id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081205.5 Rolnummer: C.07.0145.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra SLACHTHUIS SWAEGERS NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-01-07 Raadplegingen: 533 - laatst gezien 2026-07-03 04:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Geen nieuwe steunmaatregel kan geacht worden regelmatig te zijn ingevoerd als de EG-Commissie niet tijdig door de voorafgaande procedure van het voornemen van een Lid-Staat om hem in te voeren op de hoogte werd gebracht
(1).
(1)Cass., 11 maart 2005, AR C.02.0133.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4, A.C., 2005, nr. 152. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: Nieuwe steunmaatregelen - Invoering - Commissie - Aanmeldingsplicht - Miskenning - Regelmatigheid Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 88, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Fiche 2 Wanneer een steunmaatregel, waarvan de wijze van financiering deel uitmaakt, met miskenning van de aanmeldingsplicht ten uitvoer is gelegd, zijn de nationale rechterlijke instanties in beginsel verplicht de terugbetaling te gelasten van de specifiek ter financiering van de tot steun geheven belastingen of bijdragen
(1).
(1)Cass., 11 maart 2005, AR C.02.0133.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4, A.C., 2005, nr. 152. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: Steunmaatregelen - Financiering - Invoering - Aanmeldingsplicht - Miskenning - Bijdragen - Nationale rechterlijke instanties - Verplichting Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 88, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Fiche 3 Het staat de Commissie te beoordelen of de steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt; die bevoegdheid staat los van deze van de nationale rechterlijke instanties toe te zien op de vrijwaring van de rechten van de justitiabelen ingeval van schending van de aanmeldingsplicht
(1).
(1)Cass. 11 maart 2005, AR C.02.0133.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4, A.C., 2005, nr. 152. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: Steunmaatregelen - Commissie - Nationale rechterlijke instanties - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 88, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Fiche 4 De ingevolge een wet verleende steun stricto sensu en de ter financiering daarvan geheven bijdragen, zijn rechtmatig voor zover zij betrekking hebben op de periode vanaf de datum van de beschikking van de Commissie die deze steunregeling verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart; voor zover die wet met terugwerkende kracht bijdragen oplegt voor de periode voorafgaand aan die beschikking is ze onrechtmatig
(1).
(1)H.v.J. EG, 21 okt. 2003, gevoegde zaken C-261/01 en C.262/01, Belgische Staat en Van Calster en Cleeren en Openbaar Slachthuis NV, Jur., 2003, C 304/3; zie Cass., 11 maart 2005, AR C.02.0133.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4, A.C., 2005, nr. 152. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: Steunmaatregelen - Beslissing van de Commissie - Gemeenschappelijke markt - Verenigbaarheid - Bijdragen - Financiering - Rechtmatigheid - Terugwerkende kracht - Geoorloofdheid Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 88, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Fiche 5 Artikel 1, tweede lid van het Eerste Aanvullend E.V.R.M.-Protocol bevestigt het beginsel van de wettelijke beperkingen op de aanwending van de eigendom, met name in zoverre deze noodzakelijk zijn voor het algemeen belang, zoals de volksgezondheid
(1).
(1)Zie Cass., 17 okt. 2006, AR P.06.0846.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.4, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Eerste aanvullend protocol - Artikel 1 - Waarborg van eigendomsrecht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0145.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Kunstlaan 7, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen SLACHTHUIS SWAEGERS, naamloze vennootschap, met zetel te 2320 Hoogstraten, Industrieweg 5, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 20 november 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 88, derde lid, van het Verdrag van Rome van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, geconsolideerde versie van Amsterdam van 2 oktober 1997, goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998; - artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Parijs, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955; - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren in het bestreden arrest de voor het eerst in hoger beroep door de eiseres ingestelde tegenvordering uit hoofde van de door de verweerster krachtens de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten nog verschuldigde bijdragen ten bedrage van 791.391,70 euro voor de periode van 30 juli 1996 tot 30 april 1998 ontvankelijk doch ongegrond. Zij steunen deze beslissing voornamelijk op de volgende overwegingen: “5.2.Aangaande de bijdragen aangerekend voor de periode gaande van 9 augustus1996 (30 juli 1996) tot 30 april
- 5.2.
