id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081211.6 Rolnummer: F.07.0095.F-F.07.0114.F Kamer: 1F - première chambre Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-07-03 01:48 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het arrest is naar recht verantwoord, wanneer het beslist dat de vergoeding die een persoon, die in Frankrijk gewerkt heeft, na zijn ontslag ontvangt als geldelijke tegenprestatie voor het in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen niet-concurrentiebeding, een soortgelijke bezoldiging is in de zin van artikel 11.1, Overeenkomst 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Dubbelbelastingverdragen Vrije woorden: Overeenkomst tussen België en Frankrijk - Activiteit in Frankrijk - Ontslag - Niet-concurrentievergoeding - Belasting in België - Artikel 11.1 - Soortgelijke bezoldiging - Begrip Tekst van de beslissing Nr. F.07.0095.F H. A., tegen BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, Nr. F.07.0114.F BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, tegen H. A. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest, op 20 september 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser heeft in de zaak met nummer F.07.0114.F volgend middel aangevoerd. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 11, §1, en 18 van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend op 10 maart 1964 te Brussel en goedgekeurd bij de wet van 14 april
- Aangevochten beslissing Het bestreden arrest merkt het volgende op: "De (verweerder), ingenieur, is op 1 mei 1983 aangeworven door een Franse vennootschap, de naamloze vennootschap C.E.M. om in Frankrijk te gaan werken. Hij vestigde zich in Frankrijk om er zijn beroep uit te oefenen ; Hij werd op 11 september 1985 ontslagen door de naamloze vennootschap C.G.E.E. Alsthom, die de activiteiten van de naamloze vennootschap C.E.M. had overgenomen, en kwam meteen terug naar België ; Hij maakte zijn zaak aanhangig bij de werkrechtersraad en vorderde de financiële tegenprestatie voor het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding. Het Hof van Beroep te Parijs heeft in een arrest van 9 mei 1989 de gewezen werkgever veroordeeld om aan de [verweerder] een bedrag van 85.200 FF te betalen "als geldelijke tegenprestatie voor het in de arbeidsovereenkomst van de loontrekkende opgenomen concurrentiebeding, met de interest, tegen de wettelijke interestvoet, die gold op de datum van inleiding van het geding". Ter uitvoering van dat arrest werd hem in 1992 een bedrag van 720.000 BEF uitbetaald, d.i. de vergoeding die hem van januari tot december 1986, terwijl hij opnieuw in België woonde, had moeten zijn uitbetaald indien het geschil niet was gerezen". Het bestreden arrest beslist daarna als volgt : "De Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting definieert het begrip ‘concurrentiebeding' niet. Volgens artikel 22 heeft dat begrip bijgevolg de betekenis die het Belgisch interne recht eraan geeft ; - In het Belgisch interne recht kan de ondertekening van een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst niet los van de arbeidsverhouding zelf beschouwd worden. De vergoedingen die ten gevolge van een in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding worden uitbetaald, zijn bijgevolg belastbaar als vergoedingen die verkregen zijn wegens of naar aanleiding van de stopzetting van de arbeid of de beëindiging van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 93, tweede lid, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en dus, meer in het algemeen, als bezoldigingen (...) ; - Dit is overigens ook het standpunt van de administratie in haar commentaar bij de interne Belgische wet, waarbij zij verwijst naar het voormelde arrest van het hof [van beroep] van 29 maart 1996 (Com. W.I.B. nr. 31/18.4) » ; en beslist als volgt : "De litigieuze niet-concurrentievergoeding vormt volgens het hof [van beroep], voor de toepassing van artikel 11, paragraaf 1, van de