id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.1 Rolnummer: S.07.0116.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 771 - laatst gezien 2026-07-03 02:03 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081201.1 Fiche 1 Het beginsel dat het Hof van Cassatie in de regel bij de beoordeling van de wettigheid van een rechterlijke beslissing die aan het Hof is voorgelegd, zijn toezicht slechts kan uitoefenen uitgaande van de dag waarop de beslissing is genomen, vindt evenwel geen toepassing wanneer de wetgever door een bekrachtiging terugwerkende kracht heeft willen verlenen aan een koninklijk besluit dat door de appelrechter onwettig werd bevonden
(1)Zie de conclusie van het O.M.. Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Berekening van verschuldigde interest - Toepassing van de wet in de tijd Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 2, 1382 en 1383 Wet - 26-06-2002 - Artt. 81, 82 en 90, § 1 Fiches 4 - 6 Concl. adv.-gen. Mortier, Cass., 1 dec. 2008, AR S.07.0116.N, A.C., 2008, nr. .... Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Toezicht door het Hof op de wettigheid van een rechterlijke beslissing - Rechterlijke beslissing waarbij een koninklijk besluit onwettig werd bevonden - Bekrachtiging bij wet door de wetgever Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Bekrachtiging bij wet van een koninklijk besluit Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Berekening van verschuldigde interest - Toepassing van de wet in de tijd Tekst van de beslissing Nr. S.07.0116.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Informatisering van de Staat, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 180, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen O.M., verweerder, en ten aanzien van EFICO, naamloze vennootschap, met zetel te 2060 Antwerpen, IJzerlaan 30, tot bindendverklaring opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 april 2007 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 3, §1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; - de artikelen 2, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 33, 36, 37, 40, 108, 144, 145, 149 en 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen; - de artikelen 1, 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen; - de artikelen 2, eerste lid, 1°, 3bis, zoals ingevoegd bij artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, 10, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing na de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, en 23, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, zoals neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel overeenkomstig welk een nieuwe wet in beginsel onmiddellijke werking heeft; - de artikelen 270, 272 en 273 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992; - artikel 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof de door verweerder tegen de eiser ingestelde vordering in tussenkomst ontvankelijk en gegrond. Het arbeidshof beslist dienvolgens de eiser te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke en de gerechtelijke interest berekend op de toegekende bruto opzeggingsvergoeding en eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot 2004, vanaf 30 mei 2005, verminderd met het bedrag van de wettelijke en gerechtelijke interest door de tot bindendverklaring opgeroepen partij verschuldigd op de overeenstemmende nettobedragen, en vermeerderd met de gerechtelijke interest vanaf 9 januari 2006. Die beslissing van het arbeidshof is gesteund op de volgende motieven: "2.6. Intrest (...) (Het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen is), zoals terecht werd aangevoerd door de (tot bindendverklaring opgeroepen partij), onwettig en wel om de volgende redenen: Artikel 3, §1, eerste lid, R. v. St. -Wet bepaalt: Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de ministers, de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College respectievelijk bedoeld in het derde en het vierde lid van artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ieder wat hem betreft, aan het met redenen omklede advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. Het advies en het voorontwerp worden gehecht aan de memorie van toelichting van de ontwerpen van wet, decreet of ordonnantie. De adviesaanvraag vermeldt de naam van de gemachtigde of van de ambtenaar die de minister aanwijst om de afdeling wetgeving de dienstige toelichtingen te verstrekken. Het advies wordt gehecht aan de verslagen aan de Koning, aan de Regering, aan het College van de Franse Gemeenschapscommissie en aan het Verenigd College. Ontwerpen van koninklijke besluiten waarbij de Koning optreedt krachtens artikel 105 of 108 van de Grondwet, moeten bijgevolg voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, voor zover zij een reglementair karakter bezitten. Reglementaire besluiten in de zin van genoemd artikel 3, §1, eerste lid, zijn besluiten waarbij algemene regels worden uitgevaardigd die toepasselijk zijn op de rechtsonderhorigen in het algemeen of op een bepaalde groep van rechtsonderhorigen, die zich in dezelfde objectieve toestand bevinden en niet alleen op één van hen of op een naar aantal beperkte groep (M. Van Damme, ‘Raad van State Afdeling wetgeving'; Die Keure, 1998, 120 en de aldaar geciteerde rechtsleer en rechtspraak). In het verleden werd aangenomen dat een besluit dat de datum van de inwerkingtreding van een wet of van een koninklijk besluit vaststelt niet reglementair is, omdat het geen enkele nieuwe regel zou bevatten die niet reeds besloten ligt in de bepalingen die het in werking stelt. Dit standpunt kan evenwel niet worden bijgetreden vermits de inwerkingtreding een zodanig wezenlijk onderdeel van de nieuwe regeling is, dat bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat de vaststelling van de datum van inwerkingtreding geen nieuwe norm toevoegt aan de bestaande rechtsordening. Bovendien kan de inwerkingtreding delicate rechtsvragen doen rijzen op het vlak van bijvoorbeeld een eventueel terugwerkende kracht (M. Van Damme, o. c., 129). Uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt ten andere dat de vroegere zienswijze m.b.t. het niet reglementair karakter van besluiten die de datum van inwerkingtreding van een wet bepalen, reeds geruime tijd werd verlaten en dat geregeld advies werd en wordt verleend over ontwerpen van dergelijke besluiten, waaruit impliciet doch zeker kan worden afgeleid dat de Raad van State zich daartoe bevoegd acht en derhalve van oordeel is dat dergelijke besluiten een reglementair karakter bezitten. (...) Het ontwerp van koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen moest bijgevolg voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, behoudens in geval van ‘met bijzondere redenen omklede' hoogdringendheid. Dit geldt des te meer nu dit koninklijk besluit zich inhoudelijk niet beperkt tot het vaststellen van een datum waarop genoemde artikelen 81 en 82 in werking treden, maar tevens bepaalt dat genoemde artikelen slechts van toepassing zijn op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005. Wat de mogelijkheid tot het inroepen van hoogdringendheid betreft teneinde geen advies in te winnen, moet erop gewezen worden dat artikel 3, §1, eerste lid, R.v.St.-Wet voorschrijft dat de hoogdringendheid ‘met bijzondere redenen moet zijn omkleed'. Deze verplichting houdt in dat de aanhef van het betrokken reglementair besluit de redenen moet vermelden waarom de ontworpen regeling zo spoedeisend was dat niet om advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State kon worden gevraagd (M. Van Damme, o. c., 138 e. v., en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer). Dit arbeidshof kan slechts vaststellen dat het ontwerp van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen niet voorafgaand voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat zelfs geen dringende noodzakelijkheid werd ingeroepen om het ontbreken van een adviesaanvraag te rechtvaardigen. Het inwinnen van het advies van de Raad van State is een substantiële vormvereiste. Wanneer geen advies werd ingewonnen bij de afdeling wetgeving van de Raad van State omtrent een reglementair besluit en geen beroep werd gedaan op de dringende noodzakelijkheid of wanneer dit op een onbehoorlijke manier gebeurde, is dit besluit onwettig. Bij toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet moeten de hoven en rechtbanken zich, zo nodig ambtshalve, onthouden van elke toepassing van een reglementair besluit dat werd genomen met miskenning van de wettelijk voorgeschreven raadplegingsvereiste (M. Van Damme, o. c., 156 en de aldaar geciteerde rechtspraak; Cass. 27 februari 2006, S.05.0033.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060227.6; Cass. 9 september 2002, S.00.0125.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.7, http://www.cass.be, op datum). Dit arbeidshof kan bijgevolg geen toepassing maken van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen. (...) 2.7. Schadevergoeding vanwege de Belgische Staat Ondergeschikt, met name in de door dit arbeidshof bijgetreden hypothese dat de (tot bindendverklaring opgeroepen partij) enkel gehouden is tot betaling van intrest op de overeenstemmende nettobedragen, vordert (de verweerder) betaling door de (eiser) van een vergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke verwijl- minstens de vergoedende intrest vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke interest gerekend op alle bruto toe te kennen bedragen onder aftrek van het bedrag aan intrest op de nettobedragen te betalen door de (tot bindendverklaring opgeroepen partij) volgens de uit te spreken veroordeling en de gerechtelijke intrest op het bedrag van deze schadevergoeding vanaf 9 januari 2006 tot op het ogenblik van de betaling. Deze, in ondergeschikte orde geformuleerde eis, steunt op de aansprakelijkheid van de (eiser) omdat hij niet binnen een redelijke termijn het nodige zou hebben gedaan om de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, inzonderheid artikel 82 van deze wet, in werking te laten treden. (...) Ten gronde ontwikkelt de (eiser) - kort samengevat - de volgende grieven tegen zijn veroordeling tot schadevergoeding, zoals toegekend door de eerste rechters: - de rechter kan bij toepassing van de oude versie van artikel 10 Loonbeschermingswet intrest toekennen op de brutobedragen van loonachterstallen; - er is geen foutieve nalatigheid bij de uitvoering van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen; - de (verweerder) toont geen schade aan die in verband staat met het beweerdelijk laattijdig uitblijven van het inwerkingtredingsbesluit vermits de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen enkel maar van toepassing kan zijn voor de toekomst; - de inwerkingtreding van artikel 82 werd inmiddels uitgevoerd bij koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen. Deze argumentatie kan niet overtuigen en wel om de volgende redenen: Zoals uitvoerig uiteengezet sub 2.6. werd door de Koning tot op heden geen uitvoering gegeven aan de bij artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen gegeven opdracht om de datum te bepalen waarop artikel 82 van deze wet in werking zal treden en kan op basis van artikel 10 Loonbeschermingswet, in de versie zoals van toepassing voor de wijziging bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, geen intrest op het brutobedrag van de aan de werknemer verschuldigde loonachterstallen worden toegekend. Het arbeidshof stelt vast dat tussen partijen - terecht - geen betwisting bestaat over het feit dat op de uitvoerende macht de verplichting rust om binnen een redelijke termijn uitvoering te geven aan een wettelijke bepaling, tenzij voor het uitstel ervan een redelijke verantwoording zou bestaan. Dit geldt evenzeer wanneer de wetgever de koning machtigt om de datum van de inwerkingtreding van een wet te bepalen. Ook wanneer de wetgever hiervoor geen termijn heeft voorgeschreven heeft de Koning de plicht om de datum van inwerkingtreding binnen een redelijke termijn te laten vallen (vgl. Vande Lanotte, J. en Goedertier, G., ‘Overzicht publiek recht', Die Keure, 2001, nr. 1052 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer). De (eiser) kan in dit kader aansprakelijk worden gesteld voor de schade veroorzaakt door de miskenning van de algemene zorgvuldigheidsnorm van de artikelen 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek. (vgl. Cass. 23 april 1971, R. W., 1970-71, 1793). Zoals de eerste rechters is dit arbeidshof van oordeel dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht kon beschikken om maatregelen te nemen teneinde artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen in werking te laten treden, op 30 mei 2005 reeds was verstreken en dat hiervoor geen enkele redelijke verantwoording wordt ingeroepen. De (eiser) betwist dat hem een foutieve nalatigheid kan worden verweten, waarbij hij verwijst naar de vermeende noodzaak om alle uitvoeringsmaatregelen in het kader van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen in één globaal besluit te nemen. Zoals terecht werd opgemerkt door de (verweerder), hierin gevolgd door de eerste rechters, staan de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen eigenlijk los van de overige bepalingen uit die wet en was en is (