- (De eiseres) laat gelden dat (de verweerster) gehouden is tot betaling van de bijdragen ten bedrage van 791.391,70 euro voor de periode gaande van 30 juli 1996 tot 30 april 1998 en verwijst daartoe naar het arrest van 21 oktober 2003 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, meer bepaald naar overweging nr. 56 daarvan gesteld als volgt: ‘De wet van 1998 is bij de Commissie aangemeld en bij de beschikking van 1996 verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard. De steun stricto sensu en de ter financiering daarvan geheven bijdragen zijn dus rechtmatig voor zover zij betrekking hebben op de periode vanaf de datum van deze beschikking, te weten 9 augustus 1996’. 5.2.
- Met (de verweerster) is het (hof van beroep) van oordeel dat (de eiseres) in dat standpunt niet kan worden gevolgd. - bij het hierboven bedoelde arrest van 21 oktober 2003 heeft het Hof van Justitie ook beslist: ‘De beschikking van de Commissie van 9 augustus 1996 inzake steunmaatregel nr. N366/96, houdt geen goedkeuring in van de terugwerkende kracht van de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten’. In ieder geval heeft het Hof van Justitie de wet van 23 maart 1998 enkel getoetst aan het EG-Verdrag, en dus niet aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; - de wet van 23 maart 1998 schendt het rechtstreeks toepasselijke artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, gesteld als volgt: ‘Artikel
- (Bescherming van eigendom) Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de Wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht’, voor zover zij betrekking heeft op feiten van voor haar bekendmaking en inwerkingtreding (vgl. Cass. 15 mei 1998, R.W. 1998 - 1999, 1041). - bijgevolg is (de eiseres) tegenover (de verweerster) niet gerechtigd op betaling van alle bijdragen die gevorderd worden voor de periode die voorafgaat aan de publicatie en de inwerkingtreding van de wet van 23 maart 1998 op 30 april
- Het arrest nr. 17/2000 van 9 februari 2000 van het Grondwettelijk Hof waarbij wordt geoordeeld dat de wet van 23 maart 1998, inzonderheid de daarin voorziene terugwerkende kracht van het bijdragesysteem, geen inbreuk uitmaakt op de artikelen 10 en 11 van het Gerechtelijk Wetboek, doet daaraan geen afbreuk. De onrechtstreekse toetsing door het Grondwettelijk Hof aldus in het licht van het vraagstuk van de discriminatie gedaan, verhindert de hoven en de rechtbanken immers niet de betrokken wet nog rechtstreeks te toetsen aan artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In de gegeven omstandigheden wordt de tegenvordering die (de eiseres) uit hoofde van de achterstallige bijdragen voor de periode gaande van 30 juli 1996 tot 30 april 1998 voor het eerst in deze aanleg instelt (en die ontvankelijk is omdat ze strekt tot compensatie met de oorspronkelijke vordering van (de verweerster)), als ongegrond afgewezen”. Grieven Artikel 88, derde lid, van het Verdrag van Rome van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag) bepaalt dat “de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht (wordt), om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 87 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken Lid-Staat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid”. Enerzijds is de Commissie van de Europese Gemeenschappen exclusief bevoegd om - onder toezicht van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen - de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt te beoordelen. Zodra de Commissie zich daarover bij beschikking definitief heeft uitgesproken, wordt de rechtspositie van de justitiabelen voor de toekomst uitsluitend beheerst en bepaald door deze beschikking. Het staat anderzijds aan de nationale rechterlijke instanties om de rechten van de justitiabelen te handhaven in geval van schending van de bij artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag opgelegde verplichting om de steunmaatregelen vooraf bij de Commissie aan te melden en daaruit overeenkomstig hun nationaal recht alle consequenties te trekken, zowel wat de geldigheid van de rechtshandelingen tot uitvoering van de betrokken maatregelen als wat de terugvordering van de verleende steun betreft. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) luidt als volgt: “Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht”. Uit artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM volgt dat de Verdragstaten onder strikte voorwaarden het recht hebben om de eigendom te ontnemen of het gebruik ervan te regelen. De belangrijkste controle op de naleving van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM wordt uitgevoerd aan de hand van het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel. Elke eigendomsaantasting is derhalve maar verantwoord in de mate er een billijk evenwicht is tussen het algemeen belang van de gemeenschap en de vereisten eigen aan de bescherming van de fundamentele rechten van de burger. Opdat dergelijk evenwicht zou aanwezig zijn, moet er een redelijke verhouding van evenredigheid bestaan tussen de gebruikte middelen en het nagestreefde doel. Zowel artikel 88, derde lid, laatste volzin van het EG-Verdrag als artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM hebben rechtstreekse werking. De appelrechters