, zonder dat zij dienen te onderzoeken of deze vordering voldoende aannemelijk voorkomt, schenden zij de artikelen 1415, 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek. In zoverre ten slotte de appelrechters beslissen dat de scheepseigenaar (de eiseres) schuldenaar is van de vordering en verder dat zij niet dienen te onderzoeken of de vordering van de verweerster tegen de scheepseigenaar (de eiseres) door de bodemrechter ongegrond verklaard werd, schenden zij eveneens bovenvermelde bepalingen. De eiseres betwistte immers het bestaan van enige vordering tegen haar, zodat de appelrechters wel degelijk dienden te onderzoeken of deze vordering voldoende aannemelijk voorkwam (schending van de artikelen 1415, 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 5 van het Internationaal Verdrag tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen, ondertekend op 10 mei 1952, te Brussel, en goedgekeurd bij wet van 24 maart 1961; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters beslissen dat er geen reden bestaat om in te gaan op het verzoek van de eiseres om een gewijzigde tekst van de bankgarantie te doen opleggen, op grond van de volgende motieven: "3. Bankgarantie (De eiseres) heeft kritiek op de beslissing van de beslagrechter waar deze oordeelde dat er omtrent de afgifte van de bankgarantie tussen de partijen een overeenkomst was tot stand gekomen en dat het niet aan de rechtbank toekwam om de bewoordingen of voorwaarden ervan te wijzigen. (De eiseres) vorderde in eerste aanleg en doet zulks opnieuw in graad van beroep dat de op 2 november 2002 gegeven bankgarantie zou worden gerestitueerd en zou worden vervangen door een bankgarantie met een andere tekst, zoals weergegeven in stuk 5 van het dossier van (de eiseres). Aan de hand van de stukken door beide partijen overgelegd blijkt dat op 4 november 2002 een garantie werd uitgegeven door SCUA genaamd ‘Letter of Undertaking'. Deze tekst werd in het Engels opgesteld. Tussen partijen werd overeengekomen dat - gelet op de omstandigheden - deze door de P & I Club gegeven garantie zou worden vervangen door een bankgarantie. Dit is gebeurd op 8 november 2002, eveneens in Engelse tekst bijgevoegd met vrije vertaling. Deze bankgarantie werd uitgegeven door Crédit Agricole Indosuez met zetel gevestigd te Parijs, Frankrijk. (De verweerster) houdt voor dat zij op 8 november 2002, toen zij een kopie van de bankgarantie ontving, aan (de eiseres) liet weten dat zij geen bezwaar maakte om deze garantie te aanvaarden, mits deze kan aangeboden worden aan een vestiging van Crédit Agricole in België. Op 12 november 2002 werd de originele bankgarantie door een vertegenwoordiger van SCUA afgegeven, terwijl nogmaals herinnerd werd - volgens (de verweerster) - aan de gestelde voorwaarden van betaalbaarheid. Van deze beweringen wordt evenwel geen bewijs verstrekt noch enig document bijgebracht. Het (hof van beroep) dient enkel vast te stellen dat op 4 november 2002 de vertegenwoordiger van de rederij aan de raadsman van (de verweerster) een origineel getekende garantie heeft bezorgd met vermelding dat deze in de loop van de week vervangen diende te worden door een bankgarantie, hetgeen effectief dan ook gebeurd is op 8 november 2002 (blijkbaar afgeleverd op 12 november 2002). Terecht heeft de beslagrechter dan ook vermeld dat het om een bankgarantie gaat zoals deze door (de eiseres) is aangeboden en door (de verweerster) is aanvaard. Het is dan ook niet aan de beslagrechter om in deze overeenkomst tussen partijen tussen te komen en de bewoordingen en voorwaarden van deze garantie te wijzigen. (De eiseres) dan wel haar vertegenwoordiger heeft op eigen initiatief een tekst overgemaakt aan (de verweerster), oorspronkelijk door middel van een P & I Club garantie, dan later door een bankgarantie, al weze deze garantie opgesteld in Engelse taal en uitgegeven door een Franse bankinstelling. Het (hof van beroep) dient vast te stellen dat de formulering van de garantie der opheffing van het beslag voortvloeit uit de overeenkomst tussen partijen en derhalve niet meer door de rechtbank kan worden gewijzigd. De brief die SUCA gericht heeft aan de raadsman van (de verweerster) (stuk 7 dossier (de verweerster)) luidt als volgt: ‘Ingesloten bezorgen wij u de originele getekende garantie alsook een fotokopij die wij