- er)hoegenaamd geen noodzaak om de inwerkingtreding van deze bepalingen te koppelen aan de inwerkingtreding van de overige bepalingen van die wet. Het onwettige koninklijk besluit van 3 juli 2005 illustreert en bevestigt ten andere dat de uitvoerende macht zelf van oordeel was dat het perfect mogelijk was om deze bepalingen afzonderlijk in werking te laten treden. Overigens bevestigt en illustreert het koninklijk besluit van 3 juli 2005 dat er naar het oordeel van de uitvoerende macht zelf op dat ogenblik geen redelijke verantwoording meer was voor een verder uitstel van de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen. De uitvoerende macht heeft dan ook wel degelijk een fout begaan, die haar aansprakelijkheid in het gedrang brengt, door slechts op 3 juli 2005, hetzij meer dan 3 jaar na het uitvaardigen van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen een koninklijk besluit uit te vaardigen, met als gevolg dat de (verweerder) vanwege de (tot bindendverklaring opgeroepen partij) geen intrest kan opeisen op het brutobedrag van de hem verschuldigde loonachterstallen, doch enkel op het nettobedrag. Bovendien kan en mag uiteraard aan de (eiser) worden verweten dat op 3 juli 2005 een onwettig koninklijk besluit werd uitgevaardigd, zodat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 van de wet betreffende de sluiting van ondernemingen nog steeds niet in werking is getreden. De (eiser) kan evenmin gevolgd worden waar hij voorhoudt dat de (verweerder) geen schade heeft geleden ingevolge dit foutief optreden, gelet op het feit dat een nieuwe wet in beginsel alleen voor de toekomst werkt. In dit verband dient er vooreerst op gewezen te worden dat, om de hiervoor uiteengezette redenen, dit arbeidshof van oordeel is dat de (eiser) de nodige maatregelen had kunnen en moeten nemen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet betreffende de sluiting van ondernemingen reeds op 30 mei 2005 in werking was getreden. Bovendien is dit arbeidshof, zoals de (verweerder), van oordeel dat artikel 90 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen aan de Koning niet de bevoegdheid verleende om de toepassing van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 te beperken tot de lonen waarvan het recht op betaling is ontstaan vanaf een bepaalde datum en met uitsluiting van de lonen die voordien eisbaar zijn geworden, maar nog niet werden betaald. Anders dan de (eiser) voorhoudt impliceert het beginsel van de onmiddellijke werking van de wet, dat een nieuwe wettelijke reglementering in beginsel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de gevolgen van de onder de vroegere reglementering ontstane toestanden, die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe reglementering en voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (vgl. Vande Lanotte, J. en Goedertier, G., o.c., nr. 273 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer). Niets in de wet van 26 juni 2002 laat toe te besluiten dat de wetgever van dit beginsel heeft willen afwijken. Een correcte toepassing van dit beginsel zal er dan ook - bij hypothese - toe leiden dat vanaf de door de Koning bepaalde datum van de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 intrest verschuldigd is op de brutobedragen van alle nog openstaande loonachterstallen, zonder uiteraard afbreuk te doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Gelet op het voorgaande kan de door de (verweerder) gevorderde schadevergoeding worden toegekend voor de toegekende opzeggingsvergoeding en voor de ex contractu gevorderde achterstallige eindejaarspremies" (bladzijde 17, tweede alinea, t.e.m. bladzijde 23, tweede alinea, van het bestreden arrest). Grieven Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan verplicht deze te vergoeden. Overeenkomstig artikel 1383 van het Burgerlijk Wetboek is iedereen aansprakelijk niet alleen voor de schade welke hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt. De aansprakelijkheid op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek vereist het bestaan van een fout, een schade en het causaal verband tussen beide. Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest vast dat de door de verweerder tegen de eiser ingestelde vordering (in tussenkomst), vordering die het gegrond verklaart, steunt op de aansprakelijkheid van de eiser (bladzijde 20, punt 2.7, tweede alinea, van het bestreden arrest; zie ook bladzijde 21, zesde alinea, van het bestreden arrest). Uit de door het arbeidshof in het bestreden arrest gedane vaststellingen en gemaakte overwegingen blijkt dat het arbeidshof de eiser aansprakelijk stelt op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek (zie o.m. bladzijde 21, zesde alinea en bladzijde 22, tweede alinea, van het bestreden arrest). 1.1. Eerste onderdeel Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat de eiser een fout heeft begaan (zie bladzijde 22, tweede alinea, van het bestreden arrest). In dit eerste onderdeel vecht de eiser die beslissing van het arbeidshof aan. Het Hof kan inderdaad nagaan of de feitenrechter uit de door hem gedane feitelijke vaststellingen het al dan niet bestaan van een fout kon afleiden. Het arbeidshof is van oordeel dat de fout van de eiser bestaat in het uitvaardigen van een koninklijk besluit dat onwettig is. De eiser vecht dat oordeel aan in het eerste subonderdeel. Meer bepaald oordeelt het arbeidshof dat het koninklijk besluit onwettig is omdat - het ontwerp ervan niet voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, wat de eiser aanvecht in het eerste subsubonderdeel; - het hele koninklijk besluit wegens onwettigheid niet kan worden toegepast, wat de eiser aanvecht in het tweede subsubonderdeel. Het arbeidshof is eveneens van oordeel dat de eiser een fout heeft begaan door niet binnen een redelijke termijn uitvoering (
- te)geven aan een wettelijke bepaling, wat de eiser aanvecht in het tweede subonderdeel. 1. 1. 1. Eerste subonderdeel Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat uiteraard aan de eiser kan en mag worden verweten dat op 3 juli 2005 een onwettig koninklijk besluit werd uitgevaardigd, zodat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemin¬gen nog steeds niet in werking is getreden (bladzijde 22, derde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof leidt aldus het bestaan van de fout van de eiser (o.m.) af uit het feit dat op 3 juli 2005 een onwettig koninklijk besluit werd uitgevaardigd, zodat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen nog steeds niet in werking is getreden. Artikel 3, §1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hieronder afgekort als R.v.St.-Wet, bepaalt: "Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domein verrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de ministers, de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College, respectievelijk bedoeld in het derde en het vierde lid van artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. De adviesaanvraag vermeldt de naam van de gemachtigde of van de ambtenaar die de minister aanwijst om de afdeling wetgeving de dienstige toelichtingen te verstrekken. Het advies wordt gehecht aan de memorie van toelichting van de ontwerpen van wet, decreet of ordonnantie, alsmede aan de verslagen aan de Koning, aan de Regering, aan het College van de Franse Gemeenschaps-commissie en aan het Verenigd College". Op grond van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet moeten ontwerpen van koninklijk besluiten waarbij de Koning optreedt op grond van artikel 105 of 108 van de gecoördineerde Grondwet, voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, voor zover zij een reglementair karakter bezitten. Het arbeidshof geeft dat beginsel in het bestreden arrest overigens correct weer (bladzijde 17, vierde alinea, van het bestreden arrest). 1. 1. 1. 1. Eerste subsubonderdeel 1. Reglementaire besluiten in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet zijn besluiten waarbij algemene rechtsregels worden uitgevaardigd die toepasselijk zijn op de rechtsonderhorigen in het algemeen of op een bepaalde groep van rechtsonderhorigen die zich in dezelfde objectieve toestand bevinden. Ook dat beginsel geeft het arbeidshof in het bestreden arrest correct weer (bladzijde 17, vijfde alinea, van het bestreden arrest). Louter materiële uitvoerings- of toepassingsmaatregelen van een reeds bestaande normatieve tekst hebben geen reglementair karakter in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet. Dat geldt ook voor besluiten die geen nieuwe rechtsregels invoeren, maar enkel bestaande rechtsregels toepassen zonder dat er inhoudelijk iets aan wordt toegevoegd. Een koninklijk besluit dat de datum van inwerkingtreding van een wet vaststelt, voert geen enkele nieuwe rechtsregel in die niet reeds besloten ligt in de bepalingen die het in werking stelt en maakt aldus geen reglementair besluit in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet uit. Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat de zienswijze dat een koninklijk besluit dat de datum van inwerkingtreding van een wet vaststelt, geen reglementair besluit in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet uitmaakt (aangezien het geen enkele nieuwe rechtsregel invoert die niet reeds besloten ligt in de bepalingen die het in werking stelt), niet kan worden bijgetreden, aangezien de inwerkingtreding een zodanig wezenlijk onderdeel van de nieuwe regeling is, dat bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat de vaststelling van de datum van inwerkingtreding geen nieuwe norm toevoegt aan de bestaande rechtsordening, en de inwerkingtreding delicate rechtsvragen kan doen rijzen op het vlak van bijvoorbeeld een eventueel terugwerkende kracht (bladzijde 17, laatste alinea, en bladzijde 18, eerste alinea, van het bestreden arrest). 2. Artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (hieronder afgekort als de wet van 26 juni 2002) voegde een artikel 3bis in de Loonbeschermingswet in. Dat artikel bepaalt dat de werknemer recht heeft op betaling, door de werkgever, van het hem verschuldigde loon en dat dit recht op de betaling van het loon betrekking heeft op het loon vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Bij artikel 82 van de voornoemde wet van 26 juni 2002 werd artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangen en werd aan dat artikel een tweede lid toegevoegd. Dat tweede lid van artikel 10 van de Loonbeschermingswet bepaalt dat de rente wordt berekend op het loon vooraleer de in artikel 23 van die wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Met toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet, zoals ingevoegd bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, is derhalve interest verschuldigd op het brutobedrag van het loon. Overeenkomstig artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. Op 3 juli 2005 werd het koninklijk besluit uitgevaardigd betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, hieronder afgekort als het koninklijk besluit van 3 juli 2005. Dat koninklijk besluit bestaat uit drie artikelen. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 bepaalt dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking treden op 1 juli 2005. Die bepaling voert geen enkele nieuwe rechtsregel in die niet reeds vervat zit in (de artikelen 81, 82 en 90, §1,) van de wet van 26 juni 2002. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 bepaalt dat artikel 1 van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005. Dat artikel houdt slechts een verdere concretisering in van artikel 1 en werd ook uitgevaardigd ter uitvoering van artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002. Ook dat artikel doet dus geen nieuwe rechtsregel ontstaan. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 bepaalt dat onze minister van Werk belast is met de uitvoering van dat besluit. Ook die bepaling voert uiteraard geen nieuwe rechtsregel in. Het koninklijk besluit van 3 juli 2005 werd aldus enkel genomen ter uitvoering van de artikelen 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 en doet geen nieuwe rechtsregel ontstaan. Aangezien het koninklijk besluit van 3 juli 2005 een loutere uitvoeringsmaatregel van een reeds bestaande normatieve tekst betreft die geen nieuwe rechtsregel invoert, maakt het geen reglementair besluit uit in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet, zodat het ontwerp ervan niet ter advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State diende voorgelegd te worden. Het arbeidshof oordeelt dan ook niet wettig dat het ontwerp van koninklijk besluit van 3 juli 2005 voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State moest worden voorgelegd en aldus een reglementair karakter in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet bezit (bladzijde 18, derde alinea, van het bestreden arrest). Het koninklijk besluit van 3 juli 2005 kan niet onwettig worden verklaard wegens het niet inwinnen van advies bij de afdeling wetgeving van de Raad van State (aangezien het geen reglementair karakter bezit in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St-Wet en aldus niet ter advies diende voorgelegd te worden). Conclusie Het arbeidshof oordeelt niet wettig dat het koninklijk besluit van 3 juli 2005 onwettig is (schending van de artikelen 3, §1, eerste lid, van de gecoördineerde Wetten op de Raad van State, 81, 82 en 90, § 1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, en 1, 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen) en leidt het bestaan van de fout van de eiser bijgevolg niet wettig af uit het feit dat op 3 juli 2005 een onwettig koninklijk besluit werd uitgevaardigd (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). De beslissing van het arbeidshof de eiser te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding kan op grond van het motief dat op 3 juli 2005 een onwettig koninklijk besluit werd uitgevaardigd, niet wettig worden verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). 1. 1.1.2. Tweede subsubonderdeel 1. De uit artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet voortvloeiende verplichting tot het inwinnen van het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State maakt een substantiële vormvereiste uit. Artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Een koninklijk besluit dient dan ook slechts buiten toepassing gelaten te worden in zoverre het niet in overeenstemming is met een wet. Indien in een reglementair besluit in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet dat ter advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State dient te worden voorgelegd, ook niet-reglementaire bepalingen voorkomen, heeft het niet inwinnen van advies bij de afdeling wetgeving van de Raad van State niet de onwettigheid (en buiten toepassing verklaring) van die niet-reglementaire bepalingen tot gevolg. Immers, de afdeling wetgeving van de Raad van State is niet bevoegd om over die niet-reglementaire bepalingen advies te verlenen. Bovendien dient een koninklijk besluit door de rechter op grond van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet slechts buiten toepassing te worden gelaten in zoverre het niet in overeenstemming is met een wet. 2. Bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (hieronder afgekort als de wet van 26 juni 2002) werd artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangen en werd aan dat artikel een tweede lid toegevoegd. Dat tweede lid van artikel 10 van de Loonbeschermingswet bepaalt dat de rente wordt berekend op het loon vooraleer de in artikel 23 van die wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Overeenkomstig artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. Op 3 juli 2005 werd in uitvoering van artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 het koninklijk besluit uitgevaardigd betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, hieronder afgekort als het koninklijk besluit van 3 juli 2005. Dat koninklijk besluit bestaat uit drie artikelen. Voor zover het koninklijk besluit van 3 juli 2005 een reglementair karakter bezit in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet en het ontwerp ervan dienvolgens ter advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State diende voorgelegd te worden, verkrijgt het dat reglementair karakter slechts door zijn artikel 2. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, overeenkomstig welk de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking treden op 1 juli 2005, maakt een niet-reglementaire bepaling uit. Die bepaling stelt immers enkel de datum van inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 vast en voert aldus geen nieuwe rechtsregel in die niet reeds besloten ligt in de bepalingen die het in werking stelt. Ook artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, overeenkomstig welk de minister van Werk belast is met de uitvoering van het besluit, betreft een niet-reglementaire bepaling. Ook die bepaling voert immers geen nieuwe rechtsregel in. Voor zover het koninklijk besluit van 3 juli 2005 een reglementair karakter bezit in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet, maakt het derhalve een reglementair besluit uit dat ook niet-reglementaire bepalingen, namelijk de artikelen 1 en 3, bevat. Het niet inwinnen van het advies bij de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in die hypothese niet de onwettigheid tot gevolg van de artikelen 1 en 3 (de niet-reglementaire bepalingen) ervan. Het niet inwinnen van advies bij de afdeling wetgeving van de Raad van State leidt enkel tot onwettigheid van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005. Het arbeidshof oordeelt in het bestreden arrest dat het volledige koninklijk besluit van 3 juli 2005, dat volgens hem een reglementair besluit uitmaakt, onwettig is wegens het niet naleven van de uit artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet voortvloeiende verplichting advies in te winnen bij de afdeling wetgeving van de Raad van State (zie bladzijde 17, tweede alinea, bladzijde 19, derde alinea, en bladzijde 22, derde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof maakt bijgevolg in toepassing van artikel 159 van de Grondwet helemaal geen toepassing van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 (bladzijde 19, vijfde alinea, van het bestreden arrest) en dus ook niet van artikel 1 ervan (overeenkomstig welk de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking treden op 1 juli 2005), en is bijgevolg van oordeel dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 nog steeds niet in werking is getreden (bladzijde 22, derde alinea, van het bestreden arrest). Aangezien het koninklijk besluit van 3 juli 2005, voor zover het een reglementair besluit uitmaakt in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet, ook niet-reglementaire bepalingen (waaronder artikel 1) bevat, en het niet inwinnen van advies bij de afdeling wetgeving van de Raad van State niet de onwettigheid tot gevolg heeft van die bepalingen (waaronder artikel 1), oordeelt het arbeidshof niet wettig dat ook artikel 1 van dat koninklijk besluit onwettig is en buiten toepassing dient te worden gelaten. Conclusie Het arbeidshof laat niet wettig artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 buiten toepassing en is derhalve niet wettig van oordeel dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 nog steeds niet in werking is getreden (schending van de artikelen 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, 1, en, voor zoveel als nodig, 2 en 3, van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen). Het arbeidshof leidt uit het feit dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen nog steeds niet in werking is getreden, aldus ook niet wettig af dat de eiser een fout heeft begaan (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). De beslissing van het arbeidshof de eiser te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding kan op grond van het motief dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen nog steeds niet in werking is getreden, niet wettig worden verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). 1.1.2. Tweede subonderdeel 1. Het arbeidshof oordeelt in het bestreden arrest dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht kon beschikken om maatregelen te nemen om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen in werking te laten treden, op 30 mei 2005 reeds was verstreken en dat hiervoor geen enkele redelijke verantwoording wordt ingeroepen (bladzijde 21, zevende alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest eveneens dat "de uitvoerende macht dan ook wel degelijk een fout heeft begaan, die haar aansprakelijkheid in het gedrang brengt, door slechts op 3 juli 2005, hetzij meer dan 3 jaar na het uitvaardigen van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen een koninklijk besluit uit te vaardigen, met als gevolg dat de (verweerder) vanwege de (tot bindendverklaring opgeroepen partij) geen intrest kan opeisen op het brutobedrag van de hem verschuldigde loonachterstallen, doch enkel op het nettobedrag" (bladzijde 22, tweede alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof leidt het bestaan van de fout van de eiser aldus ook af uit het feit dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht kon beschikken om maatregelen te nemen om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen in werking te laten treden, op 30 mei 2005 reeds was verstreken, en dat de uitvoerende macht slechts op 3 juli 2005 een koninklijk besluit heeft uitgevaardigd. 2. Het Hof kan nagaan of de feitenrechter op grond van de door hem in zijn beslissing vastgestelde feiten wettig tot het bestaan of de ontstentenis van een fout kon besluiten. Uit artikel 108 van de gecoördineerde Grondwet volgt dat op de uitvoerende macht de verplichting rust om binnen een redelijke termijn uitvoering te geven aan een wettelijke bepaling, zelfs wanneer de wetgever daarvoor geen termijn heeft voorgeschreven. Weliswaar heeft de Koning die door de wetgever wordt gemachtigd de datum van inwerkingtreding van een wet te bepalen, de plicht die datum binnen een redelijke termijn te laten vallen, ook als de wetgever zelf daarvoor geen termijn heeft voorgeschreven. Maar indien de wetgever de Koning machtigt de datum van inwerkingtreding van een wet te bepalen, betekent dit dat de wetgever van oordeel is dat bepaalde bezwaren de onmiddellijke inwerkingtreding van de wet in de weg staan. Als hij daarenboven geen termijn en zelfs geen uiterste termijn voor de uitvoering van een wet vooropstelt, wijst dat erop dat hij de Koning op dat punt een grote beleidsvrijheid toestaat, waarop de rechter omwille van het beginsel van de scheiding van de machten alleen een marginaal toezicht kan uitoefenen. 3. Artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (hieronder afgekort als de wet van 26 juni 2002) voegde een artikel 3bis in de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (hieronder afgekort als de Loonbeschermingswet) in. Dat artikel bepaalt dat de werknemer recht heeft op betaling, door de werkgever, van het hem verschuldigde loon en dat dit recht op de betaling van het loon betrekking heeft op het loon vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 werd artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangen en werd aan dat artikel een tweede lid toegevoegd. Dat tweede lid van artikel 10 van de Loonbeschermingswet bepaalt dat de rente wordt berekend op het loon vooraleer de in artikel 23 van die wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Met toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet, zoals ingevoegd bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, is derhalve interest verschuldigd op het brutobedrag van het loon. Overeenkomstig artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002, bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. Op 3 juli 2005 werd het koninklijk besluit uitgevaardigd betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, hieronder afgekort als het koninklijk besluit van 3 juli 2005. Artikel 1 van dat koninklijk besluit bepaalt dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking treden op 1 juli 2005. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 bepaalt dat artikel 1 van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005. Uit dat artikel blijkt dat het ogenblik waarop het recht op betaling van een loonvoordeel is ontstaan, doorslaggevend is bij het beantwoorden van de vraag of toepassing dient gemaakt te worden van artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers in de versie van vóór (en derhalve interest verschuldigd is op het nettoloon), dan wel van na (en derhalve interest verschuldigd is op het brutoloon) de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002. Het recht op betaling van een door de werkgever aan de werknemer verschuldigde opzeggingsvergoeding ontstaat op het ogenblik van het ontslag. Het recht op betaling van de door de tot bindendverklaring opgeroepen partij aan de verweerder verschuldigde opzeggingsvergoeding, is derhalve ontstaan op 30 mei 2005, zijnde het ogenblik van het ontslag volgens de vaststellingen van het arbeidshof. 1.1.2. 1. Eerste subsubonderdeel 1. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat het van oordeel is dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht kon beschikken om maatregelen te nemen om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking te laten treden, op 30 mei 2005 reeds was verstreken en dat hiervoor geen enkele redelijke verantwoording wordt ingeroepen (bladzijde 21, zevende alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof stelt vast dat de eiser betwist dat hem een foutieve nalatigheid kan worden verweten, waarbij hij verwijst naar de noodzaak alle uitvoeringsmaatregelen in het kader van de wet van 26 juni 2002 in één globaal besluit te nemen (bladzijde 21, achtste alinea, van het bestreden arrest). Uit een op regelmatige wijze aan het hof van beroep voorgelegde conclusie blijkt inderdaad dat de eiser ter verantwoording van het verstrijken van een bepaalde termijn alvorens de datum van inwerkingtreding door de Koning werd bepaald, wees op de omstandigheid dat de bepalingen van de wet van 26 juni 2002 een getrouwe uitvoering vormen van een tussen de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad tot stand gekomen globaal akkoord, dat artikel 82 op vraag van de werknemersorganisaties in de wet werd opgenomen, dat de uitvoering van een dergelijk akkoord vereist dat alle uitvoeringsmaatregelen van die wet in één globaal besluit worden genomen en alle bepalingen op dezelfde datum in werking treden om het evenwicht dat aan het akkoord ten grondslag ligt, niet te verstoren, dat de in de wet van 26 juni 2002 bepaalde maatregelen de uitwerking vergen van een hele reeks gedetailleerde uitvoeringsmaatregelen en dat ook rekening moest worden gehouden met intussen in werking getreden nieuwe Europese regels (zie blz. 5, onderaan, tot blz. 8, midden, van de "syntheseconclusie" voor de eiser). Het arbeidshof overweegt dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 eigenlijk los staan van de overige bepalingen uit die wet, en dat er hoegenaamd geen noodzaak was en is om de inwerkingtreding van deze bepalingen te koppelen aan de inwerkingtreding van de overige bepalingen van die wet (bladzijde 21, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt ook nog dat het onwettige koninklijk besluit van 3 juli 2005 bevestigt en illustreert dat de uitvoerende macht zelf van oordeel was dat het perfect mogelijk was de artikelen 81 en 82 afzonderlijk in werking te laten treden (bladzijde 21, laatste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof voegt er nog aan toe dat het koninklijk besluit van 3 juli 2005 overigens bevestigt en illustreert dat er naar het oordeel van de uitvoerende macht zelf op dat ogenblik geen redelijke verantwoording meer was voor een verder uitstel van de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 (bladzijde 22, eerste alinea, van het bestreden arrest). Evenwel is, gelet op de hierboven vermelde door de eiser aangevoerde redenen voor het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, redenen die door het arbeidshof niet worden tegengesproken noch weerlegd en die tot de beleidsmatige beoordelingsvrijheid van de eiser behoren, de termijn die de eiser heeft in acht genomen om die bepaling uit te voeren, niet kennelijk onredelijk. Dat de eiser zelf het uitstel niet langer wou laten duren dan 3 juli 2005, belet niet dat de beleidsmatige redenen voor het uitstel tot op dat ogenblik bleven bestaan. Het arbeidshof kan op basis van zijn hierboven vermelde en bekritiseerde vaststellingen en overwegingen niet zonder schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en zonder schending van het beginsel van de scheiding van de machten (op zichzelf en zoals het vervat is in de artikelen 33, 36, 37 en 40 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet) en van de regels die de bevoegdheid van de rechterlijke macht regelen (de artikelen 144 en 145 van de gecoördineerde Grondwet), beslissen dat de eiser een fout heeft begaan door slechts op 3 juli 2005 een koninklijk besluit uit te vaardigen, met als gevolg dat de verweerder vanwege de tot bindendverklaring opgeroepen partij geen interest kan opeisen op het brutobedrag van de hem verschuldigde loonachterstallen (bladzijde 22, tweede alinea, van het bestreden arrest) . Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de eiser een fout heeft begaan door slechts op 3 juli 2005 een koninklijk besluit uit te vaardigen (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 33, 36, 37, 40, 108, 144 en 145 van de gecoördineerde Grondwet, 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, 1, 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 en van het beginsel van de scheiding der machten). De beslissing van het arbeidshof om de eiser te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding kan op grond van het motief dat de uitvoerende macht een fout heeft begaan door slechts op 3 juli 2005 een koninklijk besluit uit te vaardigen, niet wettig worden verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). 1.1.2.2. Tweede subsubonderdeel Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat het van oordeel is dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht kon beschikken om maatregelen te nemen om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking te laten treden, op 30 mei 2005 reeds was verstreken en dat hiervoor geen enkele redelijke verantwoording wordt ingeroepen (bladzijde 21, zevende alinea, van het bestreden arrest). Ook verder in het bestreden arrest overweegt het arbeidshof dat het van oordeel is dat de eiser de nodige maatregelen had kunnen en moeten nemen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen reeds op 30 mei 2005 in werking was getreden (bladzijde 22, vijfde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof geeft met die overwegingen enkel aan dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht beschikte om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking te laten treden (en aldus uitvoering te geven aan artikel 90, §1, van die wet) op 30 mei 2005, d.i. de datum van het ontslag van de verweerder volgens zijn vaststellingen, reeds was verstreken. Het arbeidshof veroordeelt de tot bindendverklaring opgeroepen partij tot betaling aan de verweerder van eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot en met 2004 (bladzijde 23, onderaan t.e.m. bladzijde 24, bovenaan, van het bestreden arrest). Het recht op betaling van de oudejaarspremies voor de jaren 2000 tot en met 2004 is uit zijn aard in elk geval ontstaan vóór 30 mei 2005. Wat die premies betreft dient, om te kunnen oordelen of de eiser een fout heeft begaan, nagegaan te worden of op de verschillende ogenblikken waarop het recht op betaling ervan is ontstaan, de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht beschikte om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking te laten treden al was verstreken. Het arbeidshof geeft met zijn in het bestreden arrest gemaakte overwegingen en gedane vaststellingen niet aan dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht beschikte om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking te laten treden, ook reeds was verstreken op de verschillende ogenblikken waarop het recht op betaling van de oudejaarspremies voor de jaren 2000 tot en met 2004 was ontstaan, ogenblikken die zich situeren vóór 30 mei 2005. 1.1.2.2.1. Eerste subsubsubonderdeel Het arbeidshof leidt uit de vaststelling dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht beschikte om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking te laten treden, op 30 mei 2005 reeds was verstreken, wat de (interest verschuldigd op
- de)eindejaars-premies voor de jaren 2000 tot en met 2004 (betreft,) niet wettig af dat de eiser een fout heeft begaan. Conclusie Het arbeidshof beslist wat de (interest verschuldigd op
- de)eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot en met 2004 betreft, niet wettig dat de redelijke termijn om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking te laten treden was verstreken en leidt daaruit niet wettig af dat de eiser een fout heeft begaan (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 108 van de gecoördineerde Grondwet, 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, 1, 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002). De beslissing van het arbeidshof om de eiser te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke en gerechtelijke interest berekend op de toegekende bruto eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot 2004, verminderd met het bedrag van de wettelijke en gerechtelijke interest door de tot bindendverklaring opgeroepen partij verschuldigd op de overeenstemmende nettobedragen, kan op grond van het motief dat de redelijke termijn om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking te laten treden was verstreken, niet wettig worden verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). 1.1.2.2.2. Tweede subsubsubonderdeel Minstens maakt het arbeidshof, door niet te onderzoeken of en dus ook niet vast te stellen dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht kon beschikken om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking te laten treden, op de respectievelijke ogenblikken waarop het recht op betaling van de eindejaarspremies verschuldigd voor de jaren 2000 tot en met 2004 is ontstaan (zijnde in elk geval vóór 30 mei 2005) al was verstreken, het door het Hof uit te oefenen wettigheidstoezicht op het rechtsbegrip fout onmogelijk. Conclusie Door het door het Hof uit te oefenen wettigheidstoezicht onmogelijk te maken, schendt het arbeidshof artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. 1.2. Tweede onderdeel Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "de (eiser) evenmin kan gevolgd worden waar hij voorhoudt dat de (verweerder) geen schade heeft geleden ingevolge dit foutief optreden, gelet op het feit dat een nieuwe wet in beginsel alleen voor de toekomst werkt" (bladzijde 22, vierde alinea, van het bestreden arrest) Het arbeidshof oordeelt dus dat de verweerder schade heeft geleden ingevolge het foutief optreden van de eiser en stelt het bestaan van het causaal verband tussen de door de verweerder geleden schade en de door de eiser begane fout vast. In dit tweede onderdeel vecht de eiser dat oordeel van het arbeidshof aan. 1.2. 1. Eerste subonderdeel Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat erop gewezen dient te worden dat het, om de voorheen in het bestreden arrest uiteengezette redenen, van oordeel is dat de eiser de nodige maatregelen had kunnen en moeten nemen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen al op 30 mei 2005 in werking was getreden (bladzijde 22, vijfde alinea, van het bestreden arrest). Zoals uiteengezet in het tweede subonderdeel van het eerste onderdeel van het middel, dat hier als integraal hernomen wordt beschouwd, leidt het arbeidshof uit zijn vaststelling dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht beschikte om de nodige maatregelen te nemen om artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking te laten treden, op 30 mei 2005 al was verstreken (zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording wordt ingeroepen), niet wettig af dat de eiser een fout heeft begaan. Het arbeidshof oordeelt bijgevolg niet wettig dat de eiser de nodige maatregelen had kunnen en moeten nemen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen al op 30 mei 2005 in werking was getreden. Conclusie De beslissing van het arbeidshof dat de verweerder schade heeft geleden ingevolge het foutief optreden van de eiser, kan op grond van de overweging dat de eiser de nodige maatregelen had kunnen en moeten nemen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen al op 30 mei 2005 in werking was getreden, niet wettig worden verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 108 van de gecoördineerde Grondwet, 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, 1, 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen). De beslissing van het arbeidshof om de eiser te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding kan op grond van het motief dat de verweerder schade heeft geleden ingevolge het foutief optreden van de eiser niet wettig worden verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). 