← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081117.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081117.5 Rolnummer: S.07.0069.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-12-15 Raadplegingen: 531 - laatst gezien 2026-07-03 05:31 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter die, krachtens de hem bij artikel 580, 8°, d, van het Gerechtelijk Wetboek toegekende bevoegdheid, uitspraak doet over geschillen betreffende de toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, doet over die geschillen uitspraak door een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing van het openbaar centrum, mits eerbiediging van het recht van verdediging en binnen het kader van het geding, zoals dit door de partijen regelmatig is bepaald. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tusseneis - Nieuwe eis PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Steun OCMW Vrije woorden: Beslissing over het recht op maatschappelijke bijstand of dienstverlening - Beroep - Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 580, 8°, d Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tusseneis - Nieuwe eis PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Steun OCMW Vrije woorden: Beslissing over het recht op maatschappelijke bijstand of dienstverlening - Beroep - Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 580, 8°, d Fiche 3 De rechter kan hierbij kennis nemen van aanspraken, gegrond op feiten die zich na de beslissing van het OCMW hebben voorgedaan, maar hieruit volgt niet dat de rechter ook kennis kan nemen van nieuwe of bijkomende aanspraken, buiten de voorwaarden bepaald bij de artikelen 807 en 808, van het Gerechtelijk Wetboek, of, indien deze aanspraken het voorwerp zijn van een nieuwe beslissing van het OCMW, zonder dat die beslissing regelmatig is aangevochten overeenkomstig artikel 71, van de OCMW-wet. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tusseneis - Nieuwe eis PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Steun OCMW Vrije woorden: Beslissing over het recht op maatschappelijke bijstand of dienstverlening - Beroep - Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank - Bijkomende aanspraken hangende de procedure Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 807 en 808 Tekst van de beslissing Nr. S.07.0069.N 1. G.A. 2. G.V. 3. G.O. eisers, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van 11 juli 2007, nr. G.07.0108.N, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 99, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN STADEN, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met kantoren te 8840 Staden, Hospitaalstraat 1, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 april 2007 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift drie middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 747, §2, 748, §1, en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek (de artikelen 747, §2, en 748, §1, in hun versie vóór de wijziging bij wet van 26 april 2007); - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging van partijen. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verwerpt het hoger beroep dat de eisers tegen de in eerste aanleg gewezen vonnissen hadden ingesteld en dat ertoe strekte de nietigheid van de beslissing van de verweerder van 6 september 2005 te bevestigen en de verweerder tot maatschappelijke dienstverlening te veroordelen. Het bestreden arrest beslist in die zin na te hebben vastgesteld dat de eisers op de terechtzitting van 12 januari 2007 een "tweede conclusie met nieuwe gegevens" hebben neergelegd en dat de verweerder het arbeidshof verzocht heeft deze conclusie uit de debatten te weren (p. 7, eerste al.), doch zonder op enige wijze te bepalen welk gevolg het aan die vraag van de verweerder heeft gegeven en dus zonder ook maar ergens of op enige wijze te bepalen of het de voormelde conclusie van de eisers nu al dan niet uit de debatten heeft geweerd. Grief Het verzoek om een conclusie uit het debat te weren, op grond van artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek (versie vóór de wijzigende wet van 26 april 2007), of op grond van artikel 748, §1, van het Gerechtelijk Wetboek (versie vóór de wijzigende wet van 26 april 2007) of op enige andere grond, houdt een geschilpunt in waarover uitdrukkelijk en op gemotiveerde