graag ter bevestiging van ontvangst van origineel terug zouden krijgen. Deze garantie dient in de loop van de week vervangen te worden door een bankgarantie'. Hieruit kan afgeleid worden dat conform artikel 5 van de Beslagconventie (de verweerster) verplicht was om handlichting te verlenen van het beslag, daar haar een vervangende zekerheid werd aangeboden die de oorzaak van het beslag dekte. Er werd trouwens ook handlichting gegeven op 4 november 2002. Er bestaat geen reden om in te gaan op het verzoek van (de eiseres) om een gewijzigde tekst van bankgarantie te doen opleggen. Een garantie die niet tevens de verbintenissen van de schuldenaar van de zeevordering omvat is een slag in het water, zoals door Professor Dirix vermeld wordt (APR Beslag, nr. 464, blz. 293). Aan de hand van de overgelegde stukken is geen enkel gegeven voorhanden als zou er over de tekst en/of de aard van de gestelde zekerheid geen overeenstemming bestaan. De motivering van de eerste rechter dient dan ook integraal te worden bevestigd. Het hoger beroep van (de eiseres) is derhalve ontvankelijk doch ongegrond" (bestreden arrest, blz. 10-12). Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 5 van het Internationaal Verdrag tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen verleent de rechter of enige andere bevoegde rechtsmacht, binnen welks rechtsgebied op het schip beslag is gelegd, opheffing van het beslag, wanneer een voldoende borgtocht of zekerheid gesteld is, behalve ingeval het beslag gelegd is voor de zeevorderingen, aangegeven in het bovenstaande eerste artikel ander de letters
  2. o)en p); in dat geval kan de rechter het gebruik van het schip door den bezitter toelaten, wanneer deze laatste voldoende waarborgen gegeven heeft, of het beheer van dat schip tijdens den duur van het beslag regelen. Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen over de genoegzaamheid van den borgtocht of de zekerheid stelt de rechter of de bevoegde rechtsmacht den aard en het bedrag hiervan vast. Terzake voerde de eiseres in conclusie aan dat zij een garantie had gegeven bij toepassing van voormeld artikel 5 van het Verdrag en dit omdat het volgeladen schip snel de haven moest kunnen verlaten. Verder voerde de eiseres aan dat de garantie werd afgegeven onder voorbehoud van alle rechten, dat wil zeggen onder voorbehoud van het recht om de gegrondheid van het beslag te betwisten en/of om de garantie zoals gegeven terug te vorderen en/of te doen horen wijzigen. De eiseres voerde aan dat hieruit bleek dat de garantie derhalve niet werd afgegeven met de wil tot contracteren. De eiseres voerde meer bepaald aan dat: "5. Ondergeschikt - Wijziging bankgarantie A. Vordering en de kritiek van (de eiseres) op de eerste beslissing. (De eiseres) vroeg voor de eerste rechter om, indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat (de verweerster) wel degelijk over een maritieme vordering beschikte en beslag kon leggen lastens en op ‘het schip' dat de tekst van de garantie die werd gesteld om handlichting te bekomen van het bewarend beslag zou worden gewijzigd. (De eiseres) had initieel aan (de verweerster) een garantie afgegeven uitgegeven door de verzekeraar Skuld. Deze garantie werd op 8 november 2002 vervangen door een bankgarantie met dezelfde tekst. Deze garantie - en dat blijkt uit de bewoordingen van de garantie zelf - werd gegeven onder voorbehoud van alle rechten (het was noodzakelijk het beslag snel gelicht te krijgen opdat het volgeladen schip zonder teveel tijdverlies de haven kon verlaten). De eerste rechter was evenmin bereid op de ingestelde vordering in te gaan: hij was van oordeel dat er omtrent de afgifte van de bankgarantie tussen de partijen een overeenkomst was tot stand gekomen en dat het niet aan de rechtbank toekwam om de bewoordingen of voorwaarden ervan te wijzigen. Op basis van dezelfde - onjuiste - redenering van de beslagrechter evenmin bereid in te gaan op de door (de verweerster) ingestelde vordering. De eerste rechter heeft ten onrechte geoordeeld dat er een overeenkomst tussen de partijen was ontstaan. De bankgarantie - die niet werd aanvaard omdat ze was uitgegeven door een Franse bank - werd afgegeven onder voorbehoud van alle rechten, d.w.z. onder voorbehoud van het recht om de gegrondheid van het beslag te betwisten en/of de garantie zoals