wijzen te dezen de tegenvordering van eiseres uit hoofde van de achterstallige bijdragen voor de periode gaande van 30 juli 1996 tot 30 april 1998 af op grond van de motieven dat: 1) de eiseres daartoe geen steun vindt in het arrest van 21 oktober 2003 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, nu daarin beslist werd dat “de beschikking van de Commissie van 9 augustus 1996 (...) geen goedkeuring inhoudt van de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten” en 2) de wet van 23 maart 1998 het rechtstreeks toepasselijke artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM schendt voor zover zij betrekking heeft op feiten van voor haar bekendmaking en inwerkingtreding. Op grond van deze motivering konden de appelrechters evenwel niet wettig de tegenvordering van eiseres ongegrond verklaren. Eerste onderdeel Bij, koninklijk besluit van 11 december 1987 betreffende verplichte bijdragen aan het Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren, werd met ingang van 1 januari 1988 aan de slachthuizen en uitvoerders een bijdrage opgelegd per geslacht of levend uitgevoerd rund, kalf of varken. Dit koninklijk besluit werd evenwel niet overeenkomstig artikel 88, derde lid van het EG-Verdrag aan de Commissie aangemeld. De wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten hief het koninklijk besluit van 11 december 1987 op en voerde de daarin verplichte bijdragen met retroactieve kracht in vanaf 1 januari 1988 teneinde te verzekeren dat het Begrotingsfonds over voldoende budgettair evenwicht beschikte om zijn taken te kunnen blijven uitvoeren met betrekking tot de gezondheid en de kwaliteit van het vee. De steunmaatregel werd voorafgaandelijk aangemeld bij de Commissie, welke bij beschikking van 9 augustus 1996 (of beter bij beschikking van 30 juli 1996, meegedeeld aan België op 9 augustus 1996) de verenigbaarheid van die steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt heeft vastgesteld. De eiseres stelde voor het eerst in hoger beroep een tegenvordering in strekkende tot veroordeling van verweerster tot betaling van de achterstallige bijdragen ter financiering van deze steunmaatregel voor de periode van 30 juli 1996 tot 30 april 1998 en verwees hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 21 oktober 2003, meer in het bijzonder naar overweging nr. 56 van dit arrest, welke luidt als volgt: “De wet van 1998 is bij de Commissie aangemeld en bij de beschikking van 1996 verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard. De steun stricto sensu en de ter financiering daarvan geheven bijdragen zijn dus rechtmatig voor zover zij betrekking hebben op de periode vanaf de datum van deze beschikking, te weten 9 augustus 1996”. De appelrechters oordelen in het bestreden arrest dat de stelling van eiseres niet kan worden gevolgd en verwijzen daartoe naar hetzelfde arrest van 21 oktober 2003, meer in het bijzonder in zoverre het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen daarin tevens besliste als volgt: “De beschikking van de Commissie van 9 augustus 1996 inzake steunmaatregel nr. N366/96, houdt geen goedkeuring in van de terugwerkende kracht van de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten”. Uit deze laatste beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 21 oktober 2003 kan evenwel geenszins afgeleid worden dat de eiseres niet gerechtigd is op de betaling van alle bijdragen die gevorderd worden voor de periode vanaf 30 juli 1996, zijnde de datum van de beschikking van de Commissie waarin de wet van 23 maart 1998 verenigbaar met de gemeenschappelijke markt werd verklaard. In antwoord op de door een Belgische rechter gestelde prejudiciële vraag ‘of de blokkeringsregel uit artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag ook van toepassing is op de heffing van bijdragen ter financiering van een steunregeling die bij een beschikking verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard wanneer deze bijdragen met terugwerkende kracht worden opgelegd’, besliste het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in voormeld arrest van 21 oktober 2003 immers als volgt: “(...) dat artikel 93 (thans 88), derde lid, van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd dat het (...) in de weg staat aan de heffing van bijdragen die specifiek dienen ter financiering van een steunregeling die bij beschikking van de Commissie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, voorzover deze bijdragen met terugwerkende kracht worden opgelegd voor een periode die aan de datum van deze beschikking voorafgaat”. Door te beslissen dat eiseres niet gerechtigd is op de betaling van kwestieuze bijdragen voor de periode voorafgaand aan de publicatie en inwerkingtreding van de wet van 23 maart 1998 - en niet louter voor de periode voorafgaand aan de beschikking van de Commissie -, wijzen de appelrechters derhalve de tegenvordering van eiseres uit hoofde van achterstallige bijdragen voor de periode van 9 augustus (30 juli) 1996 tot 30 april 1998 af zonder daartoe enige rechtsgrond te vinden in de beschikking van de Commissie van 9 augustus 1996 of in het arrest van 21 oktober 2003 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, miskennen zij tevens de gevolgen van deze goedkeuringsbeschikking van de