id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.3 Rolnummer: C.07.0389.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2008-11-24 Raadplegingen: 184 - laatst gezien 2026-07-03 02:34 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de samenlezing van de artikelen 42, vijfde en zesde lid, 118 en 128, § 1, van de OCMW-wet volgt dat de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van de plaats van de zetel waar de vereniging gevestigd is, een bijzonder administratief en geldelijk statuut kan bepalen voor het naar een ziekenhuis overgeheveld personeel. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in belastingzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Beslissingen in feite en in rechte Vrije woorden: Raad voor Maatschappelijk Welzijn - Bevoegdheid - Statuut van het personeel - Ziekenhuispersoneel - Afwijking Tekst van de beslissing Nr. C.07.0389.N 1. G.D. 2. C.R., 3. D.G. 4. G.M., 5. D.J., 6. D.G., 7. D.J., 8. H.S., 9. C.A., 10. D.L., 11. D.M., 12. D.D., 13. V.L., 14. V.E., 15. L.J., 16. V.F., 17. V.M., 18. V.M., 19. V.J., 20. L.T., eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. tegen ZIEKENHUISVERENIGING VAN BRUSSEL - UNIVERSITAIR VERPLE-GINGSCENTRUM SINT-PIETER, afgekort ZIEKENHUISVERENIGING VAN BRUSSEL - U.V.C. SINT-PIETER, publiekrechtelijke vereniging, met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat 322, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 7 april 2008 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift drie middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 42, in het bijzonder 5de en 6de lid, en 118 (voor zoveel als nodig) en 128, §1 en §2, van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (hierna afgekort: de OCMW-wet). Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eisers ongegrond en verwerpt aldus hun vorderingen die ertoe strekten dat de verweerder hen hetzelfde statuut en dezelfde voordelen zou toekennen als deze die voortvloeiden uit het statuut van de personeelsleden van het OCMW die niet naar de ziekenhuisverenigingen zoals verweerder waren overgeheveld en zulks op grond van de hierna volgende overwegingen: "20. Zoals de Raad van State reeds heeft beslist, teneinde de indisponibiliteitstelling van bepaalde personeelsleden van de ziekenhuisvereniging te vernietigen (c.f. hierboven) kan het feit dat artikel 135sexies, eerste lid, 4°, van de voornoemde wet, ingevoegd bij de ordonnantie van 22 december 1985 en waardoor, ten aanzien van de ziekenhuisverenigingen, de beslissingen van de plaatselijke ziekenhuisverenigingen houdende vaststelling of wijziging van de personeelsformatie en van de rechtspositie van het personeel onderworpen worden aan een goedkeuringstoezicht van de koepelvereniging, niet zonder meer inhouden dat daardoor de duidelijke en strikte regel van artikel 128, §1, stilzwijgend is opgeheven ten aanzien van de betrokken verenigingen. De bepaling van artikel 128 OCMW-wet moet vervolgens worden samengelezen met de overige bepalingen van deze Wet en in het bijzonder met artikel 42, lid 6, dat aan het OCMW toelaat afwijkingen van het statuut vast te stellen, meer bepaald voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het centrum het nodig zou maken. Tevens is het de raad van het OCMW die het administratief en geldelijk statuut bepaalt inzake de betrekkingen die onbestaande zijn op het gemeentelijk vlak ‘evenals dat van het personeel van het ziekenhuis'. Het administratief en geldelijk statuut, zoals het voor het ziekenhuispersoneel bepaald wordt door het OCMW, is bijgevolg niet noodzakelijk identiek aan het administratief en geldelijk statuut van het andere OCMW-personeel. Meteen betekent de overheveling naar de ziekenhuisvereniging in graad, hoedanigheid, anciënniteit, bezoldiging, verworven rechten en administratief statuut, helemaal niet dat de aldus overgehevelde personeelsleden nadien ook alle voordelen moeten genieten waarop de niet overgehevelde personeelsleden recht hebben. Het parallellisme dat aanwezig is bij de overheveling hoeft nadien niet te worden behouden" (arrest p.14-15). Grief Eerste onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet. Krachtens artikel 118 van de OCMW-wet, kan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, om een van de opdrachten uit te voeren die door de wet aan deze centra zijn toevertrouwd, een vereniging tot stand brengen. De personeelsleden van een dergelijke vereniging zijn krachtens artikel 128, §1, onverminderd de toepassing van de bepalingen van de §§2 en 3 van diezelfde bepaling, "onderworpen aan hetzelfde administratief statuut, geldelijk statuut en pensioenstelsel en aan dezelfde bepalingen van deze wet als die welke van toepassing zijn op de personeelsleden van het centrum dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging gevestigd is". Krachtens artikel 128, §2, eerste en tweede lid, van diezelfde wet, kunnen personeelsleden van een OCMW dat deelgenoot is van een in (hoofdstuk XII van de organieke OCMW-wet) bedoelde vereniging door deze worden overgenomen en worden zij, ongeacht de regelen toepasselijk bij bevorderingen, met hun graad of met een gelijkwaardige graad en in hoedanigheid overgeplaatst; zij behouden de bezoldiging en de geldelijke anciënniteit die zij hadden of zouden bekomen hebben indien zij in hun dienst van herkomst het ambt dat zij bij hun overplaatsing, verder hadden uitgeoefend. De vanuit het OCMW naar een ziekenhuisvereniging overgehevelde personeelsleden ondervinden aldus geen enkel nadeel van deze overheveling nu zij
