id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.8 Rolnummer: F.06.0129.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-05-25 Raadplegingen: 474 - laatst gezien 2026-07-03 08:00 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081114.8 Fiche 1 De investeringsaftrek is uitgesloten voor ondernemingen die vaste activa aan particulieren ter beschikking stellen, zelfs wanneer de hoofdactiviteit van de onderneming die de investeringsaftrek wil genieten, bestaat in het ter beschikking stellen van vaste activa aan derden-particulieren
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Andere aftrekbare posten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Economische vrijstellingen Vrije woorden: Investeringsaftrek - Uitsluiting - Vaste activa - Gebruik overgedragen - Verhuring aan een natuurlijke persoon - Terbeschikkingstelling aan derden-particulieren Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 75, 2° en 3°, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Art. 42ter, § 6, 2° en 4° Fiche 2 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., Verenigde Kamers, 14 nov. 2008, AR F.06.0129.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Andere aftrekbare posten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Economische vrijstellingen Vrije woorden: Investeringsaftrek - Uitsluiting - Vaste activa - Gebruik overgedragen - Verhuring aan een natuurlijke persoon - Terbeschikkingstelling aan derden-particulieren Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. F.06.0129.N E.-T. D. V., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen te Gent, met kantoor te 9050 Gent, Zuiderpoort, Gaston Crommenlaan 6/604, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 september 2006 op verwijzing gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, ingevolge een arrest van het Hof van 22 november 2001. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. FEITEN Eiseres verhuurt, blijkens het arrest, feesttenten en -materiaal aan particulieren. Zij heeft met betrekking tot de aanslagjaren 1989, 1990, 1991, 1994 en 1995 op de door haar aangeschafte tenten en bijhorend materiaal de investeringsaftrek toegepast. De Belgische Staat heeft de investeringsaftrek geweigerd om reden dat de activa werden gebruikt door huurders die, indien ze zelf eigenaar zouden zijn, de investeringsaftrek niet zouden hebben genoten omdat ze de activa niet beroepsmatig aanwenden. III. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 20, 1°, 45, 4°, 45ter, §1, §6, 2°, zoals ingevoerd door het koninklijk besluit nr. 489 van 22 juni 1982, 4°, zoals ingevoerd door de wet van 31 juli 1984, 48, 94, 96 en 110 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit van 26 februari 1964, 23, §1, 52, 61, 68, 75, 2°, 75, 3°, 179, 183 en 199 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en goedgekeurd bij wet van 12 juni 1992 en 75, 3°, WIB
(1992)in de versie ervan zoals gewijzigd door de wet van 28 december 1992. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart de voorziening ontvankelijk maar ongegrond; Veroordeelt (de eiseres) tot de kosten van de voorziening, begroot op 10,11 euro", op grond van de motieven op p. 4-6: "b) Wat de wetshistoriek van artikel 75, 3°, WIB
(1992)betreft In hoofdorde verwijst (de eiseres) naar de wetshistoriek van artikel 75, 3°, WIB
(1992). Van bij de invoering van de investeringsaftrek werden een aantal situaties uitdrukkelijk van dit voordeel uitgesloten, teneinde te vermijden dat de investeringsaftrek tweemaal zou worden toegekend voor dezelfde activa in hoofde van verschillende belastingplichtigen. In geval het recht op gebruik bij leasingovereenkomst of bij overeenkomst van erfpacht of opstal of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde werd overgedragen, komt het recht op afschrijving van de activa toe aan de ‘economische eigenaar', aan wie dan ook de investeringsaftrek werd toegekend. Bij de wet van 31 juli 1984 werd het stelsel gewijzigd teneinde te voorkomen dat de investeringsaftrek werd toegekend voor goederen die in het buitenland worden gebruikt. Bij de wet van 28 december 1992 werd een nieuw ontwijkingsmaneuver de pas afgesneden. Artikel 75, 3°, WIB