Overeenkomst, dus ‘soortgelijke bezoldigingen', wat haar automatisch uitsluit uit het toepassingsgebied van artikel 18 van diezelfde overeenkomst". Grieven Hoewel de litigieuze niet-concurrentievergoeding wel degelijk deel uitmaakt van de "soortgelijke vergoedingen" in de zin van artikel 11, §1, van de Overeenkomst, volgt hieruit evenwel niet automatisch dat voornoemd artikel 11, §1, daadwerkelijk kan worden toegepast en, bijgevolg, evenmin dat de toepassing van artikel 18 van dezelfde overeenkomst noodzakelijkerwijs uitgesloten is. Artikel 11, §1, van de Overeenkomst bepaalt dat, "onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 9, 10 en 13 van deze Overeenkomst, de salarissen, lonen en andere soortgelijke bezoldigingen slechts belastbaar zijn in de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de persoonlijke activiteit, die de bron van deze inkomsten is, wordt uitgeoefend », en artikel 18 van dezelfde overeenkomst bepaalt dat "voor zover de vorenstaande artikelen van deze overeenkomst niet anders luiden, de inkomsten van de verblijfhouders van één van beide verdragsluitende Staten slechts in deze Staat belastbaar zijn". Net als de "soortgelijke bezoldigingen", die luidens artikel 11, §1, alleen belast kunnen worden op grond van de artikelen 9, 10 en 13 van de overeenkomst, kan de niet-concurrentievergoeding buiten de toepassing van voormeld artikel 11, §1, vallen en belast worden overeenkomstig voormeld artikel 18, dat residueel van toepassing is, omdat er wegens de aard zelf van die vergoeding geen "verdragsluitende Staat" kan worden aangewezen "op het grondgebied waarvan de persoonlijke activiteit, die de bron (van die vergoeding) is", wordt uitgeoefend. Wat dat betreft volgt zowel uit de tekst als uit de geest van artikel 11, §1, dat die bepaling van toepassing is op de "soortgelijke bezoldigingen", die voortvloeien uit de uitoefening zelf van een beroepsactiviteit op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, op het tijdstip dat ze ontvangen worden. De tekst van die bepaling, die voor het werkwoord "uitoefenen" de tegenwoordige tijd gebruikt, stelt de "soortgelijke vergoedingen" voor als een tegenprestatie voor de uitoefening van de activiteit. Welnu, een niet-concurrentievergoeding beloont niet de uitoefening van een activiteit maar, integendeel, de niet-uitoefening van een activiteit, aangezien ze verkregen wordt door de nakoming van de verplichting om iets niet te doen ; dit is te dezen beslist het geval, zoals blijkt uit de collectieve arbeidsovereenkomst "Metaalnijverheid (ingenieurs en kaderleden) - Overeenkomst 3025" die als grondslag heeft gediend voor de berekening van de litigieuze niet-concurrentievergoeding en die, in artikel 28, laatste lid, bepaalt dat "de hiervoor vermelde maandelijkse vergoeding de tegenprestatie vormt voor het concurrentiebeding en niet langer verschuldigd is in geval van niet-naleving door de betrokkene". In tegenstelling tot een beëindigingsvergoeding, die rechtstreeks verband houdt met de beroepsactiviteit die op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitgeoefend wordt en die verschuldigd is wegens het feit zelf van de beëindiging van die overeenkomst, ontvangt de ontslagen werknemer de niet-concurrentievergoeding niet op de datum van de stopzetting van de arbeid, maar op een later tijdstip, in de mate waarin hij de niet-concurrentieverplichting in de betrokken sector naleeft. Zo volgt ook uit de geest van artikel 11, §1, zoals het met toepassing van artikel 24, §2, van de Overeenkomst, onder de aandacht is gebracht door de gemengde commissie die krachtens artikel 24, §4, is opgericht en op 30 en 31 maart 2004 te Brussel vergaderd heeft, dat de Belgische en de Franse fiscale overheden "zich bovendien zeer terughoudend opstellen wat betreft de onbeperkte toepassing, op het geheel van de betrokken toeslagen en vergoedingen, van artikel 11 van de Frans-Belgische Overeenkomst, waarvan de tekst de inkomsten die geen rechtstreeks verband met de