id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.4 Rolnummer: S.07.0013.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-11-24 Raadplegingen: 808 - laatst gezien 2026-07-03 06:19 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081103.4 Fiches 1 - 2 Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11, van de Grondwet worden geschonden, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen. Indien aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan gesteld worden door die wetsbepaling, binnen het kader van de bestaande wettelijke regeling, aan te vullen, dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, kan en moet de rechter dit doen. Indien evenwel de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een andere regeling wordt ingevoerd, die een hernieuwde maatschappelijke afweging van belangen door de wetgever of een aanpassing van een of meer andere wettelijke bepalingen vereist, kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - TOEPASSINGSSFEER. PERSONEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Onbezoldigde stagiairs - Leemte in de wet - Vastgestelde schending van artikel 10 en 11 G.W. - Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 28 Wet - 10-04-1971 - Artt. 1 en 3 Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERZEKERING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Onbezoldigde stagiairs - Leemte in de wet - Vastgestelde schending van artikel 10 en 11 G.W. - Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 28 Wet - 10-04-1971 - Artt. 1 en 3 Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. MORTIER, Cass., 3 nov. 2008, AR S.07.0013.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Bevoegdheid - Leemte in de wetgeving - Bevoegdheid van de rechter tot het invullen van de vastgestelde leemte Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Vastgestelde schending van artikel 10 en 11 G.W. - Leemte in de wet - Bevoegdheid van de rechter Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - TOEPASSINGSSFEER. PERSONEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Onbezoldigde stagiairs - Leemte in de wet - Vastgestelde schending van artikel 10 en 11 G.W. - Bevoegdheid van de rechter Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERZEKERING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Onbezoldigde stagiairs - Leemte in de wet - Vastgestelde schending van artikel 10 en 11 G.W. - Bevoegdheid van de rechter Tekst van de beslissing Nr. S.07.0013.N AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, voorheen AXA ROYALE BELGE, verzekeringsmaatschappij, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen C.G., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 maart 2006 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. - de artikelen 10, 11, 33, 35, 36, 37, 40, 105, 108, 144 en 159 van de Grondwet; - het algemeen rechtsbeginsel houdende de scheiding der machten; - de artikelen 5, 6 en 23 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1, 1°, en 3, 1°, en voor zoveel als nodig, 5, 1°, van de Arbeidsongevallen-wet; - artikel 1, §1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 121 en 122 van de Arbeidsovereenkomstenwet; - artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 juli 1995 waarbij sommige categorieën studenten uit het toepassingsgebied van Titel VI van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden gesloten; - artikel 28 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Aangevochten beslissing Na vooreerst terecht vastgesteld te hebben dat "(het) Arbitragehof (...) de Arbeidsongevallenwet ongrondwettig (acht) in zoverre zij niet van toepassing is op een bepaalde categorie van personen, de onbezoldigde stagiairs die, tijdens het verrichten van de door hun studieprogramma voorgeschreven arbeid in een bedrijf, het slachtoffer zin van een arbeidsongeval" en dat "(de verweerder) (...) op 20 augustus 1996 (dag van het ongeval) (behoorde) tot die categorie van personen" (arrest, p. 12), bevestigt het arrest het vonnis van de arbeidsrechtbank in zoverre het de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 van toepassing had verklaard en de vordering van de verweerder jegens de eiser toelaatbaar en ontvankelijk had verklaard, op grond van de volgende overwegingen: "Het artikel 28 Bijzondere Wet op het Arbitragehof bepaalt dat ‘het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld (...), voor de oplossing van het geschil (...), zich (moet) voegen naar het arrest van het Arbitragehof. Dit