(1992)stelde voortaan dat de investeringsaftrek niet van toepassing was op vaste activa indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze vermeld in sub 2 werd overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurde aan een natuurlijke persoon die de vaste activa gebruikte voor het behalen van winsten of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdroeg. (De eiseres) meent dat uit de betrokken wetteksten kan worden afgeleid dat de wetgever welbepaalde oneigenlijke gebruiken heeft willen anticiperen, zodat de betrokken uitzonderingsbepaling geen nadelig effect mag hebben ten aanzien van vennootschappen wier investeringen juist gericht zijn op de terbeschikkingstelling van de activa aan derden, waarbij zij hun maatschappelijk doel zelf verwezenlijken zonder een ontwijkingsmaneuver in te houden. Met reden doet (de verweerder) evenwel gelden dat de stelling van het Hof van Cassatie dat de bepalingen in verband met de investeringsaftrek tot doel hebben te verhinderen dat twee verschillende belastingplichtigen de investeringsaftrek zouden toepassen op dezelfde vaste activa, enkel opgaat voor artikel 75, 2°, WIB
(1992), maar niet voor artikel 75, 3°, WIB
(1992). Deze laatste bepaling strekt ertoe te vermijden dat belastingplichtigen, die zelf geen recht hebben op de investeringsaftrek, het voordeel daarvan toch onrechtstreeks zouden genieten door de investering te laten verrichten door een andere belastingplichtige die wel recht heeft op de investeringsaftrek en die het recht van gebruik op deze investering vervolgens afstaat (anders dan bij leasing) aan de eerste belastingplichtige. Met reden leidt (de verweerder) uit de wetshistoriek af dat de wetgever heeft willen vermijden dat de investeringsaftrek wordt toegepast in alle gevallen waarin de activa worden gebruikt door huurders die, indien ze zelf eigenaar van de activa zouden zijn, de investeringsaftrek niet kunnen genieten. Dit is dus ook het geval met activa die worden verhuurd aan natuurlijke personen die deze activa niet voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid gebruiken. Derhalve dient de grief van (de eiseres), zoals geformuleerd in hoofdorde, te worden afgewezen". Grieven Onder de benaming "investeringsaftrek", worden krachtens artikel 42ter, §1, WIB
(1964)voor de aanslagjaren 1989, 1990 en 1991, de in artikel 20, 1°, WIB
(1964)bedoelde winst vrijgesteld ten belope van een deel van de als berekeningsgrondslag voor de afschrijvingen dienende aanschaffings- of beleggingswaarde van de materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht, en van de nieuwe immateriële vaste activa, indien die vaste activa in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige worden gebruikt. Krachtens artikel 68 WIB
(1992)worden met ingang van het aanslagjaar 1992 op dezelfde wijze de winsten en baten vrijgesteld tot een deel van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht en van de nieuwe immateriële vaste activa, indien die vaste activa in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt. Aldus is elke belastingplichtige die nieuwe vaste activa aanschaft of tot stand brengt gerechtigd op genoemde investeringsaftrek zo hij deze activa in België gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid, waarbij de noodzakelijke maar voldoende grondvoorwaarde telkens is dat de in aanmerking komende activa door de betrokken belastingplichtige als vaste activa moeten worden gebruikt. Bij wijze van uitzondering van deze investeringsaftrek zijn uitgesloten, - o.m. krachtens artikel 42ter, §6, 2°, WIB
(1964)voor de aanslagjaren 1989, 1990, 1991 en krachtens artikel 75, 2°, WIB
(1992)voor de aanslagjaren 1992 en volgende, de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of opstal, of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, ingeval die vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen; de bedoeling van deze uitsluiting van het recht op een investeringsaftrek in hoofde van de "juridische eigenaar" in de genoemde gevallen er toe strekt te vermijden dat deze twee maal zou moeten verleend worden door te preciseren dat de aftrek kan bekomen worden door de "economische gebruiker", in wiens hoofde de aldus nieuw aangeschafte of tot stand gebrachte activa vaste activa zijn, die krachtens artikel 45, 4°, en 48, §1, WIB
(1964), respectievelijk 52, 6°, en 61 WIB
(1992)in zijn hoofde vatbaar zijn voor afschrijving en dus beantwoorden aan de hoger vermelde regel van artikel 45ter, §1, WIB
(1964)en 68 WIB
(1992)mits hij die nieuwe activa in België voor zijn beroepswerkzaamheid gebruikt. - o.m. krachtens artikel 42ter, §6, 4°, WIB
