← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

§ 4Fiches 4 - 6 Concl.

adv.-gen. Thijs, Cass., 12 dec. 2008, AR F.07.0101.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - KADASTRAAL INKOMEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - KADASTRAAL INKOMEN - Vaststelling kadastraal inkomen - Algemeen Vrije woorden: Vaststelling - Bezwaarprocedure Thesaurus CAS: KADASTER UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - KADASTRAAL INKOMEN - Vaststelling kadastraal inkomen - Algemeen Vrije woorden: Kadastraal inkomen - Vaststelling - Bezwaarprocedure Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Onroerende voorheffing UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - KADASTRAAL INKOMEN - Vaststelling kadastraal inkomen - Algemeen Vrije woorden: Hoedanigheid van belastingplichtige - Wijze van vaststelling Tekst van de beslissing Nr. F.07.0101.N

  1. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister voor Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met burelen gevestigd te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19,
  2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Gewestelijke Directeur van het Kadaster van West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Langerei 7, eisers, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiseres woonplaats kiezen, tegen
  3. T. J., en,
  4. B. R., verweerders, met als raadsman mr. Jan Sandra en mr. Steven Vancolen, advocaten bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, Veemarkt 47/7, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPELGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 oktober 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 249, 251, 252, 253, 254, 255, 395, 396, 471, 472, 473, 474, 475, 476, 483, 484, 485, 487, 488, 489, 490, 491, 492, 493, 494, 495, 496, 497, 499 en 500 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen

(1992)(WIB 1992); - artikel 8 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1979 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen op het stuk van de onroerende fiscaliteit; - de artikelen 3, 5° en 4, in het bijzonder §

§4

, van de Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, artikel 4, §2, zowel voor als na de wijziging bij wet van 13 juli 2001, artikel 4, §4, voor zijn wijziging bij wet van 13 juli 2001; - de artikelen 569, 32°, 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest wijst het incidenteel beroep van de eisers, dat was gericht tegen het ontvankelijk verklaren door de eerste rechter van de vordering van de verweerders, af als ongegrond en oordeelt dat er geen verplichting bestond in hoofde van de verweerders om voorafgaand aan het instellen van hun vordering jegens de eerste eiser een administratieve beroepsprocedure te voeren ten aanzien van de tweede eiser om de toewijzing, op naam van de verweerders, van het kadastraal inkomen op de weefgetouwen, aan te vechten: "Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering Het (hof van beroep) ziet geen reden tot onontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering. Die vordering was gericht op de vernietiging van de beslissing van de eerste (eiser) van 13 juni 2001 en van de bestreden aanslag in de onroerende voorheffing die op naam van de (verweerders), oorspronkelijke eisers, gevestigd werd. Zij hadden de hoedanigheid (de directionele beslissing deed uitspraak over hun eigen bezwaarschrift en zij zijn de belastingplichtigen) en het vereiste actueel belang (zij worden aangesproken in betaling van de bestreden onroerende voorheffing). De vraag - waarop de partijen zich op verzoek van het (hof van beroep) op de openbare terechtzitting van 12 september 2006 kunnen verdedigen hebben - of de eerste (eiser) - oorspronkelijke verweerster - de mogelijkheid (bevoegdheid) heeft om af te zien van het vestigen van de onroerende voorheffing op naam van de (verweerders) en daartoe een door de federale administratie van het kadaster vastgesteld kadastraal inkomen op naam van de (verweerders), te negeren, is een vraag naar de grond van de zaak: te weten of de (verweerders) al dan niet terecht aangesproken worden