← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.7 Rolnummer: S.08.0007.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-11-25 Raadplegingen: 517 - laatst gezien 2026-07-03 03:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche Met werkgever, die krachtens artikel 49, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet verplicht is een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming en ten opzichte van wie het Fonds voor arbeidsongevallen krachtens artikel 60, van dezelfde wet voor bepaalde uitkeringen, kapitalen en bedragen een verhaalsrecht heeft zo hij in gebreke blijft, wordt diegene bedoeld die in eigen naam en voor eigen rekening werknemers in het kader van een arbeidsovereenkomst tewerkstelt of hiermede gelijkgestelde personen. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERZEKERING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Arbeidsongevallenverzekering SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Arbeidsongevallenverzekering - Fonds voor arbeidsongevallen Vrije woorden: Verplichting in hoofde van de werkgever - Begrip werkgever Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Artt. 49, eerste lid, en 60 Tekst van de beslissing Nr. S.08.0007.N B.A., eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 99, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, openbare instelling, met burelen te 1050 Elsene, Troonstraat 100, verweerder 2. V.M., verweerster, in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 september 2007 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 1, inzonderheid 1°, 49, inzonderheid lid 1, 58, inzonderheid §1, 3°, 60, inzonderheid lid 1, en 91quater, inzonderheid 1°, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (de artikelen 49 en 58 zoals van kracht vóór en voor zoveel als nodig ook na wijziging bij wet van 10 augustus 2001, artikel 60 zoals van kracht vóór en voor zoveel als nodig ook na wijziging bij wet van 22 februari 1998, en artikel 91quater zoals van kracht vóór en voor zoveel als nodig ook na wijziging bij wet van 29 april 1996); - artikel 1, inzonderheid §1, lid 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten (zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 23 maart 1994 en voor zoveel als nodig ook na deze wijziging en na de wijziging bij wetten van 2 augustus 2002 en 24 januari 2003). Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond, verklaart de vordering in tussenkomst en vrijwaring van de verweerder tegen de eiser, gesteund op het verhaalsrecht van artikel 60, lid 1, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gegrond en veroordeelt bijgevolg de eiser tot betaling aan de verweerder van alle bedragen die deze laatste aan de verweerster is verschuldigd als jaarlijkse rente op basisloon (15 pct. van 15.258,81 euro meer intresten), als begrafeniskosten (1.254,81 euro meer intresten) en als kosten van overbrenging van de overledene (538,67 euro meer intresten), dit na te hebben geoordeeld dat de verweerster met de eiser door een arbeidsovereenkomst was verbonden in de zin van artikel 1, §1, lid 1, van de Sociale Zekerheidswet van 27 juni 1969 juncto de artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 juncto artikel 1, 1°, van de Arbeids-ongevallenwet van 10 juli 1971 en dat de eiser aldus als werkgever was te beschouwen in de zin van de artikelen 1, 1°, 49, lid 1, 58, §1, 3°, 60, lid 1, en 91quater, 1°, van de Arbeidsongevallenwet van 10 juli 1971, deze beoordeling op volgende motieven steunend: "Normering: 3.1. Artikel 1 Arbeidsongevallenwet dat het personeel toepassingsgebied omschrijft, stelt dat deze wet van toepassing is op alle werkgevers en werknemers die onder de toepassing van de R.S.Z.-wet van 27 juni 1969 vallen. 3.2. Artikel 1, eerste lid, 1°, Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt dat de arbeidsongevallenwet toepassing vindt op alle personen die als werkgever, werknemer of daarmee gelijkgestelde, geheel of gedeeltelijk vallen onder de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers. Artikel 1, §1, eerste lid, van de R.S.Z.-wet van 27 juni 1969 bepaalt dat deze wet toepassing vindt op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Voor de definitie van het begrip ‘arbeidsovereenkomst' dient verwezen naar de artikelen 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 alwaar dit begrip omschreven wordt als ‘de overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten'. Iedere persoon, hetzij natuurlijke of rechtspersoon, private of publieke, die natuurlijke personen tewerkstelt in de uitvoering van een arbeidsovereenkomst bezit de hoedanigheid van ‘werkgever' in de zin van de R.S.Z.-wet. Om te beslissen of B.V.H. al dan niet onder toepassing viel van het algemeen stelsel van sociale zekerheid, dient men uitsluitend de aard van het rechtsverband na te gaan tussen haar en (de eiser) die uit haar arbeid voordeel heeft gehaald, m.a.w. indien de voorwaarden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst vervuld zijn, i(

  1. s)het stelsel in principe van toepassing. De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn gekend: overeenkomst, arbeid, loon en het gezag of het ondergeschikt verband. Het zijn deze constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de arbeidsrelatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. 3.3. Nu (de verweerster) zich beroept op de toepassing van de Arbeidsongevallenwet, dient zij het bestaan van een arbeidsovereenkomst in hoofde van wijlen B.V.H. met (de eiser) te bewijzen. Wat de bewijslastverdeling betreft, geldt dat de partij die zich beroept op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert. (...). 3.4. In casu wordt geen schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegd. In principe hoeft een arbeidsovereenkomst niet schriftelijk te worden aangegaan. Een bewijs van een mondelinge arbeidsovereenkomst kan gebeuren met getuigen (artikel 12 van de Arbeidsovereenkomstenwet). Ook feitelijke vermoedens zijn in dat geval toegelaten (artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek). Toepassing: 4.1. (De eiser) sloot op 20 september 1983 een overeenkomst af met de leden van de feitelijke vereniging ‘Ontspanningscentrum van het Personeel van Financiën' (O.P.F.), als medecontractant in twee hoedanigheden: 1) als exploitant (zelfstandig handelaar) en 2) als huisbewaarder. Artikel 4 van deze overeenkomst bepaalt verder: ‘De exploitant verklaart hierbij formeel dat hij het restauratie- en barbedrijf volledig meester is, hetgeen o.m. inhoudt dat hij kan instaan voor het klaarmaken, presenteren en serveren van feestmalen en banketten, hetzij zelf, hetzij met behulp van door hem aan te werven en te bezoldigen personeel'. Deze tekst is duidelijk: aan (de eiser) wordt de mogelijkheid geboden personeel aan te werven en te bezoldigen. 