Commissie voor de toekomst en kennen zij de verweerster bijgevolg een grotere bescherming toe dan het gemeenschapsrecht haar verleent (schending van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag). Door het arrest van 21 oktober 2003 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen aldus te interpreteren dat het de in de wet van 23 maart 1998 opgelegde bijdragen niet rechtmatig acht voor zover ze betrekking hebben op een periode die aan de bekendmaking en de inwerkingtreding van deze wet voorafgaat, geven de appelrechters minstens een uitlegging van dit arrest die niet verenigbaar is met de daarin gebruikte bewoordingen. Door dit arrest van 21 oktober 2003 in die zin uit te leggen dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen tevens besliste tot de onrechtmatigheid van de in de wet van 23 maart 1998 bedoelde bijdragen, voorzover ze worden opgelegd voor de periode vanaf de goedkeuringbeschikking van de Commissie van 9 augustus 1996, besluiten de appelrechters immers dat voormeld arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen iets inhoudt dat er niet in voorkomt en miskennen zij bijgevolg de bewijskracht ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). In zoverre de appelrechters de tegenvordering van de eiseres uit hoofde van achterstallige bijdragen voor de periode vanaf 30 juli 1996 tot 30 april 1998 ongegrond verklaren, nu de eiseres daartoe geen steun kan vinden in het arrest van 21 oktober 2003 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen waarnaar zij verwijst, is deze beslissing dan ook niet naar recht verantwoord, wegens schending van de hierboven aangewezen bepalingen. Tweede onderdeel De appelrechters gaan er verder van uit dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de wet van 23 maart 1998 enkel heeft getoetst aan het EG-Verdrag en dat het arrest nr. 17/2000 van 9 februari 2000 van het Grondwettelijk Hof waarbij werd geoordeeld dat de wet van 23 maart 1998 - inzonderheid de daarin voorziene terugwerkende kracht van het bijdragesysteem - geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de rechtstreekse toetsing door de hoven en de rechtbanken van betrokken wet aan artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM niet verhindert. Zij konden vervolgens echter niet zonder meer beslissen dat de wet van 23 maart 1998 het rechtstreeks toepasselijke artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM schendt, voor zover ze betrekking heeft op feiten van voor haar bekendmaking en inwerkingtreding. Nu een wet met terugwerkende kracht op zichzelf geenszins in strijd is met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM, dienden de appelrechters immers effectief de naleving van dit artikel te controleren, in de eerste plaats aan de hand van het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel. Het bestreden arrest laat evenwel na in concreto vast te stellen dat er geen billijk evenwicht aanwezig is tussen het door de eiseres te vrijwaren algemeen belang en de vereisten eigen aan de bescherming van de fundamentele rechten van de verweerster of met andere woorden dat er geen redelijke verhouding van evenredigheid bestaat tussen de door de eisers gebruikte middelen en het door haar nagestreefde doel. In zoverre de appelrechters besluiten dat de wet van 23 maart 1998 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM voor zover deze wet retroactieve werking heeft zonder hierbij echter de concrete omstandigheden van de zaak te toetsen aan het aan dit artikel inherente proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel, en op grond daarvan de tegenvordering van eiseres uit hoofde van achterstallige bijdragen voor de periode van 9 augustus 1996 tot 30 april 1998 afwijzen, is deze beslissing dan ook niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM) Door na te laten de redenen van hun beslissing aan te geven, stellen de appelrechters het Hof tevens in de onmogelijkheid om zijn wettigheidstoezicht op deze beslissing uit te oefenen en na te gaan of de appelrechters wettig hebben kunnen beslissen tot een schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM, zodat het bestreden arrest evenmin regelmatig met redenen omkleed is (schending van artikel 149 van de Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag, wordt de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna genoemd, de Commissie) van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht. Ten aanzien van nieuwe steunmaatregelen die de Lid-Staten voornemens zijn in te voeren, is een voorafgaande procedure ingesteld zonder welke geen enkele steunmaatregel geacht kan worden regelmatig te zijn ingevoerd. Wanneer een steunmaatregel waarvan de wijze van financiering deel uitmaakt, met miskenning van de aanmeldingsplicht ten uitvoer is gelegd, zijn de nationale rechterlijke instanties in beginsel verplicht de terugbetaling te gelasten van de specifiek ter financiering van de tot steun geheven belastingen of bijdragen. Het staat aan de Commissie te beoordelen of de steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Die bevoegdheid staat los van de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties toe te zien op de vrijwaring van de rechten van de justitiabelen in geval van schending van de aanmeldingsplicht.
