← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 26

Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Prejudiciële verwijzing (nationaal) STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Algemeen (vreemdelingen) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Grondwettelijk Hof - Verplichting voor het Hof Wettelijke bepalingen:

Art. 26

Fiches 5 - 6 Er is geen grond tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wanneer het middel niet ontvankelijk is om redenen die niet ontleend zijn aan de normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van die prejudiciële vraag

(1).
(1)Zie Cass., 15 nov. 2006, AR P.06.1401.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061115.2, A.C., 2006, nr 566. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Prejudiciële verwijzing (nationaal) STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Algemeen (vreemdelingen) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Verplichting voor het Hof Wettelijke bepalingen:

Art. 26

, § 2, tweede lid, 1° Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Prejudiciële verwijzing (nationaal) STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Algemeen (vreemdelingen) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Grondwettelijk Hof - Verplichting voor het Hof Wettelijke bepalingen:

Art. 26

, § 2, tweede lid, 1° Fiche 7 De bijzondere verbeurdverklaring die de rechter met toepassing van artikel 42, 1°, Strafwetboek moet uitspreken, vereist dat het te verbeurdverklaren goed de eigendom van de veroordeelde is; om te bepalen of aan die eigendomsvereiste is voldaan, moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van het plegen van het misdrijf

(1).
(1)Zie Cass., 29 jan. 1951, A.C., 1951, 298; 13 juni 1955, A.C., 1955, 839; TROUSSE, P.E., Novelles, Droit pénal, Deel I, nr 78; CONSTANT, J., Traité élém. droit pénal, deel II, nr 722, p. 775; DE NAUW, A., Inleiding tot het algemeen strafrecht, 2006, p. 149; STESSENS, G., De verbeurdverklaring, Strafrecht en Strafprocesrecht, XXXIIste postuniversitaire cyclus W. Delva, 2005-2006, p. 338; DUPONT, L. en VERSTRAETEN, R., Handboek Belgisch Strafrecht, p. 378, nr 692; ROZIE, J., Voordeelsontneming. De wisselwerking tussen de toepassingsvoorwaarden en het rechtskarakter van de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen, Antwerpen, Intersentia 2005, p. 265; VAN MUYLEM, E., Commentaar Strafrecht en Strafvordering, (Bijzondere) Verbeurdverklaring, nr 41 p.
  1. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Prejudiciële verwijzing (nationaal) STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Algemeen (vreemdelingen) Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Artikel 42, 1°, Strafwetboek - Zaken welke gediend hebben tot het plegen van het misdrijf - Eigendom van de veroordeelde - Tijdstip van de eigendom Fiche 8 Uit de bewoordingen van artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet, blijkt niet dat de wetgever de verbeurdverklaring heeft willen afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de zaken waarop zij betrekking heeft, op het ogenblik van de beslissing waarbij zij wordt uitgesproken, nog de eigendom van de veroordeelde moet zijn; het is vereist, maar het volstaat, dat de te verbeurdverklaren zaken de eigendom van de veroordeelde waren op het ogenblik van het plegen van het misdrijf. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Prejudiciële verwijzing (nationaal) STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Algemeen (vreemdelingen) Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Huisjesmelkerij - Artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet - Zaken welke gediend hebben tot het plegen van het misdrijf - Eigendom van de veroordeelde - Tijdstip van de eigendom Fiche 9 Nieuw en derhalve niet ontvankelijk is het middel dat aanvoert dat de opgelegde straffen onmenselijk of vernederend zijn, aangezien de uit te spreken straffen, daarin begrepen de verbeurdverklaringen, wettelijk bepaald zijn en dus in het debat waren voor de appelrechters, zodat de eiser zich daartegen kon verdedigen. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Prejudiciële verwijzing (nationaal) STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Algemeen (vreemdelingen) Vrije woorden: Middel dat schending aanvoert van artikel 3 EVRM - Onmenselijke of vernederende straf - Wettelijk bepaalde straf Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 3 Annotaties Publicaties: RAGB - Joëlle ROZIE; Over verbeurdverklaring bij huisjesmelkerij - 2009, 464-477 Tekst van de beslissing Nr. P.08.0951.N I.
  2. J J G D S, beklaagde, met als raadsman mr. Walter van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent,
  3. M A D S, beklaagde, eisers, II R S, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Christine Mussche, advocaat bij de balie te Gent. III MAXIBUILD bvba, met zetel te 9000 Gent, Sint-Lievenslaan 254, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Frank Burssens, advocaat bij de balie te Gent, de cassatieberoepen I en III tegen
  4. R H, burgerlijke partij,
  5. B H, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 april
