← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081107.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081107.6 Rolnummer: C.07.06I9.N Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht - Financieel recht Invoerdatum: 2008-12-26 Raadplegingen: 705 - laatst gezien 2026-07-03 02:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een arrest bevat geen tegenstrijdige beschikkingen wanneer een van de door een cassatiemiddel geviseerde vermeldingen onmiskenbaar op een verschrijving berust

(1).
(1)Zie Cass., 17 nov. 2005, AR F.03.0022.N, www.cass.be. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis - Motivering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechtspleging HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MONETAIR BELEID EN MUNTWEZEN Vrije woorden: Motivering - Tegenstrijdige beschikkingen - Verschrijving Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 4° Fiches 2 - 3 De bepalingen van artikel 14, vierde lid, van de Faillissementswet beogen de faillissementsprocedure te uniformiseren en de snelle en efficiënte afwikkeling ervan te verzekeren; zij zijn bijgevolg ook van toepassing op het vonnis waarbij het verzet tegen een bij verstek gewezen vonnis van faillietverklaring, hetzij, niet ontvankelijk, hetzij, ongegrond wordt verklaard; zij hebben als bijzonder recht voorrang op de gemeenrechtelijke regeling
(1).
(1)Cass., 9 feb. 2007, AR C.05.0308.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070209.2, A.C., 2007, nr 75. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis - Motivering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechtspleging HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MONETAIR BELEID EN MUNTWEZEN Vrije woorden: Vonnis van faillietverklaring - Verstek - Verzet Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Art. 14 Thesaurus CAS: VERZET UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis - Motivering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechtspleging HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MONETAIR BELEID EN MUNTWEZEN Vrije woorden: Faillissement - Vonnis van faillietverklaring - Termijn Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Art. 14 Fiche 4 Nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk is het middel omtrent het verweer dat de eiseres niet voor de appelrechters heeft gevoerd en dat de openbare orde niet raakt, noch van dwingend recht is
(1).
(1)Zie Cass., 13 feb. 2003, AR C.02.0280.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030213.12, A.C., 2003, nr
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis - Motivering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechtspleging HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MONETAIR BELEID EN MUNTWEZEN Vrije woorden: Niet aangevoerd middel voor de appelrechter - Rechtsregel die noch van openbare orde noch van dwingend recht is - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. C.07.0619.N DETOHAN, naamloze vennootschap, met zetel te 1030 Brussel, Terdeltplaats 2/69, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen MOLLEKENS Nadine, advocaat, met kantoor te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, V. Nonnemanstraat 56, bus 2.1, als curator van het faillissement van de nv Detohan, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 juni 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11, 149 en 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 2, 1051, 1056 en 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 2, 11, 14, 16 en 37, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997; - artikel 26, §§1 en 2, eerste lid, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het (Arbitragehof). Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 27 juni 2007 verklaart het Hof van Beroep te Brussel eiseres' hoger beroep tegen het vonnis van 17 oktober 2006, waarbij haar verzet ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard, onontvankelijk en wijst haar ervan af, na te hebben overwogen: "Gelet op het vonnis dat, na tegenspraak, op 17 oktober 2006 werd uitgesproken door de Rechtbank van Koophandel te Brussel, beslissing die op 28 december 2006 werd betekend. Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep dat, tijdig en regelmatig naar de vorm, op 17 januari 2007 werd neergelegd op de griffie van het hof". (...)
  2. Artikel 14, eerste lid, van de Faillissementswet bepaalt dat ieder vonnis van faillietverklaring of ieder vonnis waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld, bij voorraad en op de minuut vanaf de uitspraak uitvoerbaar is. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de termijn om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen bedoeld in het eerste lid, vijftien dagen is te rekenen van de opneming in het Belgisch Staatsblad van het uittreksel bedoeld in artikel 38 of van de betekening van het vonnis, indien het hoger beroep door de gefailleerde is ingesteld.
