← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.4 Rolnummer: F.07.0051.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 513 - laatst gezien 2026-07-03 08:33 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.4 Fiche 1 Wie de investeringsaftrek vordert op vaste activa waarvan hij het gebruik in de zin van art. 75, 3°, van het W.I.B.

(1992)aan een derde overdraagt, moet bewijzen dat hij dit doet in de voorwaarden bepaald bij dit artikel, en inzonderheid dat de gebruikers het goed gebruikt hebben voor het verwerven van belastbare inkomsten
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Andere aftrekbare posten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Economische vrijstellingen Vrije woorden: Investeringsaftrek - Vaste activa - Gebruik overgedragen - Voorwaarden inzake aftrek - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 75, 2° en 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 12 december 2008, AR F.07.0051.N, A.C., 2008, nr. .... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Andere aftrekbare posten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Economische vrijstellingen Vrije woorden: Investeringsaftrek - Vaste activa - Gebruik overgedragen - Voorwaarden inzake aftrek - Bewijslast Tekst van de beslissing Nr. F.07.0051.N EURO RENT ANTWERP, naamloze vennootschap, met zetel te 2100 Deurne (Antwerpen), Bisschoppenhoflaan 631-633, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Antwerpen, eerste directie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 november 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet van 17 februari 1994; - artikel 26, §§1 en 2 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof; - de artikelen 68 en 75, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1992), zoals gewijzigd bij wet van 28 december 1992 en zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 27 december 2005; - de artikelen 544 en 1709 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van erfpacht; - artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal, artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 55 van 10 november 1968 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 7 november 2006 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep van de Belgische Staat ontvanke¬lijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis, waarbij de eerste rechter eise¬res' vordering toelaatbaar en gegrond verklaarde, kohierartikel 820834401 van 22 maart 2002 in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2001 in hoofde van eiseres voor de gemeente Antwerpen onthief in de mate dat in de belastbare grondslag ervan, bovenop de reeds aanvaarde aangegeven investeringsaftrek, geen rekening werd gehouden met bijkomend 16.157,58 euro aan investeringsaftrek, de herberekening van deze aanslag met inachtneming van deze ontheffing beval en de Belgische Staat tot terugbetaling aan de eiseres van elke uit hoofde van het ontheven gedeelte betaalde som, meer moratoriuminterest overeenkomstig artikel 418 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), veroordeelde en, opnieuw recht doende, wijst de oorspronkelijke vordering van eiseres voor de eerste rechter af als ongegrond. Deze beslissing is gestoeld op volgende overwegingen: "2.3. Uit de samenhang van artikel 75, 2°, WIB
(1992)met artikel 75, 3°, WIB
(1992)volgt dat vaste activa, waarvan het gebruik aan een derde is overgedragen op een andere wijze dan via leasing-, erfpacht, opstal of soortgelijke overeenkomst, geen recht geven op investeringsaftrek, tenzij wanneer de gebruiker een natuurlijke persoon is die de activa in België gebruikt voor de exploitatie van een onderneming of voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post, of winstgevende activiteit en voor zover hij het recht van gebruik van die activa op zijn beurt niet geheel of gedeeltelijk aan een derde overdraagt (Cass., 27 juni 2002). Het artikel 75, 2°, is in casu niet relevant, vermits er door de nv Euro Rent Antwerp geen onroerend recht wordt overgedragen, maar zij integendeel roerende goederen verhuurt. 2.4. De activiteit van de nv Euro Rent Antwerp bestaat in de verhuring van werktuigen en kleine machines op korte termijn aan om het even welke klanten, zijnde particulieren, eenmanszaken, vennootschappen. De verhuring van roerende goederen aan derden gaat ongetwijfeld gepaard met de (tijdelijke) overdracht van het gebruiksrecht van deze goederen aan de derden-huurders. Overeenkomstig artikel 75, 3°, WIB
(1992)kunnen dan ook enkel de vaste activa welke verhuurd worden aan natuurlijke personen in aanmerking komen voor investeringsaftrek, mits de natuurlijke persoon-huurder in kwestie deze activa in België gebruikt voor het verwerven van belastbare inkomsten en mits hij op zijn beurt het gebruiksrecht van de goederen niet aan derden afstaat. De bewijslast, namelijk van aan te tonen welke verhuringen gebeurden aan natuurlijke personen-huurders die deze activa in België hebben gebruikt voor het verwerven van belastbare inkomsten en mits deze op hun beurt het gebruiksrecht van de goederen niet aan derden hebben afgestaan, rust op de nv Euro Rent Antwerp. Het bewijs hiervan ligt evenwel niet voor. Bij gebrek aan een dergelijk bewijs, kan geen investeringsaftrek worden toegestaan. 2.5. Er bestaat geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag. Het onderscheid dat gemaakt wordt door artikel 75, 3°, WIB
