← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.10 Rolnummer: P.07.0345.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-12-15 Raadplegingen: 513 - laatst gezien 2026-07-03 03:16 Versie(s): Vertaling FR Fiche Na een arrest van het Grondwettelijk Hof dat antwoordt op een prejudiciële vraag gesteld door het Hof, kan elke partij een nota neerleggen teneinde nadere toelichting te geven over de draagwijdte van de tijdig aangevoerde middelen in het licht van het antwoord op de prejudiciële vraag; die pleitnota kan evenwel niet het aanvoeren van een aanvullend middel inhouden

(1).
(1)Cass., 11 mei 2005, AR P.04.0900.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050511.7, A.C., 2005, nr
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in strafzaken - Nieuw middel Vrije woorden: Behandeling van de zaak voor het Hof - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof - Arrest van het Grondwettelijk Hof - Verdere rechtspleging voor het Hof - Pleitnota van één der partijen - Aanvullend middel - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.07.0345.N M V D, inverdenkinggestelde, eiseres, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 13 februari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. De eiseres voert in een memorie een middel en in een pleitnota een aanvullend middel aan. Bij arrest van 5 juni 2007 heeft het Hof een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van de afwezigheid van cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. Bij arrest nr. 18/2008 van 14 februari 2008 heeft het Grondwettelijk Hof geantwoord. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort cassatieberoep eerst openstaat na het eindarrest of het eindvonnis. Artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het vorige lid niet van toepassing is op arresten of vonnissen inzake bevoegdheid of met toepassing van de artikelen 135 en 235bis, noch op arresten of vonnissen inzake de burgerlijke rechtsvordering die uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid, noch op arresten waarbij overeenkomstig artikel 524bis, § 1, uitspraak wordt gedaan over de strafvordering en een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen wordt bevolen, noch op verwijzingsarresten overeenkomstig artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.
  3. Een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering controle uitoefent over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, is een voorbereidend arrest en valt niet onder de uitzonderingen van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Hieruit volgt dat tegen dit arrest maar eerst cassatieberoep zou openstaan na het eindarrest of eindvonnis, zodat het huidige cassatieberoep wegens voortijdigheid niet ontvankelijk zou zijn.
  4. Het Grondwettelijk Hof heeft evenwel bij arrest nr. 111/2008 van 31 juli 2008 gezegd voor recht: "Artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet voorziet in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling houdende controle, op basis van het vertrouwelijk dossier, van de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie met toepassing van de artikelen 189ter of 235ter van het Wetboek van Strafvordering".
  5. Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling betreffende de strafvordering een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11 Grondwet worden geschonden, moet de strafrechter zo mogelijk deze leemte opvullen. Of de strafrechter een leemte in de wetsbepaling betreffende de strafvordering kan opvullen, hangt af van de leemte zelf. Indien de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd, dan kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen. Indien evenwel aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gesteld door de wetsbepaling aan te vullen dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet, kan en moet de rechter dit doen.
  6. Artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt uitzonderingen op de regel van het eerste lid welk in beginsel geen onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort. Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat het strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet dat artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering geen onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering controle uitoefent over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie. Om hieraan te verhelpen volstaat het een onmiddellijk cassatieberoep toe te laten. Het cassatieberoep is derhalve ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de pleitnota
  7. Na een arrest van het Grondwettelijk Hof dat antwoordt op een prejudiciële vraag gesteld door het Hof, kan elke partij een nota neerleggen teneinde nadere toelichting te geven over de draagwijdte van de tijdig aangevoerde middelen in het licht van het antwoord op de prejudiciële vraag. Die pleitnota kan evenwel niet het aanvoeren van een aanvullend middel inhouden.
  8. Met zijn pleitnota beoogt de eiser in werkelijkheid het aanvoeren van een aanvullend middel. Dat middel is aan het Hof voorgelegd buiten de termijn bepaald in artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen: - artikelen138 en 140 Gerechtelijk Wetboek; - artikel 235ter en 273 Wetboek van Strafvordering.
  9. Artikel 138, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt: "Onverminderd de bepalingen van artikel 141 vordert het openbaar ministerie de toepassing van de strafwet, overeenkomstig de regels die de wet stelt." Artikel 140 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Het openbaar ministerie waakt voor de regelmatigheid van de dienst van de hoven en rechtbanken." Artikel 273 Wetboek van Strafvordering bepaalt: "(De procureur-generaal) woont de debatten bij; hij vordert de toepassing van de straf; hij is tegenwoordig bij de uitspraak van het arrest."
  10. In strafzaken heeft het openbaar ministerie bij de rechtbanken van eerste aanleg en bij de hoven van beroep onder meer als opdracht de strafvordering in te stellen waar het behoort en erover te waken dat de rechtspleging wettelijk en regelmatig verloopt.
  11. Uit deze wetsbepalingen en uit de opdracht van het openbaar ministerie volgt dat de rechter in alle strafgerechten, onderzoeksgerechten zowel als vonnisgerechten, en in alle strafzaken zonder onderscheid, zetelt in aanwezigheid van het openbaar ministerie.
  12. Anderzijds bepaalt artikel 235ter, §§ 1 en 2, Wetboek van Strafvordering dat de kamer van inbeschuldigingstelling het openbaar ministerie moet horen over zijn vordering en over zijn opmerkingen.
  13. Artikel 235ter, § 2, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering bepalen dat de kamer van inbeschuldigingstelling, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal hoort en op dezelfde wijze de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde hoort. Die bepaling houdt niet in dat de procureur-generaal niet aanwezig mag zijn bij het horen van de burgerlijke partij of de inverdenkinggestelde. Het houdt integendeel in dat wanneer de procureur-generaal niet aanwezig was, de rechtspleging van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering door nietigheid is aangetast.
  14. Uit het proces-verbaal van rechtszitting van 30 januari 2007 blijkt dat de kamer van inbeschuldigingstelling de partijen afzonderlijk gehoord heeft buiten de aanwezigheid van het openbaar ministerie en dat het debat daarop gesloten werd en de zaak in beraad werd genomen. Hieruit volgt dat de rechtspleging onregelmatig is zodat het arrest de vermelde wetsbepalingen schendt. Middel
  15. Het middel kan niet leiden tot cassatie zonder verwijzing en behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Laat de kosten ten laste van de Staat. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Begroot de kosten op 154,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt en op de openbare rechtszitting van 25 november 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090129.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050511.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240522.2F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.