4.2. (De eiser) brengt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 24 november 2005 (cf. supra 2.1.) bij waarin de aangevulde kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen vaststelt dat tussen partijen niet langer betwisting bestaat over het feit dat (de eiser) gedurende zijn tewerkstelling bij de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Federale Overheidsdienst Financiën, verbonden was door een arbeidsovereenkomst. Verder is de arbeidsrechtbank van oordeel dat (de eiser) was tewerkgesteld als bediende en als gerant, hoofdzakelijk belast met hoofdarbeid. De tweeledigheid van de uitgeoefende functie van (de eiser) lag reeds besloten in de bewoordingen van de overeenkomst afgesloten tussen (de eiser), genoemd als ‘medecontractant' en het O.P.F.: enerzijds als exploitant (zelfstandig handelaar) en anderzijds als huisbewaarder. Het arbeidsrechtelijk statuut van (de eiser) in de arbeidsrelatie met de Federale Overheidsdienst Financiën is naar het oordeel van het (arbeids)hof dan ook dit van een contractueel bediende in het Ontmoetingscentrum O.P.F. en niet van statutair ambtenaar bij FOD Financiën. Ook het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 13 februari 2003 had tot het bediendenstatuut van (de eiser) besloten (blz. 11 in fine). Gewijsde: 5. Het hof van beroep motiveert in het aangehaalde arrest op blz. 12: ‘dat in het kader van de wettelijke strafrechtelijke toerekening hieraan onmiddellijk dient te worden toegevoegd dat de concrete elementen van het strafdossier aantonen dat beklaagde A. B. (thans de eiser) een werknemer was die over een zeker gezag beschikte en een zekere leiding uitoefende over het personeel waarvan sprake in de dagvaarding, en dat, in tegenstelling tot wat beklaagde A. B. concludeert, B.V.H. in de nacht van 13 op 14 november 1993 op terugweg was van haar werk in het restaurant van het O.P.F.; dat het begrip ‘aangestelde' in de tenlasteleggingen in die zin dient te worden begrepen: een werknemer die over een zeker gezag beschikt en een zekere leiding uitoefent; dat de omstandigheid dat beklaagde A. B. geen zelfstandige uitbater was en niet de eigenaar was van de onderneming e(
  2. r)geen afbreuk aan doet dat hij als werknemer concreet over de betreffende personen een zeker gezag en leiding had en hij daarbij diende te waken over de naleving van de sociale wetgeving terzake, hetgeen hij manifest niet gedaan heeft'. De belangrijke overweging maakt deel uit van hetgeen door het hof (van beroep) noodzakelijk, zeker en vaststaand werd beslist, nu dit precies de overweging was om B. als aangestelde te veroordelen voor de inbreuken op de sociale wetgeving en niet de Belgische Staat (C. Van Den Wyngaert, Strafrecht en strafprocesrecht, Maklu, Antwerpen, 1998, p. 629: ‘Alles wat in rechte vereist is om de beslissing van de strafrechter te motiveren, d.w.z. niet enkel het beschikkend gedeelte, maar ook de motivering (artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) is ‘noodzakelijk' en bindt op die grond de burgerlijke rechter'). Door het hof van beroep wordt (de eiser) in het kader van de wettelijke strafrechtelijke toerekening gekwalificeerd als ‘aangestelde' en niet als ‘werkgever'. Wat de verdere lezing van dit arrest betreft, dient vastgesteld dat het hof (van beroep) duidelijk stelt dat het de strafrechtelijke kwalificaties ‘in het kader van de wettelijke strafrechtelijke toerekening' benadert. Het hof van beroep heeft gesteld dat (de eiser) een werknemer was die over een zeker gezag beschikte en een zekere leiding uitoefende over het personeel waarvan sprake in de dagvaarding zijnde de werknemers B.V.H. , C.V.W., S.V. en A.A. Een werknemer (de eiser) die over een zeker gezag beschikt en een zekere leiding uitoefent werd door het hof van beroep gekwalificeerd als ‘aangestelde' in de zin van de voorgelegde tenlasteleggingen. Het hof van beroep herhaalt dat (de eiser) werknemer was van de Belgische Staat en dat hij de bewezen feiten heeft gepleegd in de uitoefening van zijn toevertrouwde functie als werknemer. Het hof (van beroep) heeft niet expliciet gesteld dat wijlen B.V.H. verbonden was met een arbeidsovereenkomst met (de eiser). Het hof (van beroep) stelde weliswaar uitdrukkelijk dat er ‘een gezagsrelatie bestond tussen de heer B. en de Belgische Staat op basis van een arbeidsovereenkomst'; maar nergens in het arrest nam het hof (van beroep) een standpunt in over wie de werkgever van V. H. was. Uit het arrest kan worden afgeleid dat B. ‘als werknemer concreet over de betreffende personen een zeker gezag en leiding had en hij daarbij diende te waken over de naleving van de sociale wetgeving terzake' maar ook ‘dat het O.P.F. zich trouwens concreet wel bemoeide met het feit dat beklaagde A. B. personeel aanwierf: het O.P.F. informeerde bij een interimkantoor hoeveel het personeel kost, rekende uit hoeveel winst beklaagde A. B. kon maken en drukte erop dat er bijkomend personeel moest komen omdat beklaagde A. B. zonder bijkomend personeel zijn taak moeilijk kon vervullen'. Tevens werd de Belgische Staat burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de kosten ten laste van B. gelegd. Het hof van beroep heeft dus niet noodzakelijk, zeker en vaststaand geoordeeld over de vraag of V. H. in dienst was van de Belgische Staat of van B. . 6. In het sociaal strafrecht dienen de begrippen ‘werkgever, lasthebber of aangestelde', die niet eigen zijn aan het strafrecht, autonoom geïnterpreteerd. Het begrip ‘aangestelde' in het sociaal strafrecht bezit een eigen betekenis die niet volledig overeenstemt met de betekenis die het begrip heeft in artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek of artikel 46, §1, van de Arbeidsongevallenwet, i.e. ‘de persoon die in een band van ondergeschiktheid arbeid verricht'. Naast deze band van ondergeschiktheid is vereist dat de aangestelde bekleed is met het gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken, ook al is die bevoegdheid naar de tijd of naar de plaats beperkt. Het sociaal misdrijf kan in beginsel niet worden toegerekend aan een aangestelde die louter handelt op bevel van de werkgever (Cass. 15 september 1981, R.W. 1981/1982, 1124, noot H.D. Bosly, ‘De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de lasthebber of de aangestelde in het sociaal recht', geciteerd door Procureur-generaal De Swaef, in zijn conclusie voor Cass. 10 mei 2005, P.04.1693.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050510.4., www.cass.