geldt temeer daar het Arbitragehof de strijdigheid van de leemte in de regelgeving in het beschikkend gedeelte van zijn arrest opneemt (...). Gelet op hun rechtstreekse werking in de verhouding tussen de beschermde burger en de wetgevende overheid, kan worden aangenomen dat de grondwettelijke beginselen van gelijke behandeling en niet-discriminatie, voor de beschermde burger een overeenkomstig grondwettelijk subjectief recht inhouden. Dan is elk beschermd rechtssubject de titularis van een grondwettelijk vorderingsrecht dat aanspraak geeft op gelijke behandeling en dat juridisch afdwingbaar is zodra het Arbitragehof de daarmee strijdige wetgeving ongrondwettig heeft verklaard. Eens, zoals te dezen, de ongrondwettige lacune vastgesteld (wegens het ontbreken van een wettelijke norm en dus wegens de onvolledigheid van de wet), geven de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dan een in rechte afdwingbare aanspraak op grondwettige gelijke behandeling, in overeenstemming met de bevindingen van het arrest waarin het Arbitragehof tot ongrondwettigheid beslist. Hoven en rechtbanken hebben natuurlijk geen legifererende bevoegdheid. Maar, de rechter moet recht spreken in de aan zijn oordeel onderworpen zaak, zelfs bij stilzwijgen of onvolledigheid van de wet (cf. artikel 5 van het Gerechtelijk. Wetboek ; De Leval, ‘Institutions judiciaires, Introduction au droit judiciaire privé', nr. 42, p. 80-81: bij de bespreking van de fundamentele principes van de rechtsprekende taak, verwoord in de artikelen 5, 6 en 23 van het Gerechtelijk Wetboek, onderstreept die auteur dat rechtspraak geen formele rechtsbron is en dat de rechter de wettelijke leemte moet verhelpen en invullen). Krachtens de aangehaalde wettelijke verplichting ‘zich te voegen naar' het prejudicieel arrest van het Arbitragehof, acht dit arbeidshof dat het dit grondwettigheidsprobleem vermag op te lossen, alsmede het grondwettelijk subjectief recht helpen af te dwingen door de grondwetsconforme gelijke behandeling toe te kennen waarop dit subjectief recht aanspraak geeft (...). Dit arbeidshof, als verwijzende rechter, voegt zich voor de oplossing van het voorliggend geschil naar het arrest van 16 november 2004 van het Arbitragehof en past de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 toe op de onbezoldigde stagiair die (de verweerder) ten tijde van zijn litigieus ongeval van 20 augustus 1996 was. Dit (arbeids)hof beslist aldus inzonderheid tot bevestiging van de zinsnede in het motiverend gedeelte van het bestreden vonnis, luidend: "zodat ook de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 van toepassing is" (arrest, pp. 12-14). Grief
- Krachtens artikel 1 van de Arbeidsongevallenwet, is deze wet van toepassing op alle personen die als werkgever, werknemer of daarmee gelijkgesteld, geheel of gedeeltelijk vallen onder: 1° de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Deze laatste wet vindt toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden (artikel 1, §1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969). Krachtens artikel 121 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling en ongeacht de benaming die daaraan gegeven is, vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Krachtens artikel 122 van de wet van 3 juli 1978, kan de Koning onder welbepaalde voorwaarden, sommige categorieën van studenten, hetzij zonder meer, hetzij mits bepaalde regelen uit het toepassingsgebied van deze wet sluiten. Bij artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 14 juli 1995 werden aldus die studenten uitgesloten die bij wijze van stage onbezoldigde arbeid verrichten die deel uitmaakt van hun studieprogramma. Op grond van artikel 3 van de Arbeidsongevallenwet, kan de Koning: 1° volgens de nadere regelen die Hij bepaalt de toepassing van deze wet uitbreiden tot nadere categorieën van personen. Overeenkomstig artikel 5 van de Arbeidsongevallenwet, worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met: 1° werknemers: de personen die daarmee worden gelijkgesteld voor de toepassing van de in artikel 1 bedoelde wetten en de personen tot wie de koning de toepassing van onderhavige wet uitbreidt ter uitvoering van artikel
- De Koning heeft echter van die mogelijkheid van artikel 3, 1°, van de Arbeidsongevallenwet geen gebruik gemaakt ten aanzien van de onbezoldigde stagiairs die, tijdens het verrichten van de door hun studieprogramma voorgeschreven arbeid, het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval.
