← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 80, derde lid Wet - 20-07-2005 - Art.

10, 4°, tweede lid Fiches 2 - 3 De kosteloze aard van de persoonlijke zekerheidsstelling is het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, dat de persoonlijke zekerheidssteller kan genieten ten gevolge van de zekerheidsstelling

(1).
(1)Cass., 26 juni 2008, AR.07.0546.N, A.C., 2008, nr 403, met conclusie van advocaat-generaal met opdracht Van Ingelgem. Art. 80, derde lid, van de Faillissementswet, zoals ingevoerd bij artikel 7, 2°, van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen. Thesaurus CAS: BORGTOCHT UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht - Kosteloze borgtocht Vrije woorden: Faillissement - Persoonlijke zekerheidsstelling - Kosteloze aard Wettelijke bepalingen:

Art. 80, derde lid Wet - 20-07-2005 - Art.

10, 4°, tweede lid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht - Kosteloze borgtocht Vrije woorden: Borgtocht - Persoonlijke zekerheidsstelling - Kosteloze aard Wettelijke bepalingen:

Art. 80, derde lid Wet - 20-07-2005 - Art.

10, 4°, tweede lid Fiches 4 - 5 Voor de beoordeling van de kosteloosheid van de borgstelling, dient de rechter zich te plaatsen op het ogenblik waarop de zekerheidsstelling werd verleend

(1).
(1)Cass., 26 juni 2008, AR.07.0546.N., A.C., 2008, nr 403, met conclusie van advocaat-generaal met opdracht Van Ingelgem. Art. 80, derde lid, van de Faillissementswet, zoals ingevoerd bij artikel 7, 2°, van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen. Thesaurus CAS: BORGTOCHT UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht - Kosteloze borgtocht Vrije woorden: Faillissement - Persoonlijke zekerheidsstelling - Kosteloosheid - Beoordeling door de rechter - Tijdstip Wettelijke bepalingen:

Art. 80, derde lid Wet - 20-07-2005 - Art.

10, 4°, tweede lid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht - Kosteloze borgtocht Vrije woorden: Borgtocht - Persoonlijke zekerheidsstelling - Kosteloosheid - Beoordeling door de rechter - Tijdstip Wettelijke bepalingen:

Art. 80, derde lid Wet - 20-07-2005 - Art.

10, 4°, tweede lid Fiche 6 De omstandigheid dat de zekerheidsseteller voor de gefailleerde uit de vennootschap waarvan hij de bestuurder is, vergoedingen betrekt in een andere hoedanigheid dan persoonlijk zekerheidsteller, sluit niet uit dat de feitenrechter kan vaststellen dat deze vergoedingen een economisch voordeel uitmaken voor de zekerheidssteller. Thesaurus CAS: BORGTOCHT UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht - Kosteloze borgtocht Vrije woorden: Faillissement - Persoonlijke zekerheidsstelling - Bestuurder van een vennootschap - Vergoedingen in een andere hoedanigheid dan persoonlijke zekerheidssteller - Beoordeling door de feitenrechter Wettelijke bepalingen:

Art. 80, derde lid Wet - 20-07-2005 - Art.