gegeven terug te vorderen en/of de garantie zoals gegeven terug te vorderen en/of te doen horen wijzigen. (De eiseres), die de garantie heeft gegeven onder uitdrukkelijk voorbehoud van verzet, heeft dan ook het recht aan de bevoegde rechter de toetsing te vragen van de handelingen gesteld door de beslaglegger bij het geven van handlichting van het beslag. Het bekomen van de handlichting past voorts niet in de sfeer van de overeenkomst tussen de partijen, doch past in de uitvoering van de Beslagconventie. (De eiseres) heeft een garantie afgegeven, niet met de wil tot contracteren, doch bij toepassing van artikel 5 van het Verdrag inzake bewarende beslagen op zeeschepen. Als er een voldoende zekerheid wordt aangeboden moet de beslaglegger handlichting geven van het beslag. Er is geen sprake van een contract tussen de partijen. Wanneer de beslaglegger meer vraagt dan dat waarop hij recht heeft mag de beslagene, wanneer hij de garantie aflevert onder voorbehoud van verzet, het gedrag van de beslaglegger laten toetsen aan de wettigheid ervan. De beslaglegger heeft slechts recht om een garantie te bekomen die de oorzaken van het beslag dekt, niet meer, niet minder, voor zover de geallegeerde vordering nog bestaat. B. Bespreking Bij toepassing van artikel 5 van de Beslagconventie is de beslaglegger verplicht om handlichting te verlenen van het beslag indien hem een vervangende zekerheid wordt aangeboden die de oorzaken van het beslag dekt. Alhoewel (de verweerster) zelf bevestigde dat haar beslag gericht was tegen het schip (de actio in rem) was zij enkel bereid handlichting te verlenen van het beslag tegen een garantie tot dekking van een vordering tegen de eigenaar van het schip ((de eiseres)) en Sealock (de bevrachter). Het is echter onbetwistbaar dat het beslag voor een vordering tegen deze beide partijen niet werd gegeven en niet eens werd gevraagd. (De verweerster) mocht niet eisen dat (de eiseres) een bankgarantie zou afleveren voor een vordering waarvoor het beslag niet werd gegeven en zij moest genoegen nemen met een bankgarantie die de vordering dekt waarvoor het beslag werd gegeven. Ook op dit punt dient de eerste beslissing dan ook te worden hervormd. Stuk 5 van de inventaris van (de eiseres) is de tekst van garantie die de oorzaken van het beslag dekt. Appellante vordert dat (de verweerster) ertoe veroordeeld zou worden de bankgarantie in haar bezit terug te geven in ruil voor een andere garantie (stuk 5). De vertaling van die tekst luidt als volgt: ‘Garantiebrief (vrije vertaling garantie - stuk 5) Overwegende uw handlichting van het beslag over, en/of het zich verder onthouden van het ophouden van, of het nemen van welkdanige actie dan ook, tegen het m/v ‘Blanc' of enig ander schip, activa of eigendom in dezelfde eigendom, of in eigendom van de achterman of beheer, in eender welk deel van de wereld met het oog op het bekomen van zekerheid, behalve, echter, indien deze garantie wordt vrijgegeven vóór een nieuw beslag, of indien het bedrag van de garantie ontoereikend is geworden. Wij, (naam en identificatie van de bank borgsteller), garanderen hierbij onvoorwaardelijk en onherroepelijk de betaling van maximum 425.057 euro (vierhonderd vijfentwintig duizend en zevenenvijftig euro) ten voordele van het Kristensons-Petroleum Inc., 80 Broad Street, Suite 2 M, Red Bank, New Jersey 07701, United States of America, hierna genoemd de ‘begunstigde'. Deze garantie kan door de begunstigde afgeroepen worden volgend op de eerste voorlegging van een definitieve beslissing van een bevoegde rechtbank en/of een definitieve beslissing van een bevoegd arbitraal tribunaal en/of een minnelijke regeling tussen de partijen met betrekking tot een vordering van de begunstigde voor bunker leveranciers aan het m/v ‘Blanc' zoals beschreven in het verzoekschrift tot het leggen van beslag van 2 november 2002 en de beschikking inhoudende toelating tot beslag gegeven door de Beslagrechter te Antwerpen, dezelfde dag. De betaling zal onmiddellijk worden gedaan bij ontvangst bij aangetekende brief van een voor echt verklaarde gecertificeerde kopie van de gezegde definitieve beslissing, uitvoerbaar in België, of van de gezegde arbitrale uitspraak, eveneens uitvoerbaar in België, of van de gezegde geschreven minnelijke regeling tussen de partijen. Deze garantie wordt gegeven