door de eerste (eiser) als schuldenaar (belastingplichtigen) voor de betreffende aanslag in de onroerende voorheffing. De vordering van de (verweerders) strekt er niet toe om de vestiging van het kadastraal inkomen op de betreffende weefgetouwen te laten annuleren; dat is geen voorwerp van het huidige geschil. Tegen die achtergrond bestond er ook geen verplichting voor de (verweerders) om voorafgaand aan het instellen van hun vordering - die slechts betrekking heeft op de vernietiging van de bestreden aanslag in de onroerende voorheffing - een administratieve beroepsprocedure te voeren ten aanzien van de tweede (eiser) (de administratie van het kadaster) om de vaststelling van het kadastraal inkomen op de weefgetouwen op naam van de (verweerders) aan te vechten". Het bestreden arrest verklaart vervolgens het principaal hoger beroep van de verweerders gegrond in zoverre zij geen zakenrechtelijk recht over de betreffende weefgetouwen hadden in de betreffende periode en bijgevolg niet de hoedanigheid van belastingplichtige hadden voor de heffing van de onroerende voorheffing zodat de bestreden aanslag in de onroerende voorheffing betreffende de weefgetouwen ten onrechte op hun naam was gevestigd: "De zakenrechtelijke verhouding van de (verweerders) jegens het belaste onroerend goed. Artikel 251 WIB

(1992)luidt als volgt: ‘De onroerende voorheffing is verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen volgens de regels bepaald door de Koning'. De (verweerders) zijn civielrechtelijk niet als de eigenaars te beschouwen. De bestreden aanslag heeft betrekking op weefgetouwen waarop de (verweerders) nooit enig zakenrechtelijk recht hebben uitgeoefend. Het recht van natrekking speelt hier niet. Artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek dat het recht van natrekking regelt voor werken die door een derde op andermans erf zijn tot stand gebracht, door een vermoeden in te stellen dat die werken door de eigenaar van het erf, op diens kosten werden aangebracht, is slechts een weerlegbaar vermoeden; dat vermoeden wordt hier - in overeenstemming met artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek - weerlegd door de (verweerders) die aantonen dat de werken (de weefgetouwen) niet door hen maar door de nv Rijatex op kosten van die vennootschap werden aangebracht; verjaring wordt hier niet ingeroepen. "De (verweerders) laten evenwel gelden dat voor het bepalen wie eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen is, algemeen wordt aangenomen dat niet de civielrechtelijke titels maar wel de kadastrale inschrijvingen moeten worden in acht genomen. Dat zou in zekere zin betekenen dat het gaat om een geval waarin de fiscus ten aanzien van het vestigen van de belasting toch als een ‘derde' moet worden beschouwd. Dat zou tot het gevolg leiden dat naast elkaar voor één en hetzelfde goed twee juridische werkelijkheden kunnen bestaan die met elkaar niet te rijmen zijn: voor de ene werkelijkheid is de nv Rijatex eigenaar van de weefgetouwen en voor de andere werkelijkheid zijn de (verweerders) eigenaars van de weefgetouwen. Toch is dat een verkeerde voorstelling van de zaak. Immers bepaalt de (federale) administratie van het kadaster niet wie eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen is maar legt zij slechts vast op wiens naam het kadastraal inkomen van een onroerend goed wordt toegekend. De inschrijving door de administratie van het kadaster creëert dus geen titel die de zakenrechtelijke verhouding van een rechtonderhorige ten aanzien van een onroerend goed bepaalt; de administratie van het kadaster interpreteert slechts de feiten binnen haar roeping en doelstelling, namelijk het toewijzen van een kadastraal inkomen aan goederen met het oog op belasting, zoals voorzien in de artikel 471 e.v. WIB
(1992). Dat betekent dat het enkele feit dat op naam van de (verweerders) voor de betreffende weefgetouwen door de administratie van het kadaster een kadastraal inkomen is toegekend, nog niet tot gevolg heeft dat daarmee de zakenrechtelijke toestand van die weefgetouwen geregeld werd; anders gezegd: doordat het kadastraal inkomen op die weefgetouwen (definitief weliswaar) aan de (verweerders) is toegewezen, zijn de (verweerders) nog niet als de eigenaars van die weefgetouwen te beschouwen. Zoals blijkt uit de artikelen 395 en 396 WIB
