id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.2 Rolnummer: C.05.0421.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2008-12-26 Raadplegingen: 545 - laatst gezien 2026-07-03 05:51 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter die kennisneemt van een vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom, is in zijn hoedanigheid van dwangsomrechter niet bevoegd om kennis te nemen van een vordering die strekt tot vaststelling dat de hoofdveroordeling werd nagekomen
(1)Benelux Hof nr A.2007/2/11, 27 juni 2008, www.courbeneluxhof.info, met concl. van plv. advocaat-generaal Dubrulle. Thesaurus CAS: BENELUX - VERDRAGSBEPALINGEN Vrije woorden: Artikel 4, eerste lid, Eenvormige Beneluxwet - Dwangsom - Vordering tot opheffing, opschorting of vermindering - Dwangsomrechter - Bevoegdheid - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 31 januari 1980 houdende goedkeuring van de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, en van de Bijlage (eenvormige wet betreffende de dwangsom), ondertekend te 's-Gravenhage op 26 november 1973 - 31-01-1980 - Art. 4, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980013101 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Vordering tot opheffing, opschorting of vermindering - Dwangsomrechter - Bevoegdheid - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 31 januari 1980 houdende goedkeuring van de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, en van de Bijlage (eenvormige wet betreffende de dwangsom), ondertekend te 's-Gravenhage op 26 november 1973 - 31-01-1980 - Art. 4, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980013101 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0421.N OOSTERBOSCH RENE ELITE VLOER-TUINSHOP, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 3740 Bilzen, Riemsterweg 155, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- H. H., en,
- M. A., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 24 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Hof heeft op 25 mei 2007 een prejudiciële vraag gesteld aan het Benelux-Gerechtshof. Het Benelux-Gerechtshof heeft die vraag op 27 juni 2008 beantwoord. De verweerders hebben na het arrest van het Benelux-Gerechtshof een nota neergelegd. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft aanvullend ter zitting geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 793, 795, 1385bis, 1385quinquies en 1395 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters beslissen dat zij niet bevoegd zijn om te oordelen over de vordering van de eiseres tot vaststelling dat de hoofdveroordeling werd uitgevoerd, op grond van de volgende overwegingen: "Het onderdeel van de vordering van (de eiseres) tot vaststelling dat de hoofdveroordeling werd uitgevoerd, betreft de uitvoering van de betrokken veroordeling, waarover de dwangsomrechter niet vermag te oordelen" (blz. 6 van het bestreden arrest). Grieven Artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat alle vorderingen betreffende middelen tot tenuitvoerlegging worden gebracht voor de beslagrechter. Onder middelen van tenuitvoerlegging worden verstaan: alle vorderingen die strekken tot de uitwinning van het vermogen van de debiteur. De beslagrechter is derhalve enkel bevoegd voor uitvoeringshandelingen op de goederen van de debiteur. De beslagrechter is daarentegen niet bevoegd om te oordelen over problemen die kunnen rijzen bij reële executie. Met betrekking tot de dwangsom is de beslagrechter bevoegd om te oordelen over de geschillen die bij de invordering van de dwangsom rijzen. Overeenkomstig de artikelen 793, 795, 1385bis en 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek komt het daarentegen enkel aan de dwangsomrechter toe om de beslissing met betrekking tot de dwangsom te interpreteren. Verder kan enkel de dwangsomrechter de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen (1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek). Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de beslagrechter, bij een geschil omtrent de invordering van de dwangsom, bevoegd is om te oordelen of de hoofdveroordeling werd uitgevoerd. Ingeval echter het geschil niet de invordering van de dwangsom betreft, maar wel de interpretatie van de beslissing van de dwangsomrechter en/of "de opheffing van de dwangsom wegens onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen, dan kan de dwangsomrechter overeenkomstig de artikelen 793, 795 1385bis en 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek wel oordelen of de hoofdveroordeling al dan niet werd uitgevoerd. Terzake betrof het tussen partijen bestaande geschil niet de invordering van de dwangsom, maar wel de opheffing van de dwangsom, de interpretatie van de draagwijdte van de hoofdveroordeling die door de dwangsomrechter werd opgelegd en, de vraag of de eiseres, gelet op de precieze draagwijdte van de hoofdveroordeling, hieraan had voldaan. De dwangsomrechter was in die omstandigheden wel degelijk bevoegd om te oordelen of de hoofdveroordeling al dan niet werd uitgevoerd. Hieruit volgt dat de appelrechters, door te beslissen dat zij niet vermogen te oordelen of de hoofdveroordeling werd uitgevoerd, de artikelen 793, 795, 1385bis, 1385quinquies en 1395 van het Gerechtelijk Wetboek schenden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 1385quinquies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde, de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Voornoemd artikel stemt overeen met artikel 4, eerste lid, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom.
- Het Benelux-Gerechtshof heeft in het dictum van zijn arrest van 27 juni 2008 voor recht verklaard: "de rechter die kennisneemt van een vordering als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Eenvormige Benelux-wet Dwangsom, is in zijn hoedanigheid van dwangsomrechter niet bevoegd om kennis te nemen van een vordering die strekt tot vaststelling dat de hoofdveroordeling is nagekomen".
- De appelrechters oordelen dat de dwangsomrechter die kennisneemt van een vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom als bedoeld in artikel 1385quinquies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, niet bevoegd is om kennis te nemen van een vordering die strekt tot de vaststelling dat de hoofdveroordeling werd nagekomen.
- Door op die gronden de vordering van de eiseres tot vaststelling dat de hoofdveroordeling werd uitgevoerd af te wijzen en dienvolgens hun hoger beroep ongegrond te verklaren, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 679,96 euro jegens de eisende partij en op de som van 109,67 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 14 november 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.1 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100902.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div