id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.5 Rolnummer: F.07.0072.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 731 - laatst gezien 2026-07-03 07:25 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.5 Fiche 1 De aanzuivering door de ontvanger der directe belastingen van aan een belastingschuldige terug te geven sommen op de door die belastingschuldige verschuldigde belastingen, maakt een door de wet opgelegde wijze van betaling bij wege van schuldvergelijking uit waarop de voorwaarden van de artikelen 1413 en 1415 van het Ger. W. niet van toepassing zijn; de aanzuivering is uitdrukkelijk toegelaten indien de aangezuiverde schuld geen zekere en vaststaande schuld is in de zin van artikel 410 van het W.I.B.
(1992), in welk geval ze tevens strekt tot zekerheid van de betaling van de betwiste schuld
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Betwiste belastingen Vrije woorden: Belastingschuld - Aan belastingschuldige terug te geven sommen - Ontvanger der directe belastingen - Aanzuivering Fiche 2 De rechter kan, op vraag van de schuldenaar, de vrijgave van de door de ontvanger der directe belastingen op een betwiste schuld aangezuiverde som bevelen indien de betwisting hem kennelijk gegrond voorkomt
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Betwiste belastingen Vrije woorden: Belastingschuld - Aan belastingschuldige terug te geven sommen - Ontvanger der directe belastingen - Aanzuivering - Toetsing door de rechter Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Artt. 166, § 2 en § 3, en 143 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 12 dec. 2008, AR F.07.0072.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Betwiste belastingen Vrije woorden: Belastingschuld - Aan belastingschuldige terug te geven sommen - Ontvanger der directe belastingen - Aanzuivering Belastingschuld - Aan belastingschuldige terug te geven sommen - Ontvanger der directe belastingen - Aanzuivering - Toetsing door de rechter Annotaties Publicaties: TFR - Gregory GOOSSENS; Over bisschoppen die nooit pastoor zijn geweest : het Hof van cassatie en het toetsing van de beslagrechter inzake fiscale schuldvergelijking - 2009, 636-644 Tekst van de beslissing Nr. F.07.0072.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, woonplaats kiezend op het kantoor van de Dienstchef van de Juridische Cel van de dienst Invordering - Sector Directe Belastingen te Gent, met kantoren te 9050 Gent, Ledeberg, Zuiderpoort Office Park - Blok B, Gaston Crommelaan 6, bus 201, en de Ontvanger der Directe Belastingen te Gent 2, met kantoor te 9000 Gent, Gaston Crommelaan 6, bus 106, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. M. S., 2. M.H., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 februari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 409 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen
(1992)(WIB); - de artikelen 143 en 166, in het bijzonder §3, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het WIB
(1992)(KB/WIB); - de artikelen 2, 1395, 1396, 1413, 1415, 1420 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1289 t.e.m. 1299 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest bevestigt de bestreden beschikking, beveelt zodoende de opheffing van het bewarend beslag in eigen handen op de teruggave m.b.t. het aanslagbiljet voor het artikel 746260683 voor een bedrag van 3.039,25 euro en beveelt aan eiser over te gaan tot teruggave binnen de 48 uren na de betekening van het huidig arrest, meer de interesten aan 7 pct. vanaf 1 september 2004 vanaf de eisbaarheid, zijnde twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet, en zegt voor recht dat de beschikking tot intrekking zal gelden tot opheffing van het bewarend beslag overeenkomstig artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden arrest beveelt tevens de opheffing van het bewarend beslag in eigen handen op de teruggave m.b.t. het aanslagbiljet voor het artikel 754959590 voor een bedrag van 826,38 euro en beveelt de eiser over te gaan tot teruggave binnen de 48 uren vanaf de betekening van huidig arrest, meer de intresten aan 7 pct. vanaf 1 september 2005 vanaf de eisbaarheid, zijnde twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet, zegt voor recht dat de beschikking tot intrekking zal gelden tot opheffing van het bewarend beslag overeenkomstig artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden arrest oordeelt op het hoofdberoep van eiser dat: "Terecht stelde de eerste rechter dat de kern van huidige principiële