- Bij het koninklijk besluit van 11 december 1987 betreffende de verplichte bijdragen aan het Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren, werd met ingang van 1 januari 1988, aan de slachthuizen en uitvoerders een bijdrage opgelegd per geslacht of levend uitgevoerd rund, kalf of varken. Dit koninklijk besluit is evenwel niet overeenkomstig artikel 88, derde lid, EG-Verdrag, aan de Commissie aangemeld. Krachtens artikel 14 van de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, worden bepaalde bijdragen opgelegd vanaf 1 januari 1988 aan de slachthuizen en de uitvoerders. Dit artikel preciseert dat de verplichte bijdragen enkel verschuldigd zijn voor “nationale dieren” en niet verschuldigd zijn voor ingevoerde dieren en evenmin, vanaf 1 januari 1997, voor uitgevoerde dieren. Het artikel preciseert eveneens, wat de ingevoerde dieren betreft, dat de verplichte bijdragen die met ingang van 1 januari 1987 werden betaald, aan de schuldeisers in beginsel zouden worden terugbetaald.
- Volgens de vaststellingen van het bestreden arrest werd de wet van 23 maart 1998 voorafgaandelijk aangemeld bij de Commissie. Volgens die vaststellingen heeft de beschikking van de Commissie van 30 juli 1996, die aan de Belgische Staat werd medegedeeld op 9 augustus 1996, de steunmaatregel verenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna genoemd, het Hof van Justitie) besluit uit deze gegevens bij arrest van 21 oktober 2003, Van Calster, gevoegde zaken 261/01 en 262/01, dat de steun stricto sensu en de ter financiering daarvan geheven bijdragen ingevolge de wet van 23 maart 1998 rechtmatig zijn voor zover zij betrekking hebben op de periode vanaf de datum van de beschikking van de Commissie. Voor zover de wet van 23 maart 1998 met terugwerkende kracht bijdragen oplegt voor de periode voorafgaand aan de beschikking van 30 juli 1996, is zij, volgens het Hof van Justitie, onrechtmatig, op grond dat dienaangaande niet is voldaan aan de verplichting van artikel 88, derde lid, EG-Verdrag om de steunregeling voor de tenuitvoerlegging ervan aan te melden.
- Het bestreden arrest verwerpt de door de eiser ingestelde tegenvordering tot betaling van achterstallige bijdragen voor de periode vanaf 30 juli 1996 tot 30 april
- Door aldus te oordelen, schendt het bestreden arrest artikel 88, derde lid, EG-Verdrag. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Tweede onderdeel
- Artikel 1, eerste lid, van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna genoemd, het Eerste Aanvullend EVRM-Protocol), bepaalt dat alle natuurlijke of rechtspersonen recht hebben op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. Krachtens het tweede lid zullen deze voornoemde bepalingen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren. Dit tweede lid bevestigt aldus het beginsel van de wettelijke beperkingen op de aanwending van de eigendom, met name in zoverre deze noodzakelijk zijn voor het algemeen belang, zoals de volksgezondheid.
- Het bestreden arrest oordeelt dat de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, voormeld artikel 1 schendt voor zover zij betrekking heeft op feiten van vóór haar bekendmaking en inwerkingtreding.
- Het arrest gaat daarbij niet na indien deze wet het billijk evenwicht tussen het algemeen belang en het individueel eigendomsrecht, zoals het door vermeld artikel 1 wordt gevrijwaard, in gevaar brengt. Het arrest houdt aldus een schending in van artikel 1 van het Eerste Aanvullend EVRM-Protocol. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 5 december 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081205.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div