(1992)heeft, enerzijds, een objectieve verantwoording (nl. enerzijds beletten dat de belastingplichtigen die geen recht hebben op investeringsaftrek de wet zouden omzeilen, en, anderzijds, te vermijden dat de vennootschappen de begrenzing van de investeringsaftrek zouden omzeilen (Cass., 27 juni 2002) en geldt bovendien ten aanzien van alle belastingplichtigen die principieel aanspraak kunnen maken op de toepassing van de investeringsaftrek. Dit onderscheid druist niet in tegen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 2.6. Gelet op wat voorafgaat, zijn de overige argumenten en middelen van partijen niet (langer) relevant. Het hoger beroep van (de verweerder) dient te worden gegrond verklaard". Grieven Eerste onderdeel Naar luid van artikel 68 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)worden winst en baten vrijgesteld tot een deel van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht en van de nieuwe immateriële vaste activa, indien die vaste activa in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt. Deze vrijstelling wordt "investeringsaftrek" genoemd. Luidens artikel 75 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)is de investeringsaftrek niet van toepassing op: 2° vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of opstal, of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, ingeval die vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen; 3° vaste activa indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze als vermeld sub 2° is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt. Uit de samenlezing van deze bepalingen, die niet los van elkaar kunnen worden gezien, volgt dat de belastingplichtige slechts dan geen aanspraak zal kunnen maken op investeringsaftrek wanneer hij het "recht van gebruik" met betrekking tot de vaste activa in de hoger vernoemde voorwaarden heeft "overgedragen" aan een derde. Deze uitzondering dient beperkend te worden uitgelegd. De overeenkomsten die door de wetgever worden aangehaald in artikel 75, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)illustreren dat de wetgever de uitzondering van artikel 75, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)enkel van toepassing achtte in geval van overdracht van de economische eigendom van de activa aan een derde. Dat blijkt vooreerst uit de verwijzing naar overeenkomsten van erfpacht of opstal of van enig gelijkaardig onroerend recht, overeenkomsten waarbij aan een derde één van de componenten van het eigendomsrecht, met name het recht van gebruik, aan een derde wordt overgedragen en waarbij een zakelijk recht op bepaalde activa wordt gecreëerd. Dat blijkt vervolgens uit de verwijzing naar de leasingovereenkomst, zijnde een overeenkomst die in essentie in hoofde van de leasinggever een zekerheidsfunctie vervult en waarbij aan de leasingnemer, aan wie een koopoptie wordt verleend, tijdens de duur van de overeenkomst de economische eigendom van het goed, dat op de gespecificeerde aanwijzing van de leasingnemer door de leasinggever werd aangekocht, wordt overgedragen. Bij al deze overeenkomsten wordt de economische eigendom op min of meer permanente wijze overgedragen aan een derde. Bij artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), dat werd ingegeven door de vrees dat de belastingplichtige de bepaling van artikel 75, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen zou omzei¬len, werd de investeringsaftrek bovendien uitgesloten voor andere wijzen van overdracht van dat recht van gebruik. Deze bepaling viseert duidelijk overeenkomsten, die een zelfde resultaat beogen als de overeenkomsten geviseerd in artikel 75, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), met name de overdracht op min of meer permanente wijze van de economische eigendom van het goed aan een derde. Uit een en ander volgt dat artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)niet iedere overeenkomst viseert, waarbij aan een derde het recht om van een bepaalde zaak gebruik te maken wordt overge¬dragen, doch enkel de overeenkomsten viseert waarbij een recht wordt gecreëerd dat vergelijkbaar is met de rechten die worden gecreëerd bij de overeenkomsten, die uitdrukkelijk worden opgesomd in artikel 75, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, anders gezegd dat de derde de economische eigendom van de activa bekomt. De kortstondige verhuur van vaste activa, waarbij de eigenaar van een goed het genot van dat goed voor een korte periode verschaft aan een derde tegen betaling van een huurprijs, beantwoordt geenszins aan deze omschrijving. De huurovereenkomst is immers per definitie een overeenkomst waarin de ene partij zich enkel verbindt om de andere het genot van een zaak te doen hebben gedurende een zekere tijd en tegen een bepaalde prijs die de laatstgenoemde zich verbindt uit te betalen, zonder dat hij hierbij de economische eigendom over dat goed afstaat. A fortiori zullen die huurovereenkomsten niet beantwoorden aan de overeenkomst, waarvan sprake in artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), wanneer blijkt dat de eigenaar beroepshalve deze activa