← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.2 Rolnummer: P.08.1082.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2008-12-26 Raadplegingen: 697 - laatst gezien 2026-07-03 08:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter stelt de strafvordering en de ermee gepaard gaande burgerlijke rechtsvordering in; de aldus ingestelde burgerlijke rechtsvordering is evenwel enkel gericht tegen de verdachte die in de akte van burgerlijke partijstelling is vermeld; de burgerlijke partij kan haar burgerlijke rechtsvordering nadien eveneens richten tot andere verdachten door haar vordering uit te breiden tot die andere verdachten, hetzij voor de onderzoeksrechter, hetzij voor het onderzoeksgerecht bij de regeling van de rechtspleging, hetzij voor de vonnisrechter naar dewelke de verdachten verwezen zijn

(1).
(1)Zie R. Verstraeten, De burgerlijke partij en het gerechtelijk onderzoek, Antwerpen - Apeldoorn, Maklu Uitgevers, 1990, nrs. 156 e.v. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Draagwijdte - Vormen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 Het feit dat de rechter overeenkomstig artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de burgerlijke belangen ambtshalve aanhoudt, heeft niet voor gevolg dat een burgerlijke partij een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een vonnis gewezen ten aanzien van een beklaagde waarmee zij geen geding had. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken Vrije woorden: Ambtshalve aanhouden der burgerlijke belangen - Rechtsmiddelen van de burgerlijke partij Tekst van de beslissing Nr. P.08.1082.N J C, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Mieke Listhaeghe, advocaat bij de balie te Brugge, tegen
  1. A T, beklaagde,
  2. A K, beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 mei
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 149 Grondwet en 780, 3°, Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest beantwoordt eisers verweer niet.
  5. Het enkele feit dat de rechter anders oordeelt dan een partij in conclusie aanvoert, levert geen motiveringsgebrek noch een miskenning van het recht van verdediging op. In zoverre faalt het middel naar recht.
  6. Voor het overige voert het middel formeel motiveringsgebreken aan, maar werpt het in werkelijkheid de hierna vermelde onwettigheden op. Eerste onderdeel
  7. Het onderdeel voert aan dat het arrest de redenen van het vonnis van 10 januari 2006 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge overneemt, welk vonnis ten onrechte oordeelt dat eisers burgerlijke rechtsvordering verjaard is.
  8. Het arrest neemt de redenen van het niet beroepen vonnis van 10 januari 2006 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge niet over. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  9. Voor het overige vecht het onderdeel het voormelde vonnis aan. In zoverre is het onderdeel niet gericht tegen het arrest en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de eiser geen belang heeft om tegen het vonnis bij verstek verzet te doen.
  11. Het arrest oordeelt niet dat de eiser geen belang heeft tegen de tweede verweerder verzet te doen. Het oordeelt enkel dat de eiser tegen de tweede verweerder geen verzet kan aantekenen daar er voor de eerste rechter tussen die partijen geen geding aanhangig was.
  12. Met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering ingesteld tegen de eerste verweerster oordeelt het arrest: "In tegenstelling tot wat in het bestreden vonnis van 10 april 2006 werd beslist, is het hof (van beroep) van oordeel dat [de eiser] wel degelijk belang had bij het aantekenen van het verzet tegen het vonnis van 15 december 2003 nu bij verstek nog geen uitspraak werd gedaan over alle door hem geleden schade te wijten aan de in hoofde van [de eerste verweerster] bewezen verklaarde telastleggingen."
  13. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  14. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de eiser tegen de tweede verweerder geen verzet kon doen op de grond dat er tegen hem geen burgerlijke rechtsvordering werd ingesteld.
  15. Een burgerlijke partij kan tegen een tegenover haar bij verstek gewezen vonnis verzet aantekenen. Dit verzet kan evenwel enkel gericht zijn tegen de partijen tussen dewelke er voor de rechter die het vonnis bij verstek heeft uitgesproken, een geding aanhangig was. Het feit dat het vonnis bij verstek aan de burgerlijke partij niet is betekend, doet daaraan geen afbreuk.
