id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 80, § 1, eerste en tweede lid Koninklijk Besluit - 16-12-1981 - Art.
17, § 1, 5°
Artt. 79 en 80 Wet - 09-08-1963 - Art. 136, § 2, achtste lid Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden - Gemeenschapelijke bepalingen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Algemeen (autoverzekering) Vrije woorden: Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds - Terugvordering van verleende prestaties - Eigen recht van de verzekeringsinstelling Wettelijke bepalingen:
Art. 80, § 1, eerste en tweede lid Koninklijk Besluit - 16-12-1981 - Art.
17, § 1, 5°
Artt. 79 en 80 Wet - 09-08-1963 - Art. 136, § 2, achtste lid Fiches 3 - 4 Wanneer de benadeelde uitgesloten is van het recht van vergoeding ten laste van het Fonds op grond van artikel 17, § 1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981, kan het Fonds niet gehouden zijn tot terugbetaling aan de verzekeringsinstelling van de prestaties die deze heeft verleend aan de benadeelde
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden - Gemeenschapelijke bepalingen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Algemeen (autoverzekering) Vrije woorden: Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds - Recht op terugvordering van verleende prestaties - Eigen recht van de verzekeringsinstelling - Uitsluiting van de benadeelde Wettelijke bepalingen:
Art. 80, § 1, eerste en tweede lid Koninklijk Besluit - 16-12-1981 - Art.
17, § 1, 5°
Artt. 79 en 80 Wet - 09-08-1963 - Art. 136, § 2, achtste lid Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden - Gemeenschapelijke bepalingen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Algemeen (autoverzekering) Vrije woorden: Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds - Terugvordering van verleende prestaties - Eigen recht van de verzekeringsinstelling - Uitsluiting van de benadeelde Wettelijke bepalingen:
Art. 80, § 1, eerste en tweede lid Koninklijk Besluit - 16-12-1981 - Art.
17, § 1, 5°
Artt. 79 en 80 Wet - 09-08-1963 - Art. 136, § 2, achtste lid Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. MORTIER, Cass., 17 nov. 2008, AR C.08.0117.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden - Gemeenschapelijke bepalingen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Algemeen (autoverzekering) Vrije woorden: Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds - Recht op terugvordering van verleende prestaties - Eigen recht van de verzekeringsinstelling Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden - Gemeenschapelijke bepalingen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Algemeen (autoverzekering) Vrije woorden: Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds - Terugvordering van verleende prestaties - Eigen recht van de verzekeringsinstelling Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden - Gemeenschapelijke bepalingen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Algemeen (autoverzekering) Vrije woorden: Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds - Recht op terugvordering van verleende prestaties - Eigen recht van de verzekeringsinstelling - Uitsluiting van de benadeelde Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden - Gemeenschapelijke bepalingen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Algemeen (autoverzekering) Vrije woorden: Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds - Terugvordering van verleende prestaties - Eigen recht van de verzekeringsinstelling - Uitsluiting van de benadeelde Tekst van de beslissing Nr. C.08.0117.N GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Liefdadigheids-straat 33, bus 1, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579, bus 40, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 23 oktober 2007 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 23 oktober 2008 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 136, §2, achtste lid, van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; - de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals van kracht vóór opheffing bij wet van 22 augustus 2002; - de artikelen 14, 16, zoals van kracht vóór en na wijziging bij koninklijk besluit van 23 oktober 1995, en 17 van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals van kracht vóór opheffing bij koninklijk besluit van 11 juli 2003; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing In het vonnis van 23 oktober 2007 bevestigt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen het beroepen vonnis, gewezen door de Politierechtbank te Mechelen op 30 maart 2001, in de mate waarin het de oorspron¬kelijke vordering van de verweerder ontvankelijk heeft verklaard en de kosten heeft begroot, doch doet dit vonnis voor het overige teniet en, opnieuw uitspraak doende, veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerder van 196.875,28 euro, vermeerderd met de vergoedende intresten tegen de wettelijke rentevoet vanaf 1 mei 1996 tot de datum van het vonnis, en het geheel te vermeerderen met gerechtelijke intresten sedertdien. Tevens verleent de rechtbank aan de verweerder voorbehoud voor het opvorderen van verdere schade in causaal verband met het ongeval. De rechtbank stoelt deze beslissing op volgende motieven: "
- Beoordeling 2.