  3. Het bestreden vonnis, waarbij het verzet tegen het faillissementsvonnis ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat op tegensprekelijke wijze uitspraak doet over de oorspronkelijke eis tot faillietverklaring, vormt één geheel met het faillissementsvonnis dat bij verstek werd uitgesproken, is er het verlengde van en integreert er zich in. Dit verklaart ook waarom het hoger beroep terecht enkel tegen dit vonnis van 17 oktober 2006 werd ingesteld. Dit rechtsmiddel, dat enkel werd aangewend tegen het vonnis waarbij het verzet werd afgewezen, raakt immers automatisch en noodzakelijk het verstekvonnis van 13 juni 2006, waarbij (de eiseres) failliet werd verklaard. Het besluit is derhalve dat het hoger beroep dat op 17 januari 2006 werd ingesteld, moet worden beschouwd als het hoger beroep tegen een vonnis bedoeld in het eerste lid van artikel 14 van de Faillissementswet, zodat de termijn om dit rechtsmiddel in te stellen vijftien dagen bedroeg te rekenen van de betekening van het vonnis van 17 oktober
  4. (De eiseres) werpt vruchteloos op dat het hier zou gaan om een vonnis op verzet, en derhalve niet om een vonnis in de zin van het eerste lid van artikel 14 van de Faillissementswet - waarvan uitdrukkelijk sprake in het vierde lid - maar om een vonnis in de zin van het tweede lid van dit artikel. Het tweede lid van artikel 14 maakt immers enkel melding van de rechtsmiddelen die kunnen worden aangewend door de verstekdoende partijen (verzet) en door de belanghebbenden die geen partij zijn geweest (derdenverzet) en niet van het vonnis dat hieruit voortvloeit.
  5. Aangezien het in voorliggend geval een hoger beroep tegen een vonnis van faillietverklaring betreft, is artikel 37 van de Faillissementswet niet van toepassing. (...) Het hoger beroep dat pas op 17 januari 2007 werd ingesteld is bijgevolg laattijdig en moet onontvankelijk worden verklaard". Grieven Eerste onderdeel Het arrest dat door een tegenstrijdigheid in zijn beschikkingen dan wel in zijn motivering is aangetast is niet regelmatig met redenen omkleed. Naar luid van artikel 1056, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het hoger beroep ingesteld bij een verzoekschrift dat, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, ingediend wordt op de griffie van het gerecht in hoger beroep. Te dezen verwijst het hof van beroep in het bestreden arrest op pagina 2 uitdrukkelijk naar het "verzoekschrift dat, tijdig en regelmatig naar de vorm, op 17 januari 2007 werd neergelegd op de griffie van het hof" en stelt aldus uitdrukkelijk vast dat het hoger beroep, dat door de eiseres werd ingesteld, tijdig was. Niettemin verklaart het hof van beroep in het beschikkend gedeelte van datzelfde arrest het hoger beroep onontvankelijk en wijst de eiseres ervan af, zulks na in het overwegend gedeelte overwogen te hebben dat het hoger beroep, dat pas op 17 januari 2007 werd ingesteld, laattijdig is en onontvankelijk moet worden verklaard (pagina 5, sub nr. 11). Het bestreden arrest bevat aldus duidelijk tegenstrijdige beschikkingen, minstens tegenstrijdige overwegingen. In elk geval is het door een onwettigheid aangetast. Besluit Het bestreden arrest dat, enerzijds, in de aanhef van het arrest op pagina 2 uitdrukkelijk verklaart dat het verzoekschrift tijdig werd neergelegd, doch, anderzijds, oordeelt dat het hoger beroep laattijdig werd ingesteld en op die grond het hoger beroep onontvankelijk verklaart, bevat tegenstrijdige beschikkingen en is derhalve niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek) en evenmin regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Minstens is het bestreden arrest, dat behept is met een tegenstrijdigheid in zijn redengeving en/of tussen zijn redengeving en het beschikkend gedeelte, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). In elk geval is het bestreden arrest, dat vaststelt dat het verzoekschrift tijdig werd neergelegd, doch niettemin