kortstondig verhuurt, vermits hij in deze hypothese nooit de bedoeling heeft om de economische eigendom van de goederen op min of meer permanente wijze aan de derde over te dragen. Waar het hof van beroep zonder meer besluit dat de uitzondering van artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)ook van toepassing is op de verhuring van werktuigen en kleine machines op korte termijn aan om het even welke klanten, zijnde particulieren, eenmanszaken, vennootschappen, om de enkele reden dat de verhuring gepaard gaat met een tijdelijke overdracht van het gebruiksrecht van deze goederen, zonder weliswaar vast te stellen dat bij de kwestieuze huurovereenkomsten van kortstondige duur aan de derde een recht van gebruik, gelijkaardig aan het recht, volgend uit de overeenkomsten bedoeld in artikel 75, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), wordt gecreëerd, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van artikelen 68, 75, 2° en 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals gewijzigd bij wet van 28 december 1992 en zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 27 december 2005, en voor zoveel als nodig artikelen 544, 1709 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van erfpacht, artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal en artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 55 van 10 november 1968 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur). Door de uitzondering van artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)ook van toepassing te achten op de belastingplichtige die zijn activa beroepshalve verhuurt voor korte termijn, verantwoordt het zijn beslissing ook om die reden niet naar recht (schending van artikel 75, 2°, en 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals gewijzigd bij wet van 28 december 1992 en zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 27 december 2005). Door aan te nemen dat bij de huurovereenkomst van kortstondige duur het gebruiksrecht tijdelijk wordt overgedragen aan de huurder schendt het hof van beroep ten slotte artikel 1709 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit volgt dat aan de huurder slechts een vorderingsrecht op het genot van de zaak wordt verleend (schending van artikel 1709 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 26, §1, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, doet het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten. Luidens artikel 26, §2, van voornoemde wet moet het rechtscollege het Grondwettelijke Hof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen indien een vraag te dien einde wordt opgeworpen voor dat rechtscollege. Het is daartoe echter niet gehouden: 1° wanneer de zaak niet door het betrokken college kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; 2° wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. Conform datzelfde artikel is het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, daartoe evenmin gehouden wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in paragraaf 1 klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet noodzakelijk is om uitspraak te doen. Te dezen liet eiseres gelden dat in de interpretatie van artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), die door de verweerder werd voorgestaan en door de directeur weerhouden, hierin bestaande dat de investeringsaftrek steeds uitgesloten is wanneer vaste activa worden verhuurd aan KMO-vennootschappen, deze wetsbepaling ongrondwettig was en verzocht het hof van beroep de volgende prejudiciële vragen voor te leggen: "Schenden de artikelen 75, 2°, en 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals gewijzigd door artikel 3 van de wet van 28 december 1992, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat: 1° een verhuurbedrijf voor de vaste activa die zij aanwendt voor het uitoefenen van haar beroepswerkzaamheid geen investeringsaftrek kan toepassen, terwijl een bedrijf, anders dan een verhuurbedrijf, wel de investeringsaftrek kan toepassen op voormelde activa, dat zulk onderscheid ook bestaat, zelfs als geen enkel misbruik van de investeringsaftrek mogelijk is; 2° een bedrijf dat activa (voor een korte periode) verhuurt aan natuurlijke personen die deze gehuurde activa niet beroepsmatig aanwenden, niet kan genieten van de investeringsaftrek op die activa, terwijl een bedrijf dat activa verhuurt (voor een korte periode) aan natuurlijke personen die deze gehuurde activa wel beroepsmatig aanwenden wel kunnen genieten van de investeringsaftrek; 3° in het geval dat een bedrijf (al dan niet verhuurbedrijf) afstand doet van het recht van gebruik op haar vaste activa zonder dat 1) de gebruiker een investeringsaftrek kan claimen (bv. doordat het kortstondig gehuurde goed in haren hoofde geen materieel vast actief is) terwijl 2) de betrokken gebruiker als hij het goed zelf zou hebben aangekocht ook een investeringsaftrek zou kunnen genieten (KMO-vennootschap, waardoor de verhuur ook daarom niet als een misbruik kan worden beschouwd), zodat, kortom, er géén misbruiken mogelijk zijn, dit bedrijf niettemin géén recht op investeringsaftrek heeft en een onderneming die het recht van gebruik niet afstaat, wel". Te dezen oordeelt het hof van beroep geen prejudiciële