wijze uitspraak moet worden gedaan, dit zowel ten behoeve van de verzoeker als ten behoeve van de conclusienemer. Die verplichting om op gemotiveerde wijze uitspraak te doen over een vraag tot wering van conclusies uit de debatten, vloeit niet alleen voort uit artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de rechter verplicht over alle punten van de vordering uitspraak te doen en uit artikel 149 van de Grondwet, dat de rechter verplicht zijn beslissingen te motiveren, maar vloeit tevens voort uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging van partijen. In dezelfde mate als een wering van een conclusie uit de debatten het recht van verdediging van de verzoekende partij kan dienen, kan het behoud van een conclusie in de debatten het recht van verdediging van de conclusienemer vrijwaren. Dit geldt des te meer nu artikel 748, §2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde laattijdige of nieuwe conclusies toch toelaat. De verzoekende partij zowel als de conclusienemer moeten dus in staat zijn te weten welk gevolg de rechter aan een verzoek tot wering uit de debatten heeft gegeven en om welke reden hij in de ene of de andere zin heeft beslist. In het bestreden arrest zowel als in het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 januari 2007 is vastgesteld dat de verweerder de wering uit de debatten heeft gevraagd van de besluiten die de eisers ter terechtzitting van 12 januari 2007 hebben neergelegd, doch noch uit het bestreden arrest noch uit voormeld proces-verbaal van terechtzitting, noch uit de daarop volgende processen-verbaal terechtzitting blijkt welk gevolg het arbeidshof aan dat verzoek heeft gegeven. Door vast te stellen dat de verweerder de wering van de tweede conclusies van de eisers uit de debatten had gevraagd (arrest p. 7, eerste al.), zonder verder ook maar op enige wijze te bepalen of het nu heeft beslist de kwestieuze conclusie al dan niet uit de debatten te weren, schendt het bestreden arrest bijgevolg artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging van partijen, en voor zoveel als nodig ook de artikelen 747, §2, en 748, §1, van het Gerechtelijk Wetboek (in hun versie vóór wijziging bij wet van 26 april 2007). Minstens is het bestreden arrest onduidelijk gemotiveerd in de mate het niet toelaat uit te maken of het arbeidshof nu al dan niet acht heeft geslagen op de kwestieuze conclusie vooraleer over de vordering van de eisers uitspraak te doen, wat ook een schending uitmaakt van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 580, 8°,

  1. d), 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1, 57, §1 en 60, §1, eerste lid, van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW-Wet). Aangevochten beslissing Na de nietigheid te hebben vastgesteld van de bestreden beslissing van de verweerder van 6 september 2005 waarin tot territoriale onbevoegdheid van het OCMW te Staden was beslist (p. 11, derde al.), na te hebben vastgesteld dat geen steun kan worden verleend voor de periode voorafgaand aan de op 6 september 2005 ingediende aanvraag bij de verweerder (p. 9, sub 4.4.1 t/m p. 10, sub 4.4.3) en na te hebben vastgesteld dat de eisers van de verweerder steun hadden gekregen in de periode tussen 15 december 2005 en 1 november 2006 (d.i. hangende de vernietigingsprocedure voor de Raad van State) (arrest p. 11 , vierde al. en p. 12, sub 4.7, tweede al.), verwerpt het bestreden arrest de vordering van de eisers strekkende tot een maandelijkse financiële tegemoetkoming, tot tussenkomst in de studiekosten van hun dochter (de derde eiseres) en tot tussenkomst in andere kosten, waaronder medische en tandheelkundige kosten, zowel voor de periode vanaf 6 september 2005 tot en met 14 december 2005, als voor enige periode na 1 november 2006, deze beslissing als volgt motiverend: "4.5. (...) Terecht vernietigde de eerste rechter aldus de beslissing van de Raad van het OCMW te Staden van 6 september 2005 genomen ten aanzien van (de eisers) waar het zich territoriaal onbevoegd heeft verklaard. Bij beslissing van 3 januari 2006 kende de Raad van het OCMW te Staden opnieuw steun toe aan het gezin G. met ingang van 15 december 2005, gelet op de nog hangende beroepen bij de Raad van State. Het huidig geschil is bijgevolg beperkt tot de steunverlening voor de periode van 6 september 2005 tot en met 14 december 2005. 