(1992)heeft de wetgever overigens uitdrukkelijk rekening gehouden met de overgang van het eigendomsrecht van een onroerend goed; uitgaande van de publiciteit die - ingevolge artikel 1 van de Hypotheeekwet - gepaard gaat met de overschrijving van de akte van overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten. Artikel 395 WIB
(1992)voorziet immers dat de vroegere eigenaar aansprakelijk blijft voor de betaling van de onroerende voorheffing zolang de overschrijving van de eigendom niet is gebeurd, tenzij hij het bewijs levert van de overgang van de eigendom en van de volledige identiteit en het adres van de nieuwe eigenaar. Het feit dat de wetgever deze regeling vastknoopt aan het (effectieve, civielrechtelijke) eigendomsrecht en niet aan de inschrijving van het onroerend goed in het kadaster, bevestigt dat het kadaster niet geacht wordt het eigendomsrecht aan te wijzen. Tegen deze achtergrond, gaan de (eisers) er dan ook ten onrechte van uit dat de eerste (eiser) in het kader van het bezwaar tegen een aanslag in de onroerende voorheffing zich niet zou mogen uitspreken over de vraag of de belastingplichtige wel eigenaar is van het belaste goed. Zij is voor die vraag niet gebonden door de bevindingen van het kadaster. De eerste (eiser) moet immers de wet respecteren, in het bijzonder het hoger geciteerde artikel 251 WIB
(1992): zij mag de onroerende voorheffing alleen schuldig verklaren ten name van iemand die eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen is. Nu - zoals hoger vastgesteld - de (verweerders) geen dergelijk zakenrechtelijk recht over de betreffende weefgetouwen hadden in de betreffende periode, is de bestreden aanslag ten onrechte (op hun naam) gevestigd. De oorspronkelijke vordering tot vernietiging van de aanslag is dus gegrond". Het bestreden arrest vernietigt dienvolgens het vonnis van de eerste rechter en, opnieuw recht doend, verklaart het de vordering van de verweerders gegrond, vernietigt het de aanslag in de onroerende voorheffing betreffende de weefgetouwen, gevestigd op naam van de verweerders voor het aanslagjaar 1999 (kohierartikel 990.256.775.435) en beveelt het de terugbetaling van alle sommen die op grond van de vermelde aanslag zouden zijn geïnd, meer de wettelijke intrest, voorzien in artikel 418 WIB
(1992). Grieven 1. Krachtens artikel 251 WIB
(1992)is de onroerende voorheffing, die door de gewestelijke belastingadministratie (eerste eiser) wordt geïnd, verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen. De heffingsgrondslag voor de onroerende voorheffing is het kadastraal inkomen (de artikelen 252 t.e.m. 255 WIB
(1992)) dat door de administratie van het kadaster (tweede eiser) voor alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillage, die onroerend zijn van nature of door bestemming, wordt bepaald. Tot dit doel gaat de tweede eiser over tot de schatting van de percelen volgens de regelen en de vormen die de Koning bepaalt (de artikelen 471, 472, §1, WIB
(1992)). Wanneer een kadastraal perceel materieel of outillage omvat wordt een afzonderlijk kadastraal inkomen vastgesteld, eensdeels, voor de grond, eventueel met inbegrip van de lokalen, afdaken en hun onmisbaar toebehoren, en, anderdeels voor het materieel en de outillage (artikel 472, §2, WIB
(1992)). Het materieel of outillage volgt op fiscaalrechtelijk vlak, in de regel, het lot van het gebouwd onroerend goed waarmee het is verbonden. Elk nieuw vastgesteld, herzien, geschat of herschat kadastraal inkomen wordt, in de vorm die de Koning bepaalt, aan de belastingplichtige betekend (artikelen 495, §1, WIB
(1992)en 8 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1979). Overeenkomstig artikel 497 WIB
(1992)kan de belastingplichtige tegen het hem betekend kadastraal inkomen bezwaar indienen, dat, op straffe van verval, binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum van de betekening van het kadastraal inkomen moet worden ingediend bij een ter post aangetekende brief gericht aan de ambtenaar belast met de controle van het kadaster waar het onroerend goed gelegen is, waarbij de bezwaarindiener het inkomen moet vermelden dat hij stelt tegenover datgene dat aan zijn onroerend goed is toegekend. 2. Uit de bepalingen van de artikelen 471 e.v. WIB
