← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.2 Rolnummer: S.08.0056.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-11-24 Raadplegingen: 183 - laatst gezien 2026-07-03 02:35 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit het bepaalde in artikel 11bis, van de Arbeidsovereenkomstenwet, dat van dwingend recht is ten voordele van de werknemer, volgt dat een werknemer die deeltijds is tewerkgesteld voor een vijfde van een voltijdse betrekking, niettemin recht heeft op een loon verschuldigd voor een werknemer die een derde van de normale arbeidsduur presteert als niet blijkt dat van deze regel van minimale tewerkstelling voor een derde is afgeweken door de Koning of een collectieve arbeidsovereenkomst. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Soorten arbeidsovereenkomsten - Deeltijdse arbeid Vrije woorden: Deeltijds tewerkgestelde werknemer - Verhouding ten opzichte van de voltijds tewerkgestelde werknemer - Verschuldigd loon Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 11bis Thesaurus CAS: LOON - RECHT OP LOON UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Soorten arbeidsovereenkomsten - Deeltijdse arbeid Vrije woorden: Deeltijds tewerkgestelde werknemer - Verhouding ten opzichte van de voltijds tewerkgestelde werknemer - Verschuldigd loon Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 11bis Tekst van de beslissing Nr. S.08.0056.N H.M., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. D.I.,
  2. W.G., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 november 2007 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  3. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, enerzijds, dat uit het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 10 juni 2003 volgt dat de eiseres vanaf 1 november 1995 tot 31 december 2000 contractueel gerechtigd was op het volledig loon als bediende "N.P.C. 218 categorie 3bis", anderzijds, dat dit vonnis niet met zekerheid beslist dat de eiseres voltijds tewerkgesteld werd. Het arrest mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  4. Het tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 10 juni 2003 besliste, enerzijds, dat moet aangenomen worden dat de eiseres contractueel vanaf 1 november 1995 tot en met 21 december 2000 gerechtigd is op het volledig loon als bediende "N.P.C. 218 categorie 3bis", anderzijds, dat blijkt dat de eiseres boven op haar loon als arbeidster zeer belangrijke sommen ontvangen heeft wegens economische werkloosheid. Met de overweging "Het is niet omdat het door (de eiseres) gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het ontslag aangenomen en geassumeerde statuut van arbeidster door de arbeidsrechtbank geherkwalificeerd werd in dat van een bediende, dat daarom zou vaststaan dat het om een voltijdse betrekking als bediende ging", geeft het arrest aan het vonnis van 10 juni 2003 een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  5. Het onderdeel gaat ervan uit dat het vonnis van de arbeidsrechtbank van 10 juni 2003 oordeelt dat de eiseres voltijds was tewerkgesteld als bediende, terwijl het arbeidshof het gezag van het gewijsde van dit vonnis miskent door anders te oordelen. Het vonnis van 10 juni 2003 oordeelt weliswaar dat de arbeidsovereenkomst van de eiseres in een voltijdse tewerkstelling voorzag, maar het beslist niet dat de prestaties van de eiseres daadwerkelijk voltijds waren. Het onderdeel dat uitgaat van een onjuiste lezing mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  6. Het onderdeel gaat ervan uit dat de arbeidsrechtbank in het vonnis van 10 juni 2003 heeft geoordeeld dat de eiseres niet verantwoordelijk is voor de foutieve kwalificatie als arbeidster in een systeem met economische werkloosheid en dat deze beslissing met het gezag van het gewijsde is bekleed. Het oordeel dat de eiseres niet verantwoordelijk is voor haar foutieve kwalificatie heeft enkel betrekking op het onderscheid tussen het statuut van arbeidster en bediende, maar slaat niet op de toepassing van het systeem van economische werkloosheid. Het onderdeel dat uitgaat van een onjuiste lezing van het vonnis van 10 juni 2003, mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
  7. De appelrechters ontzeggen de eiseres door getuigen te bewijzen dat zij in de bedoelde periode voltijds tewerkgesteld was omdat uit het door de partijen gehanteerd systeem en uit de daarmee corresponderende documenten die in dit verband door hen werden opgesteld, een duidelijk bewijs mocht worden afgeleid dat de eiseres in een deeltijds arbeidsregime tewerkgesteld was en het aangeboden getuigenbewijs niet meer van aard was nuttige elementen op te leveren. Zij doen dit niet omdat de schriftelijke verklaringen van getuigen het te bewijzen feit niet reeds gedeeltelijk bewijzen, zodat het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel berust op een onjuiste lezing, mitsdien feitelijke grondslag mist. Zevende onderdeel
  8. Artikel 11bis van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat in de regel de wekelijkse arbeidsduur van de deeltijds tewerkgestelde werknemer niet lager mag liggen dan een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerk-gestelde werknemers.. De Koning of een collectieve arbeidsovereenkomst kunnen van deze regel afwijken. Wanneer de overeenkomst prestaties vastlegt die lager liggen dan de grenzen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld, is het loon nochtans verschuldigd op basis van deze minimumgrenzen. Deze bepaling is van dwingend recht in het voordeel van de werknemer.
  9. Hieruit volgt dat als de eiseres die deeltijds is tewerkgesteld voor een vijfde van een voltijdse betrekking, niettemin recht heeft op een loon verschuldigd voor een werknemer die een derde van de normale arbeidsduur presteert als niet blijkt dat van deze regel van de minimale tewerkstelling voor een derde is afgeweken door de Koning of een collectieve arbeidsovereenkomst.
  10. De appelrechters die niet vaststellen dat de Koning of een collectieve arbeids¬overeenkomst van de algemene regel van artikel 11bis van de Arbeidsovereen¬komstenwet is afgeweken en niettemin bij de beoordeling van de aanspraken van de eiseres uitgaan van een vijfde tewerkstelling en niet van een derde tewerkstel¬ling, laten het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen, zodat zij hun beslissing niet naar recht verantwoorden, mitsdien artikel 149 van de Grondwet schenden. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  11. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vorderingen van de eiseres afwijst voor het meer dan een vijfde gevorderde en uitspraak doet over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van 144,85 euro jegens de eisende partij en op de som van 79,36 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 3 november 2008 uitgesproken door afdelings-voorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.