id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081117.6 Rolnummer: S.08.0085.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-12-29 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-07-03 02:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 93, tweede lid, van de Z.I.V.-wet volgt dat de gerechtigde die na een periode van drie maanden of langer waarin hij de staat van invaliditeit niet meer bezit, opnieuw arbeidsongeschikt wordt erkend, zich alsdan bevindt in de staat van primaire arbeidsongeschiktheid bepaald bij de artikelen 87, eerste lid, en 100, van de Z.I.V.-wet. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Uitkeringsverzekering - Primaire ongeschiktheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Uitkeringsverzekering - Evaluatie ongeschiktheid Vrije woorden: Onderbreking van de staat van invaliditeit Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - Artt. 82, eerste lid, 1°, 87, eerste lid, en 90, eerste lid Wet - 14-07-1994 - Artt. 93, eerste en tweede lid, 94, 1e lid en 100, § 1, 1e l Fiche 2 Zoals blijkt uit artikel 90, van de Z.I.V.- wet, komt de beslissing omtrent het bestaan van de primaire arbeidsongeschiktheid, behoudens het geval bepaald in het tweede lid van dit artikel, toe aan de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de gerechtigde, zodat zonder verslag van deze geneesheer de eiser niet vermag zodanige staat te erkennen, noch de duur ervan vast te stellen. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Uitkeringsverzekering - Primaire ongeschiktheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Uitkeringsverzekering - Evaluatie ongeschiktheid Vrije woorden: Bepaling van staat en duur van de primaire arbeidsongeschiktheid - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - Artt. 82, eerste lid, 1°, 87, eerste lid, en 90, eerste lid Wet - 14-07-1994 - Artt. 93, eerste en tweede lid, 94, 1e lid en 100, § 1, 1e l Tekst van de beslissing Nr. S.08.0085.N RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKE-RING, openbare instelling, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 211, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen D.N., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 februari 2008 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 82, eerste lid, 1°, 87, eerste lid, 90, eerste lid, 93, eerste en tweede lid, en 94, eerste lid, en 100, §1, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994; - de artikelen 17, 18 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals onder meer neergelegd in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt uitspraak te doen over niet gevorderde zaken; - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van de verweerster tot vernietiging van de beslissing van 21 augustus 2001 van de geneeskundige raad voor invaliditeit van de eiser waarbij werd vastgesteld dat de verweerster vanaf 27 augustus 2001 niet meer arbeidsongeschikt was als bedoeld in artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, hieronder afgekort als Ziektewet, het hoger beroep van de verweerster gedeeltelijk gegrond en hervormt het het vonnis van de arbeidsrechtbank van 3 november 2003 en de voornoemde beslissing van de geneeskundige raad voor invaliditeit van de eiser in die zin dat de verweerster vanaf 1 januari 2004 een graad van arbeidsongeschiktheid heeft overeenkomstig de criteria van artikel 100 van de Ziektewet en dat op grond van de volgende motieven: "Ingevolge de opdracht van (het arbeidshof) legde de deskundige op 15 juni 2007 zijn verslag neer bij (het arbeidshof) en kwam tot het advies: ‘1. (de verweerster) bezat vanaf 27 augustus 2001 tot en met 31 december 2003 geen graad van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de criteria van artikel 100. 2. (de verweerster) bezat vanaf 1 januari 2004 een graad van arbeidsongeschiktheid en (
- is)deze blijven bezitten waarbij haar verdienvermogen verminderd is tot een derde of minder dan een derde overeenkomstig de criteria van artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en de bepalingen in de opdracht omschreven'. Uit het expertiseverslag volgt tevens dat de raadsgeneesheren van beide partijen zich konden akkoord verklaren met dit voorstel. Dit deskundig verslag is nauwkeurig gemotiveerd en gefundeerd zodat het kan bekrachtigd worden". Grieven 1. Luidens artikel 100, eerste lid, van de Ziektewet, wordt als arbeidsongeschikt erkend als bedoeld in die wet, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencate¬gorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding. Krachtens artikel 87, eerste lid, van de Ziektewet, ontvangt de gerechtigde die arbeidsongeschikt is als omschreven in artikel 100 van de wet, over elke werkdag van een éénjarig tijdvak ingaande op de aanvangsdag van zijn arbeidsongeschiktheid of over elke dag van datzelfde tijdvak die wordt gelijkgesteld met een werkdag, een uitkering "primaire ongeschiktheidsuitkering" genoemd. Op