(1992)volgt dat alleen de tweede eiser bevoegd is om een goed te kwalificeren en te beslissen of er een kadastraal inkomen moet worden toegekend aan de onroerende goederen (de artikelen 477 t.e.m. 482 WIB
(1992)), of aan het in gebruik genomen nieuw materieel of outillage (de artikelen 483 t.e.m. 485 WIB
(1992)), alsook om het bedrag van dit kadastraal inkomen vast te stellen (artikel 472 WIB
(1992)), te herzien (de artikelen 487 t.e.m. 493 WIB
(1992)), te schatten of herschatten (artikel 494 WIB
(1992)). Op basis van de aangiften die worden gedaan en op grond van de inlichtingen die worden verkregen naar aanleiding van een onderzoek dat hij kan instellen, kan de tweede eiser tevens, exclusief, bepalen aan wie het kadastraal inkomen moet worden toegewezen en betekend, m.a.w. wie voor de invordering van de belastingen als eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker, kortom als belastingplichtige van het belastbare goed moet worden aangeduid (de artikelen 473 t.e.m. 476 WIB
(1992)en 8 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1979). Deze kadastrale inschrijving creëert geen titel die, gemeenrechtelijk, de zakenrechtelijke toestand definitief vastlegt van het belastbare goed, maar wijst enkel voor fiscale doeleinden, met het oog op een vlotte en correcte invordering van de belastingen, de zakenrechtelijke verhouding aan tussen dat goed en de persoon aan wie het kadastraal inkomen werd toegewezen. 3. Overeenkomstig artikel 4, §

§4

, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten - zoals het van toepassing was op het ogenblik dat de eerste eiser voor de weefgetouwen een aanslag vestigde in de onroerende voorheffing: met name voor zijn wijziging bij wet van 13 juli 2001 - zijn de Gewesten bevoegd om de aanslagvoet en de vrijstellingen inzake de onroerende voorheffing te wijzigen, terwijl de federale wetgever bevoegd blijft voor het vaststellen van de heffingsgrondslag en het toewijzen van de kadastrale inkomens. Na de wijziging van voormeld artikel 4 bij wet van 13 juli 2001, kunnen de Gewesten ook de heffingsgrondslag wijzigen, doch blijft de tweede eiser niettemin exclusief bevoegd voor het vaststellen en toewijzen van het federaal kadastraal inkomen. Voor de heffing van de onroerende voorheffing is en blijft de eerste eiser derhalve afhankelijk van de inschrijving van de belastbare goederen in het register van het kadaster, zoals hij ook voor de berekening van het bedrag van de verschuldigde voorheffing aangewezen is op het kadastraal inkomen dat door de tweede eiser wordt vastgesteld. Uit deze bevoegdheidsverdeling, die in artikel 4 van de Bijzondere wet van 16 januari 1989 ligt verankerd, en uit de samenhang tussen de bepalingen inzake de vaststelling van het kadastraal inkomen, enerzijds, en de bepalingen inzake de heffing van de onroerende voorheffing, anderzijds, volgt dat de eerste eiser de onroerende voorheffing betreffende een belastbaar goed slechts kan vestigen op naam van de belastingplichtige aan wie het kadastraal inkomen werd toegewezen volgens de kadastrale inschrijvingen. Het zijn m.a.w. niet de civielrechtelijke titels, maar de kadastrale inschrijvingen die bepalen wie als eigenaar of als houder van een ander zakelijk recht op het belastbaar goed, overeenkomstig artikel 251 WIB