4.6. Met betrekking tot de periode vanaf 6 september 2005 tot en met 14 december 2005 geldt eveneens het principe dat de rechter op het ogenblik van zijn beslissing enkel dienstverlening kan toekennen voor de toekomst en niet voor de tot dan toe verlopen periode, tenzij betrokkenen op het ogenblik van de rechterlijke beslissing nog de negatieve gevolgen ondergaan van een mensonwaardig bestaan dat voorheen werd geleid, en die hen beletten heden een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Een wezenlijk kenmerk van maatschappelijke dienstverlening is dat zij enkel ogenblikkelijk en in de toekomst kan worden verstrekt. Voor wat de periode vanaf 6 september 2005 tot en met 14 december 2005 betreft tonen (de eisers) ook niet dat zij in de onmogelijkheid waren om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Er is geen bewijs van bijvoorbeeld schulden of leningen waardoor (de eisers) thans nog negatieve gevolgen ondergaan en die hen beletten heden een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Een wezenlijk kenmerk van maatschappelijke dienstverlening is dat zij enkel ogenblikkelijk en in de toekomst kan worden verstrekt. Terecht wees de eerste rechter erop dat uit het verslag van 30 maart 2006 van (de verweerder) blijkt dat (de eisers) zonder noemenswaardige problemen werden opgevolgd door het OCMW te Roeselare en door het OCMW te Staden. Uit de voorgelegde stukken en gegevens kan niet afgeleid worden dat dit verslag valse gegevens zou bevatten. 4.7. Het staat vast dat ingevolge vermelde arresten van de Raad van State de asielprocedure thans definitief beëindigd is en dat (de eisers) als uitgeprocedeerde asielzoekers illegaal in het land verblijven, zodat toepassing dient gemaakt te worden van artikel 57, § 2, 1°, OCMW-wet. Bij beslissing van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van het OCMW te Staden van 5 december 2006 werd met ingang van 1 november 2006 de financiële tussenkomsten stopgezet aangezien de asielprocedure definitief beëindigd was ingevolge de vermelde arresten van de Raad van State. Wel werd nog humanitaire hulp voorzien. Deze beslissing maakt het voorwerp van huidige zaak niet uit. 4.9. Samen met het openbaar ministerie stelt het arbeidshof verder vast dat ook de overige nieuwe vorderingen van (de eisers) geformuleerd in hun beroepsconclusies, naast de genomen vordering inzake de studiekosten van hun dochter O. , hoe dan ook ongegrond zijn omdat deze vorderingen duidelijk niet het voorwerp uitmaken van huidig geschil" (arrest p. 10, onderaan t/m p. 13, bovenaan). Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 580, 8°,
  2. d)van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de arbeidsrechtbank kennis van de geschillen inzake de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, inzake de betwistingen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde, van de maatschappelijke dienstverlening en de toepassing van de administratieve sancties bepaald door wetgeving terzake. Voormelde wetsbepaling houdt in dat de arbeidsrechter een toezicht met volle rechtsmacht uitoefent op de beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, hetgeen hem toelaat in de beoordeling van de feiten te treden en uitspraak te doen over het recht op maatschappelijke dienstverlening. Hieruit volgt dat de arbeidsrechtbank, na vernietiging van de beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, in de eerste plaats, overeenkomstig de artikelen 1, 57, §1, en 60, §1, eerste lid, van de OCMW-wet van 8 juli 1976, uitspraak moet doen over de maatschappelijke dienstverlening waarop de betrokkene op het ogenblik van zijn aanvraag bij het centrum aanspraak maakte. Voor de beoordeling van die aanspraak moet de arbeidsrechtbank zich principieel stellen op het ogenblik van de aanvraag. Zij kan derhalve niet op basis van een a posteriori-beoordeling van de wijze waarop de aanvrager zich sinds de bestreden beslissing van het centrum heeft beredderd of op basis van een beoordeling van de toestand van de aanvrager op het ogenblik van de uitspraak, oordelen dat de aanvrager geen aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening voor de periode sinds de aanvraag bij het centrum tot aan de uitspraak van de rechtbank. In casu hadden de eisers op 6 september 2005 bij de verweerder een aanvraag tot financiële tegemoetkoming ingediend. Op