grond van artikel 90, eerste lid, van de Ziektewet stelt de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling de in artikel 100 bedoelde staat van primaire arbeidsongeschiktheid vast en stelt hij de duur ervan vast. Artikel 93, eerste lid, van de Ziektewet bepaalt dat indien de arbeidsongeschiktheid voortduurt na het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, over elke werkdag van de arbeidsongeschiktheid of voor elke daarmee gelijkgestelde dag een zogenaamde "invaliditeitsuitkering" wordt betaald. Krachtens het tweede lid van artikel 93, onderbreekt de omstandigheid dat de gerechtigde over een tijdvak van minder dan drie maanden waarover geen uitkeringen worden betaald, niet langer in een staat van invaliditeit is als bedoeld in artikel 100, de loop van het tijdvak van invaliditeit niet. Daaruit volgt dat de gerechtigde die na een dergelijke periode opnieuw arbeidsongeschiktheid wordt erkend, zich dan bevindt in de staat van primaire arbeidsongeschiktheid bepaald bij de artikelen 87 en 100 van de Ziektewet. Op grond van artikel 82, eerste lid, 1°, en artikel 94, eerste lid, van de Ziektewet stelt de geneeskundige raad voor invaliditeit van de eiser de staat van invaliditeit als bedoeld in artikel 100 vast, bepaalt hij de duur ervan en stelt hij het einde ervan vast. 2. Uit de vaststellingen van het tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 27 augustus 2002 blijkt dat de verweerster als arbeidsongeschikt was erkend sinds 30 april 1999 (2de blad, midden, van dat vonnis). Volgens de artikelen 87, eerste lid, en 93, eerste lid, van de Ziektewet, verstreek de periode van primaire arbeidsongeschiktheid aldus één jaar later en ving vanaf dan een periode van invaliditeit aan. Uit de stukken van het dossier waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de geneeskundige raad voor invaliditeit van de eiser bij beslissing van 21 augustus 2001 vaststelde dat de verweerster vanaf 27 augustus 2001 niet meer arbeidsongeschikt was in de zin van artikel 100 van de Ziektewet. Het arbeidshof bevestigt de voornoemde beslissing in het bestreden vonnis in zoverre zij inhoudt dat de eiseres vanaf 27 augustus 2001 tot en met 31 december 2003, dit is voor een tijdvak van langer dan drie maanden, geen graad van arbeidsongeschiktheid meer had in de zin van artikel 100 van de Ziektewet. Uit die beslissing volgt dat, met toepassing van artikel 93, tweede lid, van de Ziektewet, de loop van het tijdvak van invaliditeit was onderbroken. 1. Eerst onderdeel Het arbeidshof beslist dat de verweerster vanaf 1 januari 2004 een graad van arbeidsongeschiktheid heeft overeenkomstig artikel 100 van de Ziektewet. Gelet op wat voorafgaat, beslist het arbeidshof aldus over de staat van arbeidsongeschiktheid in een periode van primaire arbeidsongeschiktheid. Uit het in artikel 90, eerste lid, van de Ziektewet bepaalde blijkt dat de beslissing omtrent het bestaan van de staat van primaire arbeidsongeschiktheid enkel de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de gerechtigde toekomt, zodat de eiser zodanige staat niet vermag te erkennen, noch de duur ervan vast te stellen. Door ten aanzien van de eiser te beslissen dat de verweerster, wier staat van invaliditeit, blijkens de beslissing van het arbeidshof in het bestreden arrest, vanaf 27 augustus 2001 een einde had genomen, vanaf 1 januari 2004 een graad van arbeidsongeschiktheid heeft overeenkomstig de criteria van artikel 100 van de Ziektewet, schendt het arbeidshof de wettelijke begrippen primaire arbeidsongeschiktheid en invaliditeit (schending van de artikelen 100, §1, eerste lid, 87, eerste lid, en 93, eerste en tweede lid, van de Ziektewet) en de regels over de bevoegdheid tot vaststelling van de arbeidsongeschiktheid (schending van de artikelen 82, eerste lid, 1°, 90, eerste lid, en 94, eerste en derde lid, van de Ziektewet). Conclusie Het arbeidshof hervormt niet wettig het vonnis van de eerste rechter en de beslissing van de geneeskundige raad voor invaliditeit van de eiser van 21 augustus 2001 in die zin dat de verweerster vanaf 1 januari 2004 een graad van arbeidsongeschiktheid heeft overeenkomstig de criteria van artikel 100 van de Ziektewet (schending van de artikelen 82, eerste lid, 1°, 87, eerste lid, 90, eerste lid, 93, eerste en tweede lid, en 94, eerste lid, en 100, §1, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994). 