(1992), de onroerende voorheffing is verschuldigd. Waar de weefgetouwen in de registers van het kadaster waren toegewezen aan de verweerders, was de aanslag in de onroerende voorheffing betreffende deze weefgetouwen derhalve wettig door de eerste eiser op naam van de verweerders gevestigd. Het feit dat de verweerders civielrechtelijk gezien geen eigenaars zijn van deze weefgetouwen, in zoverre het recht van natrekking ter zake niet speelde, vermits de appelrechters van oordeel waren dat het vermoeden van artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek door de verweerders was weerlegd, kan bijgevolg geen afbreuk doen aan de wettigheid van voormelde aanslag in de onroerende voorheffing, gevestigd op naam van de verweerders, aangezien de verweerders enkel vanuit een fiscaalrechtelijke invalshoek door de eisers werden aangemerkt als eigenaars of houders van een zakelijk recht op de weefgetouwen. Toen het kadastraal inkomen op de weefgetouwen door de tweede eiser werd ingeschreven op naam van de verweerders, werd hiertegen immers geen bezwaar gemaakt, hetgeen verklaart waarom de fiscaalrechtelijke invalshoek in casu niet samenvalt met de civielrechtelijke realiteit. 4. Ook voor het specifieke geval, omschreven in de artikelen 395 en 396 WIB
(1992), dat in onderhavige zaak niet van toepassing was, wordt niet afgeweken van de regel dat de onroerende voorheffing moet wordt geheven conform de gegevens bepaald in de stukken van het kadaster. Deze bepalingen beschrijven de mogelijkheid om, ingeval van overdracht van de eigendom van een onroerend goed, de invordering van de onroerende voorheffing voort te zetten ten laste van de nieuwe eigenaar van het onroerend goed op basis van het kohier gevestigd op naam van de vroegere eigenaar, hetgeen een uitzondering vormt op de regel dat een kohier, in beginsel, slechts uitvoerbaar is jegens de belastingplichtige op wiens de naam het kohier is gevestigd (het zogenaamde personele karakter van het kohier, vervat in artikel 133, eerste lid, van het koninklijk besluit WIB
(1992)). Artikel 395 WIB
(1992)bevestigt integendeel het principe dat de eerste eiser de onroerende voorheffing slechts kan inkohieren op naam van de belastingplichtige, aangewezen door de kadastrale inschrijvingen, en dit zolang de eigendomsoverdracht niet is overgeschreven in de registers van het kadaster. 5. Overeenkomstig artikel 569, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Volgens artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek kan de vordering inzake voormelde geschillen tegen de belastingadministratie slechts worden toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. Wanneer de persoon aan wie het kadastraal inkomen van een onroerend goed wordt toegewezen, zijn hoedanigheid van belastingplichtige wil betwisten, dan moet hij tegen de betekening op zijn naam van het kadastraal inkomen een bezwaar indienen bij de tweede eiser, overeenkomstig de artikelen 497, 499 en 500 WIB
(1992), waarbij hij in zijn bezwaarschrift, ter verduidelijking dat hij betwist belastingplichtige te zijn, het tegencijfer van nul kan opgeven tegenover het vastgestelde kadastraal inkomen. Indien de betrokkene geen of laattijdig bezwaar indient bij de tweede eiser tegen de betekening van het kadastraal inkomen dan staat zijn hoedanigheid van belastingplichtige definitief vast en kan hij deze hoedanigheid niet meer betwisten tegenover de eerste eiser naar aanleiding van een bezwaar tegen de vestiging op zijn naam van een aanslag in de onroerende voorheffing. Aangezien de verweerders niet het door de wet georganiseerde administratief beroep hadden ingesteld tegen de inschrijving op hun naam van het kadastraal inkomen op de weefgetouwen, was deze toewijzing derhalve definitief geworden (zie ook het arrest, folio 1128, zesde regel) waardoor de verweerders, in het kader van de inning van de onroerende voorheffing, niet meer op ontvankelijke wijze jegens de eerste eiser konden betwisten dat zij gehouden zijn tot de betaling van de onroerende voorheffing verschuldigd op de weefgetouwen. 6. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat: - er geen verplichting bestond voor de verweerders om voorafgaand aan het instellen van hun vordering een administratieve beroepsprocedure te voeren ten aanzien van de tweede eiser om de vaststelling van het kadastraal inkomen op de weefgetouwen op naam van de verweerders aan te vechten; - de eerste eiser niet gebonden is door de bevindingen van de tweede eiser omtrent de vraag of de belastingplichtige wel de eigenaar is van het belaste goed; - de eerste eiser de onroerende voorheffing enkel schuldig mag verklaren ten name van de persoon, die op basis van burgerlijke titels, als de