  6. De eiser I.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser I.2 voert geen middel aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres III voert in een memorie vier middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  7. Het arrest ontslaat de eisers van vervolging voor een deel van de hen ten laste gelegde feiten. In zoverre ook daartegen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  8. De eiseres III heeft haar cassatieberoep ingesteld op donderdag 8 mei 2008, dit is meer dan vijftien vrije dagen na de uitspraak van het arrest op 21 april
  9. Het cassatieberoep van de eiseres III is laattijdig, mitsdien niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I.1 Eerste onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, de artikelen 2 en 433terdecies Strafwetboek, en artikel 77bis , § 5, Vreemdelingenwet: de niet-retroactieve werking van de strengere strafwet staat eraan in de weg dat deze strengere strafwet bij de beoordeling van de strafmaat in aanmerking genomen wordt.
  11. Met de verwijzing naar artikel 433terdecies Strafwetboek stelt het arrest enkel vast dat deze nieuwe wetsbepaling steeds voorziet in de verplichte verbeurdverklaring van de onroerende goederen die het voorwerp van de bewezen verklaarde misdrijven en eigendom van de schuldige zijn, zoals dit ook het geval was onder vigeur van artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten van toepassing was. Aldus past het arrest geen strengere strafwet toe met terugwerkende kracht. Het onderdeel kan niet aangenomen worden. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet: ten onrechte oordeelt het arrest dat die wetsbepaling, zoals van toepassing op de ten laste gelegde feiten, de verplichte verbeurdverklaring van de onroerende goederen die het voorwerp van het misdrijf zijn, oplegt.
  13. Artikel 42, 1°, Strafwetboek bepaalt: "Bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast : (...) op de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken en op die welke gediend hebben tot het plegen van het misdrijf, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn." Artikel 43, eerste lid, Strafwetboek bepaalt: "Bij misdaad en wanbedrijf wordt bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op zaken bepaald in artikel 42, 1° en 2°, altijd uitgesproken." Artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet, zoals van toepassing op de feiten van de telastleggingen A, B en C, met name misdrijven als bedoeld in paragraaf 1bis van dat artikel bepaalt: "De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan worden toegepast zelfs wanneer de zaken waarop zij betrekking heeft, niet het eigendom van de veroordeelde zijn."
  14. Deze laatste wetsbepaling geeft de rechter de mogelijkheid om de zaken welke gediend hebben tot het plegen van het misdrijf, inzonderheid de onroerende goederen bedoeld in paragraaf 1bis van dit artikel, verbeurd te verklaren wanneer zij niet de eigendom van de veroordeelde zijn. De verbeurdverklaring van die onroerende goederen is enkel facultatief als zij de veroordeelde niet toebehoren. Daarentegen is de verbeurdverklaring van die zaken ook onder vigeur van artikel 77bis Vreemdelingenwet met toepassing van de artikelen 42,1°, en 43 Strafwetboek verplicht wanneer het onroerend goed dat gediend heeft voor het plegen van het misdrijf eigendom van de veroordeelde is. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  15. Het onderdeel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Schendt artikel 77bis, § 5, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 10 augustus 2008 (lees: 2005) en aldus geïnterpreteerd dat de verbeurdverklaring van de in § 1bis van die wet bedoelde onroerende goederen slechts facultatief zou zijn als zij de veroordeelde niet toebehoorden, het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet)?"
  16. De veroordeelde die geen eigenaar is van het goed dat gediend heeft tot het plegen van het misdrijf, bevindt zich ten opzichte van dat goed niet in dezelfde rechtstoestand als de veroordeelde die daarvan wel eigenaar is. De voorgestelde vraag heeft bijgevolg geen betrekking op de ongelijke behandeling van personen die zich in dezelfde rechtstoestand bevinden. Er is bijgevolg geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Derde onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet: het arrest beveelt ten onrechte de verplichte verbeurdverklaring van een woning die geen eigendom van de eiser meer was op het ogenblik van de uitspraak en motiveert zijn beslissing daarover niet naar recht.
  18. Artikel 42, 1°, Strafwetboek bepaalt: "Bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast : (...) op de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken en op die welke gediend hebben tot het plegen van het misdrijf, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn." Artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet, zoals van toepassing op de feiten van de telastleggingen A, B en C, met name misdrijven als bedoeld in paragraaf 1bis van dat artikel, bepaalt: "De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan worden toegepast zelfs wanneer de zaken waarop zij betrekking heeft, niet het eigendom van de veroordeelde zijn."
