← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Artt. 31 en 32 Fiche 2 Wanneer aan de in hoofdstuk II van de Uitzendarbeidswet bepaalde vormvereisten niet is voldaan, maar de door de werkkracht uit te voeren arbeid in het kader van uitzendarbeid toegelaten is, gelden slechts de in deze wet bepaalde gevolgen en is er geen sprake van verboden terbeschikkingstelling van werknemers, zodat het verzuim de overeenkomst voor uitzendarbeid schriftelijk vast te leggen overeenkomstig artikel 8, §1 van de Uitzendarbeidswet, slechts tot gevolg heeft dat de overeenkomst voor uitzendarbeid haar eigen karakter behoudt, maar overeenkomstig artikel 8, §1, vijfde lid voor onbepaalde duur geldt, met mogelijkheid van verkorte opzegging door de arbeidskracht

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Terbeschikkingstelling Vrije woorden: Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor toegelaten arbeid - Niet naleven van vormvereisten Wettelijke bepalingen:

Art. 8

, § 1 Fiche 3 Wanneer evenwel wordt vastgesteld dat de uitzendkracht tewerkgesteld wordt voor een niet in het kader van uitzendarbeid toegelaten tijdelijke arbeid, is de overeenkomst voor uitzendarbeid overeenkomstig artikel 31,§ 2 van de Uitzendarbeidswet, die van openbare orde is, nietig vanaf de verboden terbeschikkingstelling, zodat vanaf dat ogenblik de overeenkomst tussen uitzendkracht en het uitzendbureau van rechtswege eindigt, zoals ook bepaald in artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr.58, op 7 juli 1994 gesloten in de nationale Arbeidsraad, en vanaf dat ogenblik de gebruiker en de werkkracht overeenkomstig artikel 31,§ 3 worden beschouwd als zijnde verbonden door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, met evenwel een mogelijkheid tot onmiddellijke beëindiging door de werkkracht

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Terbeschikkingstelling Vrije woorden: Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor niet toegelaten arbeid Wettelijke bepalingen:

Art. 31Koninklijk Besluit - 23-09-1994 - Art.

9 Fiche 4 Overeenkomstig artikel 31, §4 zijn dan de gebruiker en de persoon, ook het uitzendbureau, die een werknemer of werknemers ter beschikking stelt van de gebruiker in strijd met de bepalingen van paragraaf, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale bijdragen, lonen, vergoedingen en voordelen die uit de bij paragraaf 3 bedoelde overeenkomst voortvloeien

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: LOON - RECHT OP LOON UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Terbeschikkingstelling Vrije woorden: Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor niet toegelaten arbeid - Gehoudenheid tot betaling van sociale bijdragen en loon Wettelijke bepalingen:

Art. 31Fiches 5 - 8 Concl.

