← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.5 Rolnummer: P.08.1724.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2008-12-26 Raadplegingen: 214 - laatst gezien 2026-07-03 02:01 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 39.2 Schengenuitvoeringsovereenkomst heeft enkel betrekking op politionele samenwerking en niet op wederzijdse gerechtelijke rechtshulp. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - EUROPEES STRAFRECHT - Schengen Vrije woorden: Schengenuitvoeringsovereenkomst - Artikel 39.2 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - EUROPEES STRAFRECHT - Schengen Vrije woorden: Schengenuitvoeringsovereenkomst - Artikel 39.2 Tekst van de beslissing Nr. P.08.1724.N T A J V R, verdachte, gedetineerd, eiser, met als raadslieden mrs. Pol Vandemeulebroucke en Tom Decaigny, advocaten bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 november

  1. De eiser voert in een ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen ingediend geschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. In de regel is in strafzaken een tweede cassatieberoep tegen dezelfde beslissing niet ontvankelijk ingevolge artikel 438 Wetboek van Strafvordering.
  3. De eiser heeft op 22 november 2008 in de strafinrichting een cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Zijn raadsman heeft op 24 november 2008 eveneens een cassatieberoep ingesteld tegen datzelfde arrest. Het tweede cassatieberoep is niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 39.2 overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (hierna: Schengenuitvoeringsovereenkomst) en van artikel 23, 4°, Wet Voorlopige Hechtenis en artikel 5.4 EVRM: de kamer van inbeschuldigingstelling vermocht zich niet te baseren op informatie verstrekt door Nederland, zonder dat de toestemming van de Nederlandse autoriteiten tot het gebruik van deze informatie zich in het strafdossier bevindt; het bestreden arrest beantwoordt eisers verweer dienaangaande niet; het recht op tegenspraak en de wapengelijkheid worden miskend door het feit dat de eiser, in tegenstelling tot het openbaar ministerie, verstoken blijft van de inhoudelijke informatie met betrekking tot de Nederlandse rechtshulpverzoeken en de uitvoering ervan.
  5. Door te oordelen dat de gegevens van het onderzoek aan het licht zijn gekomen ingevolge de uitvoering van een reeks rogatoire opdrachten op verzoek van de Nederlandse autoriteiten, verwerpen en beantwoorden de appelrechters eisers verweer omtrent de toepassing van artikel 39.2 Schengenuitvoerings¬overeenkomst. Die bepaling heeft immers enkel betrekking heeft op politionele samenwerking en niet zoals te dezen op wederzijdse gerechtelijke rechtshulp. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters verweer heeft gevoerd met betrekking tot de miskenning van zijn recht van verdediging of van de wapengelijkheid. De eiser vermag dit verweer niet voor het eerst voor het Hof aan te voeren. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het bestreden arrest miskent de bewijskracht van het aanvankelijk proces-verbaal FD 10.F1.002853/2008 van 8 juli
  8. Het onderdeel verwijt het bestreden arrest niet dat het heeft beslist dat het stuk een bevestiging bevat die daarin niet voorkomt, of dat het een bevestiging die erin voorkomt, niet bevat. Het verwijt het arrest enkel dat het dit stuk uitlegt op een wijze die strijdig is met de uitlegging die de eiser aan dit stuk heeft gegeven. Dergelijke grief levert geen miskenning van de bewijskracht van de akten op. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering: het bestreden arrest miskent het begrip "proactieve recherche"; het laat na het vereiste onderzoek van de informatiepositie van de onderzoekers door te voeren op het ogenblik van het aanvankelijk proces-verbaal teneinde na te gaan of er sprake was van een redelijk vermoeden van een te plegen of reeds gepleegd maar nog niet aan het licht gebracht strafbaar feit, dan wel ernstige aanwijzingen met betrekking tot strafbare feiten.
  10. Artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat onder proactieve recherche wordt verstaan, met het doel te komen tot het vervolgen van daders van misdrijven, het opsporen, het verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen op grond van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, en die worden of zouden worden gepleegd in het kader van een criminele organisatie, zoals gedefinieerd door de wet, of misdaden of wanbedrijven als bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, uitmaken of zouden uitmaken. Aanleiding tot de proactieve recherche is het enkele bestaan van een redelijk vermoeden van een misdrijf, dat een verkennende dader- en fenomeengerichte informatiegaring verantwoordt. Informatie echter over nog te plegen feiten of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten die dusdanig concreet is dat die feiten een in de tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf gaan vormen, houdt geen verband met de in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering bedoelde gegevensverwerking maar verplicht tot het opstellen van een proces-verbaal overeenkomstig artikel 40 Wet Politieambt, het vatten van de daders en het verzamelen van bewijzen. Ongeacht de omstandigheid dat ook daarbij gegevens moeten worden ingezameld als bijkomend bewijsmateriaal of tot identificatie van de daders, vormen die opsporingen geen proactieve recherche die een voorafgaande geschreven toestemming zouden behoeven. Het komt aan de rechter toe te oordelen of omwille van de reeds beschikbare informatie het stadium van het zuiver "redelijk vermoeden" overstegen wordt en er geen nood meer is aan een verkennende informatiegaring, zoals bedoeld in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering. Het Hof kan alleen nagaan of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  11. De appelrechters stellen vast dat: - het onderzoek een aanvang heeft genomen ingevolge een aanvankelijk proces-verbaal waarin de onderzoekers stellen dat er ernstige aanwijzingen zijn voor een criminele organisatie en de elementen in tijd en ruimte zeer concreet opsommen die hierop wijzen; - de criminele organisatie in verband zou staan met drugs, namelijk het opzetten van plantages in Nederland en België, waarbij locaties worden gezocht, planning en installering wordt overeengekomen, alsook in kweek, pluk en aflevering van de drugs is voorzien, hetgeen wijst op het plegen van de ten laste gelegde feiten in verenigingsverband; - deze inlichtingen volgens het openbaar ministerie aan het licht gekomen zijn ingevolge de uitvoering van een reeks rogatoire opdrachten op verzoek van de Nederlandse autoriteiten, wat geloofwaardig is gelet op de mogelijke betrokkenheid van een zekere T. die in het aanvankelijk proces-verbaal wordt vernoemd en die volgens dit proces-verbaal in Nederland verblijft.
  12. Op grond van de voormelde vaststellingen hebben de appelrechters wettig kunnen oordelen dat de aldus beschikbare informatie verder reikt dan alleen een redelijk vermoeden dat noopt tot informatievergaring in de zin van artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering en betrekking heeft op een formele tenlastelegging, waaronder dient te worden verstaan een in tijd en ruimte bepaald misdrijf. Aldus verantwoorden zij hun beslissing dat de recherche reactief en niet proactief was en dat daarvoor dus geen schriftelijke toestemming van de procureur des Konings vereist was, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 105,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh en op de openbare rechtszitting van 2 december 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.