(1964), voor de aanslagjaren 1989, 1990 en 1991, de vaste activa waarvan het gebruik, niet zijnde het in 2° bedoelde gebruik, is afgestaan aan derden, tenzij die afstand is geschied ten voordele van bedrijven in de zin van artikel 20, 1°, die het gebruik van die vaste activa bestemmen voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid in België zonder het geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een derde; krachtens artikel 75, 3°, WIB
(1992), voor het aanslagjaar 1992, de vaste activa, indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze als vermeld sub 2° aan een andere belastingplichtige is overgedragen, tenzij de overdracht ten goede komt aan een onderneming die de vaste activa gebruikt voor de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid in België en het recht van gebruik daarvan geheel noch ten dele aan een derde overdraagt; krachtens dezelfde bepaling, zoals gewijzigd door de wet van 28 december 1992, voor het aanslagjaar 1993, 1994 en 1995, de vaste activa indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze als vermeld sub 2° aan een andere belastingplichtige is overgedragen, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch ten dele aan een derde overdraagt. De bedoeling van deze laatste anti-misbruikuitsluiting bestaat er enkel in te verhinderen dat buitenlandse ondernemingen, buiten de reeds in artikel 45ter, §6, 2°, WIB
(1964), respectievelijk 75, 2°, WIB
(1992)geregelde gevallen, op onrechtstreekse wijze de investeringsaftrek zouden kunnen bekomen op nieuwe investeringen, die zij als zodanig gebruiken via een aan hen toegestaan gebruiksrecht door een Belgische vennootschap die deze goederen nieuw heeft aangeschaft of tot stand gebracht en waarop zij de investeringsaftrek zelf niet kunnen bekomen indien zij deze investeringen zelf zouden aanschaffen of tot stand brengen. Eerste onderdeel Uit het samenlezen van al deze bepalingen volgt dat de uitsluiting voorzien in artikel 45ter, §6, 4°, WIB
(1964), respectievelijk 75, 3°, WIB
(1992)niet raakt aan de investeringsaftrek waarop een Belgische vennootschap gerechtigd is wegens door haar nieuw aangeschafte of tot stand gebrachte vaste activa die zij in België voor de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid gebruikt, ook al houdt deze beroepswerkzaamheid in het laten gebruiken van deze vaste activa door de afnemers ervan, die deze activa niet voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid gebruiken. Particulieren, die de gehuurde activa gebruiken voor private doeleinden, kunnen immers geen aanspraak maken op enige fiscale afschrijving op die goederen en hebben zelfs nooit enige roeping daarop beroep te moeten of kunnen doen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat de eiseres niet gerechtigd is op de investeringsaftrek voor de aanslagjaren 1989, 1990, 1991, 1994 en 1995 en dat geen investeringsaftrek kan worden overgedragen naar het aanslagjaar 1995, om reden "dat de wetgever heeft willen vermijden dat de investeringsaftrek wordt toegepast in alle gevallen waarin de activa worden gebruikt door huurders die, indien ze zelf eigenaar van de activa zouden zijn, de investeringsaftrek niet kunnen genieten" en "Dit dus ook het geval is met activa die worden verhuurd aan natuurlijke personen die deze activa niet voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid gebruiken", zoals dit het geval is met de verhuring van de feesttenten van de eiseres aan particulieren, vermits dergelijke verhuring aan particulieren van de nieuw aangeschafte vaste activa het gebruik ervan in België voor de beroepswerkzaamheid van en door de eiseres uitmaakt in de zin van artikel 45ter, §1, WIB
(1964), respectievelijk artikel 68 WIB
(1992)(schending van de artikelen 20, 1°, 45, 4°, 45ter, §1, §6, 2°, 4°, 48, 94, 96 en 110 WIB
(1964)zoals van toepassing op de aanslagjaren 1989, 1990 en 1991; 23, §1, 52, 61, 68, 75, 2°, en 75, 3°, zoals gewijzigd door de wet van 28 december 1992; 179, 183 en 199 WIB
(1992)zoals van toepassing op de aanslagjaren 1994 en 1995) en niet valt onder het uitgesloten afstaan van het gebruik als vaste activa door en aan een derde in de zin van artikel 45ter, §6, 4°, WIB
(1964)zoals van toepassing op de aanslagjaren 1989, 1990 en 1991 en artikel 75, 3°, WIB
(1992)zoals van toepassing op de aanslagjaren 1994 en 1995 (schending van de artikelen 20 ,1°, 45 ter, §1, §6, 2°, 4°, 48, 94, 96 en 110 WIB