adv.-gen. Mortier, Cass., 1 dec. 2008, AR S.07.0043.N, A.C., 2008, nr. .... Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Terbeschikkingstelling Vrije woorden: Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Toepassingsvoorwaarden - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor andere arbeid dan in deze wet bedoeld - Aard van de terbeschikkingstelling Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor toegelaten arbeid - Niet naleven van vormvereisten Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor niet toegelaten arbeid Thesaurus CAS: LOON - RECHT OP LOON UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Terbeschikkingstelling Vrije woorden: Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor niet toegelaten arbeid - Gehoudenheid tot betaling van sociale bijdragen en loon Tekst van de beslissing Nr. S.07.0043.N PAYROLL SERVICES BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1930 Zaventem, Ikaroslaan 2, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. N.H.,
  2. PEGASOS, vereniging zonder winstoogmerk, in vereffening, met zetel te 9150 Kruibeke, Galgenstraat 36, met als vereffenaar mr. D.D., verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 april 2006 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 7, inzonderheid 2°, 8, 20, 21 en 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers; - artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58 van 7 juli 1994 tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 47 van 18 december 1990 betreffende de na te leven procedure en de duur van de tijdelijke arbeid, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 23 september 1994 (B.S. 18 oktober 1994); - artikel 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de gereduceerde vordering van de eerste verweerster om de eiseres te horen veroordelen tot (betaling van) achterstallig loon voor de periode van 25 juli 2002 tot 25 augustus 2002, het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond. Het arbeidshof bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde van 1 september 2004, maar op andere gronden. Het arbeidshof beslist dat op grond van de volgende motieven: "Nopens de gegrondheid van het hoger beroep Omdat de partijen betwisting voerden over de uitvoering van een overeenkomst voor uitzendarbeid tussen (de eiseres) als - thans blijkt erkend - uitzendbureau en (de eerste verweerster) als uitzendkracht bij (de tweede verweerster) als ge¬bruiker zonder te concluderen over de toepassing van de Uitzendarbeidswet van 24 juli 1987, werden in het tussenarrest de principes uiteengezet en werden de partijen uitgenodigd om te concluderen over de tewerkstelling van (de eerste verweerster) als uitzendkracht in de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 en van 26 juli 2002 tot 25 augustus
  3. Meer in het bijzonder stelde zich de vraag of er in de periode van 26 juli 2002 tot 25 augustus 2002 tussen (de eiseres) en (de eerste verweerster) een al of niet regelmatige overeenkomst voor uitzendarbeid bestond of werd aangegaan en wat de gevolgen daarvan zijn voor de beide partijen. Voorafgaandelijk wordt eraan herinnerd dat §6 betreffende de artistieke prestaties, in artikel 1 van de Uitzendarbeidswet ingevoegd bij artikel 182 van de Programmawet van 22 december 2002, B.S. 31 december 2002, i.w. vanaf 1 juli 2003, niet van toepassing is op het huidig geschil. In haar conclusies na de heropening van de debatten, verwijst (de eiseres) terecht naar artikel 21 van de Uitzendarbeidswet dat bepaalt dat: - de uitzendbureaus alleen dan arbeidskrachten ter beschikking van gebruikers mogen stellen wanneer het gaat om de uitvoering van een in artikel 1 bedoelde toegelaten of tijdelijke arbeid; - de gebruikers alleen dan uitzendkrachten mogen tewerkstellen, wanneer het gaat om de uitvoering van een in artikel 1 bedoelde of toegelaten tijdelijke arbeid. Dit impliceert dat, enerzijds een uitzendbureau enkel uitzendkrachten kan ter beschikking stellen wanneer het gaat om de uitvoering van een toegelaten tijdelijke arbeid en dat anderzijds de gebruiker een uitzendkracht die hem wordt ter beschikking gesteld door het uitzendbureau niet mag tewerkstellen in strijd met de reglementering van de uitzendarbeid. In haar conclusies van 22 februari 2006, argumenteert (de eiseres) uitvoerig waarom de tewerkstelling van (de eerste verweerster) geen in artikel 1 van de Uitzendarbeidswet bedoelde of toegelaten tijdelijke arbeid betrof. (De tweede verweerster) gewaagt in haar conclusie van de uitvoering van een uitzonderlijk