  3. be). Het hof van beroep heeft de Belgische Staat burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de kosten, ten laste van huidig (eiser) gelegd overeenkomstig artikel 162, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De burgerlijke vordering is in principe gericht tegen de beklaagde, maar kan tevens gericht worden tegen de persoon die, krachtens de regels van de aquiliaanse aansprakelijkheidsrecht, burgerlijke aansprakelijk is voor de door de beklaagde veroorzaakte schade (artikel 1384 van het burgerlijk Wetboek) (C. Van Den Wyngaert, ‘Strafrecht, strafprocesrecht & Internationaal strafrecht', Maklu-Uitgevers, 2003, blz. 497). Het is krachtens de wettelijke bepaling van artikel 162, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dat de Belgische Staat, in de persoon van de Minister van Financiën, als burgerrechtelijk aansprakelijke partij werd gesteld voor de kosten ten laste van geklaagde B. gelegd. Dit bevestigt (alleen) de civielrechtelijke relatie tussen de Belgische Staat en (de eiser) in de strafzaak, hetgeen niet betekent dat hieruit arbeidsrechtelijk kan worden gesproken van een band van ondergeschiktheid. Deze band van ondergeschiktheid werd nadien uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen in het vonnis van 24 november 2005. 7. (De verweerder) stelt naar het oordeel van het (arbeids)hof terecht dat het gezag van gewijsde in strafzaken van het arrest van 13 februari 2003 hem niet kan worden tegengeworpen vermits hij niet bij het strafgeding was betrokken (Cass. 24 april 2006, Strafr. 2007/2, 1001 vernietigt het arrest van het Arbeidshof te Gent van 18 februari 2005, J.T.T. 2005, 369, R.W. 2005-2006, 1184). Deze zienswijze geldt niet voor (de eiser). (De eiser) werd ‘als aangestelde' niet alleen schuldig (vervallen door verjaring) bevonden aan de inbreuk ‘nagelaten te hebben een arbeidsongevallenverzekering te hebben aangegaan' maar werd eveneens veroordeeld (bij eenvoudige schuldverklaring) aan de inbreuk ‘de voorgeschreven sociale documenten, te weten personeelsregister en de individuele rekening niet te hebben opgemaakt'. Uit de vaststellingen van het arrest heeft het hof van beroep (de eiser) weliswaar schuldig (bevonden) aan het feit dat hij geen arbeidsongevallenverzekering heeft afgesloten en dat hij geen sociale documenten heeft opgemaakt, maar het heeft geen uitspraak gedaan over de vraag of wijlen B.V.H. met een arbeidsovereenkomst verbonden was met (de eiser). Het arrest heeft op dat punt geen gezag van gewijsde. 8.1. Uit de voorliggende stukken kan op zich worden afgeleid dat (de eiser) ‘bediende' en tevens ‘aangestelde' was van het Ministerie van Financiën. Dat V. H. onder het gezag van B. was tewerkgesteld op het ogenblik van het ongeval, blijkt naar het oordeel van het (arbeids)hof vooreerst ontegensprekelijk uit het arrest van 13 februari 2003 van het Hof van Beroep te Antwerpen. B. werd immers bij voormeld arrest veroordeeld wegens ‘het niet opmaken van het personeelsregister en het niet-opmaken van de individuele rekening voor V. H. B. voor de periode van 13 en 14 november 1993 (en voor V.W.C. voor de periode van 21 oktober 1992 tot 31 maart 1994)'. Het bijhouden van sociale documenten wordt voorgeschreven door de artikelen 4, §1, 1° en 2°, en artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 en strafbaar gesteld respectievelijk bij artikel 11, §3.b en artikel 11, §1, 1°b, van het voormelde koninklijk besluit nr. 5 (koninklijk besluit nr. 5 betreffende het bijhouden van sociale documenten, B. S. 2 december 1978). Dit koninklijk besluit bepaalt in haar artikel 1 haar toepassingsgebied als volgt: "Dit besluit is van toepassing op de werkgevers en op de werknemers, alsmede op de personen bepaald door de Koning in uitvoering van artikel 4, §2. Voor de toepassing van dit besluit worden gelijkgesteld met: 1° werknemers:
  4. a)de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;
  5. b)...'. Overigens bepaalt artikel 3 van voormeld koninklijk besluit uitdrukkelijk: ‘Dit besluit is niet van toepassing op de aan een statuut onderworpen werknemers die zijn tewerkgesteld door het Rijk, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten'. Uit de veroordeling van B. voor inbreuken op het koninklijk besluit nr. 5, volgt impliciet reeds dat de wet van 3 juli 1967 in casu geenszins van toepassing kan zijn. Deze wet is immers precies van toepassing op het personeel van het Rijk, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten (artikel 1 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, B.S., 10 augustus 1967). Overigens blijkt uit het gewijsde van het arrest van het hof van beroep dat er sprake was van gezag, leiding en toezicht (arrest p. 12, cf. infra). Het Hof van Beroep te Antwerpen veroordeelde immers bij arrest van 13 februari 2003 (de eiser) als ‘aangestelde', bij eenvoudige schuldigverklaring aan de tenlastelegging C, namelijk een inbreuk op de wetgeving betreffende het bijhouden van de sociale documenten, te weten het personeelsregister en de individuele rekening, niet te hebben opgemaakt of aangevuld voor V. H. B. voor de periode van 13 en 14 november 1993 (cf. supra). Dit impliceert dat B.V.H. in de bewuste periode minstens deel uitmaakte van het personeel waarvoor (de eiser) sociale documenten diende op te maken (stuk 4 verweerder). Verder verklaarde M.S. op 24 augustus 1994 dat B.V.H. in feite werkte in het restaurant Dennenburg (stuk 1/13 strafdossier). Tegenover de sociale inspecteurs van het FAO verklaarde (de eiser) op 11 mei 1995 dat B.V.H. als ‘zelfstandig helper' werkte doch niet de avond van haar ongeval (stuk 1/3 strafdossier). Verder is er de verklaring L. van 1 juni 1994: ‘B. in het restaurant Dennenburg werkte. Zij diende er op. Ze werkte deeltijds, altijd in het W.E. en regelmatig in de week ook. Ze werkte er in het zwart, ze was niet ingeschreven. Zij werkte er reeds meerdere jaren. Dit was haar enige werk' (stuk 1/9 strafdossier). V.L., econoom van O.P.F., verklaart met zekerheid te weten dat V. H. B. regelmatig in de weekends en heel soms in de week voor B. werkte op O.P.F. Kapellen. Hij vervolgt met te stellen dat de aandacht dient getrokken op de termen van de overeenkomst waarin bepaald wordt dat hij zelf personeel kan aanwerven en verantwoordelijk is voor de sociale luik van de arbeidsovereenkomst. De personeelsleden