id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.3 Rolnummer: S.08.0081.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-01-30 Raadplegingen: 222 - laatst gezien 2026-07-03 02:02 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 149 G.W. en de artikelen 741 en 780, eerste lid,3° Ger.W. sluiten niet uit dat de rechter zijn oordeel laat steunen op feiten die voor de eerste rechter zijn aangevoerd en waarnaar niet is verwezen in de appelconclusie en daarin niet zijn bevestigd, overgenomen of herhaald. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis - Motivering PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Redenen van vonnissen en arresten Vrije woorden: Motivering - Verwijzing naar elementen die voor de eerste rechter werden aangevoerd Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 741 en 780, eerste lid, 3° Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis - Motivering PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Redenen van vonnissen en arresten Vrije woorden: Devolutieve werking - Motivering Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 741 en 780, eerste lid, 3° Tekst van de beslissing Nr. S.08.0081.N DE MUZE TIEN, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2000 Antwerpen, Melkmarkt 15, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 oktober 2001 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 741 en 780, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1, §1, 14, §1, 21, §1 (in zijn versie zoals vervangen door de wet van 20 juli 1991, in voege sedert 11 augustus 1991), 22, eerste lid, en 23, §§ 1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Bestreden beslissing De vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen verklaart in het bestreden arrest van 26 oktober 2001 het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk en beveelt de heropening der debatten teneinde vanwege verweerder een herberekening te bekomen van de door eiseres verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen met betrekking tot het eerste kwartaal van 1992 op basis van de door het arbeidshof verstrekte gegevens, waaronder met name 1920 aan te geven arbeidsuren, en dit op volgende gronden (arrest p. 7, derde en laatste alinea, en pp. 9-10): "Vermits (de eiseres) een onvolledige of onjuiste aangifte heeft gedaan was (de verweerder) gerechtigd in toepassing van artikel 22 RSZ-wet, aan de hand van alle voorhanden zijnde gegevens, ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen te bepalen. (...) Op basis van artikel 22 kan (de verweerder) de ambtshalve aangifte baseren op een door hem zelf uitgewerkte hypothese op voorwaarde dat deze hypothese maar op redelijke gronden is gebaseerd en volgens een geldige deductie is uitgewerkt. (...) Vermits huidig geschil betrekking heeft op de bijdragen voor het eerste kwartaal 1992 en de erop verschuldigde vakantiebijdragen eerste kwartaal 1993, dus één jaar vóór de verbouwingswerken, is de extrapolatie van de toestand van mei 1994 naar de periode van eerste kwartaal 1992 niet redelijk verantwoord. Rest de vraag of de door (de eiseres) aangegeven uren m.b.t. het eerste kwartaal 1992 ten bedrage van 972 uren overeenstemmen met alle voorhanden zijnde gegevens in huidig geschil. Wat betreft deze periode dient te worden vastgesteld dat (de eiseres) in synthesebesluiten (zie synthesebesluiten BVBA, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 3 mei 1999, stuk 20 rechtsplegingsdossier eerste aanleg) voor de eerste rechter als volgt concludeerde: ‘Dat de handelszaak immers drukke periodes heeft, doch ook kalme, waar de zaak - zoals in de periode waarover het in actuele procedure gaat - door 1 persoon kan uitgebaat worden. Dat de periodes er als volgt uitzien: Weekdagen 12-14 : vrij druk (2 man) 14-17 : kalm (1 man volstaat ruimschoots) 17-19 : drukker (kan nog met 1 man, soms 2) 19-22 : kalm 22-01 : drukker (2 man) 01-04 : van kalmer tot zeer kalm zaterdag 12-16 : kalm 16-19 : drukker 19-22 : kalm 22-02 : druk 02-04 : kalmer zondag 12-16 : vrij kalm 16-19 : drukker 19-22 : kalm 22-01 : druk 01-04 : kalm Dat in het eerste kwartaal 1992 in de hierboven omschreven kalme periodes 1 persoon volstond, en in drukke periodes 2 personen, altijd bijgestaan door de zaakvoerder.' Gelet op de door (de eiseres) verstrekte gegevens met betrekking tot de kalme en drukke periodes waarbij 1 tot 2 personen, samen met (bijgestaan door) de zaakvoerder, prestaties leverden dienen volgende uren het voorwerp uit te maken van een aangifte bij de RSZ: Weekdagen 12-14 : 2 x 2 uren: 4 uren 14-17: 1 x 3 uren 3 uren 17-19: 2 x 2 uren 4 uren 19-22: 1 x 3 uren 3 uren 22-01: 2 x 3 uren 6 uren 01-04: 1 x 3 uren 3 uren zaterdag 12-16: 1 x 4 uren 4 uren 16-19: 2 x 3 uren 6 uren 19-22: 1 x 3 uren 3 uren 22-02: 2 x 4 uren 8 uren 02-04: 1 x 2 uren 2 uren zondag 12-16: 1 x 4 uren 4 uren 16-19: 2 x 3 uren 6 uren 19-22: 1 x 3 uren 3 uren 22-01: 2 x 3 uren 6 uren 01-04: 1 x 3 uren 3 uren Rekening houdend met de door de (eiseres) verstrekte gegevens dient er over het eerste kwartaal 1992 een regularisatie te worden doorgevoerd voor 948 uren, berekend als volgt: - weekdagen: 23 uren x 5 werkdagen: 115 - zaterdag: 23 - zondag: 22 - totaal per week: 160 - totaal per maand : 160 x 4 640 - totaal eerste kwartaal 1992: 640 x 3 1920 - aangegeven uren: 972 - bijkomende aangifte: 948" Grief Naar luid van de artikelen 1, §1, en 23, §§1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn de werkgevers naar aanleiding van iedere betaling van loon aan hun werknemers sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd aan de RSZ. Deze bijdragen worden overeenkomstig artikel 14, §1, van dezelfde wet berekend op het loon. Overeenkomstig artikel 21, §1, van dezelfde wet, zoals van kracht na de wijziging bij wet van 20 juli 1991, moet de werkgever een aangifte doen bij de RSZ met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde bijdragen. Krachtens artikel 22, eerste lid, van dezelfde wet, bepaalt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, wanneer geen, dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte is gedaan, ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens of na alle daartoe nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever, die verplicht is ze te verstrekken. Naar luid van artikel 741 van het Gerechtelijk Wetboek nemen de partijen, in de zaken die op de inleidende zitting niet behandeld zijn, conclusie op de wijze door de betreffende afdeling van dit wetboek bepaald. De rechter is, gelet op artikelen 780, enig lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en 149 van de gecoördineerde Grondwet, gehouden te antwoorden op regelmatig in conclusie aangevoerde grieven en middelen van verweer die relevant zijn. Behoudens voor de zaken waarop artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is, wat te dezen niet het geval is, dient de appelrechter hierbij, behoudens andersluidende vermeldingen in de (laatste) conclusie, te antwoorden op de (niet-tegenstrijdige) pertinente aanvoeringen in alle conclusies die in hoger beroep regelmatig werden ingediend alsmede, indien het de eiseres betreft, op de aanvoeringen in de akte waarmee hoger beroep werd aangetekend. Bovendien zal de appelrechter, nog steeds onder het voorbehoud dat artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek nog niet van toepassing is, die¬nen te antwoorden op de pertinente, niet-strijdige aanvoeringen in de conclusies die in eerste aanleg werden genomen, voor zover de belanghebbende partij daar in hoger beroep naar verwijst en de betreffende aanvoeringen uitdrukkelijk overneemt. Bijgevolg zal de appelrechter ter staving van zijn beslissing slechts