werk, vergeleken met een werk in verband met de voorbereiding, de werking en de voltooiing van jaarbeurzen, salons, congressen, studiedagen, seminaries, openbare manifestaties, stoeten, tentoonstellingen, recepties, marktstudies, enquêtes, verkiezingen, speciale promoties, vertalingen, verhuizingen. Volgens (de eerste verweerster) was de opvoering van de musical ‘Het zaad van Satan' eerder een uitzonderlijke activiteit van (de tweede verweerster), welke niet onder de alledaagse activiteiten ressorteerde. De geschreven, hoewel onregelmatige (zie verder) arbeidsovereenkomsten, of althans de kopieën ervan, die (de eerste verweerster) bij haar dossier voegt, vermelden nergens de reden van die overeenkomsten en de kopie van de overeenkomst van 9 augustus 2002 die (de eiseres) bij haar dossier voegt, is geen bewijs van het origineel, zoals het werd getekend door de partijen. Overeenkomstig de artikelen 1, §5, en 47 van de Uitzendarbeidswet, omschrijft artikel 2, §5, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst nr. 36 van 27 november 1981, welke werkzaamheden in de onderneming als uitzonderlijk kunnen aangemerkt worden opdat ze als tijdelijke arbeid in de zin van de uitzendarbeidswet kunnen beschouwd worden. (De tweede verweerster) vergelijkt haar werkzaamheden met deze bedoeld in artikel 2, §5, 1, A, 1ste , van de Collectieve Arbeidsovereenkomst nr. 36 (zoals hoger omschreven). Vooreerst kan uitzonderlijk werk slechts betrekking hebben op werkzaamheden die niet behoren tot de gewone bedrijvigheden van de onderneming. (De eerste verweerster), uitzendkracht, werd bij (de tweede verweerster), gebruiker, tewerkgesteld als zangeres-actrice, welke activiteiten ontegensprekelijk behoren tot de gewone activiteiten van (de tweede verweerster). Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de persoonlijke verschijning van de partijen voor de arbeidsrechtbank van 19 november 2003, werd (de tweede verweerster) opgericht om een musical te creëren, in eerste instantie met het doel de musical ‘Het zaad van Satan' te creëren. Bovendien bepaalt artikel 2, §5, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst nr. 36 niet, dat, of welke artistieke prestaties, onder welke voorwaarden als uitzonderlijk werk kunnen beschouwd worden. In het voorliggend geschil is niet aangetoond dat (de eerste verweerster), als uitzendkracht door (de eiseres), als uitzendbureau, werd ter beschikking gesteld en door (de tweede verweerster), als gebruiker, werd tewerkgesteld, voor de uitvoering van toegelaten tijdelijke arbeid in de zin van de Uitzendarbeidswet. Het feit dat de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid die betrekking heeft op de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 van de Uitzendarbeidswet, nu ze alleszins niet tijdig schriftelijk werd vastgesteld, heeft tot gevolg dat voor deze overeenkomst uitsluitend de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomsten (met (de eiseres)) gelden. Dit sluit niet uit dat, overeenkomstig de bijzondere en specifieke regelingen voor de arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid, zoals bepaald in artikel 20 van de Uitzendarbeidswet van 24 juli 1987 en in artikel 9 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst nr. 58 van 7 juli 1994, (de eiseres) de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid kon vaststellen omdat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aanving tussen de uitzendkracht en de gebruiker, gezien de gebruiker de uitzendkracht tewerkstelde in strijd met de bepalingen van de artikelen 21 en 23 van de Uitzendarbeidswet (toegelaten tijdelijke arbeid). (De eiseres) heeft nochtans niet de beëindiging van de overeenkomst voor uitzendarbeid met (de eerste verweerster) en waarvoor de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomst golden, vastgesteld. Het feit dat overeenkomstig artikel 20 van de Uitzendarbeidswet de uitzendkracht (de eerste verweerster) en de gebruiker (de tweede verweerster) moesten worden beschouwd als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, omdat (de tweede verweerster) (de eerste verweerster) tewerkstelde in strijd met de bepalingen van artikel 21 van de Uitzendarbeidswet, beëindigde niet van rechtswege de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid. Zulks is immers niet voorzien in de uitzendarbeidswet, noch in de CAO-bepalingen ter uitvoering ervan. Terwijl (de eiseres) zich ten aanzien van (de eerste verweerster) kon beroepen op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid tussen hen aangegaan en waarop