- a)hun bij overheveling bestaande rechten behouden (artikel 128, §2, tweede lid, OCMW-wet) en
- b)voor het overige onderworpen zijn en blijven aan "hetzelfde" statuut als dat van de overige OCMW-personeelsleden als waren zij niet overgeheveld (artikel 128, §1, OCMW-wet). Uit de feitelijke vaststellingen en de stukken waarop het Hof kreeg acht te slaan blijkt dat de eisers oorspronkelijk personeelsleden in dienst van het OCMW van Brussel waren en op 1 januari 1996 ambtshalve overgeheveld werden naar verweerder, een ziekenhuisvereniging opgericht op grond van artikel 118 van de OCMW-wet. Het bestreden arrest erkent enerzijds dat "de duidelijke en strikte regel van artikel 128, §1, (niet) stilzwijgend is opgeheven ten aanzien van de betrokken verenigingen" (arrest, p. 14), hetgeen impliceert dat het personeel van die verenigingen dus nog altijd "hetzelfde statuut" heeft en moet hebben als dat van het overige OCMW-personeel, doch oordeelt anderzijds dat "het administratief en geldelijk statuut, zoals het voor het ziekenhuispersoneel bepaald wordt door het OCMW, niet noodzakelijk identiek (
- is)aan het administratief en geldelijk statuut van het andere OCMW-personeel" (arrest, p. 15). In zoverre het arrest aldus enerzijds aanneemt dat de regel van "hetzelfde statuut" voor het ziekenhuispersoneel van een vereniging nog altijd geldt, en anderzijds oordeelt dat "het statuut van datzelfde personeel niet noodzakelijk identiek is aan dat van het overige OCMW-personeel", berust het op twee tegenstrijdige motieven, daar men niet terzelfdertijd "hetzelfde" statuut en "niet noodzakelijk een identiek statuut" kan hebben, hetgeen een schending inhoudt van artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 42, 5de en 6de lid, 118, 128-135 van de OCMW-wet. Krachtens artikel 42, lid 5, van de OCMW-wet, geniet het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente waar de zetel van het centrum gevestigd is. Krachtens artikel 42, lid 6, van diezelfde wet, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn de afwijkingen van het in het vorige lid bedoelde statuut vast, voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inlichtingen van het centrum het nodig zou maken, en bepaalt het administratief en geldelijk statuut inzake de beschikkingen die onbestaande zijn op het gemeentelijk vlak evenals dat van het personeel van het ziekenhuis. Artikel 42, 6de lid, van de OCMW-wet voorziet aldus in de mogelijkheid voor de Raad voor maatschappelijk welzijn om een afwijkend statuut op te stellen voor het eigen ziekenhuispersoneel. Deze mogelijkheid houdt evenwel op te bestaan van zodra de OCMW-Raad zijn ziekenhuizen heeft verzelfstandigd volgens de artikelen 118 t.e.m. 135 van hoofdstuk XII van de OCMW-wet. Het werd niet betwist tussen de partijen dat de eisers, sinds zij per 1 januari 1996 werden overgeheveld naar een vereniging in de zin van voormeld hoofdstuk XII van de OCMW-wet niet langer in dienst waren van het OCMW, doch van een verzelfstandigd ziekenhuis in de zin van de bepalingen van hoofdstuk XII van de OCMW-wet, zoals verweerder. Door op grond van artikel 42, 6de lid, van de OCMW-wet te oordelen dat -in strijd met artikel 128, §1, van de OCMW-wet- het administratief en geldelijk statuut, zoals het voor het ziekenhuispersoneel bepaald wordt, "niet noodzakelijk identiek is aan het administratief en geldelijk statuut van het andere OCMW-personeel", terwijl artikel 42, 6de lid, van de OCMW-wet niet van toepassing is op het naar de autonome ziekenhuizen overgehevelde personeel, zoals de eisers, schendt het arrest de artikelen 42, 5de lid, 42, 6de lid, 118 en 128-135 van de OCMW-wet. Derde onderdeel Schending van de artikelen 42, 5de en 6de lid, 118 en 128, §§ 1 en 2 van de OCMW-wet. Zoals in het vorig onderdeel reeds aangegeven voorziet artikel 42, 6de lid van de OCMW-wet in een mogelijkheid voor de Raad voor maatschappelijk welzijn om een administratief statuut te bepalen voor het ziekenhuispersoneel. Zonder op dit punt door verweerder te zijn tegengesproken hadden de eisers in hun conclusie aangevoerd dat "het OCMW van Brussel van deze mogelijkheid nooit gebruik (heeft) gemaakt, zodat er nooit een afwijkend statuut is geweest voor bijvoorbeeld het