10, 4°, tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.07.0417.N H. A., eiser, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. KBC BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Havenlaan 2, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest, en ten aanzien van
  2. M. C., in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 februari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 72bis, 72ter, en 80 van de wet van 8 augustus 1997 Faillissementswet, zoals door de wet van 20 juli 2005 ingevoerd en gewijzigd en artikel 10, in het bijzonder lid 2 (laatste lid) van de Wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, en houdende diverse fiscale bepalingen; - de artikelen 1105 en 1106 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest bevestigt het vonnis van de eerste rechter en oordeelt dat de heer M. en de eiser zich niet kosteloos hadden borg gesteld. Het verantwoordt zijn beslissing o.a. met de overwegingen dat: "Het doel en de grondslag van de vorderingen werden, zo in feite als in rechte, in de hieraan voorafgaande procedurestukken uiteengezet. Het hof van beroep verwijst ernaar. De door de eerste rechter weergegeven feitelijke omstandigheden worden als dusdanig niet betwist: de (heer) M. en (de eiser) waren, ten tijde van het door nv KBC Bank verstrekte krediet, de oprichters, aandeelhouders en zaakvoerders van bvba M. Concept en zij hebben, samen met drie anderen, bvba Clozuys opgericht met als doel de door bvba M. Concept vervaardigde producten in Vlaanderen te commercialiseren. Ter zitting werd verduidelijkt dat het door nv KBC Bank aan bvba Clozuys toegekende krediet - toekenning onderworpen aan de voorwaarde van het verstrekken van een solidaire borg door de heren M. en (de eiser) - door bvba Clozuys werd aangewend voor de financiering van de opstart-en inrichtingskosten. Vermits bvba Clozuys was opgericht om het verwerven van inkomsten door bvba M. Concept te bevorderen, en meteen van de heren M. en (de eiser) die, zoals hoger gezegd, de vennoten en zaakvoerders van die vennootschap waren, en het aan bvba Clozuys verstrekte krediet nodig was om deze vennootschap operationeel te maken, beoogden de heren M. en (de eiser) een economisch voordeel bij het verstrekken van de borg, zodat hun borgstelling niet als kosteloos kan worden beschouwd. De stelling van de heren M. en (de eiser) dat, als gevolg van door hen toegelichte factoren, zij uiteindelijk dit verhoopte voordeel niet hebben genoten, doet aan deze vaststelling geen afbreuk, vermits de kosteloosheid dient beoordeeld op het ogenblik van het verstrekken van de borg. De eerste rechter heeft daarom terecht geoordeeld dat de heren M. en (de eiser) zich niet in de wettelijke voorwaarden bevinden om te worden bevrijd van hun verbintenissen, die voortvloeien uit de door hen verschafte borgstelling". Grieven Eerste onderdeel Artikel 10, 4°, lid 2, van de hoger vermelde wet van 20 juli 2005 bepaalt, inzake de faillissementen die niet zijn afgesloten op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wet, dat de rechtbank geheel of gedeeltelijk de natuurlijke persoon bevrijdt die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat diens verbintenis niet in verhouding is met zijn inkomsten en met zijn patrimonium (behoudens het geval van organisatie van frauduleus onvermogen). Een ten gunste van de gefailleerde gestelde borgstelling is kosteloos wanneer de persoon die zich persoonlijk borg stelde niet heeft bedongen dat hij in ruil daarvoor een tegenprestatie (van financiële of andere aard) ontvangt. Het loutere feit dat die persoon zelf een bepaald belang heeft bij het feit dat de borgstelling plaatsvindt, brengt niet met zich mee dat de zekerheidstelling niet kosteloos is in zijnen hoofde. Om de bevrijding van de borg te weigeren, dient de rechter vast te stellen dat de steller van de persoonlijke zekerheid het recht op een concrete tegenprestatie verkreeg wegens het aangaan van de borgstelling. Te dezen wijzen de appelrechters het kosteloos karakter van de borg af op grond van het besluit dat de eiser een economisch voordeel beoogde bij het verstrekken van de borg. Door aldus het kosteloos karakter van de borgstelling door de eiser te verwerpen op grond van de loutere vaststelling dat de eiser een economisch voordeel beoogde bij de borgstelling, zonder vast te stellen dat de door hem aangegane borgstelling hem recht gaf op een concrete vergoeding of tegenprestatie, hebben de appelrechters het begrip "kosteloos" geschonden en hun beslissing niet naar recht verantwoord (schending van alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen). Tweede onderdeel Artikel 10, 4°, lid 2, van de Wet van 20 juli 2005 bepaalt inzake de faillissementen die niet zijn afgesloten op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wet, dat de rechtbank geheel of gedeeltelijk de natuurlijke persoon bevrijdt die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat diens verbintenis niet in verhouding is met zijn inkomsten en met zijn patrimonium (behoudens het geval van organisatie van frauduleus onvermogen). De kosteloosheid moet bijgevolg betrekking hebben op de persoonlijke zekerheidsstelling, in casu op de borgtocht. Vergoedingen aan de borgsteller die geen tegenprestatie zijn voor zijn borgstelling, kunnen het kosteloos karakter van die zekerheidstelling niet beïnvloeden. De vergoedingen die aan een zaakvoerder of aandeelhouder van een vennootschap worden toegekend vormen geen tegenprestatie voor enige borgstelling door die zaakvoerder of aandeelhouder aangegaan voor de schulden van de vennootschap, maar zijn de tegenprestatie voor de uitoefening van een mandaat van zaakvoerder respectievelijk rechten die voortkomen uit het aandeelhouderschap, onafhankelijk van de hoedanigheid van borgsteller. De appelrechters stellen vast dat de gefailleerde vennootschap, de bvba Clozuys, opgericht was "om het verwerven van inkomsten door bvba M. Concept te bevorderen, en meteen van de (heer) M. en (de eiser) die, zoals hoger gezegd, de vennoten en zaakvoerders van die vennootschap waren, en het aan bvba Clozuys verstrekte krediet nodig was om deze vennootschap operationeel te maken" en leiden daaruit af dat de eiser een economisch voordeel beoogde bij het verstrekken van de borg, zodat zijn borgstelling