- Door het Arbitragehof werd bij arrest van 16 november 2004, in antwoord op een door het arbeidshof in de voorliggende zaak gestelde prejudiciële vraag, gesteld dat de Arbeidsongevallenwet een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat hij niet van toepassing is op onbezoldigde stagiairs, daar waar diezelfde categorie van personen wel beschermd worden door de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, wat betreft hun activiteiten in het bedrijf, en zowel het arbeidsongeval als de beroepsziekte, ongeacht hun specifieke kenmerken, beide hun oorzaak vinden in de uitoefening van beroepsarbeid. Dat de onbezoldigde stagairs niet onder de toepassing vallen van de Arbeidsongevallenwet is evenwel te wijten aan het feit dat de regelgever (in casu: de Koning) geen gebruik heeft gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om de toepassing van de wet krachtens artikel 3, 1°, van de Arbeidsongevallenwet uit te breiden tot de categorie van de onbezoldigde stagiairs. Hoewel de rechter, krachtens artikel 28 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof, ertoe gehouden is zich voor de oplossing van het hem voorliggend geschil te voegen naar het arrest van het Arbitragehof, laat deze bepaling geenszins toe dat de rechter zich in de plaats van de regelgever stelt en het toepassingsgebied van een wet uitbreidt tot een bepaalde categorie van personen, daar waar de wet dit niet bepaalt. Evenmin vermag de rechter een door het Arbitragehof vastgestelde ongrondwettelijke discriminatie herstellen, door op grond van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet het toepassingsgebied van een wet uit te breiden tot een bij die wet niet voorziene categorie. Artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek verbiedt de rechter te weigeren recht te spreken onder enig voorwendsel, zelfs van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid van de wet. Artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek verbiedt de rechter een uitspraak te doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking. Artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het gezag van het rechterlijk gewijsde beperkt is tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Noch in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, noch in artikel 28 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof, noch in de artikelen 5, 6 en 23 van het Gerechtelijk Wetboek kan een wettelijke grondslag gevonden worden voor een optreden van de rechter waarbij hij het voordeel van een wettelijke bepaling toekent aan een bepaalde categorie van personen, hoewel de wet dit niet bepaalt en de ter zake bevoegde regelgever van de wettelijk mogelijkheid om ook die categorie van personen op te nemen in het toepassingsgebied van die wet, geen gebruik heeft gemaakt. De bevoegdheid om deze lacune te herstellen berust, krachtens de artikelen 35, 36, 37 en 105 van de Grondwet, immers uitsluitend bij de regelgever. Het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten, evenals de bepalingen van de Grondwet inzake de bevoegdheid van de Rechterlijke Macht (de artikelen 40, 144 en 159 van de Grondwet), verhinderen dat de rechter zich in de plaats stelt van de regelgever en het verzuim herstelt door aan degene die door de regelgever niet in het toepassingsgebied van de wet werd opgenomen, alsnog het voordeel van de toepassing van die wet toe te kennen. Het bestreden arrest oordeelt evenwel dat het krachtens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, 28 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof, evenals de artikelen 5, 6 en 23 van het Gerechtelijk Wetboek, het "grondwettigheidsprobleem vermag op te lossen, alsmede het grondwettelijk subjectief recht vermag helpen af te dwingen door de grondwetsconforme gelijke behandeling toe te kennen waarop (het) subjectief recht (dat de grondwettelijke beginselen van gelijke behandeling en niet-discriminatie voor de beschermde burger inhouden) aanspraak (geeft)" (arrest, pp. 12-13). Door op die grondslag te oordelen dat de arbeidsongevallenwet van toepassing is op de verweerder, hoewel hij als onbezoldigd stagiair krachtens de wet niet onder het personeel toepassingsgebied van die wet valt, - schendt het arrest de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, 28 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof, evenals 5, 6 en 23 van het Gerechtelijk Wetboek waarin geen wettelijke grondslag gevonden kan worden voor een dergelijk rechterlijk optreden; - gaat het arbeidshof zijn bevoegdheid te buiten en miskent het de bevoegdheid van de regelgever (schending van de artikelen 33, 35, 36, 37, 40, 105, 108, 144 en 159 van de Grondwet evenals het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten); - schendt het arrest de artikelen 1, 1°, en 3, 1°, en, voor zoveel als nodig 5, 1°, van de Arbeidsongevallenwet inzake het personeel toepassingsgebied van die wet, juncto artikel 1, §1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969, evenals de artikelen 121 en 122 van de Arbeidsovereenkomstenwet en 1, 3°, van het koninklijk besluit van 14 juli 1995 waarbij sommige categorieën van studenten uit het toepassingsgebied van Titel VI van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten werden gesloten. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Luidens artikel 28 van de Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, moet het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk andere rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.
