← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081104.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081104.2 Rolnummer: P.08.0081.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-11-24 Raadplegingen: 765 - laatst gezien 2026-07-03 09:13 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081104.2 Fiches 1 - 3 De vaststelling dat inzake stedenbouw een herstel in de oorspronkelijke staat een straf is in de zin van de artikelen 6.1, EVRM en 14.1, IVBPR brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepalingen moeten worden in acht genomen, maar heeft niet tot gevolg dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht erop toepassing moeten vinden; het blijft bijgevolg voor de strafrechter mogelijk dit herstel te bevelen teneinde de gevolgen van het misdrijf te doen ophouden, ook wanneer hij vaststelt dat de strafvordering is vervallen wegens opheffing van de strafbaarheid of wegens verjaring

(1).
(1)Zie de verwijzingen in de conclusie van het openbaar ministerie en Cass., 28 okt. 2008, AR P.08.0880.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.6, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Kwalificatie als straf in de zin van artikelen 6.1 E.V.R.M. en 14.1 I.V.B.P.R. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Straf Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Artikel 14 - Artikel 14.1 - Herstel van plaats in de vorige staat - Straf Fiche 4 Inzake stedenbouw heeft het bestuur de bevoegdheid een herstelbeleid te voeren: het bestuur beslist of het al dan niet een herstelmaatregel zal vorderen; indien het beslist een herstelmaatregel te vorderen, beschikt het over de keuze tussen drie mogelijke herstelmaatregelen binnen de grenzen en de modaliteiten die nader bij de artikelen 68 Stedenbouwdecreet 1996 en 149 Stedenbouwdecreet 1999 zijn bepaald; deze wettelijk bepaalde keuzemogelijkheid houdt een appreciatie- en beleidsbevoegdheid in voor het bestuur die de rechter krachtens het beginsel der scheiding der machten, zoals vervat in de artikelen 36, 37 en 40 Grondwet, moet eerbiedigen
(1).
(1)Zie Cass., 23 sept. 2008, AR P.08.0280.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080923.5, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Herstelbeleid - Bevoegdheid van het bestuur Fiches 5 - 6 Inzake stedenbouw moet de rechter krachtens artikel 159, Grondwet nagaan of de beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen; hij moet de vordering die steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten
(1); rekening houdend met de appreciatie- en beleidsbevoegdheid van het bestuur kan de rechter die beslissing slechts marginaal toetsen.
(1)Zie Cass., 23 sept. 2008, AR P.08.0280.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080923.5, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Stedenbouw - Herstelvordering - Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Beoordeling door de rechter van de herstelvordering Fiches 7 - 9 De omstandigheid dat inzake stedenbouw de herstelmaatregel van de afbraak een straf is in de zin van de artikelen 6.1, EVRM en 14.1, IVBPR brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepalingen moeten worden in acht genomen, maar niet dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de strafrechter daarover met volheid van rechtsmacht zou moeten kunnen oordelen
(1).
(1)Zie de verwijzingen in de conclusie van het openbaar ministerie en Cass., 28 okt. 2008, AR P.08.0880.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.6, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Kwalificatie als straf in de zin van artikelen 6.1 E.V.R.M. en 14.1 I.V.B.P.R. - Gevolg - Rechter met volheid van rechtsmacht Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Straf - Gevolg - Rechter met volheid van rechtsmacht Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Kwalificatie als straf in de zin van artikelen 6.1 E.V.R.M. en 14.1 I.V.B.P.R. - Gevolg - Rechter met volheid van rechtsmacht Fiches 10 - 11 In stedenbouwzaken moet de rechtspleging die tot het bevelen van het herstel leidt, in haar geheel, dit is het optreden van het vorderende bestuur in combinatie met de beoordeling van dit optreden door de rechter, aan de voorwaarden van artikel 6.1, EVRM worden getoetst; voormelde rechtspleging voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.1, EVRM en 14.1, IVBPR en vereist niet dat de strafrechter op alle punten, zowel in feite als in rechte, de beslissing van het bestuur moet kunnen beoordelen en overeenkomstig zijn eigen appreciatie hervormen
(1).
(1)Zie de verwijzingen in de conclusie van het openbaar ministerie en Cass., 28 okt. 2008, AR P.08.0880.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.6, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Herstelmaatregel - Beoordeling door de rechter Tekst van de beslissing Nr. P.08.0081.N I G N H D, beklaagde, met als raadsman mr Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel. II
  1. Y-h T, beklaagde,
  2. C T nv, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel. beide cassatieberoepen tegen STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR VAN DE PROVINCIE LIMBURG, met kantoor te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50, bus
  3. eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 december
  4. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 68 Stedenbouwdecreet 1996, voor zoveel als nodig, artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999, artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en de artikelen 21, 22, 23 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de herstelmaatregel van de afbraak is een straf in de zin van de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR zodat de appelrechters, na het verval van de strafvordering te hebben vastgesteld, hetzij wegens het opheffen van de strafbaarheid, hetzij wegens verjaring van de strafvordering, ten onrechte oordelen toch uitspraak te kunnen doen over deze herstelvordering.