kunnen verwijzen naar bepaalde aanvoeringen van één der partijen in een conclusie in eerste aanleg, voor zover deze partij in de appelprocedure naar deze conclusie in eerste aanleg verwijst en de aanvoeringen ervan gestand houdt door deze te bevestigen of over te nemen. In onderhavige zaak maakt het arbeidshof melding van de synthesebesluiten die door de eiseres voor de eerste rechter werden ingediend, citeert deze deels en oordeelt dat "gelet op de door (de eiseres) verstrekte gegevens met betrekking tot de kalme en drukke periodes waarbij 1 tot 2 personen, samen met (bijgestaan door) de zaakvoerder, prestaties leverden(,) volgende uren het voorwerp (dienen) uit te maken van een aangifte bij de RSZ (...)". Het arbeidshof verwijst aldus uitsluitend, ter bepaling van de hoeveelheid bijdrageplichtige arbeidsuren, naar de door de eiseres verstrekte gegevens, waarvoor het uitdrukkelijk en expliciet melding maakt van een aanvoering in de conclusie in eerste aanleg (meer bepaald de syntheseconclusie op p. 13). De eiseres besloot de betreffende aanvoering in de syntheseconclusie met de vaststelling dat "in het eerste kwartaal 1992 in de hierboven omschreven kalme periodes 1 persoon volstond, en in drukke periodes 2 personen, altijd bijgestaan door de zaakvoerder." Het arbeidshof stoelt zich uitsluitend op deze aanvoeringen om te besluiten dat in het eerste kwartaal van 1992 de eiseres 1920 bijdrageplichtige uren had moeten aangeven. In hoger beroep heeft de eiseres, noch in haar verzoekschrift tot hoger beroep, noch in haar beroepsconclusie, noch in haar "conclusie na advies van het openbaar ministerie" verwezen naar haar aanvoeringen in eerste aanleg. Zij heeft deze aanvoeringen dus niet bevestigd, overgenomen of herhaald. Met betrekking tot de tewerkstelling van personeel in het eerste kwartaal van 1992 stelde de eiseres in hoger beroep integendeel: - verzoekschrift tot hoger beroep p. 8, voorlaatste alinea): "Dat het vóór april '93 perfect mogelijk was om de zaak zelfs zonder werknemers open te houden; de zaakvoerder deed dit alleen: de zaak bestond uit een klein gelijkvloers dat grotendeels werd ingenomen door een toog;" - beroepsconclusie p. 6, in het midden: "Dat derhalve geen enkele vaststelling toeliet ook maar enige supplementaire berekening te maken: 1ste kwartaal 1992: De Muze kon op dat ogenblik gerund worden door 1 persoon van achter de toog." Aldus bevestigde noch herhaalde de eiseres haar aanvoering in eerste aanleg, doch stelde zij uitdrukkelijk dat in het eerste kwartaal van 1992 haar handelszaak gerund werd door de zaakvoerder die als enige, van achter de toog, en zonder bijkomende personeelsleden, voor de bediening zorgde. Het arbeidshof antwoordt aldus niet op eiseres' aanvoeringen in het verzoekschrift tot hoger beroep en in haar appelconclusie (schending van de artikelen 149 van de gecoördineerde Grondwet en 780, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek) en kon dienvolgens niet wettig op grond van de enkele verwijzing naar de aanvoeringen in eiseres' syntheseconclusie in eerste aanleg en zonder acht te slaan op eiseres' aanvoeringen in het verzoekschrift tot hoger beroep en in de conclusies in hoger beroep, oordelen dat voor het eerste kwartaal van 1992 de eiseres 1920 arbeidsuren had dienen aan te geven (schending van artikel 741 van het Gerechtelijk Wetboek) en niet wettig beslissen dat de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen moesten worden berekend op deze grondslag (schending van artikelen 1, §1, 14, §1, 21, §1 (in zijn versie zoals van toepassing na de wetswijziging van 20 juli 1991), 22, eerste lid, en 23, §§ 1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders).