oordeelt dat het hoger beroep laattijdig werd ingesteld, niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1056, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 14 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 is ieder vonnis van faillietverklaring of ieder vonnis waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld, bij voorraad en op de minuut vanaf de uitspraak uitvoerbaar. Blijkens het tweede lid van dat artikel kan tegen de vonnissen, bedoeld in het eerste lid, verzet worden gedaan door de verstekdoende partijen en derdenverzet door de belanghebbenden die daarbij geen partij waren. In het vierde lid van voornoemd artikel 14 wordt bepaald dat de termijn om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen bedoeld in het eerste lid, vijftien dagen is te rekenen van de opneming in het Belgisch Staatsblad van het uittreksel bedoeld in artikel 38 of van de betekening van het vonnis indien het hoger beroep door de gefailleerde is ingesteld. Naar de vonnissen, gewezen op het verzet of derdenverzet, waarvan sprake in het tweede lid, wordt in het vierde lid niet verwezen. Waar artikel 14 van de Faillissementswet afwijkt van de bepalingen van het gemeen recht, inzonderheid artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, naar luid waarvan het hoger beroep wordt ingesteld binnen de maand, te rekenen van de betekening, tenzij de wetgever in een ander vertrekpunt heeft voorzien, - ingevolge artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op alle rechtsplegingen tenzij de wetgever in een bijzondere regeling heeft voorzien - , dient het op strikte wijze te worden uitgelegd en kan het derhalve niet per analogie op andere situaties dan deze uitdrukkelijk geregeld bij artikel 14 van de Faillissementswet, worden toegepast. Uit artikel 14 van de Faillissementswet blijkt duidelijk dat de termijn van vijftien dagen enkel het hoger beroep tegen het "vonnis van faillietverklaring", met uitsluiting van enige andere beslissing, het vonnis waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld uitgezonderd, viseert. Het vonnis van faillietverklaring is uit zijn aard een declaratief vonnis, met dien verstande dat bij dat vonnis wordt vastgesteld dat de voorwaarden van faillietverklaring, zoals bepaald bij artikel 2 van de Faillissementswet, voorhanden zijn en dat de handelaar derhalve in staat van faillissement verkeert, dat de rechtbank van koophandel bij datzelfde vonnis bij toepassing van artikel 11 van de Faillissementswet een rechter-commissaris benoemt en een of meerdere curators aanstelt, in voorkomend geval een plaatsopneming beveelt, beveelt dat de schuldeisers van de gefailleerde aangifte van hun vor¬dering zullen doen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, en de bekendmaking bedoeld in artikel 38 beveelt, en dat het overeenkomstig artikel 16 van de Faillissementswet, te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring uitwerking heeft. Aan deze omschrijving beantwoordt geenszins het vonnis dat het verzet van de gefailleerde tegen het bij verstek gewezen vonnis van faillietverklaring ongegrond verklaart en derhalve dat vonnis van faillietverklaring bevestigt. De rechter beperkt zich alsdan immers tot de afwijzing van het rechtsmiddel van verzet zonder te raken aan het beschikkend gedeelte van het vonnis van faillietverklaring en de daarbij genomen schikkingen met het oog op de afwikkeling van het faillissement, na te hebben onderzocht of op datum van faillietverklaring de faillissementsvoorwaarden inderdaad voorhanden waren; hij zal zelf evenwel geen faillissement meer uitspreken. Derden zullen, in afwezigheid van verplichting tot bekendmaking van dat vonnis in het Belgisch Staatsblad, van het bestaan ervan overigens ook niet worden ingelicht. Het vonnis, dat wordt gewezen op het verzet van de gefailleerde tegen het bij verstek gewezen vonnis van faillietverklaring, zal dan ook nooit kunnen worden