1.2.2. Tweede subonderdeel 1. Het Hof kan nagaan of de rechter uit de door hem gedane vaststellingen het al dan niet bestaan van het oorzakelijk verband wettig heeft kunnen afleiden. Om tot het bestaan van het causaal verband tussen een fout en de schade te kunnen besluiten, is vereist dat de schade, zoals zij zich in concreto voordeed, zonder de fout niet zou hebben plaatsgevonden. Artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (hieronder afgekort als de wet van 26 juni 2002) voegde een artikel 3bis in de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (hieronder afgekort als de Loonbeschermingswet) in. Dat artikel bepaalt dat de werknemer recht heeft op betaling, door de werkgever, van het hem verschuldigde loon en dat dit recht op de betaling van het loon betrekking heeft op het loon vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 werd artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangen en werd aan dat artikel een tweede lid toegevoegd. Dat tweede lid van artikel 10 van de Loonbeschermingswet bepaalt dat de rente wordt berekend op het loon vooraleer de in artikel 23 van die wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Met toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet, zoals ingevoegd bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, is derhalve interest verschuldigd op het brutobedrag van het loon. Overeenkomstig artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002, bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. Het ogenblik waarop het recht op betaling van een loonvoordeel is ontstaan, is doorslaggevend bij het beantwoorden van de vraag of toepassing dient gemaakt te worden van artikel 10 van de Loonbeschermingswet in de versie van vóór (en derhalve interest verschuldigd is op het nettoloon), dan wel van na (en derhalve interest verschuldigd is op het brutoloon) de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002. Is het recht op betaling van een loonvoordeel ontstaan vóór de door de Koning te bepalen datum van inwerkingtreding, dan dient toepassing gemaakt te worden van artikel 10 van de Loonbeschermingswet in de versie van vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002. Is dat recht daarentegen ontstaan na de door de Koning te bepalen datum van inwerkingtreding, dan dient toepassing gemaakt te worden van artikel 10 van de Loonbeschermingswet in de versie van na de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002. 2. Het arbeidshof veroordeelt de tot bindendverklaring opgeroepen partij tot betaling aan de verweerder van eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot en met 2004 (bladzijde 23, onderaan t.e.m. bladzijde 24, bovenaan, van het bestreden arrest). Het recht op betaling van de eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot en met 2004 is uit zijn aard in elk geval ontstaan vóór 30 mei 2005 (d.i. de datum van het ontslag van de verweerder volgens de vaststellingen van het arbeidshof). Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat erop gewezen dient te worden dat het, om de voorheen in het bestreden arrest uiteengezette redenen, van oordeel is dat de eiser de nodige maatregelen had kunnen en moeten nemen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen al op 30 mei 2005 in werking was getreden (bladzijden 22, vijfde alinea, van het bestreden arrest). Uit de in het bestreden arrest door het arbeidshof gedane vaststellingen en gemaakte overwegingen blijkt dat de schade van de verweerder erin bestaat dat hij geen aanspraak kan maken op interest berekend op de (o.m. als eindejaarspremies verschuldigde) brutobedragen (zie o.m. bladzijde 22, tweede alinea, van het bestreden arrest). Uit de in het bestreden arrest door het arbeidshof gedane vaststellingen en gemaakte overwegingen blijkt dat de fout van de eiser er enerzijds in bestaat geen advies bij de afdeling wetgeving van de Raad van State te hebben ingewonnen, en anderzijds in het niet nemen van de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen al op 30 mei 2005 in werking was getreden (zie bladzijde 21, zevende alinea, en bladzijde 22, derde alinea, van het bestreden arrest). Ook indien de eiser de nodige maatregelen had genomen om er voor te zorgen dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 op 30 mei 2005 in werking was getreden en dus indien de eiser volgens het arbeidshof geen fout had begaan, zou de verweerder ten aanzien van de tot bindendverklaring opgeroepen partij slechts aanspraak kunnen maken op interest berekend op de als eindejaarspremies voor de jaren 2000 t.e.m. 2004 verschuldigde nettobedragen (m.a.w. zou de verweerder ook schade hebben geleden). Het recht op betaling van die eindejaarspremies is dan immers ontstaan vóór de door de Koning bepaalde datum van inwerkingtreding (30 mei 2005), zodat met toepassing van artikel 10 van de Loonbeschermingswet in de versie van vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 interest is verschuldigd op het nettoloon. Op grond van de omstandigheid dat de eiser de nodige maatregelen had kunnen en moeten nemen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen al op 30 mei 2005 in werking was getreden, kan aldus niet wettig beslist worden dat de verweerder schade heeft geleden ingevolge het foutief optreden van de eiser wat de (interest verschuldigd op
- de)eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot en met 2004 betreft. Conclusie De beslissing van het arbeidshof dat de verweerder schade heeft geleden ingevolge het foutief optreden van de eiser kan wat de (interest verschuldigd op
- de)eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot en met 2004 betreft, op grond van de overweging dat de eiser de nodige maatregelen had kunnen en moeten nemen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen reeds op 30 mei 2005 in werking was getreden, niet wettig worden verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen). De beslissing van het arbeidshof om de eiser te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke en gerechtelijke interest berekend op de toegekende bruto eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot 2004, verminderd met het bedrag van de wettelijke en gerechtelijke interest door de tot bindendverklaring opgeroepen partij verschuldigd op de overeenstemmende nettobedragen, is dan ook niet wettig verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). 1.2.3. Derde subonderdeel 1. Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hieronder afgekort als Loonbeschermingswet, in de versie van vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (hieronder afgekort als wet van 26 juni 2002), bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Blijkens de bewoordingen en het opzet van dat artikel (in zijn voormelde versie), slaat dat enkel op het loon dat de werknemer van zijn werkgever kan vorderen. Artikel 10 van de Loonbeschermingswet is van toepassing op de opzeggingsvergoeding verschuldigd op grond van artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en op de door de werkgever aan de werknemer verschuldigde eindejaarspremies. Die voordelen betreffen immers geldelijk bedragen waarop de werknemer ten laste van zijn werkgever recht heeft ingevolge de dienstbetrekking en maken derhalve loon uit in de zin van artikel 2, eerste lid, 1°, van de Loonbeschermings-wet. Op grond van artikel 270, 1°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd door de belastingplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen. Behoudens tegenstrijdig beding hebben de in het voornoemde artikel bedoelde belastingschuldigen op grond van artikel 272, 1°, van hetzelfde wetboek, het recht op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Luidens artikel 273, 1°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, is de bedrijfsvoorheffing opeisbaar uit hoofde van het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens tegenstrijdig beding, waarvan het arbeidshof het bestaan niet vaststelt en waarvan het bestaan evenmin blijkt uit een stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, niet het recht te eisen dat die voorheffing aan hem zou betaald worden. De bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend op grond van het loon van de werknemer. Overeenkomstig artikel 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, moet de werkgever bij iedere betaling van het loon de bijdrage van de werknemer inhouden. De werkgever is die ingehouden bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bijgevolg kan de werknemer van de werkgever niet de betaling van zijn socialezekerheidsbijdragen vorderen. Luidens artikel 23, eerste lid, 1°, van de Loonbeschermingswet, mogen de inhoudingen krachtens de belastingwetgeving, de wetgeving op de sociale zekerheid en krachtens particuliere of collectieve overeenkomsten betreffende bijkomende voordelen inzake socialezekerheid, in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer. Met toepassing van artikel 10 van de Loonbeschermingswet, in de versie van vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, is derhalve interest verschuldigd op het nettobedrag van het loon. Artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 voegde een artikel 3bis in de Loonbeschermingswet in. Dat artikel bepaalt dat de werknemer recht heeft op betaling, door de werkgever, van het hem verschuldigde loon en dat dit recht op de betaling van het loon betrekking heeft op het loon vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 werd artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangen en werd aan dat artikel een tweede lid toegevoegd. Dat tweede lid van artikel 10 van de Loonbeschermingswet bepaalt dat de rente wordt berekend op het loon vooraleer de in artikel 23 van die wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Met toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet, zoals ingevoegd bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, is derhalve interest verschuldigd op het brutobedrag van het loon. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 maakt geen interpretatieve wetsbepaling uit. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest overigens zelf in die zin (bladzijde 16, punt 2.6.2., derde alinea, van het bestreden arrest). Artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de wet alleen voor het toekomende beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Het beginsel dat een wet geen terugwerkende kracht heeft, maakt een algemeen rechtsbeginsel uit. Het beginsel dat een wet onmiddellijke uitwerking voor de toekomst heeft, vloeit voort uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, dan wel maakt het een afzonderlijk algemeen rechtsbeginsel uit. Overeenkomstig artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002, bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. 2. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat het beginsel van de onmiddellijke werking van de wet impliceert dat een nieuwe wettelijke reglementering in beginsel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de gevolgen van de onder de vroegere reglementering ontstane toestanden, die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe reglementering en voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (bladzijde 22, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest). Het beginsel dat een (nieuwe) rechtsregel onmiddellijke uitwerking voor de toekomst heeft en derhalve ook van toepassing is op de toekomstige gevolgen van de situaties ontstaan onder de vroegere wet maar die voortduren na de inwerkingtreding van de (nieuwe) rechtsregel, is evenwel geen absoluut beginsel. De wetgever kan afwijken van dat beginsel. De (expliciete of impliciete maar zekere) bedoeling van de wetgever is doorslaggevend. Het is noch uitdrukkelijk, noch stilzwijgend de zekere bedoeling van de wetgever artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 toepasselijk te achten op loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan (of m.a.w. die opeisbaar zijn geworden) vóór de inwerkintreding van dat artikel (zijnde op situaties ontstaan onder de vroegere wet). De zekere bedoeling van de wetgever bestaat erin dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 van toepassing is op loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan (of m.a.w. die opeisbaar zijn geworden) na de inwerkingtreding van dat artikel. Het arbeidshof oordeelt aldus niet wettig dat niets in de wet van 26 juni 2002 toelaat te besluiten dat de wetgever van het beginsel van de onmiddellijke werking van de nieuwe wet heeft willen afwijken (bladzijde 22, laatste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt dat een correcte toepassing van het beginsel dat een wet onmiddellijke werking heeft er dan ook - bij hypothese - toe zal leiden dat vanaf de door de Koning bepaalde datum van inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 interest verschuldigd is op de brutobedragen van alle nog openstaande loonachterstallen, zonder uiteraard afbreuk te doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (bladzijde 23, eerste alinea, van het bestreden arrest). Voor zover artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 onmiddellijke uitwerking voor de toekomst zou hebben en aldus ook van toepassing zou zijn op de toekomstige gevolgen van de situaties ontstaan onder de vroegere wet, doch die voortduren na de inwerkingtreding van dat artikel - wat volgens de eiser, zoals hierboven uiteengezet, evenwel niet het geval is - houdt dat beginsel niet in dat voor loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór de datum waarop artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking is getreden, vanaf die datum interest verschuldigd is op het brutobedrag ervan. Het blijven lopen van interest na de datum van inwerkingtreding op loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór die datum, betreft immers geen toekomstig gevolg van een onder de oude wet ontstane situatie die blijft voortduren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Aangezien het recht op betaling van het loonvoordeel is ontstaan vóór de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, gaat het om een rechtsverhouding die voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet (artikel 82 van de wet van 26 juni 2002) definitief is ontstaan en derhalve niet kan en mag aangetast worden door die nieuwe wet. Het arbeidshof overweegt aldus niet wettig dat een correcte toepassing van het beginsel dat een wet onmiddellijke werking heeft er dan ook - bij hypothese - toe zal leiden dat vanaf de door de Koning bepaalde datum van inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 interest verschuldigd is op de brutobedragen van alle nog openstaande loonachterstallen (dus ook van alle loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór de datum van inwerkingtreding), zonder uiteraard afbreuk te doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. 3. Overeenkomstig artikel 108 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 maakt de Koning de verordeningen en neemt hij de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen. Een besluit van de uitvoerende macht kan, ook zonder uitdrukkelijke opdracht, een wet uitvoeren op grond van artikel 108 van de Grondwet. De in artikel 108 van de Grondwet vastgelegde uitvoeringsbevoegdheid houdt in dat de uitvoerende macht uit het beginsel van de wet, haar algemene strekking, geest en doelstellingen de nodige gevolgen mag afleiden. Bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 werd artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangen en werd aan dat artikel een tweede lid toegevoegd, luidens welk de rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 van die wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Het is de bedoeling van de wetgever dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 enkel van toepassing is op loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan na de inwerkingtreding van dat artikel. Overeenkomstig artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. Door in een koninklijk besluit te bepalen dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 van toepassing zijn op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf de bepaalde datum van inwerkingtreding, zou de Koning aldus enkel uitvoering gegeven aan de (artikelen 81, 82 en 90, §1, van
- de)wet van 26 juni 2002. De Koning heeft dan enkel uit het beginsel, de geest en de doelstellingen van de (artikelen 81, 82 en 90, §1, van
- de)wet van 26 juni 2002 de nodige gevolgen afgeleid. Zoals hierboven reeds uiteengezet, bestaat de bedoeling van de wetgever er immers in dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 van toepassing zijn op de loonvoordelen waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf de door de Koning bepaalde datum van inwerkingtreding. Het arbeidshof oordeelt in het bestreden arrest dat artikel 90 van de wet van 26 juni 2002 aan de Koning niet de bevoegdheid verleende om de toepassing van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 te beperken tot de lonen waarvan het recht op betaling is ontstaan vanaf een bepaalde datum en met uitsluiting van de lonen die voordien eisbaar zijn geworden, maar nog niet werden betaald (bladzijde 22, zesde alinea, van het bestreden arrest). Aangezien de Koning die bevoegdheid wel had, overweegt het arbeidshof niet wettig dat artikel 90 van de wet van 26 juni 2002 aan de Koning niet de bevoegdheid verleende om de toepassing van artikel 82 van die wet te beperken tot de lonen waarvan het recht op betaling is ontstaan vanaf een bepaalde datum en met uitsluiting van de lonen die voordien eisbaar zijn geworden. Conclusie Het arbeidshof beslist op grond van de hierboven in het subonderdeel weergegeven en bekritiseerde overwegingen niet wettig dat de verweerder schade heeft geleden ingevolge het foutief optreden van de eiser (schending van de artikelen 2, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 108 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, 2, eerste lid, 1°, 3bis, zoals ingevoegd bij artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, 10, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing na de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, en 23, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, 270, 272 en 273 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, zoals neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het algemeen rechtsbeginsel overeenkomstig welk een nieuwe wet in beginsel onmiddellijke werking heeft). De beslissing van het arbeidshof dat de eiser een schadevergoeding is verschuldigd, is bijgevolg ook niet wettig verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; - de artikelen 2, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 10, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing na de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, 23, 1°, en, voor zoveel als nodig, 2, eerste lid, 1°, en 3bis, zoals ingevoegd bij artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers; - de artikelen 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen; - de artikelen 1, en, voor zoveel als nodig, 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen; - de artikelen 270, 272 en 273 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992; - artikel 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, zoals neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel overeenkomstig welk een nieuwe wet in beginsel onmiddellijke werking heeft. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof de door verweerder tegen de eiser ingestelde vordering in tussenkomst ontvankelijk en gegrond. Het arbeidshof beslist dienvolgens de eiser te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke en de gerechtelijke interest berekend op de toegekende bruto opzeggingsvergoeding en eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot 2004, vanaf 30 mei 2005, verminderd met het bedrag van de wettelijke en gerechtelijke interest door de tot bindendverklaring opgeroepen partij verschuldigd op de overeenstemmende netto-bedragen, en vermeerderd met de gerechtelijke interest vanaf 9 januari 2006. Die beslissing van het arbeidshof is gesteund op de beslissing dat de verweerder ten aanzien van de tot bindendverklaring opgeroepen partij slechts aanspraak kan maken op interest berekend op de nettobedragen, beslissing die op haar beurt is gesteund op de volgende motieven: "Bovendien is (het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen), zoals terecht werd aangevoerd door de (tot bindendverklaring opgeroepen partij), onwettig en wel om de volgende redenen: Artikel 3, § 1, eerste lid, R. v. St. -Wet bepaalt: Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de ministers, de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College respectievelijk bedoeld in het derde en het vierde lid van artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ieder wat hem betreft, aan het met redenen omklede advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. Het advies en het voorontwerp worden gehecht aan de memorie van toelichting van de ontwerpen van wet, decreet of ordonnantie. De adviesaanvraag vermeldt de naam van de gemachtigde of van de ambtenaar die de minister aanwijst om de afdeling wetgeving de dienstige toelichtingen te verstrekken. Het advies wordt gehecht aan de verslagen aan de Koning, aan de Regering, aan het College van de Franse Gemeenschapscommissie en aan het Verenigd College. Ontwerpen van koninklijke besluiten waarbij de Koning optreedt krachtens artikel 105 of 108 van de Grondwet, moeten bijgevolg voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, voor zover zij een reglementair karakter bezitten. Reglementaire besluiten in de zin van genoemd artikel 3, §1, eerste lid, zijn besluiten waarbij algemene regels worden uitgevaardigd die toepasselijk zijn op de rechtsonderhorigen in het algemeen of op een bepaalde groep van rechtsonderhorigen, die zich in dezelfde objectieve toestand bevinden en niet alleen op één van hen of op een naar aantal beperkte groep (M. Van Damme, ‘Raad van State Afdeling wetgeving', Die Keure, 1998, 120 en de aldaar geciteerde rechtsleer en rechtspraak). In het verleden werd aangenomen dat een besluit dat de datum van de inwerkingtreding van een wet of van een koninklijk besluit vaststelt niet reglementair is, omdat het geen enkele nieuwe regel zou bevatten die niet reeds besloten ligt in de bepalingen die het in werking stelt. Dit standpunt kan evenwel niet worden bijgetreden vermits de inwerkingtreding een zodanig wezenlijk onderdeel van de nieuwe regeling is, dat bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat de vaststelling van de datum van inwerkingtreding geen nieuwe norm toevoegt aan de bestaande rechtsordening. Bovendien kan de inwerkingtreding delicate rechtsvragen doen rijzen op het vlak van bijvoorbeeld een eventueel terugwerkende kracht. (M. Van Damme, o. c., 129) Uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt ten andere dat de vroegere zienswijze m.b.t. het niet reglementair karakter van besluiten die de datum van inwerkingtreding van een wet bepalen, reeds geruime tijd werd verlaten en dat geregeld advies werd en wordt verleend over ontwerpen van dergelijke besluiten, waaruit impliciet doch zeker kan worden afgeleid dat de Raad van State zich daartoe bevoegd acht en derhalve van oordeel is dat dergelijke besluiten een reglementair karakter bezitten. (...) Het ontwerp van koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen moest bijgevolg voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, behoudens in geval van ‘met bijzondere redenen omklede' hoogdringendheid. Dit geldt des te meer nu dit koninklijk besluit zich inhoudelijk niet beperkt tot het vaststellen van een datum waarop genoemde artikelen 81 en 82 in werking treden, maar tevens bepaalt dat genoemde artikelen slechts van toepassing zijn op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005. Wat de mogelijkheid tot het inroepen van hoogdringendheid betreft teneinde geen advies in te winnen, moet erop gewezen worden dat artikel 3, §1, eerste lid, R. v. St. - Wet voorschrijft dat de hoogdringendheid ‘met bijzondere redenen moet zijn omkleed': Deze verplichting houdt in dat de aanhef van het betrokken reglementair besluit de redenen moet vermelden waarom de ontworpen regeling zo spoedeisend was dat niet om advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State kon worden gevraagd. (M. Van Damme, o. c., 138 e. v., en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) Dit arbeidshof kan slechts vaststellen dat het ontwerp van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen niet voorafgaand voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat zelfs geen dringende noodzakelijkheid werd ingeroepen om het ontbreken van een adviesaanvraag te rechtvaardigen. Het inwinnen van het advies van de Raad van State is een substantiële vormvereiste. Wanneer geen advies werd ingewonnen bij de afdeling wetgeving van de Raad van State omtrent een reglementair besluit en geen beroep werd gedaan op de dringende noodzakelijkheid of wanneer dit op een onbehoorlijke manier gebeurde, is dit besluit onwettig. Bij toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet moeten de hoven en rechtbanken zich, zo nodig ambtshalve, onthouden van elke toepassing van een reglementair besluit dat werd genomen met miskenning van de wettelijk voorgeschreven raadplegingsvereiste (M. Van Damme, o. c., 156 en de aldaar geciteerde rechtspraak; Cass. 27 februari 2006, S.05.0033.