- (De verweerder) stelt dat (hij) als mutualiteit, overeenkomstig artikel 136, §2, lid 8, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (verder ZIV-wet) en artikel 16 van het koninklijk besluit van 16.12.1981 houdende de inwerkingstelling en de uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de controlewet op de verzekeringsinstellingen, over een eigen recht beschikt tegenover (de eiser) waarop de uitsluitingen van artikel 17, §1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 niet van toepassing zijn. Dit eigen recht van (de verweerder) zou rechtstreeks zijn en gebaseerd op de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. 2.
- (De eiser) meent vooreerst dat het eigen recht waarover (de verweerder) zou beschikken geen afbreuk doet aan het subrogatoir karakter van (zijn) vordering waardoor ook aan (hem) de uitsluitingsgronden ex artikel 17, §1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 kunnen worden tegengeworpen. Verder concludeert (de eiser): ‘De ziekte- en invaliditeitsverzekeraar wordt in de uitsluiting van artikel 17, alinea 1-1°, niet genoemd. Deze tekst biedt derhalve geen grondslag om (de verweerder) een verhaal tegenover het Fonds te ontzeggen. Artikel 17, alinea 1-1°, van het genoemd koninklijk besluit heeft onder meer de personen willen uitsluiten die op één of andere manier schuld hebben aan de niet-verzekering van de schade die door het motorrijtuig wordt veroorzaakt. (De verweerder) stelt bij besluiten dan ook terecht dat (hij) als ziekteverzekeraar volledig vreemd was aan het gebeuren. Deze interpretatie van de wet zou er echter aanleiding kunnen toe geven dat de mutualiteit haar prestaties kan terugvorderen die ze heeft geleverd voor een verzekerde die bestuurder was van het motorvoertuig door wiens fout de schade werd veroorzaakt. Deze absurde stelling is dan in casu ook niet toepasselijk. Het GMWF neemt immers de plaats in van de gewone verzekeraar. Het zal dus enkel zijn tussenkomst verlenen wanneer in hetzelfde geval de verzekeraar zijn waarborg had moeten verlenen. Het slachtoffer (lees (de verweerder)) zal niet meer rechten kunnen laten gelden tegenover het Fonds dan tegenover de aansprakelijke bestuurder of diens gewone verzekeraar. (De verweerder) kan dan ook (zijn) prestaties niet terugvorderen voor een verzekerde die bestuurder was van het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, omdat de gewone verzekeraar onder geen enkel beding zou kunnen verplicht worden tussen te komen voor de schade eigen aan de bestuurder'. 2.
- De rechtbank is van oordeel dat (de verweerder) wel degelijk over een eigen recht tegenover (de eiser) beschikt. Artikel 136, §2, lid 8, van de ZIV-wet bepaalt immers uitdrukkelijk: ‘De verzekeringsinstelling heeft een eigen recht van terugvordering van de verleende prestaties tegenover het Gemeenschappelijk waarborgfonds bedoeld in artikel 49 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, in de gevallen bedoeld bij artikel 50 van diezelfde wet'. Ook artikel 16, lid 2, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 kent de mutualiteiten een eigen recht toe. Dit eigen recht bestaat naast het subrogatoir recht opgenomen in artikel 136, §2, lid 4, van de ZIV-wet. Beide leden dienen als twee afzonderlijke rechtsgronden te worden beschouwd: indien zij dezelfde inhoud en modaliteiten zouden dekken, zou er immers geen noodzaak bestaan ze afzonderlijk in een zelfde wetsbepaling op te nemen. Daar artikel 136, §2, lid 8, van de ZIV-wet aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, dient het dan ook niet het voorwerp uit te maken van een exhaustieve interpretatie en a fortiori een interpretatie tegen de wet in. Bovendien legt (de eiser) nergens enig stuk voor (vb. parlementaire werken, ...) dat (zijn) visie omtrent de ‘andersluidende wil' van de wetgever ondersteunt. Een verzekeringsinstelling die haar eigen recht van terugvordering uitoefent, komt niet in de plaats van de rechthebbende en dit eigen recht van de verzekeringsinstelling heeft geen subrogatoir karakter (Cass. 11.09.1995, Arr. Cass. 1995, 762). Daar (de verweerder) een eigen recht uitoefent en dus niet in de plaats treedt van de heer J. kunnen de uitsluitingsgronden opgenomen bij artikel 17 (hem) niet worden tegengeworpen. Zelf valt (de verweerder) niet onder één van de uitsluitinggronden en is (hij) volledig vreemd aan het verkeersongeval en zijn gevolgen. Het hoger beroep is dan ook gegrond, evenals de oorspronkelijke vordering van (de verweerder)" (vonnis, pp. 2-5). Grieven