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1354, 1356, 1988 en 1989 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 440 en 850 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1, §1, 14, §1, 21, §1 (in zijn versie zoals vervangen door de wet van 20 juli 1991, in voege sedert 11 augustus 1991), 22, eerste lid, en 23,§§ 1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Bestreden beslissing De vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen verklaart in het bestreden arrest van 26 oktober 2001 het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk en beveelt de heropening der debatten teneinde vanwege de verweerder een herberekening te bekomen van de door eiseres verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen met betrekking tot het eerste kwartaal van 1992 op basis van de door het arbeidshof verstrekte gegevens, waaronder met name 1920 aan te geven arbeidsuren, en dit op volgende gronden (arrest p. 7, derde en laatste alinea, en pp. 9-10) : "Vermits (de eiseres) een onvolledige of onjuiste aangifte heeft gedaan was (de verweerder) gerechtigd in toepassing van artikel 22 RSZ-wet, aan de hand van alle voorhanden zijnde gegevens, ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen te bepalen. (...) Op basis van artikel 22 kan (de verweerder) de ambtshalve aangifte baseren op een door hem zelf uitgewerkte hypothese op voorwaarde dat deze hypothese maar op redelijke gronden is gebaseerd en volgens een geldige deductie is uitgewerkt. (...) Vermits huidig geschil betrekking heeft op de bijdragen voor het eerste kwartaal 1992 en de erop verschuldigde vakantiebijdragen eerste kwartaal 1993, dus één jaar voor de verbouwingswerken, is de extrapolatie van de toestand van mei 1994 naar de periode van eerste kwartaal 1992 niet redelijk verantwoord. Rest de vraag of de door (de eiseres) aangegeven uren m.b.t. het eerste kwartaal 1992 ten bedrage van 972 uren overeenstemmen met alle voorhanden zijnde gegevens in huidig geschil. Wat betreft deze periode dient te worden vastgesteld dat (de eiseres) in synthesebesluiten (zie synthesebesluiten BVBA, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 3 mei 1999, stuk 20 rechtsplegingsdossier eerste aanleg) voor de eerste rechter als volgt concludeerde: ‘Dat de handelszaak immers drukke periodes heeft, doch ook kalme, waar de zaak - zoals in de periode waarover het in actuele procedure gaat - door 1 persoon kan uitgebaat worden. Dat de periodes er als volgt uitzien: Weekdagen 12-14 : vrij druk (2 man) 14-17 : kalm (1 man volstaat ruimschoots) 17-19 : drukker (kan nog met 1 man, soms 2) 19-22 : kalm 22-01 : drukker (2 man) 01-04 : van kalmer tot zeer kalm zaterdag 12-16 : kalm 16-19 : drukker 19-22 : kalm 22-02 : druk 02-04 : kalmer zondag 12-16 : vrij kalm 16-19 : drukker 19-22 : kalm 22-01 : druk 01-04 : kalm Dat in het eerste kwartaal 1992 in de hierboven omschreven kalme periodes 1 persoon volstond, en in drukke periodes 2 personen, altijd bijgestaan door de zaakvoerder.' Gelet op de door (de eiseres) verstrekte gegevens met betrekking tot de kalme en drukke periodes waarbij 1 tot 2 personen, samen met (bijgestaan door) de zaakvoerder, prestaties leverden dienen volgende uren het voorwerp uit te maken van een aangifte bij de RSZ: Weekdagen 12-14 : 2 x 2 uren: 4 uren 14-17: 1 x 3 uren 3 uren 17-19: 2 x 2 uren 4 uren 19-22: 1 x 3 uren 3 uren 22-01: 2 x 3 uren 6 uren 01-04: 1 x 3 uren 3 uren zaterdag 12-16: 1 x 4 uren 4 uren 16-19: 2 x 3 uren 6 uren 19-22: 1 x 3 uren 3 uren 22-02: 2 x 4 uren 8 uren 02-04: 1 x 2 uren 2 uren zondag 12-16: 1 x 4 uren 4 uren 16-19: 2 x 3 uren 6 uren 19-22: 1 x 3 uren 3 uren 22-01: 2 x 3 uren 6 uren 01-04: 1 x 3 uren 3 uren Rekening houdend met de door de (eiseres) verstrekte gegevens dient er over het eerste kwartaal 1992 een regularisatie te worden doorgevoerd voor 948 uren, berekend als volgt: - weekdagen: 23 uren x 5 werkdagen: 115 - zaterdag: 23 - zondag: 22 - totaal per week: 160 - totaal per maand : 160 