betwisting de vraag betreft of de ontvanger al dan niet mocht overgaan tot inhouding van een belastingtergave van het aanslagjaar 2003 voor een bedrag van 3.039,25 euro, als bewarende maatregel tot zekerheid van de betaling van een nog openstaande, niet betaalde, maar door de (verweerders) betwiste personenbelasting in het aanslagjaar 2001 ten behoeve van 26.382,72 euro in hoofdsom. Het hof (van beroep) neemt met de eerste rechter aan dat artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004, pas in werking getreden op 1 januari 2005, desbetreffend uiteraard nog niet van toepassing is. Het is duidelijk uit de hiervoor aangehaalde ‘voorgaanden' dat de ontvanger van het tweede ontvangkantoor der directe belastingen te Gent zich heeft beroepen, nu de belastingschuld onder artikel 350079 het voorwerp uitmaakt van een nog steeds niet beslecht fiscaal verhaal en derhalve betwist wordt, op artikel 166, §3, KB/WIB, dat vermeldt dat in dergelijk geval de aanzuivering wordt verricht als bewarende maatregel in de zin van artikel 409 van hetzelfde wetboek. Artikel 166, §3, KB/WIB, heeft het weliswaar over ‘bewarende maatregelen', maar het verwijst daarbij uitdrukkelijk naar artikel 409 WIB dat het letterlijk heeft over 'bewarende beslagen'. Sedert het arrest van het (Grondwettelijk Hof) van 15 oktober 2002 (arrest nr. 149/2002, B.S. 24 februari 2003, 8898 en 8899) dient aangenomen dat de belastingplichtige recht heeft op een daadwerkelijk toezicht van de rechtbank/beslagrechter voor bewarende beslagen inzake belastingschulden. De bepalingen van fiscaal recht die ter zake voormelde bewarende maatregel/bewarend beslag afwijken van de desbetreffende bepalingen van het Gerechtelijk wetboek mogen de regels van gelijkheid en non-discriminatie niet miskennen en kunnen er niet toe leiden dat aan de betrokken belastingplichtigen de essentiële waarborg wordt ontzegd van een daadwerkelijke jurisdictionele controle betreffende de regelmatigheid en de geldigheid van het bewarend beslag. De eerste rechter vermocht/diende derhalve wel degelijk het gevorderde marginaal toezicht te doen en na te gaan of de bewarende maatregel in kwestie voldeed aan de essentiële gemeenrechtelijke voorwaarden waaraan een bewarend beslag dient te voldoen, zoals onder meer de dringende noodzakelijkheid ervan en het vaststaande en opeisbare karakter van de schuldvordering (de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek) . De argumenten van de (eiser), ondermeer geput uit de wettelijke schuldvergelijking, kunnen niets afdoen aan voornoemde jurisdictionele controle/marginaal toezicht. Terecht heeft de eerste rechter in de uitoefening van het voormelde jurisdictioneel toezicht en met de bevoegdheid die de beslagrechter desbetreffend eigen is, aangenomen dat de (verweerders) inzake de gedane fiscale inhoudingen de noodzaak van urgentie weten te ontkrachten waar zij erop wijzen, zonder daarin door de (eiser) te worden tegengesproken (wat ook in deze instantie nog steeds het geval is), dat hun solvabiliteit niet in het gedrang is en zij hun fiscale en sociale verplichtingen naleven en nog niet gedagvaard werden. Aan de vereiste van urgentie is derhalve niet voldaan. De (verweerders) dienen vervolgens het gebrek aan zeker, opeisbaar en vaststaande of vatbaar voor voorlopige raming karakter (artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek) verder niet meer aan te tonen. Evenwel (ten overvloede) komen de redenen waarop de (verweerders) de aanslag voor het aanslagjaar 2001, inkomsten 2000 betwisten, met name dat er door opdrachtgever nv Hardy in 2000 een teveel aan commissies werd betaald van 1.900.000 frank, thans 47.099,77 euro, waaraan alsdan geen prestaties beantwoordden (vermits deze prestaties pas vanaf begin 2001 zouden zijn geleverd) prima facie niet van elke grond ontbloot voor; de (eiser) argumenteert noch legt stukken over waaruit thans reeds tot de prima facie ongegrondheid van het fiscaal verhaal van de (verweerders) zou moeten worden besloten door de beslagrechter. Er zijn derhalve geen redenen voor de beslagrechter om de aanslag van artikel 350079 reeds als een zekere en vaststaande schuld in aanmerking te nemen. De eerste rechter nam terecht aan, met de bevoegdheid eigen aan de beslagrechter, dat de verrichte inhouding een bewarend beslag onder derden in eigen handen betrof dat de toets van de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek niet kon doorstaan. De bestreden beschikking wordt dienvolgens bevestigd zoals in het dictum hierna gesteld, onder