ziekenhuispersoneel, waartoe (de eisers) behoren" (vervangende besluiten, p. 13). De eisers putten dan ook hun subjectief recht op het geldelijk en administratief statuut dat is vastgelegd voor het personeel van het OCMW van Brussel uit artikel 128, §1, en lieten ter zake het volgende gelden: "Hieruit volgt dat (de eisers) wel degelijk recht hebben op de toekenning door (de verweerder) van alle sociale voordelen die het OCMW van Brussel aan haar personeelsleden heeft toegekend. Artikel 128, §1, OCMW-wet is immers duidelijk. (...) Artikel 128, §1, van de OCMW-wet spreekt duidelijk over hetzelfde administratief en geldelijk statuut en hetzelfde pensioenstelsel als de personeelsleden van het OCMW. Het stilzitten van het OCMW om specifiek voor de personeelsleden van de ziekenhuizen een statuut uit te werken belet niet dat (de verweerder) (mutatis mutandis waar nodig) hetzelfde sociaal statuut moet invoeren zoals het OCMW voor haar personeelsleden heeft ingevoerd" (vervangende besluiten, pp. 37-38). Het bestreden arrest oordeelt dat de eisers geen recht hebben op hetzelfde statuut na hun overheveling naar de zelfstandige ziekenhuizen als dat van het vorige OCMW-personeel, louter op grond van de vaststelling dat de Raad voor maatschappelijk welzijn op grond van artikel 42, 6de lid, van de OCMW-wet de bevoegdheid heeft om een afwijkend statuut voor het ziekenhuispersoneel op te stellen, zonder te antwoorden op het middel van de eisers dat van die mogelijkheid nooit gebruik was gemaakt en dat er nooit op grond van artikel 42, 6de lid, van de OCMW-wet een afwijkend statuut was opgesteld, zodat de regel van artikel 128, §1, derhalve onverkort van toepassing bleef. In zoverre het arrest aldus nalaat op een precieze grief van de eisers te antwoorden, is het niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet). In zoverre het arrest oordeelt dat de eisers na hun overheveling geen recht hebben op hetzelfde statuut als dat van het OCMW-personeel, daar "het parallellisme dat aanwezig is bij de overheveling (...) nadien niet (...) (hoeft) te worden behouden", louter op grond van de wettelijke mogelijkheid voor de Raad voor maatschappelijk welzijn om een afwijkend statuut op te stellen, doch zonder vast te stellen dat de Raad van deze mogelijkheid effectief gebruik had gemaakt en derhalve, in afwijking van artikel 128, §1, op de wettige grondslag van artikel 42, 6de lid, van de OCMW-wet een afwijkend statuut had opgesteld, schendt het alle in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen. Vierde onderdeel Schending van de artikelen 118 en 128, §§ 1 en 2, van de OCMW-wet. Artikel 128, §1, van de OCMW-wet, zoals in het eerste onderdeel reeds weergegeven en hierbij hernomen, bepaalt op welk statuut de personeelsleden van een vereniging zoals opgericht in toepassing van artikel 118 van diezelfde wet recht heeft, namelijk "hetzelfde" administratief en geldelijk statuut en pensioenstelsel" als dat van de personeelsleden van het OCMW van de gemeente waar de zetel van de vereniging gevestigd is. Artikel 128, §2, in het bijzonder 2de lid, van diezelfde wet bepaalt dat personeelsleden van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die worden overgenomen door een vereniging waarin dat centrum deelgenoot is "met hun graad of met een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid (worden) overgeplaatst" en dat zij "de bezoldiging en de geldelijke anciënniteit die zij hadden of zouden bekomen hebben indien zij in hun dienst van herkomst het ambt dat zij bij hun overplaatsing bekleedden, verder hadden uitgeoefend". Waar artikel 128, §1, van de OCMW-wet aldus bepaalt welk statuut de personeelsleden van een vereniging hebben ("hetzelfde"), bepaalt artikel 128, §2, dat overgehevelde personeelsleden al hun bestaande rechten behouden bij overgang. Artikel 128, §2, van de OCMW-wet, dat aldus de specifieke problematiek regelt van het behoud van verworven rechten van overgeheveld personeel, wijkt evenwel in geen enkel opzicht af van artikel 128, §1, van diezelfde wet dat in algemene bewoordingen bepaalt welk het statuut is van de personeelsleden van een vereniging in de zin van artikel 118 van de OCMW-wet. Het gegeven dat de overgehevelde personeelsleden hun verworven rechten behouden bij hun overgang (artikel 128, §2, van de OCMW-wet) doet aldus geen afbreuk aan de bepaling die zegt op welk statuut zij recht hebben (artikel 128, §1, van de OCMW-wet). Het arrest oordeelt dat "de overheveling naar de ziekenhuisvereniging in graad, hoedanigheid, anciënniteit, bezoldiging, verworven recht en administratief statuut, helemaal niet (betekent) dat de aldus overgehevelde personeelsleden nadien ook alle voordelen moeten genieten waarop de niet overgehevelde personeelsleden recht hebben. Het parallellisme dat aanwezig is bij de overheveling hoeft nadien niet te worden behouden" (arrest, p. 15). Het arrest geeft aldus te kennen dat het niet is omdat betrokkenen bij hun overheveling al hun rechten behouden, dat zij ook nadien nog een recht op "hetzelfde statuut" kunnen laten gelden. Door aldus uit het gegeven dat de eisers bij overheveling hun rechten behouden af te leiden dat zij nadien niet meer aanspraak kunnen maken op "alle voordelen waarop niet-overgehevelde personeelsleden recht hebben" en, dat de overgehevelde personeelsleden dus geen recht hebben op "hetzelfde statuut" als dat van de vorige OCMW-personeelsleden, schendt het arrest de artikelen 118 en 128, §§ 1 en 2, van de OCMW-wet. 