niet als kosteloos kan worden beschouwd. Uit de loutere vaststelling dat de eiser in zijn hoedanigheid van zaakvoerder en aandeelhouder bepaalde inkomsten zou ontvangen uit de failliete vennootschap, ten gunste van wie de borgstelling plaatsvond, konden de appelrechters derhalve niet wettig afleiden dat de borgstelling door de eiser geen kosteloos karakter had, aangezien dergelijk "verhoopt voordeel" geen tegenprestatie vormt voor de borgstelling (schending van alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen). Derde onderdeel (ondergeschikt) De rechter dient de kosteloosheid van de zekerheidsstelling bedoeld in artikel 10, 4°, tweede lid, van de Wet van 20 juli 2005 te beoordelen op grond van de concrete omstandigheden van de zaak en met name de daadwerkelijk door de borgsteller genoten voordelen. De appelrechters stellen vast dat de bvba Clozuys opgericht was "om het verwerven van inkomsten door bvba M. Concept te bevorderen, en meteen van de (heer) M. en (de eiser) die, zoals hoger gezegd, de vennoten en zaakvoerders van die vennootschap waren" en dat "het aan bvba Clozuys verstrekte krediet nodig was om deze vennootschap operationeel te maken". De appelrechters stellen daarbij echter niet vast of de eiser daadwerkelijk enig concreet voordeel heeft genoten in casu en of zonder het stellen van de borg, eiser geen voordelen uit de vennootschap zou hebben verkregen. Bijgevolg konden de appelrechters uit de vaststellingen van het bestreden arrest niet wettig het niet-kosteloos karakter van de borgstelling van de eiser afleiden (schending van alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen). Door verder te beslissen dat "de stelling van de heren M. en (de eiser) dat, als gevolg van door hen toegelichte factoren, zij uiteindelijk dit verhoopte voordeel niet hebben genoten" aan de vaststelling dat de borgstelling niet als kosteloos kan worden beschouwd geen afbreuk doet en door aldus als irrelevant te beoordelen dat eiser geen daadwerkelijke voordelen heeft genoten, hebben de appelrechters het begrip "kosteloos" geschonden (schending van alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  3. Krachtens artikel 80, derde lid, van de Faillissementswet, zoals ingevoerd bij artikel 7, 2°, van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen, evenals artikel 10, 4°, tweede lid, van deze wet van 20 juli 2005, bevrijdt de rechtbank geheel of gedeeltelijk elke natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat diens verbintenis niet in verhouding staat tot zijn inkomsten en met zijn patrimonium, tenzij deze natuurlijke persoon zijn onvermogen frauduleus organiseerde. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt de bedoeling van de wetgever om enkel de natuurlijke personen te bevrijden die door hun bereidwilligheid verplicht zijn om de schulden van de gefailleerde te delgen, terwijl zij geen persoonlijk belang hebben bij de betaling van die schulden.
  4. De kosteloze aard van de persoonlijke zekerheidsstelling is het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, dat de persoonlijke zekerheidssteller kan genieten ten gevolge van de zekerheidsstelling.
  5. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat een persoonlijke zekerheidsstelling slechts kosteloos is wanneer voor de zekerheidsstelling geen concrete tegenprestatie werd bedongen, berust op een onjuiste opvatting. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  6. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat voor het bepalen van het kosteloos karakter van een persoonlijke zekerheid moet worden nagegaan of de zekerheidssteller niet enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, kan genieten ten gevolge van de zekerheidsstelling.
  7. De omstandigheid dat de eiser uit de vennootschap waarvan hij de bestuurder is, vergoedingen betrekt in een andere hoedanigheid dan persoonlijk zekerheidssteller, sluit niet uit dat de feitenrechter kan vaststellen dat deze vergoedingen een economisch voordeel uitmaken voor de zekerheidssteller. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  8. Uit het antwoord op de vorige onderdelen blijkt dat om tot het kosteloos karakter van de zekerheidsstelling te besluiten, het niet voldoende is om vast te stellen dat geen concrete vergoeding als tegenprestatie voor de zekerheidsstelling werd bedongen.
  9. De appelrechters stellen vast dat: - de eiser en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij ten tijde van het door de verweerster verstrekte krediet, de oprichters, aandeelhouders en zaakvoerders waren van de bvba M. Concept; - zij samen met drie anderen de gefailleerde vennootschap hebben opgericht om het verwerven van inkomsten van de bvba M. Concept te bevorderen en meteen ook van hun inkomsten aangezien zij vennoten en zaakvoerders waren van de bvba M. Concept; - het krediet waarvoor de eiser zich persoonlijk borg heeft gesteld, werd aangegaan met het oog op het operationeel maken van de gefailleerde vennootschap. Zij vermochten op grond hiervan wettig te beslissen dat de borgstelling niet kosteloos was. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  10. Voor de beoordeling van de kosteloosheid van de borgstelling, dient de rechter zich te plaatsen op het ogenblik waarop de zekerheidsstelling werd verleend.
  11. Aldus vermochten de appelrechters wettig te beslissen dat "de stelling van (de eiser en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) dat, als gevolg van door hen toegelichte factoren, zij uiteindelijk dit verhoopte voordeel niet hebben genoten, aan deze vaststelling geen afbreuk (doet)". Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Vordering tot bindendverklaring
  12. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep vertoont de vordering tot bindendverklaring geen belang meer. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 460,90 euro jegens de eisende partij en op de som van 102,84 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 14 november 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101029.1 ECLI:BE:CAMON:2017:ARR.20171207.2 ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090225.7 ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090610.17 ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090930.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.