x 4 640 - totaal eerste kwartaal 1992: 640 x 3 1920 - aangegeven uren: 972 - bijkomende aangifte: 948" Grief Eerste onderdeel Naar luid van de artikelen 1, §1, en 23, §§1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn de werkgevers naar aanleiding van iedere betaling van loon aan hun werknemers sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd aan de RSZ. Deze bijdragen worden overeenkomstig artikel 14, §1, van dezelfde wet berekend op het loon. Overeenkomstig artikel 21 van dezelfde wet, zoals van kracht na de wijziging door de wet van 20 juli 1991, moet de werkgever een aangifte doen bij de RSZ met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde bijdragen. Krachtens artikel 22, eerste lid, van dezelfde wet, bepaalt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, wanneer geen, dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte is gedaan, ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens of na alle daartoe nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever, die verplicht is ze te verstrekken. Deze regeling is ingesteld om de inning en de invordering van de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen te verzekeren en belangt derhalve de openbare orde aan. Een bekentenis, in de zin van de artikelen 1354 en 1356 van het Burgerlijk Wetboek, kan niet slaan op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken of waarover geen dading mag worden aangegaan. De bekentenis van een feit dat een beslissend gegeven uitmaakt voor de al dan niet toepasselijkheid van een wet van openbare orde, mag bijgevolg door de rechter niet worden aangenomen. Hieruit volgt dat geen bekentenis mogelijk is met betrekking tot feitelijke elementen, zoals het aantal tewerkgestelde werknemers en hun arbeidsduur, waarop de toepassing van de bijdrageregeling in de sociale zekerheid is gegrond. In onderhavige zaak maakt het arbeidshof melding van de synthesebesluiten die door eiseres voor de eerste rechter werden ingediend, citeert deze deels en oordeelt dat "gelet op de door (de eiseres) verstrekte gegevens met betrekking tot de kalme en drukke periodes waarbij 1 tot 2 personen, samen met (bijgestaan door) de zaakvoerder, prestaties leverden(,) volgende uren het voorwerp (dienen) uit te maken van een aangifte bij de RSZ (...)." Het arbeidshof verwijst aldus uitsluitend, ter bepaling van de hoeveelheid bijdrageplichtige arbeidsuren, naar de door eiseres verstrekte gegevens, waarvoor het uitdrukkelijk en expliciet melding maakt van een aanvoering in de conclusie in eerste aanleg (meer bepaald de syntheseconclusie op p. 13). De eiseres besloot de betreffende aanvoering in de syntheseconclusie met de vaststelling dat "in het eerste kwartaal 1992 in de hierboven omschreven kalme periodes 1 persoon volstond, en in drukke periodes 2 personen, altijd bijgestaan door de zaakvoerder." Het arbeidshof baseert zich uitsluitend op deze aanvoeringen, die het opvat als een bekentenis in de zin van de artikelen 1354 en 1356 van het Burgerlijk Wetboek, om te besluiten dat in het eerste kwartaal van 1992 de eiseres 1920 bijdrageplichtige uren had moeten aangeven. Het arbeidshof kon derhalve niet wettig op grond van een bekentenis door eiseres in haar syntheseconclusie in eerste aanleg betreffende de feitelijke grondslag voor de berekening van de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen, besluiten in welke mate eiseres tot betaling van socialezekerheidsbijdragen gehouden was (schending van de artikelen 1354 en 1356 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1, §1, 14, §1, 21, §1 (in zijn versie zoals vervangen door de wet van 20 juli 1991, in voege sedert 11 augustus 1991), 22, eerste lid, en 23, §§ 1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Tweede onderdeel In zoverre het Hof zou aannemen dat de rechter vermag op grond van een