- Eerste onderdeel 1.1 Artikel 79, §2, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals van kracht vóór diens opheffing bij wet van 22 augustus 2002, geeft de Koning de bevoegdheid onder de voorwaarden die Hij bepaalt, een Gemeenschappelijk Waarborgfonds toe te laten met als opdracht de schade te vergoeden door een motorrijtuig veroorzaakt in de bij het artikel 80 van deze wet vermelde gevallen. Artikel 80, §1, van de wet van 9 juli 1975, zoals van kracht vóór diens opheffing bij wet van 22 augustus 2002, geeft de gevallen aan waarin elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds de vergoeding kan verkrijgen van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt. Uit artikel 80, §1, 3°, van de wet van 9 juli 1975, zoals van kracht vóór diens opheffing bij wet van 22 augustus 2002, volgt dat elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds vergoeding kan bekomen van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt wanneer ingeval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijke geoorloofde uitsluiting. Artikel 80, §1, voorlaatste lid, van de wet van 9 juli 1975, zoals van kracht vóór diens opheffing bij wet van 22 augustus 2002, geeft de Koning de bevoegdheid om de voorwaarden tot toekenning van het recht op vergoeding te bepalen. Dit gebeurde bij het koninklijk besluit van 16 december
- 1.2 Artikel 136, §2, achtste lid, van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, voorziet dat de verzekeringsinstelling een eigen recht van terugvordering van de verleende prestaties heeft tegenover het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds in de gevallen bedoeld in artikel 50 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (lees: artikel 80 van de wet van 9 juli 1975, ingevolge hernummering bij koninklijk besluit van 12 augustus 1994, zoals van kracht vóór opheffing bij wet van 22 augustus 2002) . 1.3 Naar luid van (artikel) 14 van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals van kracht vóór opheffing bij koninklijk besluit van 11 juli 2003, kan elke benadeelde persoon van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds de vergoeding bekomen van schade veroorzaakt door de motorrijtuigen in de gevallen bedoeld bij artikel 80, §1, van de wet van 9 juli 1975, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in hoofdstuk IV van dit koninklijk besluit. Artikel 16 van het koninklijk besluit van 16 december 1981, zoals van kracht vóór opheffing bij koninklijk besluit van 11 juli 2003, stelt dat wanneer ten gevolge van een ongeval de benadeelde persoon, bedoeld in artikel 14, tevens gerechtigd is op prestaties bepaald in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 (of, vóór de wijziging van dit artikel 16 bij koninklijk besluit van 23 oktober 1995: de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en tot organisatie van een regeling van verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering), de vergoeding van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds beperkt is tot het bedrag van de schade dat het bedrag van voormelde prestaties overtreft. Dit doet geen afbreuk aan het recht van terugvordering, waarover de verzekeringsinstelling krachtens artikel 136, §2, laatste (lees: achtste) lid, van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet (of, vóór de wijziging van dit artikel 16 bij koninklijk besluit van 23 oktober 1995: artikel 76quater, §2, laatste lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en tot organisatie van een regeling van verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering), ten aanzien van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds beschikt. Artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 december 1981, zoals van kracht vóór diens opheffing bij koninklijk besluit van 11 juli 2003, somt de gevallen op waarin het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds niet tot vergoeding is gehouden. Artikel 17, §1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981, zoals van kracht vóór diens opheffing bij koninklijk besluit van 11 juli 2003, stelt dat het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds niet tot vergoeding gehouden is tegenover de persoon die zich van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt heeft, meester heeft gemaakt door diefstal of geweldpleging, de heler van het motorrijtuig en de mededader of de medeplichtige van de diefstal, het geweld of de heling. 1.4 Uit al deze bepalingen volgt dat de ziekteverzekeraar een eigen recht van terugvordering bezit in dezelfde gevallen en in dezelfde mate als de benadeelde een recht van vergoeding ten laste van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds heeft. De ziekteverzekeraar van de persoon die zich van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt heeft, meester heeft gemaakt door diefstal of geweldpleging, van de heler van het motorrijtuig, van de mededader of de medeplichtige van de diefstal, het geweld of de heling, zal, hoewel hij over een eigen recht en geen subrogatoir recht beschikt, derhalve vanwege het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds geen aanspraak kunnen maken op terugbetaling van de uitkeringen aan zijn verzekerde.