(1964)zoals van toepassing op de aanslagjaren 1989, 1990 en 1991; 23, §1, 52, 61, 68, 75, 2°, 75, 3°, zoals gewijzigd door de wet van 28 december 1992; 179, 183 en 199 W1B
(1992)zoals van toepassing op de aanslagjaren 1994 en 1995). Tweede onderdeel Zo de anti-misbruikuitsluiting, voorzien door de artikelen 45ter, §6, 4°, WIB
(1964)voor de aanslagjaren 1989, 1990 en 1991, respectievelijk 75, 3°, WIB
(1992)voor het aanslagjaar 1992 en 75, 3°, WIB
(1992)zoals gewijzigd door de wet van 28 december 1992 voor het aanslagjaar 1993, 1994 en 1995, betekent dat de investeringsaftrek wordt geweigerd wanneer de belastingplichtige de activa verhuurt aan particulieren die ze gebruiken voor private doeleinden, alsdan deze uitsluiting verder reikt dan de bedoeling die bij de wetgever voorzat en die er enkel in bestond de investeringsaftrek te weigeren aan buitenlandse ondernemingen die in België een vennootschap oprichten met als doel materiële vaste activa te verhuren aan hun thuishaven. In dergelijk begrip de geviseerde uitsluiting strijdig is niet alleen met het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in artikel 10 van de gecoördineerde Grondwet, hetgeen inhoudt dat belastingplichtigen die zich niet in dezelfde toestand bevinden niet op dezelfde wijze kunnen behandeld worden, maar ook een door artikel 11 van de gecoördineerde Grondwet verboden discriminatie in het leven roept die geen enkele redelijke verantwoording kent. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, zonder de artikelen 45ter, §6, 4°, WIB
(1964)voor de aanslagjaren 1989, 1990 en 1991, respectievelijk 75, 3°, WIB
(1992)voor het aanslagjaar 1992 en 75, 3°, WIB
(1992)zoals gewijzigd door de wet van 28 december 1992 voor het aanslagjaar 1993, 1994 en 1995, evenals de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet te miskennen, heeft kunnen beslissen dat de eiseres geen aanspraak kan maken op enige investeringsaftrek voor door haar in de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid in België aan particulieren verhuurde tenten en bijhorend materieel zonder dat de eiseres enig door de wetgever beoogd misbruik begaat (schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, 45ter, §6, 4°, WIB
(1964)voor de aanslagjaren 1989, 1990 en 1991, respectievelijk 75, 3°, WIB
(1992)voor het aanslagjaar 1992 en 75, 3°, WIB
(1992)zoals gewijzigd door de wet van 28 december 1992 voor het aanslagjaar 1993, 1994 en 1995). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- De beslissing waartegen het middel is gericht is niet verenigbaar met het verwijzingsarrest van 22 november
- Dit middel heeft dezelfde draagwijdte als het in dat arrest beoordeelde middel. De zaak moet bijgevolg worden onderzocht door de verenigde kamers van het Hof. Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 42ter, §6, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)is de investeringsaftrek niet van toepassing op vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht teneinde het recht tot gebruik ervan aan een derde te geven krachtens een leasingcontract of een overeenkomst van erfpacht, van opstal of gelijkaardige onroerende rechten, in de gevallen waarin die vaste activa afschrijfbaar zijn ten name van de onderneming die over die rechten beschikt. Krachtens artikel 42ter, §6, tweede lid, 4°, van dit wetboek is de investeringsaftrek niet van toepassing "op vaste activa waarvan het gebruik, niet zijnde het in 2° bedoelde gebruik, is afgestaan aan derden, tenzij die afstand is geschied ten voordele van bedrijven in de zin van artikel 20, 1°, die het gebruik van die vaste activa bestemmen voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheden in België zonder het geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een derde". Uit de voornoemde artikelen 42ter, §6, tweede lid, 2°, en 42ter, §6, tweede lid, 4°, volgt dat de vaste activa waarvan het gebruik aan een derde is overgedragen op een andere wijze dan via een leasing-, erfpacht-, opstal- of soortgelijke overeenkomst, geen recht geven op investeringsaftrek, tenzij wanneer de gebruiker een nijverheids-, handels- en landbouwbedrijf is die de activa in België gebruikt voor zijn beroepswerkzaamheden, en voor zover hij het recht van gebruik van die activa op zijn beurt niet geheel of gedeeltelijk aan een derde overdraagt. 