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 118, 126, 128 in het bijzonder § 1, 135bis en sexies, van de Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (hierna afgekort: de OCMW-wet). Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eisers ongegrond en verwerpt aldus hun vorderingen die ertoe strekten dat verweerder hen dezelfde voordelen zou toekennen als deze die voortvloeiden uit het statuut van de personeelsleden van het OCMW die niet naar de ziekenhuisverenigingen zoals verweerder waren overgeheveld en zulks op grond van de hierna volgende overwegingen: "21. Toen in de ordonnantie van 22 december 1996 werd overgegaan tot de oprichting van de koepelvereniging werd aan deze laatste de bevoegdheid gegeven te zorgen voor de coordinatie van de controle op de ziekenhuisactiviteit, uitgeoefend door de plaatselijke verenigingen. Met het oog hierop werd de verplichting ingevoerd om, onder meer, de beslissingen houdende vaststellingen of wijziging van de personeelsformatie en van de rechtspositie van het personeel ter goedkeuring aan de koepelvereniging voor te leggen (artikel 135 bis en sexies OCMW-wet). Ook deze bepaling vereist niet dat de personeelsleden, die op 1 januari 1996 werden overgeheveld naar de ziekenhuisverenigingen, automatisch hetzelfde administratief en/of geldelijk statuut moeten hebben als de personeelsleden van het OCMW zelf. Hierbij moet worden onderstreept dat boven op deze wettelijke regeling vanaf 1994 bij de ziekenhuizen rekening moest worden gehouden met een begrotingstekort dat door de gemeenten diende te worden gedekt en dat deze laatsten derhalve eveneens in een deficitaire toestand bracht" (arrest, p. 15). Grief Eerste onderdeel Schending van de artikelen 118, 128, 135bis, in het bijzonder §2, eerste en tweede lid, en 135sexies, in het bijzonder 4°, van de OCMW-wet. Artikel 135bis van de OCMW-wet, zoals ingevoegd bij ordonnantie van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 22 december 1995 (inwerkingtreding: 17 februari 1996), definieert de begrippen "koepelvereniging", "plaatselijke vereniging" en "ziekenhuis" (§1) en stelt voorts dat dit hoofdstuk XIIbis "niet van toepassing is op de andere verenigingen die overeenkomstig de regels van hoofdstuk XII van deze wet worden opgericht" (artikel 135bis §2, tweede lid, van de OCMW-wet). Krachtens artikel 135sexies, 4°, van hoofdstuk XIIbis van de OCMW-wet, worden beslissingen houdende vaststelling of wijziging van de personeelsformatie en van de rechtspositie van het personeel aan de koepelvereniging bij ter post aangetekende brief ter goedkeuring voorgelegd. Uit de feitelijke vaststellingen van het arrest en de niet-betwiste gegevens waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat: - de verweerder een publiekrechtelijke vereniging is in de zin van artikel 118 van de OCMW-wet die "werd opgericht bij een akte verleden voor notaris N. te Ukkel op 22 december 1995" (arrest, p. 8); - de eisers personeelsleden in dienst van het OCMW waren die per 1 januari 1996 naar de verweerder werden overgeheveld. Artikel 135bis van de OCMW-wet is derhalve niet van toepassing op de rechtssituatie van de eisers, aangezien verweerder op het moment van de overheveling van de eisers daarheen als vereniging reeds was opgericht in toepassing van hoofdstuk XII van de OCMW-wet, zodat de eisers niet vielen onder het toepassingsgebied van hoofdstuk Xllbis van diezelfde wet Om de eisers het recht op "hetzelfde statuut" krachtens artikel 128, §1, van de OCMW-wet te weigeren, steunt het arrest op de artikelen 135bis en sexies van de OCMW-wet die "niet (vereist) dat de personeelsleden, die op 1 januari 1996 werden overgeheveld naar de ziekenhuisverenigingen, automatisch hetzelfde administratief en/of geldelijk statuut moeten hebben als de personeelsleden van het OCMW zelf" (arrest, p. 14). Door de eisers aldus het recht op "hetzelfde statuut" krachtens artikel 128, §1, van de OCMW-wet te ontzeggen, op grond van wetsbepalingen die op hen niet van toepassing zijn, schendt het arrest alle in het onderdeel aangeduide wetsbepalingen. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 126, 128, §1, 135quater en sexies, van de OCMW-wet. Artikel 135sexies van de OCMW-wet, zoals hiervoor in het eerste onderdeel weergegeven en hierbij hernomen, handelt over de controle en het toezicht die door de koepelvereniging worden uitgeoefend ten aanzien van beslissingen van de plaatselijke vereniging in de mate dat deze laatsten hun beslissingen o.m. inzake personeelsformatie en rechtspositie van het personeel ter goedkeuring aan de koepelvereniging moeten voorleggen. Krachtens artikel 135quater van de OCMW-wet, zijn de plaatselijke verenigingen uitsluitend aan de regels inzake controle en administratief toezicht onderworpen die in artikel 135quinquies tot 135nonies zijn vastgesteld en zulks "in afwijking van artikel 126 van deze wet". Artikel 126 van de OCMW-wet handelt over de controle waaraan de in hoofdstuk XII bedoelde verenigingen onderworpen zijn, en bepaalt dat deze onderworpen zijn aan dezelfde controle en hetzelfde toezicht als de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Artikel 135sexies van de OCMW-wet, voor zover het van toepassing is in de rechtsverhouding tussen de eisers en verweerder (quod non), houdt krachtens artikel 135quater enkel een afwijking in van artikel 126 van de OCMW-wet, doch laat artikel 128, §1, van de OCMW-wet inzake "hetzelfde statuut" voor de personeelsleden van de verenigingen als dat van het OCMW-personeel onverlet. Door "ditzelfde" statuut dat de eisers krachtens artikel 128, §1, van de OCMW-wet toekomt, aan de eisers alsnog te weigeren op grond dat artikel 135sexies niet vereist dat overgehevelde personeelsleden, die op 1 januari 1996, automatisch hetzelfde administratief en/of geldelijk statuut moeten hebben als de personeelsleden van het OCMW zelf", terwijl deze bepaling niet handelt over het statuut van het personeel van een vereniging, doch enkel bepaalt hoe de controle over beslissingen van de plaatselijke vereniging wordt uitgeoefend, schendt het alle in het onderdeel vermelde wetsbepalingen. Derde onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet. Ter staving van zijn beslissing dat de eisers geen recht hebben op hetzelfde statuut als dat van het overige OCMW-personeel overweegt het arrest dat "(hierbij) moet worden onderstreept dat bovenop deze wettelijke regeling vanaf 1994 bij de ziekenhuizen rekening moest worden gehouden met een begrotingstekort dat door de gemeenten diende te worden gedekt en dat dezen derhalve eveneens in een deficitaire toestand bracht" (arrest, p. 14). Het arrest geeft aldus te kennen dat de eisers geen recht hebben op "hetzelfde" statuut als het overige OCMW-personeel omwille van budgettaire financiële redenen. De eisers hadden ter zake laten gelden dat, indien de overheid in strijd met de wet handelt wanneer ze aan de ziekenhuizen niet de nodige geldmiddelen ter beschikking stelt om hun verplichtingen uit te voeren, "het (...) voor zich spreekt dat de ziekenhuizen dit niet als excuus kunnen inroepen tegen hun personeel. In het verbintenissenrecht geldt immers het principe dat geldelijk onvermogen geen overmacht is. De redenering dat men de wet slechts toepast voor zover men daartoe het geld heeft kan geen wettelijke verantwoording vinden" (vervangende besluiten, p. 29, randnr. 26 in fine). Het arrest antwoordt niet op dit specifieke verweer van de eisers dat het eventueel ontbreken van financiële middelen in hoofde van de verweerder hem niet vrijstelde van zijn wettelijke verplichting op grond van artikel 128, §1, van de OCMW-wet en schendt mitsdien artikel 149 van de Grondwet. Vierde onderdeel Schending van artikel 128, §1, van de OCMW-wet en van het wettelijk begrip "overmacht". Hoewel de rechter op onaantastbare wijze de feitelijke omstandigheden vaststelt waaruit hij het bestaan van overmacht afleidt, onderzoekt het Hof van Cassatie of uit die omstandigheden overmacht wel wettig af te leiden valt. Overmacht kan enkel voortkomen uit een van de wil van de mens onafhankelijke omstandigheid welke men niet heeft kunnen voorzien, noch heeft kunnen voorkomen. Het arrest geeft te kennen dat de eisers geen aanspraak kunnen maken op hetzelfde statuut als dat van de overige OCMW-personeelsleden en ontzegt hen aldus de toepassing van artikel 128, §1, van de OCMW-wet omdat de ziekenhuizen, waaronder verweerder, met een begrotingstekort te kampen hebben. Een "begrotingstekort" of een "deficitaire toestand" zijn evenwel geen gegevens of omstandigheden die een volstrekte materiële onmogelijkheid uitmaken om de wet, meer bepaald artikel 128, §1, van de OCMW-wet in acht te nemen, zodat het arrest door in de aangegeven zin te oordelen en de toepassing van artikel 128, §1, van de OCMW-wet op die grond uit te sluiten, een schending inhoudt van deze wetsbepaling evenals van het wettelijk begrip "overmacht". 3. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; - de artikelen 128, §1 en § 2, en 135duodecies van de OCMW-wet. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eisers ongegrond en verwerpt aldus hun vorderingen die ertoe strekten dat de verweerder hen dezelfde voordelen zou toekennen als deze die voortvloeiden uit het statuut van de personeelsleden van het OCMW die niet naar de ziekenhuisverenigingen zoals de verweerder waren overgeheveld en zulks op grond van de hierna volgende overwegingen: "22. De ordonnantie van 22 februari 2001, die een artikel 135 duodecies invoegde in de OCMW-wet, heeft de plaatselijke verenigingen en de koepelvereniging wel bevoegd gemaakt om het administratief en geldelijk statuut te bepalen of te wijzigen. Er bestaat geen aanleiding om betreffende deze ordonnantie een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof nu het onderscheid dat aldus wordt gemaakt tussen personeelsleden van het OCMW in het algemeen -meer bepaald de personeelsleden waarvoor het OCMW die waren overgeheveld naar de ziekenhuisverenigingen,- objectief verantwoord blijkt omwille van het onderscheid dat in de OCMW-wet altijd is gemaakt tussen deze soorten personeelsleden en wegens het sinds 1994 vastgestelde begrotingstekort bij de ziekenhuizen" (arrest, p. 15). Grief Eerste onderdeel Schending van artikel 128, §1, en 135duodecies van de OCMW-wet. Artikel 135duodecies van de OCMW-wet bepaalt dat, "in afwijking van artikel 128, §1, en onverminderd artikel 128 §2, en §3, (...) de koepelvereniging, de plaatselijke verenigingen en de instellingen opgericht met toepassing van artikel 135undecies, het administratief en geldelijk statuut van hun personeel (vaststellen) en (...) zich in dit opzicht (richten) naar de door de koepelvereniging vastgestelde beleidslanen". De ordonnantie van 22 februari 2001, die dit artikel 135duocecies invoegde in de OCMW-wet, trad in werking op 14 juli 2001. Vermits pas vanaf die datum de aangeduide instanties bevoegd waren om "in afwijking van artikel 128, §1" een administratief en geldelijk statuut voor hun personeelsleden te bepalen, en zij voorheen de bevoegdheid om af te wijken van artikel 128, §1, van de OCMW-wet niet hadden, mocht er vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 22 februari 2001 waarbij artikel 135duodecies in de OCMW-wet werd gevoegd, niet van de regel van artikel 128, §1, van de OCMW-wet afgeweken worden, zodat het op 1 januari 1996 naar verweerder overgehevelde personeel alleszins recht had op "hetzelfde statuut" zoals bepaald bij artikel 128, §1, van de OCMW-wet. In zoverre het arrest aan de eisers het recht op "hetzelfde" statuut van artikel 128, §1, van de OCMW-wet ontzegt op grond van artikel 135duodecies van deze wet, terwijl vóór de inwerkingtreding van genoemd artikel 135duodecies geen mogelijkheid bestond tot afwijking van de regel van artikel 128, §1, van de OCMW-wet, schendt het bijgevolg deze bepalingen. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 26, §§ 1 en 2, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof en van 128, §§ 1 en 2, en 135duodecies van de OCMW-wet. Krachtens artikel 26, §§ 1 en 2, eerste en derde lid, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, is een rechtscollege verplicht een prejudiciële vraag nopens een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan het Arbitragehof voor te leggen, tenzij de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een artikel van de Grondwet klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen. Zoals de eisers hadden aangevoerd zou artikel 135duodecies van de OCMW-wet en de mogelijkheid die daarbij wordt voorzien voor verweerder om een eigen statuut voor het ziekenhuispersoneel uit te werken, enkel in die zin geïnterpreteerd mogen worden dat vanuit het OCMW naar de verweerder overgehevelde personeelsleden niet ongunstiger mogen behandeld worden dan die personeelsleden die in dienst gebleven zijn van het OCMW. Immers, als personeelsleden van een vereniging in de zin van hoofdstuk XII hebben zij recht op "hetzelfde statuut" als dat van de overige OCMW-personeelsleden (artikel 128, §1, van de OCMW-wet) en bovendien behielden de overgehevelde personeelsleden, naar aanleiding van hun overgang naar de vereniging, al hun rechten zoals voorheen verworven in dienst van het OCMW (artikel 128, §2, van de OCMW-wet). Aldus blijkt uit de OCMW-wet veeleer dat geen onderscheid gemaakt wordt tussen de overgehevelde en de niet-overgehevelde personeelsleden van het OCMW, doch integendeel steeds dezelfde rechten aan beiden gewaarborgd werden uit hoofde van "hetzelfde statuut" (artikel 128, §1) en het behoud van hun verworven rechten als waren ze niet overgeheveld (artikel 128, §2), en zulks ongeacht het bestaan van enig tekort in de begroting van de ziekenhuizen. Door te oordelen dat er in de OCMW-wet steeds een onderscheid is gemaakt tussen beide categorieën van personeelsleden (de overgehevelde vs. de niet-overgehevelde), schendt het arrest artikel 128, §1 en 2, van de OCMW-wet. Door op deze onwettige grondslag en de vaststelling dat er een begrotingsdeficit in de ziekenhuizen bestaat sinds 1994, te weigeren een prejudiciële vraag i.v.m. de ongrondwettigheid van artikel 135duodecies van de OCMW-wet aan het Grondwettelijk Hof te stellen, hoewel de OCMW-wet geen "klaarblijkelijk" onderscheid tussen beide categorieën maakte doch hen krachtens artikel 128 §1, van de OCMW-wet integraal op dezelfde voet behandelde, schendt het arrest de in dit onderdeel geviseerde wetsbepalingen. Derde onderdeel Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, 128, §§ 1 en 2, en 135duodecies van de OCMW-wet. Uit artikel 128, §§ 1 en 2, blijkt dat de wetgever het personeel van het OCMW dat werd overgeheveld naar een vereniging op dezelfde voet heeft willen behandelen als het overige niet-overgehevelde personeel nu zij