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060227.6; Cass. 9 september 2002, S.00.0125.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.7, http://www.cass.be, op datum). Dit arbeidshof kan bijgevolg geen toepassing maken van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen. Artikel 10 Loonbeschermingswet, zoals te dezen van toepassing, naar luid waarvan voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar is, slaat blijkens de bewoordingen en het opzet van dat artikel, enkel op het loon dat de werknemer van zijn werkgever kan vorderen. Artikel 270, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bepaalt dat de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is door de belastingsplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen, terwijl, volgens artikel 272, 1°, van dat wetboek, behoudens strijdig beding, de in artikel 270, 1°, vermelde belastingschuldigen het recht hebben op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens strijdig beding dat in deze zaak niet voorhanden blijkt, niet het recht te eisen dat hem die voorheffing zou worden betaald. Krachtens artikel 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en is deze die bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bijgevolg kan de werknemer de betaling van zijn socialezekerheidsbijdragen niet van de werkgever vorderen. De aan de (verweerder) toegekende opzeggingsvergoeding en eindejaarspremies zijn loon in de zin van de Loonbeschermingswet zodat de (verweerder) enkel interest kan vorderen op de hem toekomende nettobedragen. (Cass. 11 december 2006, S.05.0083.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.3, http:// www.juridat.be, op datum)"(bladzijde 17, tweede alinea t.e.m. bladzijde 20, eerste alinea, van het bestreden arrest). Grieven 1.1 . Op grond van artikel 3, §1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hieronder afgekort als R.v.St.-Wet, moeten ontwerpen van koninklijk besluiten waarbij de Koning optreedt op grond van artikel 105 of 108 van de gecoördineerde Grondwet, voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, voor zover zij een reglementair karakter bezitten. Het arbeidshof geeft dat beginsel in het bestreden arrest overigens correct weer (bladzijde 17, vierde alinea, van het bestreden arrest). De uit artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet voortvloeiende verplichting tot het inwinnen van het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State maakt een substantiële vormvereiste uit. Artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Een koninklijk besluit dient dan ook slechts buiten toepassing gelaten te worden in zoverre het niet in overeenstemming is met een wet. Indien in een reglementair besluit in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet dat ter advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State dient te worden voorgelegd, ook niet-reglementaire bepalingen voorkomen, heeft het niet inwinnen van advies bij de afdeling wetgeving van de Raad van State niet de onwettigheid (en buiten toepassing verklaring) van die niet-reglementaire bepalingen tot gevolg. Immers, de afdeling wetgeving van de Raad van State is niet bevoegd om over die niet-reglementaire bepalingen advies te verlenen. Bovendien dient een koninklijk besluit door de rechter op grond van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet slechts buiten toepassing te worden gelaten in zoverre het niet in overeenstemming is met een wet. 1.
- Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hieronder afgekort als Loonbeschermingswet, in de versie van vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (hieronder afgekort als wet van 26 juni 2002) bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Blijkens de bewoordingen en het opzet van dat artikel (in zijn voormelde versie), slaat dat enkel op het loon dat de werknemer van zijn werkgever kan vorderen. Artikel 10 van de Loonbeschermingswet is van toepassing op de opzeggingsvergoeding verschuldigd op grond van artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en op de door de werkgever aan de werknemer verschuldigde eindejaarspremie. Die vergoedingen zijn immers geldelijk bedragen waarop de werknemer ten laste van zijn werkgever recht heeft ingevolge de dienstbetrekking en maken derhalve loon uit in de zin van artikel 2, eerste lid, 1°, van de Loonbeschermingswet. Op grond van artikel 270, 1°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd door de belastingplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen. Behoudens tegenstrijdig beding hebben de in het voornoemde artikel bedoelde belastingschuldigen op grond van artikel 272, 1°, van hetzelfde wetboek, het recht op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Luidens artikel 273, 1°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, is de bedrijfsvoorheffing opeisbaar uit hoofde van het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens tegenstrijdig beding, waarvan het arbeidshof het bestaan niet vaststelt en waarvan het bestaan evenmin blijkt uit een stuk waarop uw Hof vermag acht te slaan, niet het recht te eisen dat die voorheffing aan hem zou betaald worden. De bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend op grond van het loon van de werknemer. Overeenkomstig artikel 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, moet de werkgever bij iedere betaling van het loon de bijdrage van de werknemer inhouden. De werkgever is die ingehouden bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bijgevolg kan de werknemer van de werkgever niet de betaling van zijn socialezekerheidsbijdragen vorderen. Luidens artikel 23, eerste lid, 1°, van de Loonbeschermingswet, mogen de inhoudingen krachtens de belastingwetgeving, de wetgeving op de sociale zekerheid en krachtens particuliere of collectieve overeenkomsten betreffende bijkomende voordelen inzake socialezekerheid, in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer. Met toepassing van artikel 10 van de Loonbeschermingswet, in de versie van vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, is derhalve interest verschuldigd op het nettobedrag van het loon. 1.
- Bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (hieronder afgekort als de wet van 26 juni 2002) werd artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangen en werd aan dat artikel een tweede lid toegevoegd. Dat tweede lid van artikel 10 van de Loonbeschermingswet bepaalt dat de rente wordt berekend op het loon vooraleer de in artikel 23 van die wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Overeenkomstig artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002, bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. Op 3 juli 2005 werd in uitvoering van artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 het koninklijk besluit uitgevaardigd betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, hieronder afgekort als het koninklijk besluit van 3 juli
- Dat koninklijk besluit bestaat uit drie artikelen. Voor zover het koninklijk besluit van 3 juli 2005 een reglementair karakter bezit in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet en het ontwerp ervan dienvolgens ter advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State diende voorgelegd te worden, verkrijgt het dat reglementair karakter slechts door zijn artikel
- Artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, overeenkomstig welk de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking treden op 1 juli 2005, maakt een niet-reglementaire bepaling uit. Die bepaling stelt immers enkel de datum van inwerking-treding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 vast en voert aldus geen nieuwe rechtsregel in die niet reeds besloten ligt in de bepalingen die het in werking stelt. Ook artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, overeenkomstig welk de Minister van Werk belast is met de uitvoering van het besluit, betreft een niet-reglementaire bepaling. Ook die bepaling voert immers geen nieuwe rechtsregel in. Voor zover het koninklijk besluit van 3 juli 2005 een reglementair karakter bezit in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St-Wet, maakt het derhalve een reglementair besluit uit dat ook niet-reglementaire bepalingen, namelijk de artikelen 1 en 3, bevat. Zoals hierboven uiteengezet, heeft, indien in een reglementair besluit in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet dat ter advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State dient te worden voorgelegd, ook niet-reglementaire bepalingen voorkomen, het niet inwinnen van advies bij de afdeling wetgeving van de Raad van State niet de onwettigheid van die niet-reglementaire bepalingen tot gevolg. Voor zover het koninklijk besluit van 3 juli 2005 een reglementair besluit uitmaakt in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet, heeft het niet inwinnen van het advies bij de afdeling wetgeving van de Raad van State aldus niet de onwettigheid tot gevolg van de artikelen 1 en 3 (de niet-reglementaire bepalingen) ervan. Immers, de afdeling wetgeving van de Raad van State is niet bevoegd om over die niet-reglementaire bepalingen advies te verlenen. Het niet inwinnen van advies bij de afdeling wetgeving van de Raad van State leidt enkel tot onwettigheid van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli
- 2.
- Het arbeidshof oordeelt in het bestreden arrest dat het volledige koninklijk besluit van 3 juli 2005, dat volgens hem een reglementair besluit uitmaakt, onwettig is wegens het niet naleven van de uit artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet voortvloeiende verplichting advies in te winnen bij de afdeling wetgeving van de Raad van State (zie bladzijde 17, tweede alinea, bladzijde 19, derde alinea, en bladzijde 22, derde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof maakt bijgevolg in toepassing van artikel 159 van de Grondwet helemaal geen toepassing van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 (bladzijde 19, vijfde alinea, van het bestreden arrest) en dus ook niet van artikel 1 ervan (overeenkomstig welk de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking treden op 1 juli 2005), en is bijgevolg van oordeel dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 nog steeds niet in werking is getreden (bladzijde 22, derde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof beslist dienvolgens dat de verweerder ten aanzien van de tot bindendverklaring opgeroepen partij met toepassing van artikel 10 van de Loonbeschermingswet, in de versie vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, slechts aanspraak kan maken op interest berekend op de als opzeggingsvergoeding en eindejaarspremies toegekende nettobedragen (bladzijde 20, eerste alinea, van het bestreden arrest). Aangezien het koninklijk besluit van 3 juli 2005, voor zover het een reglementair besluit uitmaakt in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de R.v.St.-Wet, ook niet-reglementaire bepalingen (waaronder artikel 1) bevat, en het niet inwinnen van advies bij de afdeling wetgeving van de Raad van State niet de onwettigheid tot gevolg heeft van die bepalingen (waaronder artikel 1), oordeelt het arbeidshof niet wettig dat ook artikel 1 van dat koninklijk besluit onwettig is en buiten toepassing dient te worden gelaten. 2.
- Artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 stelt de datum van inwerking-treding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 vast op 1 juli
- Artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de wet alleen voor het toekomende beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Het beginsel dat een wet geen terugwerkende kracht heeft, maakt een algemeen rechtsbeginsel uit. Het beginsel dat een wet onmiddellijke uitwerking voor de toekomst heeft, vloeit voort uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terug-werkende kracht, dan wel maakt het een afzonderlijk algemeen rechtsbeginsel uit. Dat beginsel houdt in dat een nieuwe wet, in de regel, niet alleen van toepassing is op de toestanden die na haar inwerkingtreding zijn ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Met toepassing van het beginsel van de onmiddellijke werking van de wet is voor loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005 (onder de oude wet ontstane toestand), met toepassing van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 vanaf die datum interest verschuldigd op het brutobedrag ervan (toekomstig gevolg). Het blijven lopen van de interest na 1 juli 2005, kan beschouwd worden als een toekomstig gevolg van een onder de oude wet ontstane situatie. Het recht op betaling van de door de tot bindendverklaring opgeroepen partij aan de verweerder verschuldigde opzeggingsvergoeding is ontstaan op het ogenblik van het ontslag, d.i. 30 mei 2005 volgens de vaststellingen van het arbeidshof. Dat recht op betaling is dus ontstaan vóór 1 juli
- Ook het recht op betaling van de door de tot bindendverklaring opgeroepen partij aan de verweerder voor de jaren 2000 tot en met 2004 verschuldigde eindejaarspremies is ontstaan vóór 1 juli
- Met toepassing van de artikelen 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 en 82 van de wet van 26 juni 2002 (dat onmiddellijke werking heeft) is de tot bindendverklaring opgeroepen partij vanaf 1 juli 2005 dus interest verschuldigd op de als opzeggings-vergoeding en eindejaarspremies toegekende brutobedragen. Conclusie Het arbeidshof laat niet wettig artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 buiten toepassing en beslist aldus niet wettig dat de verweerder met toepassing van artikel 10 van de Loonbeschermingswet, in de versie van vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, slechts aanspraak kan maken op interest berekend op de nettobedragen voor de periode vanaf 1 juli 2005 (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen en algemene rechtsbeginselen met uitzondering van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). De beslissing van het arbeidshof dat de eiser aan de verweerder een schadevergoeding is verschuldigd gelijk aan het bedrag van de wettelijke en gerechtelijke interest berekend op de toegekende bruto opzeggingsvergoeding en bruto eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot 2004, vanaf 30 mei 2005, verminderd met het bedrag van de wettelijke en gerechtelijke interest door de tot bindendverklaring opgeroepen partij verschuldigd op de overeenstemmende nettobedragen, is dan ook wat de periode vanaf 1 juli 2005 betreft niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). III. VOORAFGAANDE VASTSTELLINGEN
- Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen dat artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangt, bepaalt dat rente van rechtswege verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het loon eisbaar wordt en dat de rente wordt berekend op het loon vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Krachtens artikel 90, §1, bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, treedt artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking op 1 juli
- Artikel 2 van dit koninklijk besluit bepaalt dat artikel 1 van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
- Artikel 69 van de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (I) heeft voormeld koninklijk besluit bekrachtigd, terwijl artikel 70 van deze wet bepaalt dat artikel 69 uitwerking heeft met ingang van 1 juli
- Deze bekrachtiging heeft tot gevolg dat het koninklijk besluit van 3 juli 2005 kracht van wet heeft vanaf 1 juli
- Het bestreden arrest veroordeelt de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij onder meer tot het betalen van een saldo opzeggingsvergoeding en van de eindejaarspremies 2000 tot en met 2004, verminderd met de bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, het overeenstemmende nettogedeelte te vermeerderen met de wettelijke interest vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke interest. De tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij kon, aldus het arrest, niet veroordeeld worden tot betaling van interest op de toegekende brutobedragen vermits artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 geen interpretatieve wetsbepaling is en omdat krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 de inwerkingtreding op 1 juli 2005 van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 slechts van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005, wat te dezen niet het geval was. Het arbeidshof maakte bijgevolg geen toepassing van het koninklijk besluit van 3 juli
- Het arrest oordeelt verder dat de uitvoerende macht "een fout (heeft) begaan die haar aansprakelijkheid in het gedrang brengt, door slechts op 3 juli 2005, meer dan drie jaar na het uitvaardigen van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, een koninklijk besluit tot inwerkingtreding van de wet uit te vaardigen, met als gevolg dat (de verweerder) (van zijn werkgever) geen interest kan opeisen op het brutobedrag van de hem verschuldigde loonachterstallen, doch enkel op het nettobedrag". Het oordeelt dat de Belgische Staat de nodige maatregelen had kunnen en moeten nemen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet betreffende de sluiting van ondernemingen reeds op 30 mei 2005 in werking zou zijn getreden. Op die grond veroordeelt het arrest de eiser tot het betalen van een schadevergoeding aan de verweerder, gelijk aan het bedrag van de wettelijke en gerechtelijke interest op de brutobedragen, vanaf 30 mei 2005, onder aftrek van het bedrag van de wettelijke en gerechtelijke interest door de werkgever verschuldigd op de overeenstemmende nettobedragen, vermeerderd met de gerechtelijke interest op deze schadevergoeding vanaf 9 januari 2006, datum waarop de eiser in gedwongen tussenkomst is gedagvaard. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Tweede subonderdeel Eerste subsubonderdeel
- Op grond van de voorliggende feitelijke gegevens oordeelt de feitenrechter onaantastbaar over het bestaan van een fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Het subsubonderdeel dat opkomt tegen de in randnummer 3 vermelde feitelijke beoordeling omtrent het laten verstrijken van de redelijke termijn, is niet ontvankelijk. Tweede subsubonderdeel in zijn geheel
- De redelijke termijn die de eiser, volgens het arrest, op 30 mei 2005 overschreden heeft, nam geen aanvang op de vervaldata van de eindejaarpremies, maar op 26 juni
- Het arrest kent als schadevergoeding geen interest berekend op brutobedragen toe vanaf de vervaldata van de eindejaarpremies, maar slechts vanaf 30 mei 2005, onder aftrek van de toegekende interest berekend op nettobedragen. Bijgevolg vertonen de aangevoerde grieven geen belang. Het subsubonderdeel is in zijn beide subsubsubonderdelen niet ontvankelijk. Eerste subonderdeel in zijn geheel
- De veroordeling van de eiser is gestoeld op de in randnummer 3 weergegeven en in het eerste subsubonderdeel van het tweede subonderdeel van het eerste onderdeel tevergeefs aangevochten zelfstandige reden. Het subonderdeel komt met de twee subsubonderdelen op tegen een overtollige reden en is mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel Derde subonderdeel
- Voor het berekenen van de schadevergoeding oordeelt het arrest alsof de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 op 30 mei 2005 in werking waren getreden, zonder uitsluiting van de toepassing ervan op achterstallig loon waarop het recht op betaling voor 1 juli 2005 is ontstaan. Het arbeidshof neemt het koninklijk besluit van 3 juli 2005 niet in aanmerking omdat het dit onwettig acht en omdat, volgens het arbeidshof, artikel 90 van de wet van 26 juni 2002 aan de Koning niet de bevoegdheid verleent om de toepassing van voormeld artikel 82 te beperken tot de lonen waarvan het recht op betaling is ontstaan vanaf een bepaalde datum, met uitsluiting van de lonen die voordien eisbaar zijn geworden, maar nog niet werden betaald.
- Het Hof van Cassatie kan in de regel bij de beoordeling van de wettigheid van een rechterlijke beslissing die aan het Hof is voorgelegd, zijn toezicht slechts uitoefenen uitgaande van de dag waarop de beslissing is genomen. Dit beginsel vindt evenwel geen toepassing wanneer de wetgever door een bekrachtiging terugwerkende kracht heeft willen verlenen aan een koninklijk besluit dat door de appelrechter onwettig werd bevonden.
- Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, dat is bekrachtigd door de wet van 8 juni 2008, treedt artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking op 1 juli
- Artikel 2 van dit koninklijk besluit bepaalt dat artikel 1 van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
- De bekrachtiging van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 door artikel 69 van de wet van 8 juni 2008, met uitwerking krachtens artikel 70 op 1 juli 2005, heeft tot gevolg dat de bepalingen van dit koninklijk besluit kracht van wet hebben vanaf 1 juli 2005 en door het Hof dienen te worden toegepast.
- De appelrechters oordelen dat, zonder de door hen vastgestelde fout van de eiser, bestaande in het overschrijden op 30 mei 2005 van de redelijke termijn om, overeenkomstig artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002, artikel 82 van deze wet in werking te doen treden, de verweerder vanaf 30 mei 2005 van zijn werkgever interest had kunnen vorderen op het brutobedrag van alle nog openstaande loonachterstallen, ook als het recht tot betaling ervan is ontstaan voor de inwerkingtreding van dit artikel
- Door aldus, voor de bepaling van de aan de verweerder verschuldigde schadevergoeding uit te gaan van de interest vanaf 30 mei 2005 op het brutobedrag van de opzeggingsvergoeding, waarop het recht op 30 mei 2005 ontstond, en van de eindejaarpremies voor de jaren 2000 tot en met 2004, zonder de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, die, ingevolge de bekrachtiging bij wet van 8 juni 2008 kracht van wet hebben gekregen, toe te passen, schenden de appelrechters de artikelen 2, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni
- Het subonderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit de aan de verweerder door de eiser te betalen schadevergoeding bepaalt op de interest, berekend op de brutobedragen van de opzeggingsvergoeding en de eindejaarpremies voor de jaren 2000 tot en met 2004, vanaf 30 mei 2005, onder aftrek van de door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij te betalen interest, berekend op de overeenstemmende nettobedragen, en de gerechtelijke interest vanaf 9 januari 2006 op het bedrag van deze schadevergoeding, en uitspraak doet over de kosten. Verklaart dit arrest bindend voor de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigd arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 1 december 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081201.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060227.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.3 geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100201.13 ECLI:BE:CTBRL:2011:ARR.20110530.8 ECLI:BE:CTBRL:2011:ARR.20110906.2 ECLI:BE:CTBRL:2013:ARR.20130716.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div