  6. De vaststelling dat een herstel in de oorspronkelijke staat een straf is in de zin van de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepalingen moeten worden in acht genomen. Het heeft niet tot gevolg dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht erop toepassing moeten vinden. Het blijft bijgevolg voor de strafrechter mogelijk dit herstel te bevelen teneinde de gevolgen van het misdrijf te doen ophouden, ook wanneer hij vaststelt dat de strafvordering is vervallen wegens opheffing van de strafbaarheid of wegens verjaring. Het middel faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 68 Stedenbouwdecreet 1996, voor zoveel als nodig, artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999, artikel 6.1 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 10 en 11 Grondwet: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat de strafrechter niet mag oordelen over de opportuniteit van de gevorderde herstelmaatregel tot afbraak en deze niet mag vervangen door een veroordeling tot betaling van een meerwaarde. Dit is in strijd met het intrinsiek strafrechtelijk karakter van de vordering tot afbraak in de zin van artikel 6.1 EVRM en artikel 14 IVBPR, waarbij de rechter deze maatregel, als intrinsiek strafrechtelijke sanctie, moet kunnen beoordelen en eventueel hervormen op alle punten, zowel in rechte als in feite.
  8. Artikel 68, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1996 betreffende de ruimtelijke ordening bepaalt: "Benevens de straf beveelt de rechtbank, op vordering van de gemachtigde ambtenaar of van het college van burgemeester en schepenen, doch met hun gezamenlijk akkoord in de sub b en c bedoelde gevallen: a. ofwel de plaats in de vorige staat te herstellen of het strijdige gebruik te staken; b. ofwel bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren; c. ofwel een geldsom te betalen, gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen." Sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 14/2005 van 19 januari 2005 bepaalt artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999: "Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op de vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van [...] is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist."
  9. De decreetgever heeft de vordering tot het nemen van de in de voormelde artikelen voorgeschreven herstelmaatregelen ingevoerd met het oog op de vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening. Hij acht het van essentieel belang dat de beoordeling wordt overgelaten aan een overheid die oordeelt op grond van het algemeen belang. Daarom kunnen de herstelmaatregelen slechts worden bevolen op vordering van de gemachtigde ambtenaar, de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen. Hun optreden steunt op hun wettelijke opdracht om het algemeen stedenbouwkundig belang te behartigen.
  10. Zowel artikel 68, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1996 als artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999 geven het bestuur de bevoegdheid een herstelbeleid te voeren: het bestuur beslist of het al dan niet een herstelmaatregel zal vorderen; indien het beslist een herstelmaatregel te vorderen, beschikt het over de keuze tussen drie mogelijke herstelmaatregelen binnen de grenzen en de modaliteiten die nader bij de voormelde artikelen 68 en 149 zijn bepaald.
  11. Deze wettelijk bepaalde keuzemogelijkheid houdt een appreciatie- en beleidsbevoegdheid in voor het bestuur. De rechter moet die krachtens het beginsel der scheiding der machten, zoals vervat in de artikelen 36, 37 en 40 Grondwet, eerbiedigen.
  12. Niet een vordering tot bestraffing maakt het voorwerp uit van het bij de rechter aanhangige geschilpunt, wel de aanwending van deze appreciatie- en beleidsmacht door het bestuur teneinde een bij hem hangend belangenconflict tussen een particulier grondrecht enerzijds, en andere, in een democratische rechtsstaat als essentieel beschouwde waarden anderzijds, op te lossen.
  13. Krachtens artikel 159 Grondwet moet de rechter nagaan of de beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening, zoals onder meer bepaald in artikel 4 Stedenbouwdecreet 1999, is genomen. Hij moet de vordering die steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten.
  14. Wanneer de wettigheid van de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand wordt aangevochten, gaat de rechter bovendien in het bijzonder na of deze vordering niet kennelijk onredelijk is. Hij kan niet zelf de redelijke herstelmaatregel bepalen maar enkel oordelen of het bestuur in redelijkheid is kunnen komen tot de beslissing een bepaalde wijze van herstel te vorderen. Rekening houdend met de appreciatie- en beleidsbevoegdheid van het bestuur kan de rechter die beslissing slechts marginaal toetsen. Aldus wijst hij de herstelvordering slechts af indien zij kennelijk onredelijk is. Het begrip ‘kennelijke onredelijkheid' is daarbij niet het criterium op basis waarvan de gevorderde herstelmaatregel wordt beoordeeld. Het brengt daarentegen de wijze tot uitdrukking waarop de rechter de bestuurlijke beslissing op zijn redelijkheid beoordeelt, namelijk met de terughoudendheid die de discretionaire bevoegdheid van het bestuur vereist.