vraag te moeten stellen omdat naar het oordeel van het hof van beroep het gemaakte onderscheid een objectieve verantwoording heeft en geldt ten aanzien van alle belastingplichtigen die principieel aanspraak kunnen maken op de toepassing van de investeringsaftrek, waarop het besluit dat dit onderscheid niet indruist tegen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Uit deze vaststellingen volgt dat het hof van beroep, zijnde een rechtscollege waarvan de beslissing voor een voorziening in cassatie openstond, het verzoek tot het stellen van de aangevoerde prejudiciële vraag heeft afgewezen, zonder dat aan één van de voorwaarden, bepaald in artikel 26, §2, van de Bijzondere wet op het Arbitragehof was voldaan en derhalve ter zake zijn beslissing daaromtrent niet naar recht verantwoordt (schending van artikel 26, §§1 en 2, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof). Derde onderdeel In de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 worden de beginselen van gelijkheid en van niet-discriminatie gehuldigd. Bij artikel 170 van de Grondwet wordt voorts gesteld dat inzake belastingen geen voorrechten kunnen worden ingevoerd. Van een schending van die beginselen is er onder meer sprake wanneer personen die objectief van elkaar zijn onderscheiden niettemin op dezelfde wijze worden behandeld zonder dat hiervoor een objectief en redelijk verantwoord criterium voorhanden is. Uit de samenhang van de artikelen 75, 2° en 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)en uit hun wetsgeschiedenis blijkt, zoals vastgesteld door het Hof, dat het de bedoeling van de wetgever was te verhinderen dat twee onderscheiden belastingplichtigen met betrekking tot dezelfde vaste activa zouden kunnen genieten van de investeringsaftrek. Bovendien wenste de wetgever de omzeiling van de opnulzetting van de gewone investeringsaftrek te verhinderen en de omzeiling van de be¬grenzing van de investeringsaftrek te vermijden. Uit artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)volgt evenwel dat zowel de belastingplichtige, die zonder enig oogmerk om de wet te omzeilen, doch gewoon omdat dit past in het kader van zijn beroepsactiviteit, tijdelijk het recht van gebruik op bepaalde activa, aangekocht met het oog op de verhuur ervan aan een andere belastingplichtige, die geen natuurlijke persoon is die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt, als degene die dat wel met voornoemd oogmerk doet, het recht op investeringsaftrek op de kwestieuze goederen wordt ontzegd. Aldus behandelt de wetgever twee categorieën van belastingplichtigen waartussen er weliswaar een belangrijk onderscheid bestaat op dezelfde wijze zonder dat hiervoor weliswaar een redelijke verantwoording voorhanden is. In zoverre het hof van beroep toepassing maakt van een bepaling die zonder onderscheid naar gelang van het opzet, nagestreefd door de betrokken belastingplichtige, die aanspraak maakt op investeringsaftrek voor de goederen die hij zich heeft aangeschaft en waarvan hij vervolgens het recht van gebruik overdraagt aan een rechtspersoon, hem het recht op investeringsaftrek ontzegt, maakt het hof van beroep toepassing van een discriminerende bepaling en schendt het de in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet vastgelegde principes van gelijkheid en niet-discriminatie (schending van artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet van 17 februari 1994, 68 en 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals gewijzigd bij wet van 28 december 1992 en zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 27 december 2005). Derhalve verzoekt de eiseres het Hof, alvorens ten gronde over deze kritiek uitspraak te doen, bij toepassing van artikel 26, §§1 en 2 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof aan het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vraag voor te leggen: "Schendt artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals ingevoegd bij wet van 28 december 1992, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat deze bepaling zonder onderscheid van toepassing is op de belastingplichtige, die zonder enig oogmerk om de wet te omzeilen, doch gewoon omdat dit past in het kader van zijn beroepsactiviteit, tijdelijk het recht van gebruik op bepaalde activa, aangekocht met het oog op de verhuur ervan aan een andere belastingplichtige, die geen natuurlijke persoon is die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt, en op degene die dat wel met voornoemd oogmerk doet, het recht op investeringsaftrek op de kwestieuze goederen ontzegt?". III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 75, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), is de investeringsaftrek niet van toepassing op vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij een overeenkomst van erfpacht, opstal of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, in geval de vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen. 2. Krachtens artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals gewijzigd bij wet van 28 december 1992, is de investeringsaftrek niet van toepassing op "vaste activa, indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze vermeld sub 2°, is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt".