diezelfde datum van 6 september 2005 verklaarde de verweerder zich territoriaal onbevoegd om over die aanvraag te oordelen en kende dus geen maatschappelijke dienstverlening toe. Tegen die beslissing tekenden de eisers bij aangetekende brief van 21 oktober 2005 beroep aan bij de arbeidsrechtbank. De eisers handhaafden er hun vraag tot maatschappelijke dienstverlening bestaande in een maandelijkse financiële uitkering voor een periode vóór 6 september 2005 en voor de periode na 6 september 2005. Na eerst de nietigheid van de bestreden beslissing van de verweerder van 6 september 2006 te hebben vastgesteld, vervolgens elke steunverlening vóór de aanvraag op 6 september 2005 te hebben uitgesloten en verder het geschil te hebben beperkt tot steunverlening voor een periode vanaf 6 september 2005 tot en met 14 november 2005 (deze laatste datum zijnde de datum waarop de eisers, omwille van de hangende procedure voor de Raad van State, opnieuw financiële hulp ontvingen), weigert het bestreden arrest voor die voormelde periode van 6 september 2005 tot en met 14 november 2005 maatschappelijke dienstverlening aan de eisers te verlenen. Het bestreden arrest verantwoordt zijn beslissing eerst door te overwegen dat "de rechter op het ogenblik van zijn beslissing enkel dienstverlening kan toekennen voor de toekomst en niet voor de tot dan toe verlopen periode, tenzij betrokkenen op het ogenblik van de rechterlijke beslissing nog de negatieve gevolgen ondergaan van een mensonwaardig bestaan dat voorheen werd geleid en die hen beletten heden een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid" en dat "een wezenlijk kenmerk van maatschappelijke dienstverlening is dat zij enkel ogenblikkelijk en in de toekomst kan worden verstrekt" (p. 11, sub 4.6, al. 1). Vervolgens overweegt het bestreden arrest dat de eisers voor de periode vanaf 6 september 2005 tot en met 14 december 2005 "ook niet aantonen dat zij in de onmogelijkheid waren om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid", wat het arrest dan weer koppelt aan de beoordeling dat "er geen bewijs is van bijvoorbeeld schulden of leningen waardoor de eisers thans nog negatieve gevolgen ondergaan en die hen beletten heden een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid" en waar het herhaalt dat "een wezenlijk kenmerk van maatschappelijke dienstverlening is dat zij enkel ogenblikkelijk en in de toekomst kan worden verstrekt" (p. 11, sub 4.6, laatste al.) Uit die verwijzingen naar het ogenblik van "de beslissing van de rechter", naar "de toekomst" en naar het "heden", blijkt dat de appelrechters van oordeel waren dat zij geen uitspraak konden doen over enige aanspraak op maatschappelijke dienstverlening sinds de aanvraag van de steunverlening op 6 september 2005 tot en met 14 november 2005, om de reden dat zij enkel voor de toekomst en dus vanaf hun eigen beslissing maatschappelijke dienstverlening kunnen toekennen. Door aldus te oordelen, miskent het bestreden arrest de regels inzake de volle rechtsmacht van de arbeidsrechtbank en schendt het dus artikel 580, 8°, d), van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, ook de artikelen 1, 57, §1, en 60, §1, eerste lid, van de OCMW-wet van 8 juli 1976. In de mate het bestreden arrest niet alleen in die zin moet worden gelezen dat het maatschappelijke dienstverlening weigert te verlenen voor de periode voorafgaand aan de uitspraak omdat de eisers op het ogenblik van de uitspraak geen nadelige gevolgen ondergaan van een mensonwaardig bestaan dat voorheen werd geleid en omdat maatschappelijke dienstverlening slechts voor de toekomst kan worden verleend (wat onwettig is: zie supra), maar ook in die zin zou moeten worden gelezen dat het de maatschappelijke dienstverlening met betrekking tot de periode tussen de aanvraag bij het OCMW en de uitspraak van het arbeidshof weigert te verlenen omdat niet zou zijn bewezen dat de eisers in die periode blootgesteld waren aan een mensonwaardig leven, is het bestreden arrest dubbelzinnig gemotiveerd en schendt het dus ook artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 580, 8°, d), van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de arbeidsrechtbank kennis van de geschillen inzake de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, inzake de betwistingen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde, van de