van het ministerie vallen onder de wet van 1967. Volgens Louis V. werd voor de exploitatie van het onmoetingscentrum personeel van het Ministerie van Financiën ingeschakeld voor kuisen, tuinieren en onderhoud. Voor de bediening in de bar en het restaurant stelde het Ministerie van Financiën drie contractuele beambten ter beschikking: F. , B. en D. , die samen met (de eiser) werkten. Alle drie verklaarden dat zij na hun reglementaire uren (overuren) verder voor rekening van (de eiser) werkten. (stukken 1/17 V., 1/19 D. , 1/20 B. en 1/22 F. van het strafdossier). Op 7 april 1995 verklaarde S. B. dat zij weet had dat V. H. voor B. gewerkt heeft op O.P.F. (stuk 1/20 strafdossier). E. D. verklaarde op 11 mei 1995 dat al diegenen die in dienst van B. werkten 250 BEF per uur door hem betaald kregen en dat ze soms het zakgeld mochten houden en dat ‘Mevrouw V.W. samen met V. H. de avond voor de heer B. gewerkt heeft ... ‘ (stuk 1/24 strafdossier). Ook C.V.W. verklaarde op 9 juni 1995 dat zij af en toe ging helpen tegen vergoeding van fooi en betaling in natura bij B. (stuk 5/3 strafdossier). Uit het tussentijdse onderzoeksverslag (blz. 4) van de Sociale Inspectie opgesteld op 12 oktober 1995 blijkt dat B.V.H. arbeidsprestaties verrichtte in het O.P.F. op 13 en 14 november 1993 (stuk 10/3 strafdossier). Op 6 februari 1996 verklaarde (de eiser) zelf dat wijlen B.V.H. af en toe in het zwart werkte zoals de anderen. Of zij op 14 november 1993, de dag van het dodelijk ongeval heeft gewerkt, kan hij zich niet meer herinneren. Hij bekent eveneens dat hij het personeel uit zijn eigen zak in het zwart moest betalen: ‘Ik kon hen naar de belastingen toe niet als kosten inbrengen en dus betaalde ik nog eens belastingen op het loon van het zwart personeel'. In fine van zijn verklaring benadrukt hij dat V. H. hier occasioneel kwam helpen. (stuk 24/6 en 7 of blz. 131 en 132 strafdossier). 8.2. De overeenkomst afgesloten tussen (de eiser) en de feitelijke vereniging O.P.F. op 20 september 1983 stipuleerde uitdrukkelijk in artikel 4 dat appellant de mogelijkheid had om personeel aan te werven en te bezoldigen (stuk 1 (eiser)). In een nota aan alle personeelsleden werd door de voorzitter H. V.B. beklemtoond dat het aan iedereen vrijstond om buiten de uurregeling vervat in de arbeidsovereenkomst zijn medewerking te verlenen aan de uitbater bij de exploitatie van de clubhuizen. In dergelijk geval is de vergoeding ten laste van de uitbater. Arbeidsongevallen kunnen in deze gevallen niet ten laste worden gelegd van het Departement. U dient zich ervan te vergewissen dat de uitbater zich hiertegen heeft verzekerd (stuk 1/45 strafdossier, stuk 35 (eiser)). 9. Uit deze elementen blijkt dat de arbeidsverhouding tussen (de eiser) en wijlen B.V.H. op 13 en 14 november 1993 onder de toepassing viel van de Socialezekerheidswet van 27 juni 1969, met als wettelijk gevolg dat de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 van toepassing is op onderhavig verkeersongeval. 10. De stelling van het FAO dat de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 niet van toepassing zou zijn maar wel de Arbeidsongevallenwet Overheidssector van 3 juli 1967, omdat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Federale Overheid Financiën, zowel werkgever van appellant als van ‘diens personeelsleden' waaronder B.V.H. is, wordt door het (arbeids)hof niet bijgetreden, omdat B.V.H. nooit deel heeft uitgemaakt van het personeelsbestand van het Ministerie van Financiën en dat haar nooit enige bezoldiging werd uitbetaald ten laste van de begroting van het Ministerie van Financiën voor ‘arbeidsprestaties' die zij in opdracht van het Ontmoetingscentrum van het Personeel van Financiën (O. P. F.) heeft verricht (stuk 36 strafdossier, brief O.P.F. aan FAO van 19 mei 1994). In onderhavig geval werkten voor de bediening in de bar en in het restaurant drie contractuele beambten na hun reglementaire uren voor rekening van (de eiser), terwijl B.V.H. door (de eiser) was aangeworven om hem af en toe (‘occasioneel' is het woord van (de eiser)) te helpen. B.V.H. was duidelijk geen schakel in het ‘gezamenlijk verricht werk' bij de uitbating van het Ontmoetingscentrum. 11.1. Aan de hand van de sub 8.1. aangehaalde feitelijke elementen levert de verweerder ten genoege van recht het bewijs dat wijlen B.V.H. verbonden was door een arbeidsovereenkomst met (de eiser) op 13 en 14 november 1993, zodat de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 van toepassing dient verklaard te worden. Arbeidswegongeval (...) Basisloon - Kosten (...) Vordering in tussenkomst en vrijwaring 12. Nu het principaal hoger beroep als ongegrond werd afgewezen, is de vordering in tussenkomst en vrijwaring van (de verweerder) gegrond en moet (de verweerder) in toepassing van artikel 58, §1, 3° Arbeidsongevallenwet schadeloosstelling toekennen aangezien (de eiser) als werkgever geen verzekering heeft aangegaan zoals voorgeschreven bij artikel 49, waarna volgens artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet (de verweerder) de schadeloosstelling kan verhalen op de in gebreke zijnde werkgever, de ermee overeenstemmende kapitalen, alsmede de bedragen en kapitalen bedoeld bij artikel 45quater, derde tot en met zesde lid, artikel 59quinquies, en het gedeelte van de prestaties bedoeld in artikel 42bis, tweede lid" (arrest p. 4, al. 3 t/m p. 11, laatste al.) Grieven Krachtens artikel 58, §1, 3°, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (zoals van kracht vóór en voor zoveel als nodig ook na wijziging bij wet van 10 augustus 2001), is het Fonds voor Arbeidsongevallen gehouden tot schadeloosstelling van de werknemer die het slachtoffer is van een arbeidsongeval en ten aanzien van wie de "werkgever" nagelaten heeft overeenkomstig artikel 49, lid 1, van dezelfde wet (zoals van kracht vóór en voor zoveel als nodig ook na wijziging bij wet van 10 augustus 2001) een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een erkende verzekeringsonderneming. Overeenkomstig artikel 60, lid 1, van dezelfde Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (zoals van kracht vóór en voor zoveel als nodig ook na wijziging bij wet van 22 februari 1998), kan het Fonds voor Arbeidsongevallen zich in dat geval verhalen tegen de in gebreke zijnde "werkgever". Het in deze wetsbepaling bedoelde begrip "werkgever" moet, krachtens