afwijzing van de verder door partijen aangehaalde motieven als overbodig en irrelevant". Wat betreft het door verweerders benoemde incidenteel beroep, oordeelt het bestreden arrest dat: "Het hof (van beroep) stelt dat het hier eigenlijk om een nieuwe vordering gaat, voor het eerst ingesteld in deze instantie, maar waarvan de toelaatbaarheid niet wordt betwist. Bij het aanslagbiljet voor het artikel 754959590 werden de (verweerders) ingelicht dat zij recht hebben op een teruggave van 826,38 euro, die echter andermaal door de (eiser) volledig werd ingehouden om ze aan te wenden voor de voornoemde aanslag met artikel 350079 (personenbelasting aanslagjaar 2001). Deze beslissing werd aan de (verweerders) meegedeeld bij niet - ondertekend schrijven van 10 juni
- De (verweerders) verzetten zich tegen deze aanwending als bewarende maatregel en halen daartoe de argumenten aan, uiteengezet bij de behandeling van het hoofdberoep en beroepen zich eveneens op artikel 334 van de Programmawet van 27 december
- Het hof (van beroep) herhaalt bij de beoordeling van deze nieuwe vordering zijn motivering betreffende het hoofdberoep, die hier eveneens van toepassing is, maar vult aan dat te dezen artikel 334 van de programmawet reeds in werking was getreden vermits de inhouding in kwestie zich situeert na 1 januari
- De thans hernomen motivering ter zake het hoofdberoep kan volstaan om ook dit verzet van de (verweerders) in te willigen, zonder dat het voor de (verweerders) nog nuttig is zich bijkomend op artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 te beroepen". Grieven
- Krachtens artikel 166, §2, KB/WIB, kan elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, door de ontvanger van de directe belastingen zonder formaliteit, overeenkomstig artikel 143 KB/WIB, worden aangezuiverd op de door die belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, belastingen en ermee gelijkgestelde belastingen in hoofdsom, opcentiemen, verhogingen, interesten en kosten. Deze aanrekening van fiscale terugbetalingen op openstaande belastingschulden vormt een bijzondere vorm van schuldvergelijking waarop de gemeenrechtelijke regels inzake schuldvergelijking, krachtens artikel 166, §1, KB/WIB, niet van toepassing zijn: "Het bepaalde van Boek III, Titel III, Hoofdstuk V, afdeling IV, van het Burgerlijk Wetboek, is inzake directe belastingen niet van toepassing" (bedoeld worden de artikelen 1289 t.e.m. 1299 van het Burgerlijk Wetboek).
- In de derde paragraaf van artikel 166 KB/WIB wordt uitdrukkelijk bepaald dat een betwisting door de belastingschuldige van de door hem nog verschuldigde voorheffingen en belastingen het inroepen van de fiscale schuldvergelijking niet in de weg staat: In geval van bezwaar, van een in artikel 376 WIB bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte en in zover het geen zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410 WIB betreft, wordt de aanzuivering ingevolge paragraaf 2 verricht als bewarende maatregel in de zin van artikel 409 WIB" (artikel 166, §3, KB/WIB). Artikel 409 WIB stelt dat: "In geval van bezwaar, van een in artikel 376 WIB bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte, kan de betwiste aanslag, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, vermeerderd met de erop betrekking hebbende interesten en kosten, voor het geheel het voorwerp zijn van bewarende beslagen, van middelen tot tenuitvoerlegging of van alle andere maatregelen, welke ertoe strekken de invordering te waarborgen".
- Ofschoon, ingeval van bezwaar, de bedoelde aanzuivering krachtens artikel 166, §3, KB/WIB, in samenhang gelezen met artikel 409 WIB, als een "bewarende maatregel" moet worden beschouwd, teneinde de invordering te waarborgen, sluit het bewarend karakter van die aanzuivering niet uit dat de voorwaarden voor het intreden van de fiscale schuldvergelijking zijn verwezenlijkt. Anders dan de gemeenrechtelijke schuldvergelijking (zie artikel 1291 van het Burgerlijk Wetboek), is de fiscale schuldvergelijking niet onderworpen aan de vereiste van het bestaan van twee vaststaande en opeisbare schulden. Waar de fiscale schuldvergelijking intreedt onder de ontbindende voorwaarde van de inwilliging van het bezwaar tegen de openstaande belastingschuld, verliest deze belastingschuld bovendien niet zijn vaststaand en opeisbaar karakter louter als gevolg van dit bezwaar. Zolang het bezwaar van de belastingplichtige niet wordt toegewezen, is er derhalve een volwaardige schuldvergelijking met uitdovend karakter tot stand gekomen.