  19. De bijzondere verbeurdverklaring die de rechter met toepassing van artikel 42, 1°, Strafwetboek, moet uitspreken, vereist dat het te verbeurdverklaren goed de eigendom van de veroordeelde is. Om te bepalen of aan die eigendomsvereiste is voldaan, moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van het plegen van het misdrijf. Uit de bewoordingen van artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet, blijkt niet dat de wetgever de verbeurdverklaring heeft willen afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de zaken waarop zij betrekking heeft, op het ogenblik van de beslissing waarbij zij wordt uitgesproken, nog de eigendom van de veroordeelde moet zijn. Het is vereist maar het volstaat dat de te verbeurdverklaren zaken de eigendom van de veroordeelde waren op het ogenblik van het plegen van het misdrijf. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vergeefse aanvoering dat een der verbeurdverklaarde goederen geen eigendom is van de eiser. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I.1
  21. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 1 van het Aanvullend Protocol nr. 1 bij dat verdrag, artikel 17 Grondwet, artikel 42, 1°, Strafwetboek en artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf: het bestreden arrest beveelt de verbeurdverklaring van vijf onroerende goederen, waarvan vier eigendom zijn van de eiser; de verbeurdverklaring mag het gehele vermogen van de veroordeelde niet treffen noch een bestraffing van de familie van de veroordeelde zijn.
  22. Het middel gaat geheel ervan uit dat de uitgesproken verbeurdverklaringen het gehele vermogen van de eiser omvatten en daarom ook een bestraffing van zijn familie inhouden. Het middel verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is en is bijgevolg niet ontvankelijk.
  23. Het middel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Schendt artikel 77bis, § 5, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 10 augustus 2008 (lees : 2005) en aldus geïnterpreteerd dat de verbeurdverklaring van de in § 1bis van die wet bedoelde onroerende goederen verplicht is als zij de veroordeelde toebehoorden (dit in samenhang met artikel 42, 1°, Strafwetboek), artikel 17 van de Grondwet, nu hierdoor de mogelijkheid bestaat dat een bestraffing wordt opgelegd die gelijkgesteld dient te worden met een door artikel 17 van de Grondwet verboden vorm van algehele verbeurdverklaring en de rechter de mogelijkheid wordt ontzegd om de verbeurdverklaring niet uit te spreken?".
  24. Het middel is niet ontvankelijk om redenen die niet ontleend zijn aan de normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. Overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 1°, Bijzondere Wet Arbitragehof, is er geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Derde middel van de eiser I.1
  25. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: de opgelegde straffen zijn onmenselijk of vernederend.
  26. De uit te spreken straffen, daarin begrepen de verbeurdverklaringen zijn wettelijk bepaald en waren dus in het debat voor de appelrechters. De eiser kon zich daartegen verdedigen. Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk. Vierde middel van de eiser I.1
  27. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: de beslissing van het arrest over de verbeurdverklaring van het bedrag van 43.295 euro als vermogensvoordelen is niet naar recht gemotiveerd daar dit bedrag niet in totaliteit huurgelden vertegenwoordigt.
  28. In werkelijkheid komt het middel volledig op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest dat de vermogensvoordelen uit de bewezen verklaarde misdrijven 43.295 euro bedragen. Het middel is niet ontvankelijk. Middel van de eiseres II
  29. Het middel heeft dezelfde draagwijdte als het eerste en tweede onderdeel van het eerste middel van de eiser I.
  30. Het is om dezelfde redenen niet gegrond.
  31. De eiseres vraagt eveneens de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Schendt artikel 77bis, § 5, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 10 augustus 2008 (lees: 2005) en aldus geïnterpreteerd dat de verbeurdverklaring van de in § 1bis van die wet bedoelde onroerende goederen verplicht is als zij de veroordeelde toebehoorden (dit in samenhang met artikel 42, 1°, Strafwetboek), artikel 17 van de Grondwet, nu hierdoor de mogelijkheid bestaat dat een bestraffing wordt opgelegd die gelijkgesteld dient te worden met een door artikel 17 van de Grondwet verboden vorm van algehele verbeurdverklaring en de rechter de mogelijkheid wordt ontzegd om de verbeurdverklaring niet uit te spreken?"
  32. Het middel preciseert niet hoe het arrest een toepassing maakt van de artikelen 77bis, § 5, Vreemdelingenwet en 42, 1°, Strafwetboek die strijdig is met artikel 17 Grondwet. De prejudiciële vraag vertoont bijgevolg geen belang zodat zij niet dient te worden gesteld. Middelen van de eiseres III
  33. De middelen houden geen verband met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek
  34. De substantiële of op straffe van onderzoek voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 314,37 euro, waarvan op elk cassatieberoep 104,79 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt en op de openbare rechtszitting van 25 november 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090519.4 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091222.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110215.8 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170428.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040519.32 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.19 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061115.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.