artikel 1, 1°, van voormelde wet, worden begrepen in de zin van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers. Artikel 1, §1, lid 1, van deze Sociale Zekerheidswet doelt in de regel op de werkgevers en werknemers die door een "arbeidsovereenkomst" zijn verbonden. Luidens de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, is er sprake van een "arbeidsovereenkomst" wanneer een werknemer (bediende of arbeider) zich verbindt om tegen loon en onder gezag van een werkgever arbeid (hoofdarbeid of handenarbeid) te verrichten. Een arbeidsovereenkomst veronderstelt dus, cumulatief, een gezagsverhouding tussen twee personen, de betaling van loon door de ene persoon en het verrichten van arbeid door de andere persoon. De enkele omstandigheid dat een persoon gezag, leiding en toezicht over een andere persoon uitoefent of zelfs dat een persoon aan een andere persoon loon uitbetaalt, maakt van deze persoon echter niet noodzakelijk een "werkgever" in de zin van de hoger vermelde artikelen 1, 1°, 49, lid 1, 58, §1, 30, 60, lid 1, van de Arbeidsongevallenwet, 1, §1, lid 1, van de sociale zekerheidswet van 27 juni 1969 en 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Ook een "werknemer" in de zin van de voormelde wetsbepalingen kan immers, afhankelijk van zijn functie, in opdracht en voor rekening van zijn werkgever in zekere mate gezag, leiding en toezicht uitoefenen of instaan voor de aanwerving en de betaling van het personeel. Dit maakt van die persoon, die zelf door een arbeidsovereenkomst met een werkgever is verbonden, echter niet op zijn beurt een "werkgever" in arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke zin. Wel integendeel, wordt die persoon- "werknemer" in dat geval geacht ten aanzien van het ander personeel te handelen onder gezag en voor rekening van zijn "werkgever". A fortiori kan die persoon niet geacht worden "werkgever" te zijn in arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke zin, wanneer hij strafrechtelijk niet als "werkgever" verantwoordelijk wordt gesteld, maar wel als diens "aangestelde" of "lasthebber", in de betekenis die deze begrippen in het sociaal strafrecht hebben, zo onder meer in artikel 91 quater, 1°, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (zoals van kracht vóór en voor zoveel als nodig ook na wijziging bij wet van 29 april 1996) en in artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten (zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 23 maart 1994 en voor zoveel als nodig ook na deze wijziging en na de wijziging bij wetten van 2 augustus 2002 en 24 januari 2003). Artikel 91 quater, 1°, van de Arbeidsongevallenwet (zoals van kracht vóór en voor zoveel als nodig ook na wijziging bij wet van 29 april 1996) bepaalt dat de "werkgever" zowel als "zijn aangestelden of lasthebbers" strafrechtelijk verantwoordelijk kunnen gesteld worden voor het niet nakomen van de verplichtingen van de wet, waaronder het aangaan van een ongevallenverzekering. Artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten (zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 23 maart 1994 en voor zoveel als nodig ook na de wijziging bij wetten van 23 maart 1994, 2 augustus 2002 en 24 januari 2003) legt de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor het niet bijhouden van de vereiste sociale documenten eveneens op de "werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers". Om een persoon als "lasthebber" of "aangestelde" in de zin van de voormelde wetsbepalingen strafrechtelijk verantwoordelijk te kunnen achten, moet die persoon noodzakelijk in zekere mate bekleed zijn met het werkgeversgezag, waaronder ook valt het toezicht op de naleving van de arbeidswetten en sociale wetten. Precies omdat de aangestelde of lasthebber niet heeft gedaan wat hij in zijn functie had moeten doen, wordt hij strafrechtelijk verantwoordelijk geacht. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat die persoon - "aangestelde" of "lasthebber" geacht wordt te handelen of te moeten handelen in naam en voor rekening van de "werkgever". Zouden ze in eigen naam en voor eigen rekening optreden, dan zouden ze strafrechtelijk verantwoordelijk zijn als "werkgever". Eerste onderdeel Het bestreden arrest beslist dat de eiser "als werkgever geen verzekering heeft aangegaan zoals voorgeschreven bij artikel 49 van de Arbeidsongevallenwet" en besluit om die reden dat de verweerder de door hem aan de verweerster verschuldigde schadeloosstelling overeenkomstig artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet kan verhalen op de eiser (p. 15, randnr. 12). Het bestreden arrest steunt die hoedanigheid van de eiser als "werkgever", in de zin van de artikelen 49 en 60 van de Arbeidsongevallenwet, op de voorafgaande beoordeling van de arbeidsverhouding tussen de eiser en de Belgische Staat, enerzijds, en van de arbeidsverhouding tussen de eiser en het slachtoffer, anderzijds. Wat betreft de arbeidsrelatie tussen de eiser en de Belgische Staat, neemt het bestreden arrest, hierbij bepaalde motieven van het vonnis van de arbeidsrechtbank van 24 november 2005 en het strafrechtelijk arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 13 februari 2003 tot de zijne makend, aan dat de eiser als "contractueel bediende" in dienst was van de Staat (p. 5-6, randnr. 4.2 en p. 8, derde al.), dat de eiser een "werknemer" was die weliswaar "over een zeker gezag beschikte en een zekere leiding uitoefende over het personeel", maar waarbij de feitelijke vereniging zich "concreet wel bemoeide met het feit dat de eiser personeel aanwierf: het O.P.F. informeerde bij een interimkantoor hoeveel het personeel kost, rekende uit hoeveel winst beklaagde A. B. kon maken en drukte erop dat er bijkomend personeel moest komen omdat beklaagde A. B. zonder personeel zijn taak moeilijk kon vervullen" (p. 7, derde al.), en dat de eiser omwille van zijn gezag over het personeel op grond van artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 5 betreffende het bijhouden van sociale documenten als "aangestelde" strafrechtelijk verantwoordelijk werd gesteld voor de hem ten laste gelegde sociaalrechtelijke inbreuken (p. 6-8, nrs. 5-7). Wat betreft de arbeidsrelatie tussen de eiser en het slachtoffer, beslist het bestreden arrest dat mevrouw V. H. met de eiser was verbonden door een arbeidsovereenkomst, in de zin van de artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomsten-wet, van artikel 1, 1°, van de Arbeidsongevallenwet en van artikel 1, §1, lid 1, van de RSZ-wet (p. 11, randnrs. 