de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomsten golden, deed zij dit niet vóór de overeenkomst een einde nam door het einde van de tewerkstelling van (de eerste verweerster) bij (de tweede verweerster). De bewering van (de eiseres) dat zij op 22 augustus 2002 de productie voor de musical op locatie bezocht en aan ‘verscheidene aanwezigen' medegedeeld heeft dat de lonen voor de door (de eiseres) reeds gesloten overeenkomsten zouden betaald worden, maar dat er gelet op het ontbreken van financiële waarborgen en de betalingsachterstand van (de tweede verweerster) geen nieuwe overeenkomst meer was gesloten tussen haarzelf en de gebruiker, werd enerzijds niet bevestigd door (de eerste verweerster) naar aanleiding van de persoonlijke verschijning op 19 november 2003 en houdt anderzijds niet de vaststelling van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid met (de eerste verweerster) in, op 22 augustus
  4. De onregelmatige arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid tussen (de eiseres) en (de eerste verweerster) nam dus geen einde, omdat (de eiseres) de beëindiging ervan ten aanzien van (de eerste verweerster) niet heeft vastgesteld omwille van het feit dat (de eerste verweerster) door (de tweede verweerster) werd tewerkgesteld in strijd met de bepalingen van artikel 21 van de Uitzendarbeidswet. De onregelmatige arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid werd evenmin beëindigd op 25 juli 2002 in onderling akkoord. Op geen enkel ogenblik heeft (de eerste verweerster) ingestemd de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid te beëindigen, vóór het einde van haar tewerkstelling bij (de tweede verweerster). De ondertekening van een arbeidsovereenkomst voor de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002, impliceert niet het akkoord van (de eerste verweerster) met de beëindiging van de overeenkomst op datum van 25 juli 2002, zeker niet nu op die overeenkomst de regels inzake de voor onbepaalde tijd aangegane overeenkomsten van toepassing waren. (De eiseres) was en is niet hoofdelijk aansprakelijke maar als uitzendkantoor en werkgever het loon verschuldigd aan (de eerste verweerster) tot de beëindiging van haar tewerkstelling bij (de tweede verweerster)" (blz. 5, tweede helft, tot 9, bovenaan, van het bestreden arrest). Grieven
  5. Eerste onderdeel 1.
  6. Een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid is, luidens artikel 7, 2°, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hieronder afgekort als Uitzendarbeidswet, de overeenkomst waarbij een uitzendkracht zich tegenover een uitzendbureau verbindt om, tegen loon, een bij of krachtens hoofdstuk I van die wet toegelaten tijdelijke arbeid bij een gebruiker te verrichten. De uitzendbureaus mogen luidens artikel 21 van de Uitzendarbeidswet alleen dan uitzendkrachten ter beschikking van de gebruikers stellen en deze mogen alleen dan uitzendkrachten tewerkstellen wanneer het gaat om de uitvoering van een in artikel 1 van de Uitzendarbeidswet bedoelde of toegelaten tijdelijke arbeid. Op grond van artikel 20, 2°, van de Uitzendarbeidswet worden de gebruiker en de uitzendkracht beschouwd als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wanneer de gebruiker de uitzendkracht tewerkstelt in strijd met de voornoemde bepaling. Krachtens artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58 van 7 juli 1994 tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 47 van 18 december 1990 betreffende de na te leven procedure en de duur van de tijdelijke arbeid, hieronder afgekort als collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58, is de arbeidsovereenkomst tussen het uitzendbureau en de uitzendkracht beëindigd en zijn deze laatste en de gebruiker verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd indien de gebruiker, in strijd met de bepalingen van artikel 21 van de Uitzendarbeidswet, een uitzendkracht die hem door het uitzendbureau ter beschikking is gesteld, tewerkstelt met het oog op het verrichten van een andere dan de bij artikel 1 van de Uitzendarbeidswet bedoelde of toegelaten tijdelijke arbeid. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen het uitzendbureau en de uitzendkracht in de in artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58 bepaalde gevallen gebeurt van rechtswege. Op grond van artikel 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereenkomstenwet, rust de verplichting het loon te betalen op de werkgever, d.w.z. op de partij die door een arbeidsovereenkomst verbonden is met de werknemer. 1.