onder voorbehoud van alle rechten en verweer van de eigenaars van het m/v ‘Blanc'. Deze garantie zal worden beheerst en geïnterpreteerd door de Belgische wet en Belgische bevoegdheid'. Deze garantie verwijst voor wat betreft de vordering naar de vordering zoals beschreven in het verzoek tot het leggen van bewarend beslag op zeeschip en de daarop gegeven Beschikking. Dat volstaat om de oorzaken van het beslag precies te omschrijven: de beslaglegger krijgt een garantie die zijn vordering, zoals hij ze heeft beschreven, dekt. C. (De verweerster) meent dat zij niet tot het aanvaarden van een vervangende bankgarantie kan verplicht worden omdat, in haar stelling, ‘de formulering van de garantie ter opheffing van het beslag ‘voortvloeit' uit de overeenkomst tussen partijen' die ‘niet meer door de rechter kan worden gewijzigd'. Vooreerst moet worden vastgesteld dat het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen, waarnaar de eiseres verwijst, geenszins deze - onjuiste - stelling onderschrijft (R.W., 1991-92, 1087). In het geciteerde arrest werd de hier aan de orde zijnde vraag niet eens behandeld, doch enkel de teruggave van de bankgarantie na bewarend beslag zonder meer. (De verweerster) verliest eveneens uit het oog dat er bij toepassing van artikel 5 van de Beslagconventie wordt bepaald dat er handlichting van het beslag moet worden gegeven wanneer een voldoende borgtocht of zekerheid is gesteld. (De eiseres) heeft de door (de verweerster) gevraagde informatie afgegeven om handlichting te bekomen, echter onder voorbehoud van alle rechten (hetgeen zij niet kon weigeren). Indien er over de tekst en/of de aard van de gestelde zekerheid geen overeenstemming bestaat stelt de bevoegde rechter de aard en het bedrag ervan vast (artikel 5, para 2 Beslagconventie - zie Br. Antwerpen, 2 mei 2002, A.R. 02-2489-A, onuitg., inzake Indus.) Deze overeenstemming bestaat niet zodat het aan de Beslagrechter toekwam te beoordelen welke garantie (de verweerster) moest aanvaarden. De essentie van de vordering is te horen zeggen: - dat de eerste garantietekst niet afgegeven moest worden om handlichting van het beslag te bekomen; - dat de tekst van de thans in vervanging aangeboden garantie (stuk 5) voldoet aan de vereisten van artikel 5 van de Beslagconventie". (syntheseconclusie van de eiseres van 30 september 2005, blz. 12-15) De appelrechters beslissen in dit verband enkel dat er geen enkel gegeven voorhanden is als zou er over de tekst en/of aard van de gestelde zekerheid geen overeenstemming bestaan. De appelrechters laten aldus na te antwoorden op het omstandig door de eiseres aangevoerde verweer dat zij enkel een zekerheid had gegeven in toepassing van voormeld artikel 5 van het verdrag tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen en verder dat deze zekerheid werd afgegeven onder voorbehoud van alle rechten (schending van artikel 149 van de Grondwet). Door te beslissen dat er geen enkel gegeven voorhanden is als zou er over de tekst en/of aard van de gestelde zekerheid geen overeenstemming bestaan, schenden de appelrechters nog de bewijskracht van de garantiebrief, waarin de eiseres uitdrukkelijk voorbehoud van alle rechten en verweer maakte, en die als volgt luidt: "Garantiebrief (vrije vertaling garantie - stuk 5) Overwegende uw handlichting van het beslag over, en/of het zich verder onthouden van het ophouden van, of het nemen van welkdanige actie dan ook, tegen het m/v ‘Blanc' of enig ander schip, activa of eigendom in dezelfde eigendom, of in eigendom van de achterman of beheer, in eender welk deel van de wereld met het oog op het bekomen van zekerheid, behalve, echter, indien deze garantie wordt vrijgegeven vóór een nieuw beslag, of indien het bedrag van de garantie ontoereikend is geworden. Wij, (naam en identificatie van de bank borgsteller), garanderen hierbij onvoorwaardelijk en onherroepelijk de betaling van maximum 425.057 euro (vierhonderd vijfentwintig duizend en zevenenvijftig euro) ten voordele van het Kristensons-Petroleum Inc., 80 Broad Street, Suite 2 M, Red Bank, New Jersey 07701, United States of America, hierna genoemd de ‘begunstigde'. Deze garantie kan door de begunstigde afgeroepen worden volgend op de eerste voorlegging van een definitieve beslissing van een bevoegde rechtbank en/of een definitieve beslissing van