9 en 11). Het bestreden arrest leidt dit af uit de vaststelling dat mevrouw V. H. op het ogenblik van het ongeval "onder het gezag" van de eiser was tewerkgesteld. Die vaststelling wordt, in de eerste plaats, gesteund op het feit dat eiser bij het strafrechtelijk arrest van 13 februari 2003 op grond van artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten als "aangestelde" strafrechtelijk verantwoordelijk werd geacht voor de hem ten laste gelegde inbreuken op de artikelen 4 en 5 van datzelfde koninklijk besluit. Het arrest benadrukt het feit dat de eiser bij dat arrest strafrechtelijk werd veroordeeld omdat hij een zeker gezag en toezicht uitoefende over het personeel en verantwoordelijk was voor de sociale documenten voor dat personeel (p. 8, derde laatste al. - p. 9, vierde al. en p. 9, vijfde en zesde al.). Ten overvloede wordt de vaststelling dat het slachtoffer "onder het gezag" van de eiser was tewerkgesteld, volgens het arrest bevestigd enerzijds, door een reeks verklaringen waaruit zou blijken dat mevrouw V. H. regelmatig op vraag van de eiser werkte in het restaurant Denneburg en dat zij door hem in het zwart werd betaald met fooien of in natura (p. 9, derde laatste al. - p. 11, eerste al.), en anderzijds, door de overeenkomst en de nota van de voorzitter van de feitelijke vereniging waaruit zou blijken dat de eiser voor de exploitatie van het clubhuis buiten de uurregeling van de personeelsleden van het Ministerie de mogelijkheid had om personeel aan te werven en te bezoldigen, in welk geval hij verantwoordelijk was voor het sociale luik van hun aanwerving (p. 10, al. 2 en p. 11, randnr. 8.2). Zoals hoger aangetoond, houdt de hoedanigheid van "werknemer", in arbeidsrechtelijke zin (artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, artikel 1, §1, lid 1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969 en artikel 1, 1°, van de Arbeidsongevallenwet), in dat eiser het clubhuis onder het gezag en in loon van de Belgische Staat exploiteerde, zonder dat dit enige zelfstandigheid bij de exploitatie uitsloot, en impliceert de hoedanigheid van "aangestelde", in strafrechtelijke zin (artikelen 91quater, 1°, van de Arbeidsongevallen-wet en 11 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten), dat de eiser weliswaar een zeker gezag en toezicht over het personeel uitoefende en verantwoordelijk was voor het vervullen van de arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke verplichtingen, doch hierbij handelde in opdracht en voor rekening van de Staat. De hoedanigheid van "werkgever", in arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke zin (artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, artikel 1, §1, lid 1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969 en artikel 1, 1 ° van de Arbeidsongevallenwet en in het bijzonder de artikelen 49, lid 1, en 60, lid 1, van de Arbeidsongevallenwet), zou net het omgekeerde inhouden, namelijk dat de eiser in eigen naam en voor eigen rekening het personeel zou hebben aangeworven en er in eigen naam en voor eigen rekening gezag en toezicht over zou hebben uitgeoefend. Hieruit volgt dat het tegenstrijdig is en onverenigbaar met de wettelijke begrippen "aangestelde", "werknemer" en "werkgever", enerzijds, te aanvaarden dat de eiser "werknemer" en "aangestelde" was van de Belgische Staat, en anderzijds, te oordelen dat eiser als "werkgever van het slachtoffer dient beschouwd en om die reden de Arbeidsongevallenwet toepasselijk te verklaren en de eiser op grond van artikel 49, in het bijzonder lid 1, juncto artikel 60, in het bijzonder lid 1, van die wet te veroordelen tot vrijwaring van de verweerder. Door zo te oordelen, is het arrest bijgevolg niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) en is het evenmin wettig verantwoord (schending van alle andere in het middel aangeduide wetsbepalingen, in hun versie zoals aangeduid in de aanhef van het middel). Tweede onderdeel Zelfs indien het mogelijk zou zijn de hoedanigheden van "aangestelde", "werknemer" en "werkgever" in één persoon te verenigen in het kader van de exploitatie van het clubhuis, dan nog moet vaststaan dat de eiser, in zijn hoedanigheid van "werkgever van het personeel van het clubhuis, waaronder mevrouw V. H. , dit personeel heeft aangeworven en bezoldigd en over dit personeel gezag en toezicht heeft uitgeoefend, niet onder gezag en voor rekening van de Staat, maar in eigen naam en voor eigen rekening. Zoals hoger immers aangetoond, houdt de hoedanigheid van "werknemer", in arbeidsrechtelijke zin (artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, artikel 1, §1, lid 1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969 en artikel 1, 1°, van de Arbeidsongevallenwet), in dat de eiser het clubhuis onder het gezag en in loon van de Belgische Staat exploiteerde, zonder dat dit enige zelfstandigheid bij de exploitatie uitsloot, en impliceert de hoedanigheid van "aangestelde", in strafrechtelijke zin (artikelen 91quater, 1°, van de Arbeidsongevallenwet en 11 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten), dat de eiser weliswaar een zeker gezag en toezicht over het personeel uitoefende en verantwoordelijk was voor het vervullen van de arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke verplichtingen, doch hierbij handelde in opdracht en voor rekening van de Staat. De hoedanigheid van "werkgever", in arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke zin (artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, artikel 1, §1, lid 1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969 en artikel 1, 1°, van de Arbeidsongevallenwet en in het bijzonder de artikelen 49, lid 1, en 60, lid 1, van de Arbeidsongevallenwet), zou net het omgekeerde inhouden, namelijk dat de eiser in eigen naam en voor eigen rekening het personeel zou hebben aangeworven en er in eigen naam en voor eigen rekening gezag en toezicht over zou hebben uitgeoefend. Geen enkele van de elementen die het arrest opgeeft ter ondersteuning van eisers hoedanigheid van "werkgever" van het slachtoffer, al dan niet samen gelezen met de feitelijke elementen die door het arrest worden