  7. Het arbeidshof stelt in het bestreden eindarrest van 26 april 2006 vast dat niet is aangetoond dat de eerste verweerster, als uitzendkracht, door de eiseres, als uitzendbureau, ter beschikking werd gesteld en door de tweede verweerster als gebruiker werd tewerkgesteld voor de uitvoering van toegelaten tijdelijke arbeid in de zin van de Uitzendarbeidswet (blz. 7, tweede alinea, van het bestreden eindarrest). Die vaststelling betreft zowel de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 en van 26 juli 2002 tot 25 augustus 2002 en meer in het bijzonder die laatste (blz. 5, derde laatste alinea, van het bestreden eindarrest). Het arbeidshof overweegt vervolgens dat de eiseres overeenkomstig de bijzondere en specifieke regelingen voor de arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid zoals bepaald in artikel 20 van de Uitzendarbeidswet en artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid kon vaststellen omdat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aanving tussen de uitzendkracht en de gebruiker, aangezien de gebruiker de uitzendkracht tewerkstelde in strijd met de bepalingen van de artikelen 21 en 23 van de Uitzendarbeidswet (blz. 7, voorlaatste alinea, van het bestreden eindarrest). Volgens het arbeidshof heeft de eiseres de beëindiging van de overeenkomst voor uitzendarbeid niet vastgesteld en was die arbeidsovereenkomst ook niet van rechtswege beëindigd door het feit dat met toepassing van artikel 20 van de Uitzendarbeidswet de eerste en de tweede verweerster moesten worden beschouwd als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd omdat de tweede verweerster de eerste verweerster tewerkstelde in strijd met de bepalingen van artikel 21 van de Uitzendarbeidswet. Volgens het arbeidshof is in die beëindiging van rechtswege niet voorzien in de Uitzendarbeidswet, noch in CAO-bepalingen ter uitvoering ervan (blz. 8, eerste alinea, van het bestreden eindarrest). 1.
  8. Het arbeidshof stelt in het bestreden eindarrest dus vast dat tussen de tweede verweerster en de eerste verweerster een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstond aangezien de eerste verweerster, die door de eiseres aan de tweede verweerster ter beschikking was gesteld, niet werd tewerkgesteld voor de uitvoering van een toegelaten tijdelijke arbeid in de zin van de Uitzendarbeidswet. Uit artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58 volgt dat de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid gesloten tussen het uitzendbureau en de uitzendkracht van rechtswege beëindigd is in de in die bepaling vermelde omstandigheden, die volgens de vaststellingen van het arbeidshof in deze zaak aanwezig zijn, m.n. de tewerkstelling van de eerste verweerster, als uitzendkracht, door de tweede verweerster, als gebruiker, voor de uitvoering van andere dan door de Uitzendarbeidswet toegelaten tijdelijke arbeid. Door, na te hebben vastgesteld dat de tweede verweerster de eerste verweerster tewerkstelde in strijd met artikel 21 van de Uitzendarbeidswet omdat het niet ging om de uitvoering van toegelaten tijdelijke arbeid als bedoeld in artikel 1 van de Uitzendarbeidswet, te oordelen dat de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid gesloten tussen de eiseres en de eerste verweerster niet van rechtswege beëindigd was, schendt het arbeidshof de artikelen 7, 2°, 20 en 21 van de Uitzendarbeidswet en artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr.
  9. Door op grond van die overweging te oordelen dat de eiseres niet als hoofdelijk aansprakelijke maar als uitzendkantoor en werkgever aan de eerste verweerster het loon verschuldigd is tot de beëindiging van haar tewerkstelling bij de tweede verweerster, schendt het arbeidshof tevens artikel 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, dat de verplichting het loon te betalen legt op de werkgever met wie een arbeidsovereenkomst bestaat. Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid niet van rechtswege beëindigd is en beslist evenmin wettig dat de eiseres als uitzendkantoor en werkgever het loon verschuldigd is aan de eerste verweerster tot de beëindiging van haar tewerkstelling bij de tweede verweerster. Bijgevolg verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de eiseres niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 7, inzonderheid 2°, 20 en 21 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58 van 7 juli 1994 tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 47 van 18 december 1990 betreffende de na te leven procedure en de duur van de tijdelijke arbeid, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 23 september 1994, en artikel 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten).