- Fiscale schuldvergelijking in de zin van artikel 166, §3, KB/WIB kan niet worden gelijkgesteld met een bewarend beslag. Fiscale schuldvergelijking onderscheidt zich van een bewarend beslag in die mate dat een bewarend beslag slechts de onbeschikbaarheid tot gevolg heeft van de beslagen sommen, terwijl fiscale schuldvergelijking neerkomt op een ingekorte dubbele betaling, waarbij, zonder enige formaliteit, enerzijds, de aangezuiverde aanslag (voorlopig) uitdooft, anderzijds, de voor teruggave bestemde som (voorlopig) uit het vermogen van de belastingschuldige verdwijnt. Al deze gevolgen van de fiscale schuldvergelijking zijn onverenigbaar met de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake bewarend beslag zodat uit artikel 166, §3, KB/WIB, en de verwijzing naar artikel 409 WIB, niet kan volgen dat de verrichte fiscale schuldvergelijking als een bewarend beslag onder derden in eigen handen van eiser moet worden opgevat (artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek).
- Het voorgaande verhindert niet dat de beslagrechter de rechtmatigheid en de regelmatigheid kan toetsen van de toepassing door de eiser van de regels inzake fiscale schuldvergelijking, waarbij evenwel niet kan worden geëist dat deze schuldvergelijking moet beantwoorden aan de "essentiële gemeenrechtelijke voorwaarden waaraan een bewarend beslag dient te voldoen, zoals onder meer de dringende noodzakelijkheid ervan en het vaststaande en opeisbare karakter van de schuldvordering (de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek)". Het bestreden arrest kon bijgevolg niet wettig tot de onrechtmatigheid of onregelmatigheid van de fiscale schuldvergelijking besluiten op grond dat:
(1)aan de vereiste van de urgentie niet is voldaan, nu dit zelfs bij gemeenrechtelijke schuldvergelijking geen bestaansvereiste is;
(2)de betwisting van de verweerders, op het eerste gezicht, niet van elke grond is ontbloot,
(3)de eiser niet argumenteerde, noch stukken voorlegde waaruit, op het eerste gezicht, tot de ongegrondheid van het fiscaal verhaal van de verweerders zou moeten worden besloten,
(4)kortom dat aan de voorwaarden van de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek niet was voldaan.
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat de met toepassing van artikel 166, §3, KB/WIB verrichte fiscale schuldvergelijking als een bewarend beslag onder derden in eigen handen moet worden gekwalificeerd, noch wettig de teruggave van de ingehouden fiscale terugbetalingen betreffende het aanslagjaar 2003 en betreffende het aanslagbiljet voor het artikel 754959590 heeft bevolen op grond dat deze inhoudingen niet de toets van de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek inzake het bewarend beslag konden doorstaan (schending van de artikelen 2, 1395, 1396, 1413, 1415, 1420 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, 143, 166 KB/WIB en 409 WIB, 1289 t.e.m. 1299 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 166, §2, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), kan elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, door de ontvanger van de directe belastingen zonder formaliteit, overeenkomstig artikel 143 van hetzelfde besluit, worden aangezuiverd op de door die belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, belastingen en ermee gelijkgestelde belastingen in hoofdsom, opcentiemen, verhogingen, interesten en kosten. Krachtens artikel 166, §3, van hetzelfde besluit, wordt de aanzuivering ingevolge paragraaf 2 verricht als bewarende maatrege1 in de zin van artikel 409 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)in geval van bezwaar, van een in artikel 376 van hetzelfde wetboek bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte, in zover het geen zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410 van hetzelfde wetboek betreft. 2. Uit artikel 143 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), waarnaar artikel 166, §2, verwijst, blijkt dat de aanrekening een door de wet opgelegde wijze van betaling van de belasting of de nalatigheidsinteresten is, wanneer de ontvanger daartoe overgaat. 3. De aanzuivering maakt een wijze van betaling bij wege van schuldvergelijking uit, ook indien de aangezuiverde belastingschuld betwist wordt. De aanzuivering is uitdrukkelijk toegelaten indien de aangezuiverde schuld geen zekere en vaststaande schuld is in de zin van artikel 410 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). Op deze vorm van schuldvergelijking zijn de voorwaarden van de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing.
- In zoverre de aanzuivering gebeurt op een betwiste schuld die geen zekere en vaststaande schuld is in de zin van voormeld artikel 410, strekt ze tevens tot zekerheid van de betaling van de betwiste schuld. Deze maatregel moet evenredig zijn met het nagestreefde doel. Op vraag van de schuldenaar kan de rechter de vrijgave van de aangezuiverde som bevelen indien de betwisting hem kennelijk gegrond voorkomt.
- De appelrechters die de teruggave van de aangerekende bedragen bevelen omdat er geen hoogdringendheid voorhanden is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat de beslissing hieromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 12 december 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110922.7 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240328.1N.6 ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.189 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div