vermeld bij de vaststelling van eisers hoedanigheid van "werknemer" en "aangestelde" van de Belgische Staat, laten echter toe vast te stellen dat de eiser, bij het aanwerven en bezoldigen van het personeel en bij het uitoefenen van een zeker gezag over dat personeel, helemaal op eigen gezag en voor eigen rekening handelde en dus niet in zekere mate onder het gezag en voor rekening van de Belgische Staat handelde. Wel integendeel, de elementen waarop het arbeidshof zich in de eerste plaats steunt, en meer bepaald de elementen vastgesteld in het strafrechtelijk arrest van 13 februari 2003, zijn precies de elementen die ertoe hebben geleid dat de eiser als "aangestelde" van de Belgische Staat werd beschouwd, namelijk het feit dat de eiser een zeker gezag over het personeel uitoefende en diende in te staan voor de sociale documenten, doch dit alles in opdracht en voor rekening van de Staat. Die laatste vaststelling is immers de reden waarom de eiser als "aangestelde" en niet als "werkgever" werd veroordeeld. Dit wordt trouwens bevestigd door het motief uit het strafrechtelijk arrest dat door het arbeidshof werd overgenomen en tot de zijne werd gemaakt, namelijk dat "het O.P.F. zich trouwens concreet wel bemoeide met het feit dat beklaagde A. B. personeel aanwierf: het O.P.F. informeerde bij een interimkantoor hoeveel winst beklaagde A. B. kon maken en drukte erop dat er bijkomend personeel moest komen omdat beklaagde A. B. zonder bijkomend personeel zijn taak moeilijk kon vervullen" (p. 7, al. 3). Ook de elementen waarnaar het arbeidshof ten overvloede verwijst, en meer bepaald de verklaringen dat het slachtoffer regelmatig voor de eiser werkte en door hem met fooien of in natura werd betaald en de overeenkomst en de nota van de voorzitter van de feitelijke vereniging volgens dewelke de eiser personeel mocht aanwerven en bezoldigen en in dat geval ook voor de sociale documenten diende te zorgen, zijn niet van aard uit te sluiten dat de eiser niet in zekere mate handelde onder het gezag en voor rekening van de Belgische Staat. Zoals hoger aangetoond, kan ook een "werknemer", in arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke zin, naargelang zijn functie, een zekere zelfstandigheid en vrijheid van exploitatie hebben, zonder dat dit noodzakelijk betekent dat hij in eigen naam en voor eigen rekening en zonder toezicht van zijn werkgever handelt. Dit wordt ook bevestigd door het motief uit het strafrechtelijk arrest dat het arbeidshof tot het zijne heeft gemaakt, namelijk dat de eiser "geen zelfstandige uitbater was en niet de eigenaar was van de onderneming" (p. 6, randnr. 5, al. 1), en door de beoordeling van de arbeidsrechter die eveneens door het Arbeidshof werd aangenomen, waarbij de eiser, ondanks de bewoordingen van de overeenkomst waarin hij als "exploitant (zelfstandige handelaar)" werd gekwalificeerd, toch werd beschouwd als "contractueel bediende", verbonden door een arbeidsovereenkomst met de Belgische Staat (p. 5, randnr. 4.2). Na te hebben aangenomen dat eiser in het kader van de exploitatie van het clubhuis arbeidsrechtelijk als "werknemer" en strafrechtelijk als "aangestelde" van de Belgische Staat was te beschouwen, kon het bestreden arrest bijgevolg niet op wettige wijze besluiten dat de eiser en het slachtoffer verbonden waren door een arbeidsovereenkomst en dat de eiser als "werkgever", in de arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke betekenis, gehouden was eerste verweerster op grond van artikel 49, inzonderheid lid 1, juncto artikel 60, inzonderheid lid 1, van de Arbeidsongevallenwet te vrijwaren, zonder uitdrukkelijk vast te stellen dat de eiser volledig op eigen gezag en in eigen naam en voor eigen rekening handelde bij het aanwerven, het bezoldigen en het uitoefenen van gezag over het personeel van het clubhuis, en in het bijzonder over het slachtoffer. Door toch zo te besluiten, is het bestreden arrest bijgevolg niet wettig verantwoord en schendt het alle in het middel aangeduide wettelijke bepalingen van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, van de RSZ-wet van 27 juni 1969 en van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten (in hun versies zoals in de aanhef van het middel aangeduid). Derde onderdeel In de mate het bestreden arrest toch de vaststelling zou bevatten dat de eiser het clubhuis van de feitelijke vereniging van het personeel van het Ministerie van Financiën buiten elke gezagsverhouding zou hebben geëxploiteerd, omdat hij dit deed als "zelfstandige handelaar" (p. 5, randnr. 4.1, al. 1 en randnr. 4.2, al. 2) en dat de eiser in eigen naam en voor eigen rekening het personeel zou hebben aangeworven en bezoldigd, omdat hij "zelf personeel kon aanwerven en bezoldigen" en "verantwoordelijk was voor het sociale luik" (p. 5, randnr. 4.1, al. 2 en 3; p. 10, al. 2; p. 11, randnr. 8.2) of omdat hij het personeel "met fooien of in natura" of "uit zijn eigen zak en in het zwart" betaalde (p. 10, al. 2 t/m laatste al.) en in de mate het arrest (mede) uit die vaststellingen zou hebben afgeleid dat de eiser als "werkgever" van het slachtoffer diende beschouwd en in die hoedanigheid gehouden was tot vrijwaring van de verweerder, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd. Het arrest bevat immers ook tegenovergestelde vaststellingen die het arbeidshof uit het strafrechtelijk arrest van 13 februari 2003 overnam en zich eigen maakte, namelijk dat de eiser het clubhuis in ondergeschikt verband exploiteerde zonder "zelfstandige uitbater" te zijn en zonder de "eigenaar van de onderneming" te zijn (p. 5, randnr. 4.2, al. 1; p. 6, randnr. 