  10. Tweede onderdeel 2.
  11. De activiteit die buiten de bepalingen betreffende de tijdelijke arbeid en de uitzendarbeid neergelegd in de Uitzendarbeidswet door een natuurlijke of rechtspersoon wordt uitgeoefend om door hen in dienst genomen werknemers ter beschikking te stellen van derden die die werknemers gebruiken en over hen enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt, is krachtens artikel 31, §1, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet verboden. Overeenkomstig artikel 31, §2, is de overeenkomst waarbij een werknemer in dienst wordt genomen om ter beschikking te worden gesteld van een gebruiker in strijd met die bepaling, nietig vanaf het begin der uitvoering van de arbeid bij de gebruiker. Wanneer een gebruiker arbeid laat uitvoeren door werknemers die ter zijner beschikking werden gesteld in strijd met de bepaling van §1, worden die gebruiker en die werknemers krachtens artikel 31, §3, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet beschouwd als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf het begin van de uitvoering van de arbeid. De gebruiker en de persoon die de werknemers onwettig ter beschikking stelt van de gebruiker, zijn op grond van artikel 31, §4, van de Uitzendarbeidswet hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale bijdragen, lonen, vergoedingen en voordelen die uit de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voortvloeien. Er geldt dus een principieel verbod van terbeschikkingstelling van werknemers aan derden. Uit artikel 31, §1, van de Uitzendarbeidswet blijkt dat, in afwijking op het principieel verbod van terbeschikkingstelling van werknemers gebruikers een beroep kunnen doen op hen ter beschikking gesteld personeel binnen de regels voorgeschreven in de hoofdstukken I en Il van die wet. Aldus zou de werkgever die tijdelijk nood heeft aan personeel, in bepaalde gevallen een beroep kunnen doen op uitzendkrachten onder de voorwaarden en met naleving van de verplichtingen en formaliteiten bepaald in de Uitzendarbeidswet. De uitzendarbeid is gereglementeerd in hoofdstuk II van de Uitzendarbeidswet. 2.
  12. Krachtens artikel 7, 2°, van de Uitzendarbeidswet, is een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid de overeenkomst waarbij een uitzendkracht zich tegenover een uitzendbureau verbindt om, tegen loon, een bij of krachtens hoofdstuk I van die wet toegelaten tijdelijke arbeid bij een gebruiker te verrichten. De bedoeling een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid te sluiten, moet overeenkomstig artikel 8, derde lid, van de Uitzendarbeidswet, voor iedere werknemer afzonderlijk, door beide partijen schriftelijk worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer voor de eerste maal in dienst treedt van het uitzendbureau. Het vierde lid van diezelfde bepaling stelt dat de overeenkomst schriftelijk moet worden vastgesteld uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt. Bij ontstentenis van een geschrift overeenkomstig de vorige twee leden, gelden luidens artikel 8, vijfde lid, van de Uitzendarbeidswet voor deze overeenkomst uitsluitend de regels inzake voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomsten en kan de werknemer binnen zeven dagen volgend op het verstrijken van twee werkdagen vanaf zijn indiensttreding, zonder opzegging noch vergoeding een einde maken aan de overeenkomst. Artikel 8 van de Uitzendarbeidswet, dat deel uitmaakt van afdeling I (Arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid) van hoofdstuk II (Reglementering van de uitzendarbeid) is enkel van toepassing op de arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid. Op grond van artikel 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, rust de verplichting het loon te betalen op de werkgever, d.w.z. op de partij die door een arbeidsovereenkomst verbonden is met de werknemer. 2.