3. Vaste activa waarvan het gebruik door verhuring aan een natuurlijke persoon werd afgestaan, komen zodoende niet in aanmerking voor de investeringsaftrek, tenzij de huurder die activa in België aanwendt in zijn nijverheids-, handels- of landbouwbedrijf zonder het recht tot gebruik ervan aan een derde over te dragen. De uitsluiting van elke overdracht aan een natuurlijke persoon, die niet als ondernemer het gebruiksrecht op het goed verkrijgt in zijn nijverheids-, handels- of landbouwbedrijf, beantwoordt aan de bedoeling van de wetgever de mogelijkheden van investeringsaftrek te beperken en alle mogelijke misbruiken tegen te gaan. 4. Krachtens artikel 75, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)is de investeringsaftrek niet van toepassing op vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij een overeenkomst van erfpacht of opstal, of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, ingeval die vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen. Krachtens artikel 75, 3°, van dit wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 28 december 1992, is de investeringsaftrek niet van toepassing op vaste activa indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze als vermeld sub 2° is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt. Uit de voornoemde artikelen 75, 2°, en 75, 3°, volgt dat vaste activa, waarvan het gebruik aan een derde is overgedragen op een andere wijze dan via een leasing-, erfpacht-, opstal- of soortgelijke overeenkomst, geen recht geven op investeringsaftrek, tenzij wanneer de gebruiker een natuurlijke persoon is die de activa in België gebruikt voor de exploitatie van een onderneming of voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende activiteit, en voor zover hij het recht van gebruik van die activa op zijn beurt niet geheel of gedeeltelijk aan een derde overdraagt. 5. Vaste activa waarvan het gebruik door verhuring aan een natuurlijke persoon werd afgestaan, komen zodoende evenmin in aanmerking voor de investeringsaftrek, tenzij de huurder die activa in België gebruikt voor de exploitatie van een onderneming of voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende activiteit zonder het recht tot gebruik ervan aan een derde over te dragen. De uitsluiting van elke overdracht aan een natuurlijke persoon, die niet in het raam van zijn professionele activiteit het gebruiksrecht op het goed verkrijgt, beantwoordt aan de bedoeling van de wetgever de mogelijkheden van investeringsaftrek te beperken en alle mogelijke misbruiken tegen te gaan. 6. Zodoende is zowel krachtens artikel 42ter, §6, tweede lid, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)als krachtens artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)de investeringsaftrek uitgesloten voor ondernemingen die vaste activa aan particulieren ter beschikking stellen, zelfs wanneer de hoofdactiviteit van de onderneming die de investeringsaftrek wil genieten, bestaat in het ter beschikking stellen van vaste activa aan derden-particulieren. 7. Het onderdeel dat aanvoert dat de verhuring van feesttenten door een vennootschap aan particulieren niet valt onder de uitgesloten afstand van gebruik in de zin van artikel 42ter, §6, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)of artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel gaat uit van de onderstelling dat de uitsluiting van investeringsaftrek gebaseerd is op de bedoeling van de wetgever alleen buitenlandse ondernemingen uit te sluiten die in België een vennootschap oprichten met als doel materiële vaste activa te verhuren aan hun " thuishaven".
- Het onderdeel dat, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, gebaseerd is op een onjuiste premisse, faalt naar recht.
- Er is derhalve ook geen reden tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Dictum Het Hof, verenigde kamers, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 143,08 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de voorzitters Ivan Verougstraete en Christian Storck, de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Mathieu, Eric Dirix, Didier Batselé, Eric Stassijns, Sylviane Velu, Alain Smetryns en Pierre Cornelis, en in openbare terechtzitting van 14 november 2008 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen. Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081114.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.4 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110311.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div