5, al. 1) en dat hij weliswaar gezag en toezicht uitoefende over het personeel, maar niet helemaal vrij was in de aanwerving en bezoldiging van het personeel, nu ook "het O.P.F. zich trouwens concreet wel bemoeide met het feit dat beklaagde A. B. personeel aanwierf: het O.P.F. informeerde bij een interimkantoor hoeveel het personeel kost, rekende uit hoeveel winst beklaagde A. B. kon maken en drukte erop dat er bijkomend personeel moest komen omdat beklaagde A. B. zonder personeel zijn taak moeilijk kon vervullen" (p. 7, al. 3), vaststellingen die volgens het arbeidshof precies de verantwoording waren om eiser arbeidsrechtelijk als "werknemer" van de Belgische Staat en strafrechtelijk als "aangestelde" te beschouwen. Behept met deze tegenstrijdige motieven, is het bestreden arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het dus artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Vierde onderdeel In de mate het bestreden arrest met de in het derde onderdeel vermelde motieven nu eens oordeelt dat de eiser bij het aanwerven en bezoldigen van personeel en bij het uitoefenen van gezag en toezicht over dat personeel, weliswaar een zekere zelfstandigheid kon aan de dag leggen, maar desondanks toch optrad onder gezag en voor rekening van de Staat, en dan weer oordeelt dat de eiser, wat het personeel betreft, op eigen gezag en in eigen naam en voor eigen rekening optrad, is het bestreden arrest door dubbelzinnige motieven aangetast. In de mate het bestreden arrest zou vaststellen dat de eiser op eigen gezag en in eigen naam en voor eigen rekening het personeel aanwierf, bezoldigde en er gezag en toezicht over uitoefende, zou het besluit dat de eiser als "werkgever" van het slachtoffer te beschouwen is, wettig verantwoord zijn. In de mate het bestreden arrest echter ook het omgekeerde vaststelt, namelijk dat eiser, ondanks zijn zekere zelfstandigheid, toch bleef optreden onder gezag en voor rekening van de Belgische Staat, is de beslissing om de eiser als "werkgever" van het slachtoffer te beschouwen niet wettig verantwoord, zoals aangetoond in het eerste en tweede onderdeel van het middel. Behept met deze dubbelzinnige motivering, is het bestreden arrest dus niet regelmatig gemotiveerd en evenmin wettig verantwoord (schending van alle in het middel aangeduide wetsbepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 49, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet, is de werkgever verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming, die aan de in dit artikel bepaalde voorwaarden moet voldoen. Krachtens artikel 60, heeft het Fonds voor arbeidsongevallen voor bepaalde uitkeringen, kapitalen en bedragen, een verhaalsrecht op de in gebreke zijnde werkgever. 2. Met werkgever wordt in deze wetsbepalingen diegene bedoeld die in eigen naam en voor eigen rekening werknemers in het kader van een arbeidsovereenkomst tewerkstelt of hiermede gelijkgestelde personen. 3. Het arrest stelt vast dat: - bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 24 november 2005 beslist werd dat de eiser door de Belgische Staat tewerkgesteld was als bediende en als gerant, hoofdzakelijk belast met hoofdarbeid; - V. H. B. op 14 november 1993 het slachtoffer was van een verkeersongeval toen zij terugkeerde van het "Ontspanningscentrum van het Personeel van Financiën" (O.P.F.), alwaar zij werkzaam was geweest; - de eiser bij arrest van 13 februari 2003 van het Hof van Beroep te Antwerpen "als aangestelde" veroordeeld werd wegens inbreuk op de wetgeving betreffende het bijhouden van sociale documenten, te weten het personeelsregister en de individuele rekening niet te hebben opgemaakt of aangevuld voor B.V.H. voor de periode van 13 en 14 november 1993; - de eiser bij hetzelfde arrest "‘als aangestelde' schuldig werd bevonden (vervallen door verjaring) aan de inbreuk ‘nagelaten te hebben een arbeidsongevallenverzekering te hebben aangegaan'"; - in hetzelfde arrest aanvaard werd dat de eiser geen zelfstandige uitbater was en niet de eigenaar van het ontspanningscentrum als onderneming, maar als werknemer concreet over de betreffende personen een zeker gezag en leiding had en hij daarbij diende te waken over de naleving van de sociale wetgeving ter zake, wat hij manifest niet heeft gedaan; - hetzelfde arrest uitdrukkelijk beslist dat de eiser werknemer was van de Belgische Staat en dat hij de bewezen feiten heeft gepleegd in de uitoefening van zijn toevertrouwde functie als werknemer en de Belgische Staat burgerrechtelijk aansprakelijk stelt voor de kosten ten laste van de eiser gelegd. 4. Op grond hiervan oordeelt het arrest dat: - de eiser contractueel bediende was en tevens aangestelde van het Ministerie van Financiën, die over een zeker gezag beschikte en een zekere leiding uitoefende over het personeel, waaronder B.V.H. ; - B.V.H. in de bewuste periode deel uitmaakte van het personeel waarvoor de eiser sociale documenten diende op te maken. Aldus geeft het arrest te kennen dat de eiser namens en in opdracht van zijn werkgever, de Belgische Staat, handelde. 5. Het arrest oordeelt verder evenwel dat: - voor de bediening in de bar en het restaurant drie contractuele beambten na hun reglementaire uren voor rekening van de eiser werkten, terwijl B.V.H. door de eiser was aangeworven om hem af en toe, "occasioneel" volgens de eiser, te helpen. B.V.H. was duidelijk geen schakel in het "gezamenlijk verricht werk" bij de uitbating van het ontmoetingscentrum; - ten genoegen van recht bewezen is dat B.V.H. verbonden was door een arbeidsovereenkomst met de eiser op 13 en 14 november 1993; - het Fonds voor arbeidsongevallen overeenkomstig artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet de schadeloosstelling kan verhalen op de eiser als in gebreke zijnde werkgever. 6. Door, enerzijds, te aanvaarden dat de eiser als werknemer en aangestelde van de Belgische Staat verantwoordelijk was voor de arbeidsrechtelijke en sociaalrechtelijke verplichtingen met betrekking tot de tewerkstelling van B.V.H. , en, anderzijds, te oordelen dat de eiser zelf de werkgever was van B.V.H. , miskent het arrest het begrip "werkgever", zoals bedoeld in de artikelen 49, eerste lid, en 60 van de Arbeidsongevallenwet en schendt het de in het onderdeel als geschonden aangewezen wetsbepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven 7. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat het Fonds voor arbeidsongevallen overeenkomstig artikel 60 van de Arbeidsongevallenwet de schadeloosstelling, daarmee overeenstemmende kapitalen, alsmede de bedragen en kapitalen bedoeld bij artikel 45quater, derde tot en met zesde lid, artikel 59quinquies, en het gedeelte van de prestaties bedoeld in artikel 42bis, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet, kan verhalen op de eiser als in gebreke zijnde werkgever. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 3 november 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.7 Gerelateerde publicatie(
  6. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050510.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.