- In het tussenvonnis van 21 december 2004 besliste de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen dat de heer K. J. , verzekerde van de verweerder, zich minstens medeplichtig had gemaakt aan de diefstal of de heling van het gestolen voertuig, dat het verkeersongeval veroorzaakte, zodat de eiser zich zou kunnen beroepen op artikel 17, §1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december
- In het aangevochten vonnis van 23 oktober 2007 beslist de rechtbank vervolgens dat de in artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 december 1981 opgenomen uitsluitingsgronden niet kunnen worden tegengeworpen aan de verweerder en de eiser zich derhalve niet kan beroepen op artikel 17, §1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 om aan de verweerder terugbetaling van de uitkeringen ten voordele van zijn verzekerde K. J. te weigeren. De rechtbank stoelt deze beslissing op het feit dat artikel 136, §2, achtste lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 aan de mutualiteit een eigen recht, en geen subrogatoir recht, toekennen tegenover de eiser, zodat de verweerder niet in de plaats treedt van de heer J. , niet onder de uitsluitingsgronden van artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 december 1981 valt en volledig vreemd is aan het verkeersongeval en zijn gevolgen. De omstandigheid dat de mutualiteit over een eigen recht van terugvordering beschikt ten opzichte van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, en niet gesubrogeerd is in de rechten van haar verzekerde ten aanzien van dit Fonds, doet echter geen afbreuk aan het feit dat de mutualiteit ten aanzien van het Fonds slechts over een recht van terugvordering beschikt in dezelfde mate als de benadeelde en de uitsluitingsgronden van artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 december 1981 derhalve wel degelijk tegenstelbaar zijn aan de mutualiteit. Door de eiser te veroordelen tot terugbetaling aan de verweerder van de bedragen die door de verweerder aan zijn verzekerde werden uitbetaald, schendt het aangevochten vonnis derhalve de in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek uitgezonderd. Tweede onderdeel
- De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek verbieden de rechter de bewijskracht te miskennen van een stuk waarop hij zijn beslissing stoelt. De rechter miskent de bewijskracht van een stuk, bijvoorbeeld de besluiten van partijen, indien hij aan dit stuk een uitlegging geeft die volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen en de draagwijdte ervan. Dit is het geval wanneer hij beslist dat dit stuk iets inhoudt dat het niet inhoudt of iets niet inhoudt dat er wel in voorkomt.
- Indien het bestreden vonnis aldus dient te worden gelezen dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, door de verwijzing sub nr. 2.3 naar de argumentatie van de eiser, heeft beslist - quod non - dat door de eiser uitsluitend werd aangevoerd dat de uitsluitingsgrond van artikel 17, §1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 aan de verweerder tegenstelbaar is omdat het eigen recht van de verweerder een subrogatoir karakter heeft, miskent de rechtbank de bewijskracht, die kleeft aan de "conclusie na tussenvonnis van 21 december 2004", die door de eiser werd neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen op 11 januari
- De eiser stelde in deze conclusie (o.m. pagina's 4 en volgende), met verwijzing naar onder meer het arrest van het Hof van 29 september 1995, dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de benadeelde geen rechten kan doen gelden tegenover de eiser ten belope van de vergoeding die ter beschikking wordt gesteld door de ziekteverzekering. De ziekteverzekeraar kon derhalve niet gesubrogeerd worden in de rechten van de benadeelde tegen de eiser, omdat deze niet kon gesubrogeerd worden in de rechten die de benadeelde niet heeft. Vandaar dat aan het ziekenfonds een eigen recht werd verleend. Men heeft, aldus de eiser, willen vermijden dat de benadeelde tweemaal zou worden vergoed, eenmaal door de mutualiteit, en vervolgens nogmaals door het Fonds, maar tegelijk heeft men het de mutualiteit willen mogelijk maken de uitgaven van het Fonds terug te vorderen indien de benadeelde zelf niet uitgesloten was van een tegemoetkoming van het Fonds. De omstandigheid dat de verzekeringsinstelling van haar eigen recht gebruik maakt kan, aldus de eiser, de verplichtingen van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds niet verzwaren, vergeleken