- a)recht hebben op hetzelfde statuut (artikel 128, §1, OCMW-wet),
- b)al hun bestaande rechten behouden op het moment van hun overheveling (artikel 128, §2, OCMW-wet). Er is derhalve geen wettelijke grondslag voorhanden op grond waarvan de ene categorie van personeelsleden een ongunstiger statuut zou moeten hebben dan de andere. Artikel 135duodecies is derhalve ongrondwettig en houdt een schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het, zoals door het arrest gedaan wordt, in die zin geïnterpreteerd moet worden dat vanaf de inwerkingtreding van die bepaling, personeelsleden die vanuit het OCMW naar een ziekenhuis werden overgeheveld een minder gunstig statuut kunnen krijgen dan zij die in dienst zijn gebleven van het OCMW, nu er geen enkele wettelijke grondslag bestaat voor een onderscheiden behandeling tussen beide categorieën van personeelsleden en de wetgever, integendeel, hen steeds op dezelfde voet heeft behandeld, door de overgehevelde personeelsleden met "hetzelfde statuut" (artikel 128, §1, OCMW-wet) te bedelen en aan de overgehevelde personeels-leden het behoud van hun bestaande rechten te waarborgen bij de overheveling als hadden zij in hun dienst van herkomst het ambt dat zij bij hun overplaatsing bekleedden, verder uitgeoefend. Het arrest dat op grond van die ongrondwettige bepaling aan de eisers het voordeel van "hetzelfde statuut" op grond van artikel 128, §1, van de OCMW-wet weigert, is niet wettig verantwoord (schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet 128 en 135duodecies van de OCMW-wet). Minstens verzoeken de eisers het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te willen voorleggen: "Is de bepaling van artikel 135duodecies van de OCMW-wet van 8 juli 1976, al dan niet samen gelezen met artikel 128 van dezelfde wet, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover aan die bepalingen de interpretatie zou worden gegeven dat zij het mogelijk maken om ook personeelsleden van de ziekenhuisverenigingen die voorheen bij het OCMW in dienst waren, een ongunstiger statuut toe te kennen dan het statuut van hun collega's die na de verzelfstandiging van de ziekenhuizen tot ziekenhuisverenigingen op 1 januari 1996 in dienst van het OCMW zijn gebleven?" III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, enerzijds dat de duidelijke en strikte regel van artikel 128, §1, van de Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschapplijk Welzijn, hierna OCMW-wet genoemd, niet stilzwijgend is opgeheven ten aanzien van de betrokken verenigingen, anderzijds, dat het administratief en geldelijk statuut, zoals het voor het ziekenhuispersoneel bepaald wordt door het OCMW, niet noodzakelijk identiek is aan het administratief en geldelijk statuut van het andere OCMW-personeel, aangezien de bepaling van artikel 128 van de OCMW-wet moet worden samengelezen met de overige bepalingen van deze wet en in het bijzonder met artikel 42, zesde lid, dat inhoudt dat de raad van het OCMW het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het ziekenhuis bepaalt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 2. Krachtens artikel 118 van de OCMW-wet, kan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, om een van de opdrachten uit te voeren die door deze wet aan de centra zijn toevertrouwd, een vereniging tot stand brengen met een of meer andere openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met andere openbare besturen en/of met rechtspersonen, andere dan die welke winstoogmerken hebben. 3. Krachtens artikel 128, §1, van de OCMW-wet, zijn de personeelsleden van een vereniging, onverminderd de toepassing van de paragrafen 2 en 3 van diezelfde bepaling, onderworpen aan hetzelfde administratief statuut, geldelijk statuut en pensioenstelsel en aan dezelfde bepalingen van deze wet als die welke van toepassing zijn op de personeelsleden van het centrum dat de gemeente bedient waar de zetel van de vereniging gevestigd is. 4. Krachtens artikel 42, vijfde lid, van de OCMW-wet, geniet het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente waar de zetel van het centrum is gevestigd. 