eigenaar, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen is te beschouwen; - de bestreden aanslag in de onroerende voorheffing niet wettig was gevestigd lastens de verweerders aangezien zij geen zakenrechtelijk recht hadden op de weefgetouwen. Het bestreden arrest heeft bijgevolg de vordering van de verweerders tot vernietiging van de op hun naam gevestigde aanslag in de onroerende voorheffing op de weefgetouwen niet wettig ontvankelijk en gegrond kunnen verklaren, noch wettig de bestreden aanslag vernietigd op grond dat deze was gevestigd op basis van de kadastrale inschrijvingen die niet overeenstemden met de burgerlijke titels krachtens dewelke de verweerders geen zakenrechtelijk recht hadden op de weefgetouwen (schending van de artikelen 249, 251, 252, 253, 254, 255, 395, 396, 471, 472, 473, 474, 475, 476, 483, 484, 485, 487, 488, 489, 490, 491, 492, 493, 494, 495, 496, 497, 499 en 500 WIB
(1992), artikel 8 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1979, (de artikelen) 3, 5° en 4 van de Bijzondere wet van 16 januari 1989, (de artikelen) 569, 32°, 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, (en artikel) 553 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 251 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)(WIB
(1992)); - de artikelen 551, 552 en 553 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 1 en 9 van de wet van 1824 op het recht van opstal. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het principaal hoger beroep van de verweerders gegrond in zoverre zij geen zakenrechtelijk recht over de betreffende weefgetouwen hadden in de betreffende periode en bijgevolg niet de hoedanigheid van belastingplichtige hadden voor de heffing van de onroerende voorheffing zodat de bestreden aanslag in de onroerende voorheffing betreffende de weefgetouwen ten onrechte op hun naam was gevestigd: "De zakenrechtelijke verhouding van de (verweerders) jegens het belaste onroerend goed. Artikel 251 WIB
(1992)luidt als volgt: ‘De onroerende voorheffing is verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen volgens de regels bepaald door de Koning'. De (verweerders) zijn civielrechtelijk niet als de eigenaars te beschouwen. De bestreden aanslag heeft betrekking op weefgetouwen waarop de (verweerders) nooit enig zakenrechtelijk recht hebben uitgeoefend. Het recht van natrekking speelt hier niet. Artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek dat het recht van natrekking regelt voor werken die door een derde op andermans erf zijn tot stand gebracht, door een vermoeden in te stellen dat die werken door de eigenaar van het erf, op diens kosten werden aangebracht, is slechts een weerlegbaar vermoeden; dat vermoeden wordt hier - in overeenstemming met artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek - weerlegd door de (verweerders) die aantonen dat de werken (de weefgetouwen) niet door hen maar door de nv Rijatex op kosten van die vennootschap werden aangebracht; verjaring wordt hier niet ingeroepen. Het bestreden arrest vernietigt dienvolgens het vonnis van de eerste rechter en, opnieuw recht doend, verklaart het de vordering van de verweerders gegrond, vernietigt het de aanslag in de onroerende voorheffing betreffende de weefgetouwen, gevestigd op naam van de verweerders voor het aanslagjaar 1999 (kohierartikel 990.256.775.435) en beveelt het de terugbetaling van alle sommen die op grond van de vermelde aanslag zouden zijn geïnd, meer de wettelijke intrest, voorzien in artikel 418 WIB
(1992). Grieven Krachtens artikel 251 WIB
(1992)is de onroerende voorheffing verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen. Alles wat met de zaak verenigd wordt en één lichaam ermee uitmaakt, behoort, in beginsel, de eigenaar toe (artikel 551 van het Burgerlijk Wetboek). Zo worden, overeenkomstig artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek, alle gebouwen, beplantingen en werken op of onder de grond van een erf, vermoed
(1)door de eigenaar,
(2)op zijn kosten, te zijn tot stand gebracht en