maatschappelijke dienstverlening en de toepassing van de administratieve sancties bepaald door wetgeving terzake. Voormelde wetsbepaling houdt in dat de arbeidsrechtbank een toezicht met volle rechtsmacht uitoefent op de beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, hetgeen hem toelaat in de beoordeling van de feiten te treden en uitspraak te doen over het recht op maatschappelijke dienstverlening. Aldus moet de arbeidsrechtbank, na vernietiging van de beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, bij toepassing van de artikelen 1, 57, §1, en 60, §1, van de OCMW-wet van 8 juli 1976, niet alleen oordelen over de aanvraag zoals die bij het centrum was ingediend, maar kan en moet zij ook kennis nemen van aanspraken op maatschappelijke dienstverlening die bijkomend, hangende de procedure voor de arbeidsrechtbank, zouden worden geformuleerd en al dan niet bij toepassing van de artikelen 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek in de loop van het geding zouden worden uitgebreid. Ook voor de beoordeling van deze vorderingen moet de rechtbank zich principieel stellen op het ogenblik waarop de aanspraak wordt geformuleerd en niet op grond van een a posteriori-beoordeling van de toestand van de betrokkene op dat ogenblik. In casu hadden de eisers, bij het instellen van hun beroep tegen de bestreden beslissing van de verweerder op 21 oktober 2005, bovenop hun vraag tot maandelijkse financiële uitkering, ook een vordering tot tussenkomst in de studiekosten van hun dochter (de derde eiseres) ingesteld. In de procedure in hoger beroep hadden de eisers tevens een tussenkomst in andere kosten, waaronder medische en tandheelkundige kosten, gevraagd. Naast dit alles hadden de eisers benadrukt dat hun aanvraag zich uitstrekte tot na de procedure voor de Raad van State, en dus ook tot na 1 november 2006 (d.i. de datum vanaf wanneer het OCMW de financiële hulp heeft stopgezet die tijdens de procedure voor de Raad van State was verleend), nu nog geen uitspraak was gedaan over hun eerder ingediende regularisatieaanvraag. Het bestreden arrest wijst echter elke maatschappelijke dienstverlening in het algemeen, behalve dringende medische hulpverlening in de zin van artikel 57, §2, van de OCMW-wet, af vanaf 1 november 2006 (d.i. na de verwerpingsarresten van de Raad van State), en dit niet alleen omdat een regularisatieaanvraag geen rechten zou doen ontstaan (zie infra: derde middel), maar ook om de reden dat "bij beslissing van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van het OCMW te Staden van 5 december 2006 met ingang van 1 november 2006 de financiële tussenkomst werd stopgezet aangezien de asielprocedure definitief beëindigd was ingevolge de vermelde arresten van de Raad van State" en "deze beslissing het voorwerp van huidige zaak niet uitmaakt" (p. 12, sub 4.7, tweede al.). Door te weigeren rekening te houden met elke vorm van maatschappelijke dienstverlening vanaf 1 november 2006, en dus nog tijdens het geding, om de reden dat er geen beroep zou zijn aangetekend tegen de beslissing van de verweerder om vanaf 1 november 2006 een einde te stellen aan de steun toegekend tijdens de procedure voor de Raad van State, miskent het bestreden arrest de regels inzake de volle rechtsmacht van de arbeidsrechtbank en schendt het bijgevolg de artikelen 580, 8°, d), 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, ook de artikelen 1, 57, §1, en 60, §1, eerste lid, van de OCMW-wet van 8 juli 1976. Met betrekking tot de vorderingen tot tussenkomst in de studiekosten en tot tussenkomst in andere kosten, waaronder medische en tandheelkundige kosten, die hangende het geding voor de arbeidsrechtbank en voor het arbeidshof waren geformuleerd en die dus ook betrekking hebben op een periode vóór 1 november 2006, stelt het bestreden arrest dat zij "nieuw" zijn en dat zij "hoe dan ook ongegrond zijn omdat deze vorderingen duidelijk niet het voorwerp uitmaken van huidig geschil" (p. 13, sub 4.9). Door aldus te weigeren rekening te houden met de in de loop van het geding ingestelde vorderingen tot tussenkomst in studiekosten en in andere kosten, waaronder medische en tandheelkundige kosten, om de reden dat deze vorderingen niet onder het te beoordelen geschil zouden vallen of om de reden dat ze nieuw zouden zijn, miskent het bestreden arrest opnieuw de regels inzake de volle