- In antwoord op de door de appelrechters in hun tussenarrest van 5 februari 2004 gestelde prejudiciële vraag, oordeelt het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 16 november 2004 dat de specifieke kenmerken van een arbeidsongeval en een beroepsziekte niet dermate verschillen dat het verantwoord zou zijn een categorie van personen, te dezen de onbezoldigde stagiairs, aan de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 3 juni 1970, te onderwerpen en niet aan de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 voor wat betreft hun activiteiten in het bedrijf. Op grond hiervan zegt het Grondwettelijk Hof voor recht dat de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat zij niet van toepassing is op de onbezoldigde stagiairs die, tijdens het verrichten van de door hun studieprogramma voorgeschreven arbeid in een bedrijf, het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval.
- Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen. Of de rechter een dergelijke leemte kan opvullen, hangt af van de leemte zelf. Indien aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gesteld door die wetsbepaling, binnen het kader van de bestaande wettelijke regeling, aan te vullen dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan en moet de rechter dit doen. Indien evenwel de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een andere regeling wordt ingevoerd, die een hernieuwde maatschappelijke afweging van belangen door de wetgever of een aanpassing van een of meer andere wettelijke bepalingen vereist, kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen.
- De leemte in de Arbeidsongevallenwet die het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 16 november 2004 heeft vastgesteld, kan niet zonder meer worden opgevuld door die wet van toepassing te verklaren op de onbezoldigde stagiairs die, tijdens het verrichten van de door hun studieprogramma voorgeschreven arbeid in een bedrijf, het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval. Het opvullen van die leemte vereist onder meer dat bepaald wordt wie voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet wordt beschouwd als de werkgever op wie de strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting rust een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan voor de bedoelde onbezoldigde stagiairs. De rechter kan dit niet in de plaats van de wetgever bepalen.
- De appelrechters die oordelen dat uit het subjectief recht op gelijke behandeling en niet-discriminatie en de wettelijke verplichting om zich te voegen naar het ten gevolge van de prejudiciële vraag gewezen arrest van het Grondwettelijk Hof, voortvloeit dat zij de bevoegdheid hebben het grondwettigheidsprobleem op te lossen door de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 toe te passen op de onbezoldigde stagiair die de verweerder op 20 augustus 1996, datum van het ongeval was, schenden artikel 28 van de Bijzondere wet op het Arbitragehof evenals het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 3 november 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081103.4 geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2013:ARR.20131218.7 ECLI:BE:CALIE:2014:ARR.20140422.14 ECLI:BE:CALIE:2015:ARR.20150527.6 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090902.5 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100113.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100210.3 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110929.5 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120305.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141120.1 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181121.2 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190315.1 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201105.1F.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220420.2F.8 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.5 ECLI:BE:TTLIE:2015:JUG.20150512.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div