aangezien als een vonnis van faillietverklaring, zoals bedoeld bij artikel 14, eerste lid, van de Faillissementswet. Voor het instellen van hoger beroep tegen een dergelijk vonnis gelden dan ook, in afwezigheid van afwijkende bepalingen in de Faillissementswet, de termijnen van gemeen recht, hetzij overeenkomstig artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek de termijn van één maand, zoals volgt uit artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek dat de bepalingen van dat wetboek van toepassing verklaart op alle rechtsplegingen, behoudens uitdrukkelijk afwijkende regeling, en uit artikel 37, eerste lid, van de Faillissementswet dat uitdrukkelijk stelt dat tegen de vonnissen in faillissementszaken die niet het vonnis van fail¬lietverklaring en het vonnis tot vaststelling van de datum van staking van beta¬ling zijn, beroep openstaat overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek. Besluit Waar het hof van beroep oordeelt dat het "hoger beroep dat op 17 januari 2007 werd ingesteld, moet worden beschouwd als het hoger beroep tegen een vonnis bedoeld in het eerste lid van artikel 14 van de Faillissementswet" omdat dit vonnis één geheel vormt met het faillissementsvonnis dat bij verstek werd uitgesproken, er het verlengde van is en er zich in inte¬greert, daar waar de rechter, die het rechtsmiddel van verzet, ingesteld tegen een vonnis van faillietverklaring, ongegrond verklaart, enkel heeft onderzocht of de rechter het faillissement op wettige wijze heeft kunnen uitspreken, en meer bepaald of hij wettig heeft kunnen oordelen dat de faillissementsvoorwaarden inderdaad voorhanden waren op het tijdstip waarop het vonnis van faillietverklaring werd gewezen, zonder dat hij dat faillissement opnieuw uitspreekt, miskent het de declaratieve aard van het ‘vonnis van faillietverklaring', waarvan sprake in artikel 14, eerste lid, van de Faillissementswet (schending van artikelen 2, 11, 14, eerste, tweede en vierde lid, 16 en 37, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997) en heeft het niet wettig kunnen beslissen dat voor het instellen van hoger beroep tegen het vonnis dat wordt gewezen op een verzet ingesteld tegen een vonnis van faillietverklaring de termijn van vijftien dagen, waarvan sprake in artikel 14, vierde lid, van de Faillissementswet, van toepassing is (schending van artikelen 14, eerste, tweede en vierde lid, 37, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, en de artikelen 2 en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek). Derde onderdeel Van bepalingen die strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel kan door de rechter geen toepassing worden gemaakt. In de redenering van het hof van beroep geldt ten aanzien van het vonnis waarbij het verzet tegen het oorspronkelijke vonnis van faillietverklaring dat bij verstek werd gewezen ten aanzien van gefailleerde, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard, voor het instellen van hoger beroep de termijn van vijftien dagen, waarvan sprake in artikel 14, vierde lid, van de Faillissementswet, omdat dit vonnis één geheel vormt met het faillissementsvonnis, dat bij verstek werd gewezen, er het verlengde van is en er zich in integreert. Wordt het verzet tegen datzelfde vonnis om een of andere reden onontvankelijk verklaard, dan kan er van een dergelijke integratie in geen geval sprake zijn, vermits in dergelijke hypothese de rechter zich niet met de grond dient in te laten en het verstekvonnis zonder meer behouden blijft. De rechter, recht doende op verzet, heeft in geval van onontvankelijkverklaring van het verzet immers geen rechtsmacht om van de grond kennis te nemen. Een dergelijk vonnis zal dan ook nooit als een vonnis van faillietverklaring in de zin van het eerste lid van artikel 14 van de Faillissementswet kunnen worden gekwalificeerd, noch als het verlengde van dat vonnis worden aangezien, met als gevolg dat de termijn