uitoefening van een beroepsactiviteit vertonen, uitsluiten van de toepassing van dat artikel; in dergelijke omstandigheden passen zij derhalve het residuele artikel toe (artikel 18 van de Frans-Belgische Overeenkomst), een oplossing die ook in het kader van de Frans-Amerikaanse en Frans-Britse Overeenkomsten wordt toegepast (...); de Belgische en de Franse fiscale overheden dienen in elk geval hun beider goedkeuring te geven met betrekking tot: de toepassing van artikel 18 van de Overeenkomst op de niet-concurrentievergoedingen, die in de eerste plaats tot doel hebben het gebrek aan inkomsten te vergoeden dat ontstaan is uit het nakomen van de verbintenis om geen of slechts een gedeeltelijke beroepsactiviteit uit te oefenen". Op grond van het voorgaande valt een niet-concurrentievergoeding niet onder de toepassing van artikel 11, §1, van de Overeenkomst, maar wel van artikel 18 (residueel artikel), dat de bevoegdheid om te belasten uitsluitend toekent aan de Staat van de verblijfhouder, in dit geval België. Het Hof van Beroep te Brussel schendt derhalve de artikelen 11, § 1, en 18 van de Overeenkomst, in zoverre het beslist dat "de litigieuze niet-concurrentievergoeding, voor de toepassing van artikel 11, paragraaf 1, van de Overeenkomst, volgens het hof [van beroep] dus ‘soortgelijke bezoldigingen' vormt, wat haar automatisch uitsluit uit het toepassingsgebied van artikel 18 van diezelfde overeenkomst". III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Er bestaat grond tot voeging van de cassatieberoepen, die op de algemene rol zijn ingeschreven onder de nummers F.07.0095.F en F.07.0114.F, en die tegen hetzelfde arrest zijn gericht. (...) B. Over de zaak nr. F.07.0114.F : Artikel 11.1 van de Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, bepaalt dat de salarissen, lonen en andere soortgelijke bezoldigingen slechts belastbaar zijn in de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de persoonlijke activiteit, die de bron van deze inkomsten is, wordt uitgeoefend. Het arrest stelt vast dat de verweerder in Frankrijk gewerkt heeft en dat hij na zijn ontslag, met toepassing van een in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding, een vergoeding ontvangen heeft als geldelijke tegenprestatie voor dat beding. Het arrest wijst er daarenboven op dat het belastingjaar waarop het geschil betrekking heeft, het aanslagjaar 1993 is, dat viel vóór de regeling die is ingevoerd door de in artikel 24 van de Overeenkomst bedoelde gemengde commissie. Het arrest dat, met toepassing van artikel 22 van de Overeenkomst, vermeldt dat "dat begrip heeft de betekenis die het Belgisch interne recht eraan geeft », beslist vervolgens dat «in het Belgisch interne recht, de ondertekening van een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst niet los van de arbeidsverhouding zelf beschouwd kan worden. De vergoedingen die ten gevolge van een in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding worden uitbetaald, zijn bijgevolg belastbaar als vergoedingen die verkregen zijn wegens of naar aanleiding van de stopzetting van de arbeid of de beëindiging van een arbeidsovereenkomst en dus, meer in het algemeen, als bezoldigingen". Het arrest beslist om die redenen wettig dat de door de verweerder ontvangen vergoeding een soortgelijke vergoeding is in de zin van artikel 11.
- van de Overeenkomst en dat ze niet belastbaar is in België. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof Voegt de zaken die op de algemene rol zijn ingeschreven onder de nummers F.07.0095.F en F.07.0114.F. (...) Uitspraak doend in de zaak nr. F.07.0114.F F.07.0095.F van de algemene rol: Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 11 december 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter Ivan Verougstraete en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem. De griffier, De voorzitter, PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081211.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div