2. Tweede onderdeel Blijkens de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, in graad van beroep van toepassing krachtens artikel 1042 van dat wetboek, kan een rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen reeds verkregen en dadelijk belang heeft. De verweerster had er geen belang bij beroep aan te tekenen tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 3 november 2003 om haar arbeidsongeschiktheid ten aanzien van de eiser te doen erkennen vanaf 1 januari 2004, aangezien, zoals blijkt uit het eerste onderdeel, dat hier uitdrukkelijk wordt hernomen, de eiser onbevoegd is de staat van primaire arbeidsongeschiktheid vast te stellen en een vaststelling daarvan ten aanzien van de eiser derhalve voor de verweerster geen enkel voordeel kan hebben. Conclusie Het arbeidshof hervormt niet wettig het vonnis van de eerste rechter en de beslissing van de geneeskundige raad voor invaliditeit van de eiser van 21 augustus 2001 in die zin dat de verweerster vanaf 1 januari 2004 een graad van arbeidsongeschiktheid heeft overeenkomstig de criteria van artikel 100 van de Ziektewet (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen, met uitzondering dus van de daar vermelde algemene rechtsbeginselen). 3. Derde onderdeel Uit de bepalingen vermeld en toegelicht in het eerste en het tweede onderdeel, die hier uitdrukkelijk worden hernomen, blijkt dat het beroep dat de verweerster aantekende tegen de beslissing van 21 augustus 2001 van de geneeskundige raad voor invaliditeit van de eiser waarbij werd vastgesteld dat de verweerster vanaf 27 augustus 2001 niet meer arbeidsongeschikt was als bedoeld in artikel 100 van de Ziektewet, enkel betrekking had en kon hebben op tijdvakken die deel uitmaken van de periode van invaliditeit en van de periode van primaire arbeidsongeschiktheid. De vordering van de (verweerster) en het geding tussen de partijen was dan ook beperkt tot de vaststelling van arbeidsongeschiktheid in de periode van invaliditeit. Door te beslissen dat de verweerster vanaf 1 januari 2004, dit is in een periode van primaire arbeidsongeschiktheid, een graad van arbeidsongeschiktheid heeft in de zin van artikel 100 van de Ziektewet, miskent het arbeidshof het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt uitspraak te doen over niet gevorderde zaken en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. Conclusie Het arbeidshof hervormt niet wettig het vonnis van de eerste rechter en de beslissing van de geneeskundige raad voor invaliditeit van de eiser van 21 augustus 2001 in die zin dat de verweerster vanaf 1 januari 2004 een graad van arbeidsongeschiktheid heeft overeenkomstig de criteria van artikel 100 van de Ziektewet (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen, met uitzondering van de artikelen 17, 18 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Het arrest bevestigt de beslissing van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit, volgens dewelke de verweerster vanaf 27 augustus 2001 geen graad van arbeidsongeschiktheid had in de zin van de criteria van artikel 100 van de Z.I.V.- Wet van 14 juli 1994. Overeenkomstig het advies van de door het arbeidshof aangestelde deskundige, beslist het arrest ten aanzien van de eiser dat de verweerster vanaf 1 januari 2004 een graad van arbeidsongeschiktheid had overeenkomstig de criteria van voormeld artikel 100. 2. Krachtens artikel 93, tweede lid, van de Z.I.V.-Wet wordt het tijdvak van invaliditeit onderbroken, wanneer de gerechtigde gedurende drie maanden of langer niet meer de staat van invaliditeit bezit, bedoeld in artikel 100 van dezelfde wet. Hieruit volgt dat de gerechtigde die na zulke periode opnieuw als arbeidsongeschikt wordt erkend, zich alsdan bevindt in de staat van primaire arbeidsongeschiktheid, bepaald bij de artikelen 87, eerste lid, en 100 van de Z.I.V.-Wet. 3. Zoals blijkt uit artikel 90 van de Z.I.V.-Wet, komt de beslissing omtrent het bestaan van de primaire arbeidsongeschiktheid, behoudens het te dezen niet toepasselijk geval, bepaald in het tweede lid van dit artikel, toe aan de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de gerechtigde, zodat zonder verslag van deze geneesheer de eiser niet vermag zodanige staat te erkennen, noch de duur ervan vast te stellen. 4. Door zonder voorafgaandelijk verslag van de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de verweerster ten aanzien van de eiser te beslissen dat de verweerster, wiens staat van invaliditeit op 27 augustus 2001 een einde nam, vanaf 1 januari 2004 arbeidsongeschikt was in de zin van artikel 100 van de Z.I.V.-Wet, schendt het arrest de in het onderdeel als geschonden aangewezen wetsbepalingen. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven 5. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Kosten 6. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dient de eiser te worden veroordeeld in de kosten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de verweerster vanaf l januari 2004 een graad van arbeidsongeschiktheid heeft overeenkomstig de criteria van artikel 100 van de Z.I.V.-Wet van 14 juli 1994. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser in de kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Gent. De kosten zijn begroot op de som van 239,10 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 17 november 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081117.6 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131216.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div