om tegen een dergelijk vonnis hoger beroep in te stellen deze van gemeen recht zal zijn, hetzij overeenkomstig artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek één maand. Blijkt dat de eerste rechter in laatstgenoemde hypothese het verzet ten onrechte onontvankelijk heeft verklaard, dan zal de appelrechter zich evenwel overeenkomstig artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dienen te buigen over de gegrondheid van het ingestelde verzet en derhalve dienen te onderzoeken of de faillissementsvoorwaarden inderdaad voorhanden waren op het ogenblik waarop het verstekvonnis werd gewezen, net zoals in de hypothese waarin het verzet ongegrond werd verklaard. Dat betekent dat naargelang het verzet tegen een vonnis van faillietverklaring onontvankelijk dan wel ongegrond wordt verklaard er in de stelling van het hof van beroep voor het instellen van hoger beroep tegen dat vonnis een verschillende beroepstermijn van toepassing zal zijn, zonder dat voor deze onderscheiden behandeling enige objectieve verantwoording voorhanden is, nu beide hogere beroepen kunnen uitmonden in de intrekking van het oorspronkelijke vonnis van faillietverklaring, de termijn voor het instellen van beide beroepen een aanvang neemt bij de betekening van het vonnis dat op verzet werd gewezen en geen van beide beroepen de voorlopige uitvoerbaar¬heid van het vonnis van faillietverklaring kan verhinderen. Besluit In zoverre door het Hof zou worden aanvaard dat de appelrechters terecht hebben geoordeeld dat het vonnis, waarbij het verzet tegen een vonnis van faillietverklaring ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard, één geheel vormt met het faillissementsvonnis, waarvan het integrerend deel uitmaakt, en derhalve moet worden aangezien als een vonnis van faillietverklaring in de zin van artikel 14, eerste lid, van de Faillissementswet, met als gevolg dat voor het instellen van hoger beroep tegen dat vonnis de termijn van vijftien dagen, waarvan sprake in het vierde lid van voornoemde wetsbepaling, geldt, redenering die niet kan worden gevolgd wanneer het verzet onontvankelijk wordt verklaard omdat alsdan de rechter zich niet dient in te laten met de grond, met name met de vraag of het vonnis van faillietverklaring op wettige wijze is totstandgekomen, en een dergelijk vonnis bijgevolg onmogelijk kan worden gekwalificeerd als een vonnis van faillietverklaring in de zin van artikel 14, eerste lid, van de Faillissementswet, met als gevolg dat voor het instellen van hoger beroep tegen een dergelijke beslissing de gemeenrechtelijke termijn van één maand geldt, zonder dat voor deze onderscheiden behandeling een objectieve verantwoording voorhanden is, maakt het hof van beroep toepassing van een bepaling die strijdig is met het gelijkheidsbeginsel (schending van de artikelen 10, 11, 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Derhalve verzoekt de eiseres het Hof, alvorens over dit onderdeel uitspraak te doen, bij toepassing van artikel 26, §§1 en 2, eerste lid, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, aan het Grondwettelijk Hof vol¬gende prejudiciële vraag voor te leggen: "Schendt artikel 14, eerste, tweede en vierde lid, van de Faillissementswet, aldus uitgelegd dat het vonnis dat het verzet, ingesteld tegen een vonnis van faillietverklaring, dat bij verstek werd gewezen, ontvankelijk doch ongegrond verklaart moet worden aangezien als een vonnis van faillietverklaring in de zin van artikel 14, eerste lid, van de Faillissementswet, met als gevolg dat hierop de termijn van vijftien dagen voor het instellen van hoger beroep, waarvan sprake in het vierde lid van voornoemde wetsbepaling van toepassing is, daar waar ten aanzien van het vonnis, dat het verzet tegen hetzelfde vonnis van faillietverklaring onontvankelijk verklaart en zodoende afwijst zonder zich uit te spreken over de gegrondheid van het verzet en derhalve over de wettige totstandkoming van het vonnis van faillietverklaring, waardoor het onmogelijk kan worden aangezien als een vonnis van faillietverklaring, voor het instellen van hoger beroep de gemeenrechtelijke termijn van één maand van toepassing is, zonder dat voor deze onderscheiden behandeling een objectieve verantwoording voorhanden is, artikelen 10 en 11 van de Grondwet ?". Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 33, 34, 35, 38, 42, 5°, 43, 1°, 702, 1°, 703, 744, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 26 april 2007, en 1047 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 13, 14, 16, 41, 46, 47, 50 en 53 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997; - de artikelen 69, 2°, en 453, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen; - het algemeen rechtsbeginsel inzake loyaal procesgedrag, zoals afgeleid uit artikelen 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, en 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 27 juni 2007 verklaart het Hof van Beroep te Brussel eiseres' hoger beroep tegen het vonnis van 17 oktober 2006, waarbij haar verzet ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard onontvankelijk en wijst haar ervan af, na te hebben overwogen: "Curator Mollekens toont aan dat het vonnis van 17 oktober 2006 op geldige wijze werd betekend op het adres van de maatschappelijke zetel van (de eiseres), zoals dat in alle procedurestukken door haarzelf werd vermeld, en dit op 28 december
  6. Het hoger beroep dat pas op 17 januari 2007 werd ingesteld is bijgevolg laattijdig en moet onontvankelijk worden verklaard". Grieven
  7. Overeenkomstig artikel 13 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 wordt het vonnis van faillietverklaring in opdracht van de curator betekend aan de gefailleerde. Naar luid van het tweede lid van dat artikel bevat het exploot van betekening op straffe van nietigheid, benevens de tekst van de artikelen 14 en 15, aanmaning om kennis te nemen van de processen-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Het exploot bevat eveneens de tekst van artikel
  8. Voornoemde vereiste werd wettelijk ingesteld teneinde zekerheid te hebben dat de gefailleerde in kennis wordt gesteld van het vonnis van faillietverklaring en teneinde aldus de termijnen voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het vonnis van faillietverklaring te doen lopen. Een en ander impliceert dat de gefailleerde daadwerkelijk kennis krijgt van het betekeningsexploot van het vonnis van faillietverklaring, minstens hiervan tijdig kennis kan nemen. Betreft het vonnis van faillietverklaring een rechtspersoon, dan zal de curator bijgevolg erover moeten waken dat de betekening het orgaan van de vennootschap, bevoegd tot het nemen van de beslissing om tegen het vonnis van faillietverklaring een rechtsmiddel aan te wenden, bereikt of tijdig kan bereiken. Bovendien is het strijdig met het algemeen rechtsbeginsel inzake loyaal procesgedrag dat een betekening wordt uitgevoerd op een plaats, waarvan de opdrachtgever weet of moet weten dat zij door omstandigheden achterhaald is.
  9. Blijkens artikel 42, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek worden de betekeningen aan vennootschappen met rechtspersoonlijkheid gedaan op de maatschappelijke zetel, of bij gebrek daarvan, de bedrijfszetel of, indien er geen is, aan de persoon of aan de woonplaats van een der beheerders, zaakvoerders of vennoten. Uit deze bepaling volgt dat er moet worden betekend aan de bestuurders, zaakvoerders of vennoten wanneer de maatschappelijke zetel niet of niet meer met de werkelijkheid overeenstemt of wanneer deze onbekend is. Staat hiermee gelijk de situatie waarin de gebouwen, waarin de maatschappelijke zetel van de vennootschap is gevestigd, om een wettelijke reden, zoals een beslissing van onbewoonbaarverklaring of een vonnis van faillietverklaring, niet meer vrij toegankelijk zijn voor de organen van de vennootschap.