bekentenis van de werkgever, in de zin van de artikelen 1354 en 1356 van het Burgerlijk Wetboek, te oordelen over het aantal arbeidsuren op grond waarvan deze werkgever tot betaling van socialezekerheidsbijdragen gehouden is, moet worden vastgesteld dat een bekentenis, als bewijsmiddel, moet uitgaan van de partij tegen wie ze wordt aangevoerd, of van haar bijzonder gevolmachtigde. Een advocaat is, als lasthebber van zijn cliënt, gelet op de artikelen 440 en 850 van het Gerechtelijk Wetboek en 1988 en 1989 van het Burgerlijk Wetboek, niet gerechtigd namens zijn cliënt een bekentenis te doen, tenzij die cliënt hem daartoe een bijzondere volmacht heeft gegeven. In onderhavige zaak maakt het arbeidshof melding van de synthesebesluiten die door eiseres voor de eerste rechter werden ingediend, citeert deze deels en oordeelt dat "gelet op de door (de eiseres) verstrekte gegevens met betrekking tot de kalme en drukke periodes waarbij 1 tot 2 personen, samen met (bijgestaan door) de zaakvoerder, prestaties leverden(,) volgende uren het voorwerp (dienen) uit te maken van een aangifte bij de RSZ (...)." Het arbeidshof oordeelt derhalve op grond van een bekentenis door eiseres in haar syntheseconclusie in eerste aanleg. Deze in eerste aanleg ingediende syntheseconclusie van de eiseres werd enkel ondertekend door eiseres' raadsman. Het arbeidshof stelt niet vast, noch door eigen motieven, noch door verwijzingen naar enige vaststelling door de eerste rechter, dat eiseres' raadsman in eerste aanleg liet blijken van een bijzondere volmacht tot het afleggen van een bekentenis namens eiseres. Het arbeidshof vermocht derhalve niet wettig de in eerste aanleg in de syntheseconclusie voor eiseres opgenomen aanvoeringen te beschouwen als een geldige bekentenis. Het arbeidshof schendt dienvolgens de artikelen 1354, 1356, 1988 en 1989 van het Burgerlijk Wetboek en 440 en 850 van het Gerechtelijk Wetboek en kon derhalve niet wettig oordelen dat de eiseres gehouden was tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen voor het eerste kwartaal van 1992 op grond van 1920 aan te geven arbeidsuren (schending van artikelen 1, §1, 14, §1, 21, §1 (in zijn versie zoals vervangen door de wet van 20 juli 1991, in voege se¬dert 11 augustus 1991), 22, eerste lid, en 23, §§ 1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Uit het feit dat de appelrechters hun beslissing laten steunen op feiten die de eiseres voor de eerste rechter heeft aangevoerd, blijkt niet dat zij geen acht hebben geslagen op de aanvoeringen van de eiseres in haar verzoekschrift tot hoger beroep en op haar appelconclusies.
- Met de in het middel weergegeven redenen beantwoordt en verwerpt het arrest de aanvoeringen van de eiseres in haar verzoekschrift tot hoger beroep en in haar appelconclusie.
- In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- De als geschonden aangewezen wetsbepalingen sluiten niet uit dat de rechter zijn oordeel laat steunen op feiten die voor de eerste rechter zijn aangevoerd en waarnaar niet is verwezen in de appelconclusie en daarin niet zijn bevestigd, overgenomen of herhaald. In zoverre faalt het middel naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel gaat ervan uit dat het arrest steunt op een bekentenis van de eiseres in haar syntheseconclusie voor de eerste rechter.
- Het arrest steunt niet op een bekentenis van de eiseres. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel gaat uit van de onderstelling dat het arrest steunt op een bekentenis van de eiseres.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het onderdeel feitelijke grondslag mist. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 116,39 euro jegens de eisende partij en op de som van 103,89 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 1 december 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div