5. Artikel 42, zesde lid, van de OCMW-wet bepaalt, enerzijds, dat de raad voor maatschappelijk welzijn afwijkingen vaststelt van het in het vorig lid bedoelde statuut, voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het centrum het nodig zou maken, en anderzijds, dat de raad het administratief en geldelijk statuut bepaalt inzake de betrekkingen die onbestaande zijn op gemeentelijk vlak evenals dat van het personeel van het ziekenhuis. 6. Uit de samenlezing van deze wetsbepalingen volgt dat de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van de plaats van de zetel waar de vereniging gevestigd is, een bijzonder administratief en geldelijk statuut kan bepalen voor het naar een ziekenhuis overgeheveld personeel. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde onderdeel 7. Het arrest oordeelt, op grond van de samenlezing van de artikelen 128 en 42, zesde lid, van de OCMW-wet, dat de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van de plaats waar de zetel van de vereniging gevestigd is, een afwijkend statuut bepaalt voor het ziekenhuispersoneel, waardoor hun administratief en geldelijk statuut niet noodzakelijk identiek is aan dat van het andere OCMW-personeel. 8. Mede op die grond oordelen zij dat de werknemers van de ziekenhuisverenigingen die op 1 januari 1996 naar deze verenigingen werden overgeheveld, in de OCMW-wet niet het subjectieve recht vinden om van de ziekenhuisvereniging dezelfde wijzigingen aan hun statuut te eisen als de wijzigingen die door het OCMW sedert 1 januari 1996 werden aangebracht aan het statuut van het personeel dat niet werd overgeheveld. Aldus oordelen de appelrechters dat voor het ziekenhuispersoneel geen afwijkend statuut moet worden opgesteld vermits het ziekenhuispersoneel zich immers niet kan beroepen op een identiek statuut als dat van het overige OCMW-personeel en steeds geniet van een bijzonder administratief en geldelijk statuut. Zodoende beantwoorden zij het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel 9. Het onderdeel dat er van uitgaat dat de appelrechters hun beslissing louter gronden op artikel 128 van de OCMW-wet en niet op grond van artikel 42, zesde lid, van deze wet, mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 10. Het onderdeel dat aanvoert dat artikel 135bis van de OCMW-wet niet van toepassing is op de rechtssituaties van de eisers, waardoor die niet onder het toepassingsveld van hoofdstuk XIIbis van die wet vielen, komt op tegen een ten overvloede gegeven reden en verhindert niet dat de beslissing van de appelrechters wettig verantwoord blijft op grond van artikel 42, zesde lid, van de OCMW-wet. 11. Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 12. Het onderdeel dat de appelrechters verwijt hun beslissing te hebben gesteund op artikel 135sexies, terwijl deze bepaling niet handelt over het statuut van het personeel van een vereniging, maar enkel bepaalt hoe de controle over de beslissingen van de vereniging wordt uitgeoefend, verhindert niet dat de beslissing van de appelrechters wettig verantwoord blijft op grond van artikel 42, zesde lid, van de OCMW-wet. 13. Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Derde en vierde onderdeel 14. De onderdelen komen op tegen een overweging die geen weerslag heeft op de wettigheid van de beslissing van de appelrechters en zijn mitsdien niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel 15. Het onderdeel gaat er van uit dat er voor de inwerkingtreding van artikel 135duodecies van de OCMW-wet geen mogelijkheid bestond om voor het ziekenhuispersoneel af te wijken van het statuut van het OCMW-personeel. 16. Gelet op het antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel gaat het onderdeel uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt het dienvolgens naar recht. Tweede en derde onderdeel 17. De onderdelen voeren de ongrondwettelijkheid aan van artikel 135duodecies van de OCMW-wet. 18. De aangevoerde ongrondwettigheid van deze wetsbepaling heeft geen weerslag op de beslissing van de appelrechters dat de eisers, op grond van de samenlezing van de artikelen 128 en 42, zesde lid, van de OCMW-wet, in de OCMW-wet niet het subjectieve recht vinden om van de ziekenhuisvereniging dezelfde wijzigingen aan hun statuut te eisen als de wijzigingen die door het OCMW sedert 1 januari 1996 werden aangebracht aan het statuut van het niet-overgehevelde personeel, die, zoals werd vastgesteld onder randnummer 8, wettig verantwoord is. 19. Het Hof is er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over een wetsbepaling die geen weerslag heeft op de wettigheid van de beslissing. 20. De onderdelen vertonen mitsdien geen belang en zijn niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 482,59 euro jegens de eisende partijen en op de som van 102,84 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 3 november 2008 uitgesproken door afdelings-voorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div