  10. Naar luid van artikel 16 van de Faillissementswet verliest de gefailleerde, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring dat onmiddellijk uitvoerbaar is, immers van rechtswege het beheer over al zijn goederen, daaronder begrepen de gebouwen waarin de maatschappelijke zetel van de vennootschap is ondergebracht. Indien daartoe grond bestaat kunnen de curators de verzegeling vorderen, onder meer van de zetel van de gefailleerde vennootschap, zoals impliciet volgt uit het tweede lid van artikel 41 van de Faillissementswet. Vanaf datum van faillietverklaring kunnen alle betalingen, verrichtingen en handelingen van de gefailleerde niet aan de boedel worden tegengeworpen en worden alle activiteiten stopgezet, behoudens de uitzondering, bedoeld in artikel 47 van de Faillissementswet. Alleen de curator is nog bevoegd tot het stellen van handelingen die de boedel verbinden en beslist bij toepassing van artikel 46 van de Faillissementswet over de verderzetting van lopende overeenkomsten, zoals deze van tewerkstelling. Een en ander impliceert dat vanaf datum van faillietverklaring de organen van de vennootschap geen vrije toegang meer hebben tot de lokalen waar de maatschappelijke zetel van de vennootschap is gevestigd, terwijl het personeel dat verder wordt tewerkgesteld door de curatele evenmin nog gevolg dient te geven aan opdrachten die het door die organen zouden worden toevertrouwd. Artikel 50, eerste lid, van de Faillissementswet bepaalt voorts dat de aan de gefailleerde gerichte brieven of berichten worden afgegeven aan de curators en door hen geopend; indien de gefailleerde aanwezig is, woont hij de opening bij. De brieven en berichten die niet uitsluitend betrekking hebben op de handelsactiviteit van de gefailleerde worden door de curators aan de gefailleerde bezorgd of medegedeeld op het adres door de gefailleerde aangewezen. Artikel 53 van de Faillissementswet, waarvan de tekst moet worden opgenomen in het exploot van betekening van het vonnis van faillietverklaring, legt ten slotte aan de bestuurders en zaakvoerders van de gefailleerde vennootschap de verplichting op om de curators elke adreswijziging mee te delen, hetgeen een aanwijzing bevat dat oproepingen in beginsel worden gedaan aan de woonplaats van de bestuurders of zaakvoerder.
  11. Uit een en ander volgt dat in geval van faillietverklaring van een vennootschap de betekening niet langer meer kan geschieden op haar maatschappelijke zetel, gelet op de gevolgen die de wet aan het faillissement verbindt. Immers, een betekening aan de gefailleerde in persoon op voornoemd adres overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van het Gerechtelijk Wetboek is uitgesloten, nu de gefailleerde vanaf de datum van het vonnis van faillietverklaring het beheer over zijn goederen en derhalve ook over de lokalen waar zijn zetel is gevestigd, verliest en hij derhalve tot die gebouwen geen vrije toegang meer heeft. Een betekening aan de zetel van de vennootschap bij toepassing van artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek is evenzeer uitgesloten, vermits de aldaar aanwezige personen voortaan door de curator worden tewerkgesteld. Ten slotte verzet artikel 50 van de Faillissementswet zich tegen de toepassing van artikel 38 van het Gerechtelijk Wetboek, naar luid waarvan de betekening kan plaats vinden door het achterlaten van een afschrift onder gesloten omslag in de brievenbus, vermits overeenkomstig voornoemd artikel 50 alle briefwisseling gericht aan de gefailleerde wordt bezorgd aan de curator, die enkel deze brieven die vreemd zijn aan de handelsactiviteit overmaakt aan de gefailleerde en dit zonder dat hierop enige termijn staat. Een en ander impliceert dat eenmaal het faillissement is uitgesproken de betekeningen, uitsluitend bestemd voor de gefailleerde, zoals deze van het vonnis van faillietverklaring of van het vonnis waarbij het verzet tegen het bij verstek gewezen vonnis van faillietverklaring ongegrond wordt bevonden, op straffe van schending van artikel 42, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, minstens van het algemeen rechtsbeginsel inzake loyaal procesgedrag, niet langer meer zullen kunnen plaatsvinden aan de maatschappelijke zetel, noch aan de bedrijfszetel van de vennootschap, doch overeenkomstig artikel 42, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek zullen dienen te gebeuren aan de persoon of aan de woonplaats van haar bestuurders of zaakvoerders, en dit op het adres dat de curator bij toepassing van artikel 53 van de Faillissementswet door de bestuurders werd meegedeeld.