(3)hem toe te behoren, tenzij het tegenovergestelde bewezen is, onverminderd de verjaring. Voormelde bepaling bevat zodoende drie verschillende vermoedens die elk afzonderlijk moeten worden weerlegd om ten nadele van de eigenaar van het erf het tegenbewijs te leveren van het vermoeden van eigendom. Om het vermoeden van eigendom, dat besloten ligt in artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek, te weerleggen, volstaat het derhalve niet dat wordt aangetoond dat
(1)de bouwer
(2)op zijn kosten en met zijn materialen gebouwd heeft: er moet ook bewezen worden dat
(3)de bouwer van de eigenaar van de grond het recht verkregen had om voor eigen rekening te bouwen, wat het geval is wanneer de eigenaar van de grond afstand doet van zijn recht van natrekking op hetgeen op zijn grond door de bouwer wordt opgericht en bijv. een zelfstandig recht van opstal wordt gevestigd waarop de Opstalwet van toepassing is. Het bestreden arrest stelt vast dat het vermoeden van artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek werd weerlegd door de eigenaars van de grond (de verweerders), "die aantonen dat de werken (de weefgetouwen) niet door hen maar door de nv Rijatex op kosten van die vennootschap werden aangebracht", zonder dat evenwel wordt vastgesteld dat deze weefgetouwen ook effectief aan de nv Rijatex toebehoren, terwijl evenmin wordt aangegeven op welke titel het eigendomsrecht van de nv Rijatex over de weefgetouwen kan worden geschraagd. Het bestreden arrest beslist dat de verweerders civielrechtelijk niet als de eigenaars van de weefgetouwen zijn te beschouwen en hierop nooit enig zakenrechtelijk recht hebben uitgeoefend, zonder dat wordt vastgesteld dat de verweerders, als verhuurders van de bedrijfsgebouwen, ten voordele van hun huurster afstand hebben gedaan van hun recht van natrekking op de weefgetouwen of dat desgevallend ten voordele van de huurster een recht van opstal of een ander zakenrechtelijk recht is ontstaan. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat het vermoeden van artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek door de verweerders was weerlegd, dienvolgens niet naar recht heeft kunnen beslissen dat de verweerders civielrechtelijk niet als de eigenaars van de weefgetouwen zijn te beschouwen en geen onroerende voorheffing zijn verschuldigd op de weefgetouwen (schending van de artikelen 251 WIB
(1992)en 551, 552, 553 van het Burgerlijk Wetboek, 1 en 9 van de wet van 10 januari 1824). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Krachtens artikel 472, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)wordt het kadastraal inkomen per kadastraal perceel bepaald; hiertoe gaat de administratie van het kadaster over tot de schatting van de percelen volgens de regels en de vormen die de Koning bepaalt. Krachtens artikel 497 van hetzelfde wetboek mag de belastingplichtige tegen het hem betekend kadastraal inkomen bezwaar indienen, behoudens wanneer dat inkomen betrekking heeft op een gebouwd perceel en het werd vastgesteld volgens de gegevens van een door de betrokken belastingplichtige, door zijn rechtsvoorgangers, zijn bevoegde lasthebbers of vertegenwoordigers gesloten huurcontract. Krachtens artikel 499 van hetzelfde wetboek moet het bezwaar op straffe van verval: - behoudens in geval van overmacht, ingediend worden binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum van betekening van het kadastraal inkomen; - bij een ter post aangetekende brief gericht zijn aan de ambtenaar belast met de controle van het kadaster waar het onroerend goed gelegen is; - het inkomen vermelden dat de bezwaarindiener stelt tegenover datgene dat aan zijn onroerend goed is toegekend. Krachtens artikel 501 van hetzelfde wetboek wordt het bezwaar onderzocht door een ambtenaar van de administratie van het kadaster met ten minste de graad van controleur of door een personeelslid dat door de gewestelijk directeur van het kadaster speciaal ermede wordt belast de bezwaren in de plaats van de controleur te onderzoeken. Krachtens artikel 502, eerste lid, van hetzelfde wetboek, hebben, indien er na onderhandelingen geen akkoord wordt bereikt, de onderzoekende ambtenaar en de bezwaarindiener de mogelijkheid een scheidsrechtelijke beslissing te vorderen ten einde het kadastraal inkomen, dat aan het onroerend goed dient te worden toegekend, vast te stellen. 