  15. Volgens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvordering recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij wet is ingesteld.
  16. De omstandigheid dat de herstelmaatregel van de afbraak een ‘straf' is in de zin van de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepalingen moeten worden in acht genomen, maar niet dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de strafrechter daarover met volheid van rechtsmacht zou moeten kunnen oordelen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. In stedenbouwzaken moet de rechtspleging die tot het bevelen van het herstel leidt, in haar geheel, dit is het optreden van het vorderende bestuur in combinatie met de beoordeling van dit optreden door de rechter, aan de voorwaarden van artikel 6.1 EVRM worden getoetst.
  18. De beklaagde die het voorwerp uitmaakt van een herstelvordering, kan voor de gemachtigde ambtenaar alle elementen naar voor brengen waarvan hij meent dat zij pertinent kunnen zijn. Uit de wetgeving volgt niet en het wordt evenmin aangevoerd dat ingevolge de toepasselijke rechtspleging, het bestuur niet onafhankelijk of onpartijdig zou oordelen, of nog dat de beklaagde niet eerlijk zou worden behandeld.
  19. Voor de strafrechter kan de beklaagde de gevorderde maatregel betwisten wegens willekeur, onredelijkheid, gebrek aan bewijskrachtige gegevens, het gronden van de beslissing op gegevens die geen verband houden met de zaak of nog het verwaarlozen van pertinente gegevens. Wanneer de rechter, bij de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht, oordeelt dat de bestuurlijke overheden niet met de vereiste onpartijdigheid een keuze hebben gemaakt tussen de verschillende, in artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 bedoelde wijzen van herstel, kan hij de door die overheden ingestelde vordering verwerpen zonder die vordering verder nog op haar interne en externe wettigheid te moeten toetsen. Dit alles doet evenwel aan de voormelde verplichting tot terughoudendheid van de rechter bij de beoordeling van de appreciatiebevoegdheid van het bestuur niets af.
  20. Voormelde rechtspleging voldoet aan de waarborgen van artikel 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR en vereist niet dat de strafrechter op alle punten, zowel in feite als in rechte, de beslissing van het bestuur moet kunnen beoordelen en overeenkomstig zijn eigen appreciatie hervormen.
  21. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de enkele omstandigheid dat de rechter de vordering van het bestuur niet heeft kunnen toetsen met volle rechtsmacht ertoe leidt dat die beslissing hoe dan ook de artikelen 6.1 EVRM en 14 IVBPR schendt, faalt het eveneens naar recht. Tweede onderdeel
  22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 68 Stedenbouwdecreet 1996, voor zoveel als nodig, artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999, artikel 6.1 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 10 en 11 Grondwet: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat de strafrechter niet mag oordelen over de opportuniteit van de gevorderde herstelmaatregel tot afbraak en deze niet mag vervangen door een veroordeling tot betaling van een meerwaarde; als betwisting omtrent het eigendomsgebruik en de eigendomsbeperking, dit wil zeggen die het patrimonium van de burger aanbelangt, houdt dit miskenning in van diens recht op een toetsing met volle rechtsmacht door de rechter.
  23. De omstandigheid dat de herstelmaatregel van afbraak verband houdt met burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR, neemt niet weg dat hij het resultaat is van een bestuurlijke appreciatie die gericht is op het behoud van een maatschappelijk essentieel geachte waarde. De rechter moet krachtens het beginsel der scheiding der machten dit bestuurlijk beleid eerbiedigen en mag dit slechts marginaal toetsen.
  24. Binnen de ruimte die de wet toelaat, komt het aldus aan het bestuur toe de hem meest passend lijkende herstelmaatregel te kiezen na afweging tussen, enerzijds, de vereisten van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening zoals bepaald in artikel 4 Stedenbouwdecreet 1999, anderzijds, de nadelige financiële gevolgen die de ene of andere maatregel voor de betrokkene zal meebrengen. De rechter vermag enkel te oordelen of het bestuur bij zijn keuze wel of niet de wettigheid heeft geëerbiedigd.