met de verplichtingen die dat Fonds zou hebben indien de benadeelde zelf vergoeding van de schade zou vorderen. Indien de beslissing van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen aldus zou dienen te worden uitgelegd dat deze rechtbank, door de verwijzing sub nr. 2.3 van het vonnis naar de argumentatie van de eiser, heeft beslist dat door de eiser uitsluitend werd aangevoerd dat de uitsluitingsgrond van artikel 17, §1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 aan de verweerder tegenstelbaar is omdat het eigen recht van de verweerder een subrogatoir karakter heeft, terwijl de eiser tevens stelde dat het eigen recht van de verweerder niet verhindert dat de mutualiteit haar uitgaven van het Fonds slechts kan terugvorderen indien de benadeelde zelf niet uitgesloten is van een tegemoetkoming van het Fonds, heeft de rechtbank beslist dat de besluiten van de eiser iets niet inhouden dat er wel in voorkomt en heeft aldus de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek geschonden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Artikel 80, §1, eerste lid, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, zoals in deze zaak van toepassing, bepaalt de gevallen waarin elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds de vergoeding kan verkrijgen van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt. Krachtens artikel 80, §1, eerste lid, 3°, van deze wet, kan elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds vergoeding bekomen van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting. Krachtens artikel 80, §1, tweede lid, van deze wet, worden de omvang en de voorwaarden tot toekenning van dit recht op vergoeding bepaald door de Koning.
- Artikel 17, §1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals in deze zaak van toepassing, bepaalt dat het Fonds niet gehouden is tot vergoeding tegenover de persoon die zich van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt heeft meester gemaakt door diefstal of geweldpleging, de heler van het motorrijtuig en de mededader of de medeplichtige van de diefstal, het geweld of de heling.
- Artikel 136, §2, achtste lid, van de ZIV-wet, verleent aan de verzekerings-instelling een eigen recht van terugvordering van de verleende prestaties tegenover het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds in de gevallen bedoeld in artikel 50 (artikel 80 ingevolge hernummering bij koninklijk besluit van 12 augustus 1994) van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.
- Uit deze bepalingen volgt dat de verzekeringsinstelling alleen over een eigen recht van terugvordering beschikt in de gevallen en in dezelfde mate als de benadeelde recht zou hebben op vergoeding ten laste van het Fonds. De omstandigheid dat de verzekeringsinstelling van haar eigen recht gebruik maakt, kan de verplichtingen van het Fonds niet verzwaren in vergelijking met de verplichtingen die het zou hebben indien de benadeelde zelf vergoeding van zijn schade zou vorderen. Wanneer de benadeelde uitgesloten is van het recht van vergoeding ten laste van het Fonds op grond van artikel 17, §1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981, kan het Fonds derhalve niet gehouden zijn tot terugbetaling aan de verzekeringsinstelling van de prestaties die deze heeft verleend aan de benadeelde.
- In het tussenvonnis van 21 december 2004 oordelen de appelrechters dat de verzekerde van de verweerder, zich minstens medeplichtig had gemaakt aan de diefstal of heling van het gestolen voertuig dat het verkeersongeval veroorzaakte. In het bestreden vonnis oordelen de appelrechters dat de uitsluitingsgronden van artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 december 1981 niet kunnen worden tegengeworpen aan de verweerder, aangezien deze een eigen recht uitoefent en dus niet in de plaats treedt van haar verzekerde, en de verweerder zelf niet onder een van deze uitsluitingsgronden valt en volledig vreemd is aan het verkeersongeval en zijn gevolgen.
- Door op grond hiervan de eiser te veroordelen tot terugbetaling aan de verweerder van de bedragen die door de verweerder aan zijn verzekerde werden uitbetaald, schenden de appelrechters de voornoemde wettelijke bepalingen. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, zitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 17 november 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081117.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081117.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div