rechtsmacht van de arbeidsrechtbank en schendt het bijgevolg de artikelen 580, 8°, d), 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, ook de artikelen 1, 57, §1, en 60, §1, eerste lid, van de OCMW-wet van 8 juli 1976. In de mate ook geen rekening zou zijn gehouden met deze vorderingen omdat en in de mate ze zouden slaan op een periode voorafgaand aan de uitspraak (zie de in het eerste onderdeel aangevochten motieven), is het bestreden arrest eveneens onwettig wegens miskenning van de volle rechtsmacht van de arbeidsrechtbank (schending van artikel 580, 8°, d), van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, ook van de artikelen 1, 57, §1, en 60, §1, eerste lid, van de OCMW-wet van 8 juli 1976. 3. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 23 en 191 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) (in zijn versie vóór de wijziging bij wet van 15 september 2006); - de artikelen 1, eerste lid, 57, §1, 57, §2, eerste lid, en 57, §2, vierde lid, van de Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW-wet) (art. 57, § 2, eerste lid, zoals van kracht zowel vóór als na wijziging bij Programmawet van 22 december 2003 en art. 57, §2, vierde lid, zoals gedeeltelijk vernietigd bij arrest van het Arbitragehof van 22 april 1998); - artikel 14 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet). Aangevochten beslissing Na te hebben vastgesteld dat geen steun kan worden verleend voor de periode voorafgaand aan de aanvraag van 6 september 2005 (p. 9, sub 4.4.1 t/m p. 10, sub 4.4.3) en na te hebben vastgesteld dat evenmin financiële hulp kan worden verleend voor de periode vanaf 6 september 2005 tot en met 14 december 2005 (deze laatste datum zijnde de datum waarop de eisers hangende de procedure voor de Raad van State opnieuw hulp kregen) (p. 11-12, sub 4.6), beslist het bestreden arrest dat ook geen maatschappelijke dienstverlening, andere dan dringende medische hulpverlening, kan worden toegekend na 1 november 2006 (d.i. na beëindiging van de procedure voor de Raad van State) en verwerpt het bestreden arrest dus ook de vorderingen van de eisers tot financiële hulp en tot tussenkomst in de studiekosten en in andere kosten, waaronder medische en tandheelkundige kosten, in zoverre betrekking hebbend op een periode na 1 november 2006, en dit op grond van onder meer volgende motieven: "4.7 (...) De toekenning van de OCMW-steunverlening wordt steeds gekoppeld aan de vereiste dat de hulpaanvrager over een legaal verblijfsstatuut beschikt. Terecht merkt het openbaar ministerie op dat de procedure inzake de asielaanvraag, beëindigd met een bevel om het grondgebied te verlaten, niet kan worden overgedaan door procedures tot het bekomen van financiële steun. De aanvraag tot regularisatie van verblijf op het grondgebied overeenkomstig artikel 9, derde lid, Vreemdelingenwet en op grond van een administratieve praktijk waardoor de facto niet uitgedreven wordt, doet geen afbreuk aan het illegaal karakter van het verblijf. Immers, een dergelijke aanvraag ressorteert eerst rechtsgevolgen vanaf het tijdstip waarop ze wordt verleend. Uit het gedoogbeleid van de overheid kunnen geen rechten geput worden (arrest p. 12). Grief Krachtens artikel 14 van de Regularisatiewet van 22 december 1999, kan de vreemdeling die op grond van die wet een regularisatieaanvraag heeft ingediend, niet van het grondgebied worden verwijderd zolang niet negatief over zijn aanvraag is beslist. De vreemdeling die zich bevindt buiten de toepassingsvoorwaarden van de Regularisatiewet van 22 december 1999 kan eveneens een regularisatieaanvraag indienen, doch op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 (in zijn versie vóór de wijziging bij wet van 15 september 2006). Naar analogie met de vreemdeling wiens regularisatieaanvraag is gesteund op de Regularisatiewet van 22 december 1999, kan ook de vreemdeling wiens regularisatieaanvraag is gesteund op artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, niet van het Belgisch grondgebied worden verwijderd zolang niet negatief over zijn aanvraag is beslist (toepassing naar analogie met artikel 14 van de Regularisatiewet). In het kader van het recht op maatschappelijke dienstverlening, kan dergelijke vreemdeling wiens asielaanvraag definitief werd verworpen, maar over wiens regularisatieaanvraag nog geen uitspraak werd gedaan, niet