een bevoegd arbitraal tribunaal en/of een minnelijke regeling tussen de partijen met betrekking tot een vordering van de begunstigde voor bunker leveranciers aan het m/v ‘Blanc' zoals beschreven in het verzoekschrift tot het leggen van beslag van 2 november 2002 en de beschikking inhoudende toelating tot beslag gegeven door de Beslagrechter te Antwerpen, dezelfde dag. De betaling zal onmiddellijk worden gedaan bij ontvangst bij aangetekende brief van een voor echt verklaarde gecertificeerde kopie van de gezegde definitieve beslissing, uitvoerbaar in België, of van de gezegde arbitrale uitspraak, eveneens uitvoerbaar in België, of van de gezegde geschreven minnelijke regeling tussen de partijen. Deze garantie wordt gegeven onder voorbehoud van alle rechten en verweer van de eigenaars van het m/v ‘Blanc'. Deze garantie zal worden beheerst en geïnterpreteerd door de Belgische wet en Belgische bevoegdheid". Door te beslissen dat er geen enkel gegeven voorhanden is als zou er over de tekst en/of aard van de gestelde zekerheid geen overeenstemming bestaan, geven de appelrechters van voormelde garantiebrief een interpretatie die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en schenden zij de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Door tenslotte te weigeren om de tekst van de garantiebrief te wijzigen schenden de appelrechters artikel 5 van het Internationaal Verdrag tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen, dat bepaalt dat de rechter de aard en het bedrag van de zekerheid vaststelt bij gebrek aan overeenstemming tussen partijen. Tweede onderdeel In zoverre de appelrechters beslissen dat er geen reden bestaat om in te gaan op het verzoek van de eiseres om een gewijzigde tekst van bankgarantie te doen opleggen omdat een garantie die niet tevens de verbintenissen van de schuldenaar van de zeevordering omvat een slag in het water is, schenden zij artikel 5 van het Internationaal Verdrag tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen en eveneens de bewijskracht van het verzoekschrift tot bewarend beslag op zeeschip van 2 november 2002, van de beschikking van 2 november 2002 waarbij toelating werd gegeven om bewarend beslag te leggen en van het proces-verbaal van bewarend beslag op het schip van 2 november 2002. Overeenkomstig voormeld artikel 5 dient er handlichting te worden gegeven indien er een vervangende zekerheid wordt aangeboden die de oorzaak van het beslag dekte. Gezien de verweerster beslag had gelegd lastens het schip, kon de eiseres niet verplicht worden om een zekerheid te stellen voor een vordering tegen de eigenaar van het schip (de eiseres) of tegen de bevrachter. Er was immers geen sprake van een vordering tegen deze personen. In zoverre de appelrechters beslissen dat de garantie tevens de verbintenissen van de bevrachter diende te omvatten, hoewel er bij het beslag geen sprake was van enige verbintenis van de bevrachter, schenden zij voormeld artikel 5 van het Internationaal Verdrag tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen, op grond waarvan handlichting van het beslag dient te worden gegeven indien een zekerheid wordt aangeboden die de oorzaak van het beslag dekt (in casu de vordering lastens het schip). In zoverre de appelrechters beslissen dat de oorzaak van het beslag de verbintenis van de bevrachter was, schenden zij de bewijskracht van het verzoekschrift tot bewarend beslag op zeeschip van 2 november 2002, van de beschikking van 2 november 2002 waarbij toelating werd gegeven om bewarend beslag te leggen en van het proces-verbaal van bewarend beslag op het schip van 2 november 2002. In deze documenten was immers geen sprake van enige vordering tegen de bevrachter (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 1470 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat het beslagexploot de vermeldingen voorgeschreven in artikel 1389. Artikel 1389, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het beslagexploot op straffe van nietigheid de naam, voornaam en de woonplaats van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, bevat. 