  13. Al in het tussenarrest van 26 oktober 2005 stelde het arbeidshof de vraag of zowel voor de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 als voor die van 26 juli 2002 tot 25 augustus 2002 tussen de eiseres en de eerste verweerster al dan niet een regelmatige arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid bestond, zonder die evenwel te beantwoorden (zie blz. 6, onderaan, 9, onderaan, en 10, bovenaan, van het tussenarrest van 26 oktober 2005). In het bestreden eindarrest van 26 april 2006 beslist het arbeidshof dat niet is aangetoond dat de eerste verweerster, als uitzendkracht, door de eiseres, als uitzendbureau, ter beschikking werd gesteld en door de tweede verweerster, als gebruiker, werd tewerkgesteld voor de uitvoering van toegelaten tijdelijke arbeid in de zin van de Uitzendarbeidswet (blz. 7, tweede alinea, van het bestreden eindarrest). Aldus stelt het arbeidshof vast dat de overeenkomst gesloten tussen de eiseres en de eerste verweerster geen arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid is in de zin van artikel 7, 2°, van de Uitzendarbeidswet. Die beslissing van het arbeidshof slaat zowel op de tewerkstelling van de eerste verweerster in de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 als op haar tewerkstelling in de periode van 26 juli 2002 tot 25 augustus 2002 (zie blz. 5, derde laatste alinea, van het bestreden eindarrest). Verder in het arrest spreekt het arbeidshof in algemene termen over een onregelmatige arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid (blz. 8, laatste alinea, van het bestreden eindarrest). Enkel de arbeidsovereenkomst waarbij een uitzendkracht zich tegenover een uitzendbureau ertoe verbindt om tegen loon een toegelaten tijdelijke arbeid in de zin van de Uitzendarbeidswet bij een gebruiker te verrichten, is een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid in de zin van hoofdstuk II van de Uitzendarbeidswet, zo blijkt uit artikel 7, 2°, van die wet. De overeenkomst gesloten tussen de eiseres en de eerste verweerster is volgens de vaststellingen van het arbeidshof geen arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid aangezien het vaststelt dat niet is aangetoond dat de eiseres de eerste verweerster ter beschikking stelde en zij door de tweede verweerster werd tewerkgesteld voor de uitvoering van toegelaten tijdelijke arbeid. Door vervolgens artikel 8 van de Uitzendarbeidswet toe te passen op de tussen de eiseres en de eerste verweerster gesloten overeenkomst die betrekking heeft op de periode van 25 juni tot 25 juli 2002, en te oordelen dat, aangezien de overeenkomst niet tijdig schriftelijk werd vastgesteld, uitsluitend de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomsten gelden, past het arbeidshof de bepalingen die enkel gelden voor de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid toe op een overeenkomst die volgens zijn eigen vaststellingen geen arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid is en schendt het derhalve de artikelen 7, 2°, 8 en 31 van de Uitzendarbeidswet. Het arbeidshof schendt tevens artikel 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet in de mate dat het op grond van de voornoemde overwegingen met toepassing van de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomsten de eiseres niet als hoofdelijk aansprakelijke maar als werkgever veroordeelt tot betaling van loon aan de eerste verweerster. Conclusie Het arbeidshof oordeelt niet wettig dat het feit dat de tussen de eiseres en de eerste verweerster gesloten overeenkomst die betrekking heeft op de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 van de Uitzendarbeidswet, tot gevolg heeft dat voor die overeenkomst uitsluitend de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomsten gelden en verklaart het hoger beroep van de eiseres niet wettig ongegrond in de mate dat het betrekking heeft op de vordering van de eerste verweerster tot het verkrijgen van een bedrag van 2.772,84 euro voor de periode van 26 juli 2002 tot 25 augustus 2002 (schending van de artikelen 7, inzonderheid 2°, 8 en 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers en 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel
  14. Artikel 31, §1, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hierna Uitzendarbeidswet genoemd, verbiedt de activiteit die, buiten de in de hoofdstukken I en II voorgeschreven regels, door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt uitgeoefend om door hen in dienst genomen werknemers ter beschikking te stellen van derden die deze werknemers gebruiken en over hen enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt.