  25. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de rechter op grond van artikel 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR zelf de toe te passen herstelmaatregel vrij moet kunnen bepalen en, ongeacht de beleidsruimte van het bestuur, diens maatregel moet kunnen hervormen, faalt om het hierboven in het antwoord op het eerste onderdeel gegeven redenen evenzeer naar recht. Prejudiciële vraag
  26. Bijkomend verzoeken de eisers de hiernavolgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schenden de artikelen 68 van het Decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, zoals van kracht op het ogenblik van de formulering van de herstelvordering, en het huidig artikel 149 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, aldus begrepen dat deze de rechter bij wie de bevoegde stedenbouwkundige administratie een door het decreet bepaalde herstelmaatregel is ingeleid, enkel toelaten de externe en interne wettigheid ervan te toetsen en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel of ze op machtsoverschrijding of machtsafwending berust, en hem niet toelaten alles te beoordelen wat ook de administratie kan beoordelen, met inbegrip van de gemaakte keuze en aldus hem niet toelaten om de opportuniteit van de gevorderde maatregel te beoordelen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in combinatie met artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, die inhouden dat de burger bij het bepalen van de verschillende facetten van zowel zijn burgerrechtelijke als strafrechtelijke rechtspositie de waarborg geniet te worden beoordeeld door een rechter met volle rechtsmacht?"
  27. De vraag gaat uit van de verkeerde rechtsopvatting dat artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR de strafrechter verplichten de herstelmaatregel die het bestuur vordert, steeds met volle rechtsmacht te beoordelen. De vraag hoeft bijgevolg niet te worden gesteld. Derde middel Eerste onderdeel
  28. Het onderdeel voert schending aan van artikel 70 Strafwetboek, artikel 68 Stedenbouwdecreet 1996 en voor zoveel als nodig, artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999: bij de beoordeling van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de herstelvordering oordelen de appelrechters ten onrechte dat de vraag naar de toepassing van artikel 70 Strafwetboek niet relevant is.
  29. Met de motieven die zij vermelden in de rubriek 7 van het arrest, stellen de appelrechters vast dat de eisers zich niet op onoverwinnelijke dwaling kunnen beroepen, en verantwoorden aldus naar recht hun beslissing met betrekking tot de herstelvordering. Het onderdeel dat enkel gericht is tegen het oordeel van de appelrechters met betrekking tot de toepassing van deze schulduitsluitingsgrond op de strafvordering, kan niet tot cassatie leiden en is aldus niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers met betrekking tot de afwezigheid van het morele element en de toepasselijkheid van de strafuitsluitingsgrond vervat in artikel 70 Strafwetboek.
  31. Met de redenen die zij vermelden in de rubriek 7 van het arrest, oordelen de appelrechters niet alleen dat voor de constructies de jaarlijkse vergunning tot gebruik van het openbaar domein niet volstond, dat een stedenbouwkundige vergunning moet worden aangevraagd, en dat de eisers dit wisten. Zij oordelen ook dat de eigen interpretatie van de eisers van het later uitgevaardigde politieregelement steeds door het college van burgemeester en schepenen is tegengesproken. Zij beantwoorden aldus eisers' verweer met betrekking tot de door hen ingeroepen ononoverwinnelijke dwaling. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  32. Het middel voert schending aan van de artikelen 66 en 68 Stedenbouwdecreet 1996, voor zoveel als nodig, artikel 149, § 2, Stedenbouwdecreet 1999 en van artikel 4 van het ministerieel besluit van 1 februari 1995 houdende aanwijzing van de gemachtigde ambtenaren inzake ruimtelijke ordening: de herstelvordering is niet ondertekend door de gemachtigde ambtenaar zelf, terwijl de loutere ‘opdracht' aan een adjunct niet kan worden beschouwd als een wettig alternatief voor de door de decreetgever aan de gemachtigde ambtenaar zelf toegekende herstelvordering.
  33. Het bestreden arrest oordeelt dat de herstelvordering is getekend door de gemachtigde ambtenaar die overeenkomstig het ministerieel besluit van 1 februari 1995 is aangewezen, weliswaar door bemiddeling van zijn adjunct die evenwel handelt op uitdrukkelijke opdracht en in naam van deze gemachtigde ambtenaar, en dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 4 van het voormelde ministerieel besluit niet aanwezig zijn. Het verantwoordt aldus zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel
  34. Het middel dat alleen de eiser D betreft, voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden niet het verweer van de eiser D dat hij na de overdracht van het handelspand aan de eiseres C T niet tot het herstel met dwangsom kan worden veroordeeld daar hij dit herstel onmogelijk kan uitvoeren.
  35. De appelrechters veroordelen de eiser D tot herstel omdat niettegenstaande de verjaring van de strafvordering de feiten van oprichting in zijnen hoofde bewezen zijn en zijn beweringen dat niet hij maar de latere overnemer het terras heeft opgericht, onjuist zijn.
  36. Door aldus te oordelen dat het enkele feit van de oprichting deze veroordeling verantwoordt en een latere overname hieraan niet afdoet, beantwoorden zij eisers conclusie. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de herstelvordering
  37. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 127,87 euro waarvan de eiser I 65,43 euro verschuldigd is en de eisers II 32,44 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 4 november 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081104.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081104.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100329.6 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121212.7 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141226.4 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.4 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190329.2 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220914.2F.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251203.2F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080923.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090106.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090217.10 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090623.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110125.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121106.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140114.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.