  12. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de gefailleerde in zijn procedurestukken melding heeft gemaakt van de maatschappelijke zetel, vermelding die een logisch gevolg is van de wettelijke verplichting om in exploten en conclusies melding te maken van de woonplaats of maatschappelijke zetel. Artikel 43 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt aldus dat op straffe van nietigheid het exploot van betekening de woonplaats van degene op wiens verzoek het exploot wordt betekend vermeldt, zijnde blijkens artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek de maatschappelijke of administratieve zetel van de rechtspersoon. Artikel 702, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek bevat een gelijkaardige bepaling, terwijl artikel 703 bepaalt dat rechtspersonen die in rechte optreden om van hun identiteit te doen blijken in de dagvaarding en in elke akte van rechtspleging hun maatschappelijke zetel opgeven. Dat geldt onder meer voor het verzet dat overeenkomstig artikel 1047 van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingesteld bij gerechtsdeurwaardersexploot dat dagvaarding inhoudt om te verschijnen voor de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen. Ten slotte bepaalt artikel 744 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 26 april 2007, dat de rechtspersonen in hun conclusie van hun identiteit doen blijken op de wijze bepaald in artikel
  13. Uit deze bepalingen volgt dat de wet zelf aan de vennootschap de verplichting oplegt om melding te maken van haar maatschappelijke zetel. Blijkens de artikelen 69, 2° en 453, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen is de maatschappelijke zetel van een naamloze vennootschap de plaats, vermeld in de oprichtingsakte. Voornoemde verplichting blijft bovendien bestaan, onverminderd de staat van faillietverklaring. Besluit Waar het hof van beroep oordeelt dat de betekening van het vonnis van 17 oktober 2006 regelmatig was gebeurd op het adres van de maatschappelijke zetel, zoals dat in alle procedurestukken door de eiseres zelf werd vermeld, en dit ongeacht de toestand van faillissement met de daaraan door de wet verbonden gevolgen, en derhalve ongeacht of de vennootschap op voornoemde zetel nog daadwerkelijk kan worden bereikt, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 33, 34, 35, 38, 42, 5°, 43, 1°, 702, 1°, 703, 744, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 26 april 2007, en 1047 van het Gerechtelijk Wetboek, 13, 14, 16, 41, 46, 47, 50, 53 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, 69, 2°, en 453, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen, evenals van het algemeen rechtsbeginsel inzake loyaal procesgedrag, zoals afgeleid uit artikelen 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, en 1382 van het Burgerlijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  14. De vermelding in het arrest dat het verzoekschrift tot hoger beroep "tijdig" werd neergelegd, berust onmiskenbaar op een verschrijving. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  15. Krachtens artikel 14, vierde lid, van de Faillissementswet, is de termijn om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van faillietverklaring of ieder vonnis waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld, vijftien dagen te rekenen van de opneming in het Belgisch Staatsblad van het uittreksel bedoeld in artikel 38 of van de betekening van het vonnis indien het hoger beroep door de gefailleerde is ingesteld.
  16. Deze bepaling beoogt de faillissementsprocedure te uniformiseren en de snelle en efficiënte afwikkeling ervan te verzekeren. Zij is bijgevolg ook van toepassing op het vonnis waarbij het verzet tegen een bij verstek gewezen vonnis van faillietverklaring, hetzij, niet ontvankelijk, hetzij, ongegrond wordt verklaard. De bepalingen van artikel 14 van de Faillissementswet hebben als bijzonder recht voorrang op de gemeenrechtelijke regeling. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Derde onderdeel
  17. Gelet op het antwoord op het tweede onderdeel berust de opgeworpen prejudiciële vraag op een onjuiste rechtsopvatting. Er is bijgevolg geen aanleiding tot het stellen van de prejudiciële vraag. Tweede middel
  18. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres het bedoelde verweer dat de openbare orde niet raakt, noch van dwingend recht is, voor de appelrechters heeft gevoerd. Het middel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 459,64 euro jegens de eisende partij en op de som van 104,36 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 7 november 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081107.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030213.12 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070209.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.