2. De artikelen 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen welke zeeschepen tot waarborg van een zeevordering voor bewarend beslag vatbaar zijn en welke de zeeschulden zijn die tot dit beslag aanleiding kunnen geven. In overeenstemming met de verschillende onderdelen van artikel 1469 kan beslag worden gelegd op het schip waarop de vordering betrekking heeft, onverschillig of de eigenaar of een andere persoon instaat voor de zeeschuld in de zin van het bedoelde artikel 1468. 3. Indien het beslag wordt gelegd voor een zeevordering waarvoor een derde instaat, voldoet het beslagexploot aan het vereiste van artikel 1389, 2°, wanneer het, naast de beschrijving van het zeeschip, hetzij de naam en de woonplaats van de schuldenaar van de zeevordering, hetzij de naam en de woonplaats van de eigenaar van het zeeschip vermeldt. 4. Uit het arrest blijkt dat: - de verweerster bunkers leverde aan het ms. Blanc en deze leveringen onbetaald bleven; - de verweerster bij exploot van 2 november 2002 bewarend beslag heeft gelegd op het ms. Blanc; - het beslagexploot de gegevens van het schip vermeldt en de naam en de woonplaats van de scheepseigenaar. 5. Op grond van deze vaststellingen oordelen de appelrechters dat de gegevens vermeld in het beslagexploot van 2 november 2002 toelaten het schip en de eigenaar te identificeren zodat het beslagexploot rechtsgeldig is. Door aldus te oordelen is hun beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel gaat ervan uit dat het arrest beslist dat het beslagexploot of de beschikking de naam, de voornaam en de woonplaats vermeldt van de schuldenaar tegen wie het beslag wordt gelegd. De appelrechters beslissen dit niet zodat het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mitsdien feitelijke grondslag mist. Tweede middel 7. In overeenstemming met de artikelen 1468 (
  3. k)en 1469, §1 en §2, van het Gerechtelijk Wetboek, levert een schuldvordering voor leveranties van waren of materiaal aan een schip een zeevordering op waarvoor de schuldeiser bewarend beslag kan leggen op het zeeschip waarop die leveranties betrekking hebben onverschillig of de eigenaar of een andere persoon instaat voor de schuld. 8. De appelrechters die vaststellen dat de eiseres de eigenaar is van het ms. Blanc waarop het bewarend beslag werd gelegd, oordelen dat het "verworven (
  4. is)dat de vordering van (de verweerster) leveringen betreft van bunkers aan het zeeschip Blanc". 9. Deze zelfstandige niet-bekritiseerde reden draagt de bestreden beslissing zodat het middel ook al was het gegrond niet tot cassatie kan leiden. Het middel is niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Derde middel Eerste onderdeel 10. Het arrest stelt vast dat er een overeenkomst tussen partijen aangaande de vervangende zekerheid bestond, dat verweerster conform artikel 5 van de Beslagconventie verplicht was om het beslag op te heffen en dat de beslagrechter niet bevoegd was om aan de tekst nog enige wijziging aan te brengen. 11. De appelrechters geven aldus de feitelijke gegevens aan waarop zij hun beslissing laten steunen, verwerpen zodoende de door de eiseres bij conclusie aangevoerde daarmee strijdige en andere feitelijke gegevens en beantwoorden mitsdien deze conclusie. 12. Het arrest oordeelt dat aan de hand van de overgelegde stukken geen enkel gegeven voorhanden is als zou er over de tekst en over de aard van de gestelde zekerheid geen overeenstemming bestaan. 13. Het arrest geeft aldus geen uitlegging van de garantiebrief die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en miskent de bewijskracht ervan niet. 14. Voor het overige gaat het onderdeel ervan uit dat er geen overeenstemming bestaat tussen de partijen over de aard en het bedrag van de zekerheid. 15. Het arrest stelt echter vast dat tussen de partijen een overeenkomst bestond aangaande de vervangende zekerheid. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 16. De appelrechters stellen vast dat de formulering van de garantie ter ophef¬fing van het beslag voortvloeit uit de overeenkomst tussen de partijen. 17. Die vaststelling vormt voor de appelrechters een grondslag voor hun beslissing dat de formulering van de garantie niet meer door de rechtbank kan worden gewijzigd. Het onderdeel, ook al ware het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 629,00 euro jegens de eisende partij en op de som van 163,10 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 31 oktober 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081031.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.