  16. Artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijke partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat is." Deze regel houdt niet in dat er bij ontstentenis van het instellen van een burgerlijke rechtsvordering, een geding aanhangig is tussen de schadelijder en de beklaagde die de eerstgenoemde toelaat verzet te doen tegen het vonnis waarbij deze laatste tot straf veroordeeld is. In zoverre faalt het middel naar recht.
  17. Het arrest stelt vast dat: - de eiser zich voor de onderzoeksrechter enkel tegen de eerste verweerster burgerlijke partij gesteld heeft; - vóór het vonnis bij verstek van 15 december 2003 de eiser zich niet burgerlijke partij gesteld heeft tegen de tweede verweerder.
  18. Op grond van die vaststellingen die het onderdeel niet aanvecht, oordeelt het arrest dat de eiser tot op het vonnis bij verstek geen burgerlijke rechtsvordering tegen de tweede verweerder had ingesteld zodat er tussen die twee partijen geen geding aanhangig was. Aldus is de beslissing van het arrest dat oordeelt dat de eiser tegen de tweede verweerder geen verzet kan doen, naar recht verantwoord. Het onderdeel kan in zoverre niet aangenomen worden. Tweede middel
  19. Het middel voert schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het feit dat eenzelfde vordering zowel voor de burgerlijke rechter als voor de strafrechter aanhangig kan worden gemaakt, niet betekent dat wanneer zijn vordering niet tot het gewenste resultaat voor de burgerlijke rechter heeft geleid, de eiser diezelfde vordering nog eens voor de strafrechter zou kunnen stellen; niets belet dat in successieve procedures de benadeelde twee maal een vergoeding krijgt voor dezelfde schade.
  20. In zoverre het middel het oordeel van de burgerlijke rechter aanvecht, is het niet gericht tegen het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  21. Het arrest oordeelt dat eisers verzet niet ontvankelijk is op grond dat de beslissing van de burgerlijke rechter, die uitspraak gedaan heeft over dezelfde vordering tussen dezelfde partijen met dezelfde oorzaak en voorwerp, gezag van gewijsde heeft. Die reden draagt de beslissing.
  22. Het middel dat niet gericht is tegen die beslissing, kan in zoverre niet tot cassatie leiden en is niet ontvankelijk. Derde middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 63 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser zich enkel tegen de eerste verweerster burgerlijke partij heeft gesteld; de stelling als burgerlijke partij voor de onderzoeksrechter maakt de zaak aanhangig tegen alle beklaagden; daarenboven houdt de rechter de burgerlijke belangen ambtshalve aan.
  24. De burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter stelt de strafvordering en de ermee gepaard gaande burgerlijke rechtsvordering in. De aldus ingestelde burgerlijke rechtsvordering is evenwel enkel gericht tegen de verdachte die in de akte van burgerlijke partijstelling is vermeld. De burgerlijke partij kan haar burgerlijke rechtsvordering nadien eveneens richten tot andere verdachten. Dit moet zij doen door haar vordering uit te breiden tot die andere verdachten, hetzij voor de onderzoeksrechter, hetzij voor het onderzoeksgerecht bij de regeling van de rechtspleging, hetzij voor de vonnisrechter naar dewelke de verdachten verwezen zijn.
  25. Het arrest stelt vast dat de eiser zich voor de onderzoeksrechter enkel burgerlijke partij gesteld heeft tegen de eerste verweerster en zich op geen enkel ogenblik gesteld heeft tegen de tweede verweerder zodat de rechter, bij gebrek aan burgerlijke rechtsvordering tegen de tweede verweerder daarover geen uitspraak kon doen en dit ook niet gedaan heeft. Op die grond oordeelt het arrest dat eisers verzet tegen het vonnis in zoverre dit ook ten aanzien van de tweede verweerder is uitgesproken, niet ontvankelijk is. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  26. Uit het antwoord op het derde onderdeel van het eerste middel blijkt dat het feit dat de rechter overeenkomstig artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de burgerlijke belangen ambtshalve aanhoudt, niet voor gevolg heeft dat een burgerlijke partij een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een vonnis gewezen ten aanzien van een beklaagde waarmee zij geen geding had. In zoverre faalt het middel naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 313,07 euro, waarvan 33,53 euro verschuldigd is en 279,54 euro betaald is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh en op de openbare rechtszitting van 2 december 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250423.2F.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.