beschouwd worden als een persoon die illegaal in het land verblijft in de zin van artikel 57, §2, vierde lid, van de OCMW-wet van 8 juli 1976 (zoals gedeeltelijk vernietigd bij arrest van het Arbitragehof van 22 april 1998) en voor wie niet de regel van de algemene dienstverlening van artikel 57, §1, geldt, maar enkel de beperkte dienstverlening van artikel 57, §2, eerste lid, 1°, van diezelfde wet (zowel vóór als na wijziging bij Programmawet van 22 december 2003). Dit geldt des te meer, en in ieder geval - dus ook indien artikel 14 van de Regularisatiewet niet naar analogie toepasselijk zou zijn - wanneer het bevel om het grondgebied te verlaten dat bij de eerste beslissing tot verwerping van de asielaanvraag (van de minister van Binnenlandse Zaken) aan de vreemdeling werd betekend, na definitieve beëindiging van de asielprocedure de facto niet ten uitvoer wordt gebracht omwille van een nog hangende regularisatieaanvraag. Er anders over oordelen, zou erop neerkomen een toestand te creëren waarbij de vreemdeling, in afwachting van een uitspraak over zijn regularisatieaanvraag op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, feitelijk op het grondgebied wordt gelaten, doch waarbij die vreemdeling tegelijkertijd, bij gebrek aan dienstverlening, in de onmogelijkheid wordt gesteld om minstens tot aan de beslissing over zijn regularisatieaanvraag een menswaardig leven te leiden. Dit zou niet alleen in strijd zijn met het recht op dienstverlening zoals vervat in de artikelen 1, eerste lid, en 57, §1, van de OCMW-wet van 8 juli 1976, maar ook, meer algemeen, met het in artikel 23 van de gecoördineerde Grondwet gewaarborgde fundamentele recht van eenieder om een menswaardig leven te leiden, waarop ook elke vreemdeling in België recht heeft krachtens artikel 191 van de gecoördineerde Grondwet. In casu strekte de door de eisers gevraagde maatschappelijke dienstverlening (maandelijkse financiële uitkering zowel als tussenkomst in studiekosten en andere kosten, waaronder medische en tandheelkundige kosten) zich ook uit tot na 1 november 2006 (d.i. na stopzetting van de financiële hulp die tijdens de asielprocedure voor de Raad van State was verleend). Het bestreden arrest verwerpt echter ook dit deel van de vordering van de eisers en verwerpt aldus ook elke tussenkomst voor de toekomst, niet alleen op grond van de in het tweede middel aangevochten motieven, maar ook op grond van de motivering dat "de toekenning van de OCMW-steunverlening steeds wordt gekoppeld aan de vereiste dat de hulpaanvrager over een legaal verblijfsstatuut beschikt" en dat "de aanvraag tot regularisatie van verblijf op het grondgebied overeenkomstig artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet en op grond van een administratieve praktijk waardoor de facto niet uitgedreven wordt, geen afbreuk doet aan het illegaal karakter van het verblijf", dat "dergelijke aanvraag eerst rechtsgevolgen ressorteert vanaf het tijdstip waarop ze wordt verleend" en dat "uit het gedoogbeleid van de overheid geen rechten kunnen geput worden" (p. 12, sub 4.7, al. 3 t/m 5). Door aldus te oordelen en de (ruime) materiële dienstverlening in de zin van de artikelen 1, eerste lid en 57, §1, van de OCMW-wet van 8 juli 1976 aan de eisers te weigeren op grond van de definitieve beëindiging van de asielprocedure, ongeacht de afwezigheid van gedwongen uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten en ongeacht de hangende regularisatieprocedure, minstens zonder het tegenovergestelde of het bestaan van een negatieve beslissing over de regularisatie vast te stellen, schendt het bestreden arrest de artikelen 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 (in zijn versie vóór de wijziging bij wet van 15 september 2006) en 14 van de Regularisatiewet van 22 december 1999, evenals de artikelen 23 en 191 van de Grondwet en de artikelen 1, eerste lid, 57, §1, 57, § 2, eerste lid (zowel vóór als na wijziging bij de Programmawet van 22 december 1993), en 57, §2, vierde lid (zoals gedeeltelijk vernietigd bij arrest van het Arbitragehof van 22 april 1998), van de OCMW-wet van 8 juli 1976. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. De appelrechters stellen vast dat de eisers op de openbare terechtzitting van 12 januari 2007 een tweede conclusie "met nieuwe gegevens" hebben neergelegd en dat de verweerder hen verzocht heeft deze conclusie uit de debatten te weren. Het arrest beslist niet tot wering van deze conlcusies. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest niet toelaat uit te maken of de appelrechters al dan niet voormelde conclusie hebben geweerd, mist het feitelijke grondslag. 2. Voor het overige is het middel zonder belang, mitsdien niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel 3. Het arrest oordeelt niet enkel zoals in het onderdeel wordt aangevoerd. Het oordeelt tevens dat "uit het verslag van 30 maart 2006 van (de verweerder) blijkt dat (de eisers) zonder noemenswaardige problemen werden opgevolgd door het OCMW te Roeselare en door het OCMW te Staden" en dat "uit de voorgelegde stukken en gegevens (niet kan) worden afgeleid dat dit verslag valse gegevens zou bevatten". Met die niet bekritiseerde reden, waarmee zij te kennen geven dat de eisers in de mogelijkheid zijn gesteld om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, verantwoorden de appelrechters wettig hun beslissing dat de eisers voor de periode van 6 september 2005 tot en met 14 december 2005 niet gerechtigd zijn op een maandelijkse financiële tegemoetkoming. 4. Het onderdeel dat gericht is tegen overtollige beschouwingen, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 5. Krachtens artikel 580, 8°, d), van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de arbeidsrechtbank kennis van de geschillen betreffende de toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, inzake de betwistingen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde, van de maatschappelijke dienstverlening, en de toepassing van de administratieve sancties bepaald door de wetgeving terzake. 6. De rechter doet over die geschillen uitspraak door een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing van het openbaar centrum, mits eerbiediging van het recht van verdediging en binnen het kader van het geding, zoals dit door de partijen regelmatig is bepaald en kan hierbij kennis nemen van aanspraken, gegrond op feiten die zich na de beslissing van het OCMW hebben voorgedaan. Hieruit volgt evenwel niet dat de rechter ook kennis kan nemen van nieuwe of bijkomende aanspraken, buiten de voorwaarden bepaald bij de artikelen 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek of, indien deze aanspraken het voorwerp zijn van een nieuwe beslissing van het OCMW, zonder dat die beslissing regelmatig is aangevochten overeenkomstig artikel 71 van de OCMW-wet. 7. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de arbeidsrechtbank bij betwisting van een beslissing van het OCMW, ook kennis moet nemen van aanspraken op maatschappelijke dienstverlening die bijkomend, tijdens die procedure, worden geformuleerd, zelfs wanneer die aanspraken niet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek of, indien die aanspraken het voorwerp uitmaken van een latere beslissing van het OCMW, zelfs indien tegen die latere beslissing geen verhaal regelmatig werd ingesteld, faalt het naar recht. 8. In zoverre het onderdeel in het midden laat of de nieuwe of bijkomende aanspraken die de eisers hebben geformuleerd, aan de voorwaarden van de artikelen 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek beantwoorden of dat de beslissing van het OCMW van 5 december 2006 regelmatig is aangevochten, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Derde middel 9. De in het middel bekritiseerde beslissing omtrent de aanspraken van de eisers betreffende de periode na 1 november 2006, wordt verantwoord door de in het tweede onderdeel van het tweede middel vergeefs bekritiseerde zelfstandige reden dat de nieuwe beslissing van 5 december 2006, waarbij de financiële tussenkomst met ingang van 1 november 2006 werd stopgezet, niet het voorwerp uitmaakt van de huidige zaak. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Kosten 10. Krachtens artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dient de verweerder in de kosten te worden veroordeeld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de verweerder in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 378,23 euro, in debet, jegens de eisende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 17 november 2008 uitgesproken door afdelings-voorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081117.5 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.