  15. Behoudens de in artikel 31, §1, tweede lid, en artikel 32 van de Uitzendarbeidswet, zoals te dezen van toepassing, bepaalde toegelaten afwijkingen, houdt voormeld artikel 31, §1, eerste lid, een algemeen verbod in van elke terbeschikkingstelling die niet gebeurt conform de regelen inzake tijdelijke arbeid en uitzendarbeid, dit wil zeggen die andere arbeid als voorwerp heeft dan deze in de reglementering van de tijdelijke of uitzendarbeid bedoeld. De houder van een uitzendbureau die werknemers ter beschikking stelt en zich hierbij niet houdt aan de voor uitzendarbeid toegelaten tijdelijke arbeid, zoals bepaald in artikel 1 van de Uitzendarbeidswet, overtreedt het voormelde in artikel 31, §1, van deze wet opgelegd algemeen verbod.
  16. Wanneer aan de in hoofdstuk II van de Uitzendarbeidswet bepaalde vormvereisten niet is voldaan, maar de door de werkkracht uit te voeren arbeid in het kader van uitzendarbeid toegelaten is, gelden slechts de in deze wet bepaalde gevolgen en is er geen sprake van verboden terbeschikkingstelling van werknemers. Hieruit volgt dat het verzuim de overeenkomst voor uitzendarbeid schriftelijk vast te leggen overeenkomstig artikel 8, §1, van de Uitzendarbeidswet, slechts tot gevolg heeft dat de overeenkomst voor uitzendarbeid haar eigen karakter behoudt, maar overeenkomstig artikel 8, §1, vijfde lid, voor onbepaalde duur geldt, met mogelijkheid van verkorte opzegging door de arbeidskracht.
  17. Wanneer evenwel vastgesteld wordt dat de uitzendkracht wordt tewerkgesteld voor een niet in het kader van uitzendarbeid toegelaten tijdelijke arbeid, is de overeenkomst voor uitzendarbeid overeenkomstig artikel 31, §2, van de Uitzendarbeidswet, die van openbare orde is, nietig vanaf de verboden terbeschikkingstelling. Vanaf dat ogenblik eindigt de overeenkomst tussen de uitzendkracht en het uitzendbureau van rechtswege, zoals ook bepaald in artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58, op 7 juli 1994 gesloten in de Nationale Arbeidsraad. Vanaf dat ogenblik worden de gebruiker en de werkkracht overeenkomstig artikel 31, §3, beschouwd als zijnde verbonden door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, met evenwel een mogelijkheid tot onmiddellijke beëindiging door de werkkracht. Overeenkomstig artikel 31, §4, zijn dan de gebruiker en de persoon, ook het uitzendbureau, die een werknemer of werknemers ter beschikking stelt van de gebruiker in strijd met de bepalingen van paragraaf 1, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale bijdragen, lonen, vergoedingen en voordelen die uit de bij paragraaf 3 bedoelde overeenkomst voortvloeien.
  18. Het arrest stelt vast dat de eerste verweerster bij de tweede verweerster tewerkgesteld werd als zangeres-actrice, welke activiteiten ontegensprekelijk behoren tot de gewone activiteiten van de tweede verweerster en dus geen uitzonderlijke arbeid was. Op grond hiervan oordeelt het arrest dat niet is aangetoond dat de eerste verweerster, als uitzendkracht, werd ter beschikking gesteld, en door de tweede verweerster, als gebruiker, werd tewerkgesteld voor de uitvoering van toegelaten tijdelijke arbeid in de zin van de Uitzendarbeidswet.
  19. Op grond van deze in de plaats gestelde redenen en de toepassing van artikel 31, §4, van de Uitzendarbeidswet, is het arrest dat de eiseres en de tweede verweerster met bevestiging van het beroepen vonnis solidair veroordeelt tot het betalen aan de eerste verweerster van het door deze gevorderde loon voor de periode van 26 juli tot 25 augustus 2002, met interest, naar recht verantwoord. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 162, 46 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 1 december 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081201.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160215.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.