  1. Uit de samenhang van het voornoemde artikel 75, 2°, met artikel 75, 3°, volgt dat vaste activa, waarvan het gebruik aan een derde is overgedragen op een andere wijze dan via een leasing-, erfpacht-, opstal- of soortgelijke overeenkomst, geen recht geven op investeringsaftrek, tenzij wanneer een gebruiker een natuurlijke persoon is die de activa in België gebruikt voor de exploitatie van een onderneming of voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende activiteit, en voor zover hij het recht van gebruik van die activa op zijn beurt niet geheel of gedeeltelijk aan een derde overdraagt.
  2. Wie de investeringsaftrek vordert op vaste activa waarvan hij het gebruik in de zin van artikel 75, 3°, aan een derde overdraagt, moet bewijzen dat hij dit doet in de voorwaarden bepaald bij dit artikel, en inzonderheid dat de gebruikers het goed gebruikt hebben voor het verwerven van belastbare inkomsten.
  3. Het arrest dat oordeelt dat eiseres dat bewijs niet levert, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  4. Voor het overige oordeelt het arrest niet dat een huurder meer rechten heeft dan een vorderingsrecht op het genot van de zaak, maar oordeelt het dat het genoemde artikel 75, 3°, ook toepasselijk is op huurcontracten. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  5. Op grond van artikel 26, §2, 2°, tweede lid, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, zoals gewijzigd bij de Bijzondere wet van 9 maart 2003, is het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, niet gehouden een vraag als bedoeld in paragraaf 1 van datzelfde artikel die voor het rechtscollege wordt opgeworpen, aan het Grondwettelijk Hof te stellen wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in paragraaf 1 klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.
  6. De appelrechters overwegen dat er geen aanleiding bestaat tot het stellen van een prejudiciële vraag. Zij voeren daartoe aan dat het onderscheid dat wordt gemaakt door artikel 75, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), enerzijds, een objectieve verantwoording heeft, en, anderzijds, geldt ten aanzien van alle belastingplichtigen die principieel aanspraak kunnen maken op de toepassing van de investeringsaftrek. De appelrechters besluiten dat dit onderscheid niet indruist tegen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
  1. Aldus geven de appelrechters te kennen dat voormeld artikel 75, 3°, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet klaarblijkelijk niet schendt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  2. De appelrechters weigeren de investeringsaftrek toe te staan omdat de eiseres niet het bewijs heeft geleverd dat de verhuringen gebeurden aan natuurlijke personen-huurders die deze activa in België hebben gebruikt voor het verwerven van belastbare inkomsten en mits deze op hun beurt het gebruiksrecht van de goederen niet aan derden hebben afgestaan.
  3. Het door de eiseres aangevoerde onderscheid dat de wetgever in de stelling van de eiseres had moeten maken, tast hoe dan ook het oordeel van de appelrechters niet aan dat de belastingplichtige het bewijs had moeten leveren van de verhuringen en van het gebruik van de goederen.
  4. Het onderdeel vertoont geen belang en het Hof mag mitsdien geen prejudiciële vraag stellen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 489,11 euro jegens de eisende partij en op de som van 114,00 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 12 december 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081114.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110311.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.