2. Uit de samenhang van die wetsbepalingen volgt dat het voorwerp van de in artikel 497 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bedoelde procedure van bezwaar verband houdt met de exclusieve bevoegdheid van de administratie van het kadaster om het kadastraal inkomen te bepalen en beperkt is tot de betwistingen over het bedrag van dat inkomen. Deze bezwaarprocedure laat geen betwisting toe over de aard van de goederen en de aanduiding van de belastingplichtige. 3. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 3, sub 5, van de Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten is de onroerende voorheffing een gewestelijke belasting. Luidens het te dezen toepasselijke artikel 4, §2, van de voornoemde Bijzondere wet zijn de gewesten bevoegd om de aanslagvoet en de vrijstellingen inzake de onroerende voorheffing te wijzigen. Luidens het te dezen toepasselijke artikel 4, §4, van die Bijzondere wet blijft de federale wetgever bevoegd voor het vaststellen van de heffingsgrondslag. Krachtens artikel 251 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)is de onroerende voorheffing verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen. 4. Hieruit volgt dat het Vlaamse Gewest de onroerende voorheffing betreffende een belastbaar goed dient te vestigen op naam van de houder van het in artikel 251 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)beoogde zakelijk recht. De in deze wetsbepaling voorkomende begrippen moeten begrepen worden in de betekenis van het gemeen recht.
  1. In zoverre de eisers ervan uitgaan dat het Vlaamse Gewest de onroerende voorheffing betreffende een belastbaar goed slechts kan vestigen op naam van de belastingplichtige aan wie het kadastraal inkomen werd toegewezen volgens de kadastrale inschrijvingen, berust het middel op een verkeerde rechtsopvatting.
  2. Krachtens artikel 366 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), in de versie zoals van toepassing voor wat de onroerende voorheffing in het Vlaamse Gewest betreft, kan de belastingschuldige, alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, tegen het bedrag van de gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar indienen bij de ambtenaar daartoe door de Vlaamse regering gemachtigd in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete zijn gevestigd. 7. Op grond van artikel 366 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)kan de door de Vlaamse regering gemachtigde ambtenaar, ingeval van bezwaar tegen een aanslag in de onroerende voorheffing, onderzoeken of de indiener van het bezwaar de hoedanigheid heeft van belastingplichtige in de zin van artikel 251 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). 8. Het middel berust op de verkeerde rechtsopvatting dat de hoedanigheid van belastingplichtige voor de heffing van de onroerende voorheffing definitief vaststaat ingevolge de toewijzing door de administratie van het kadaster, tenzij de belastingplichtige bij de administratie van het kadaster overeenkomstig artikel 497 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bezwaar heeft ingediend tegen de betekening van het kadastraal inkomen op zijn naam. Het middel faalt in zoverre naar recht. Tweede middel
  1. Het arrest stelt vast dat: - de verweerders de eigenaars zijn van de bedrijfsgebouwen te Anzegem, Nijverheidslaan 1; - die gebouwen sedert 1 januari 1998 verhuurd zijn aan de nv Rijatex; - er in de gebouwen weefgetouwen staan die eigendom zijn van de nv Rijatex; - het die vennootschap is die de weefgetouwen daar ook liet installeren.
  2. Het middel gaat ervan uit dat het arrest niet vaststelt dat de weefgetouwen effectief aan de nv Rijatex toebehoorden. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 439,03 euro jegens de eisende partijen en op de som van79,36 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 12 december 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111124.2 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150306.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170119.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.