← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8 Rolnummer: F.06.0111.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 1031 - laatst gezien 2026-07-03 01:43 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.8 Fiche 1 De belastingplichtige kan door de rechter laten nagaan of er omstandigheden bestaan die verantwoorden dat de administratieve geldboete wordt verminderd tot onder het door de wet bepaalde tarief; de rechter aan wie gevraagd wordt een opgelegde administratieve sanctie met een repressief karakter te toetsen, heeft de volle rechtsmacht om na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel

(1).
(1)Zie Cass., 21 jan. 2005, AR C.02.0572.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31, www.cass.be, met concl. O.M.; Cass., 16 feb. 2007, AR F.05.0015.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.3, www.cass.be; Cass., 16 feb. 2007, AR C.04.0390.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2, www.cass.be; Cass., 16 feb. 2007, AR F.06.0032.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.5, www.cass.be. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Algemeen (voorafgaande titel Sv.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Sancties (B.T.W.) - Administratieve geldboeten Vrije woorden: Administratieve sancties met repressief karakter - Wettelijkheid van de sanctie - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Artt. 70, § 1 en 84 Fiches 2 - 3 Door het bestuur ingestelde vorderingen strekkende tot de betaling van B.T.W. en administratieve geldboeten zijn geen burgerlijke rechtsvorderingen in de zin van art. 4 V.T.Sv.; de rechter die uitspraak moet doen over het fiscaal geschil, is aldus niet verplicht de behandeling van de zaak op te schorten, maar mag die behandeling opschorten, ook al is hij ingevolge het gezag van het strafrechterlijk gewijsde door de beslissing van de strafrechter gebonden
(1).
(1)Zie de tegenstrijdige conclusie van het O.M.. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Algemeen (voorafgaande titel Sv.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Sancties (B.T.W.) - Administratieve geldboeten Vrije woorden: B.T.W.-inbreuken - Dwangbevel - Verzet - Strafrechtelijke vervolging - Fiscale rechter - Opschorting van de behandeling - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 85 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Algemeen (voorafgaande titel Sv.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Sancties (B.T.W.) - Administratieve geldboeten Vrije woorden: Afzonderlijk ingestelde burgerlijke rechtsvordering - Schorsing - Burgerlijke rechtsvordering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 85 Fiches 4 - 5 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 12 dec. 2008, AR F.06.0111.N, A.C., 2008, nr. .... Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Algemeen (voorafgaande titel Sv.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Sancties (B.T.W.) - Administratieve geldboeten Vrije woorden: B.T.W.-inbreuken - Dwangbevel - Verzet - Strafrechtelijke vervolging - Fiscale rechter - Opschorting van de behandeling - Bevoegdheid Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Algemeen (voorafgaande titel Sv.) FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Sancties (B.T.W.) - Administratieve geldboeten Vrije woorden: Afzonderlijk ingestelde burgerlijke rechtsvordering - Schorsing - Burgerlijke rechtsvordering Tekst van de beslissing Nr. F.06.0111.N JEWELSTAR, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2018 Antwerpen, Pelikaanstraat 62, eiseres, vertegenwoordigd door meester Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, van de gewestelijk directeur der BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, voor wie optreedt de rekenplichtige van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4, verweerder, vertegenwoordigd door meester Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 mei 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De de eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 4 de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering; - de regel dat de burgerlijke rechtsvordering die niet terzelfder tijd en voor dezelfde rechters als de strafvordering wordt vervolgd, geschorst moet worden zolang niet definitief is beslist over de strafvordering, "le criminel tient le civil en état", zoals neergelegd in voormeld artikel 4. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt (de eiseres) tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van (de verweerder) op 475,96 euro, volgens opgave in de syntheseconclusie". op grond van de motieven op p. 5-6 "2.1. Opschorting van de procedure: (De eiseres) verzoekt het hof (van beroep) om de beoordeling van huidige betwisting op te schorten tot er een in kracht van gewijsde gegane uitspraak zal zijn gedaan in de strafzaak AN.78.fi 1475/95 (referte hof (van beroep) IB971/2003) ten laste van de heer D.U.en anderen. Op 19 juni 2003 werd door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen een vonnis uitgesproken, waartegen hoger beroep werd aangetekend, dat nog hangende is voor het Hof van Beroep te Antwerpen. Het hof (van beroep) is van oordeel dat de voorliggende fiscale betwisting ten aanzien van (de eiseres) kan worden beslecht zonder dat de uitspraak van de strafrechter ten name van voornoemde U.D. en anderen dient afgewacht te worden. De fiscale betwisting staat immers onafhankelijk van de strafvordering en kan worden beoordeeld op basis van de wetgeving inzake de BTW. Uit het proces-verbaal van 2 december 1998 blijkt dat de BTW-ambtenaren weliswaar pas naar aanleiding van inzage en lezing van het strafdossier een concreet nazicht van het BTW-dossier op naam van (de eiseres) hebben gedaan en dat zij pas bij die gelegenheid controle hebben verricht of (de eiseres) de op haar rustende bewijslast inzake de vrijstelling van artikel 42, §4, BTW-Wetboek had ingevuld, zonder dat echter de niet invulling van die bewijslast zijn oorzaak vindt in het strafdossier. De strafrechtelijke procedure staat volledig los van onderhavige betwisting omdat (de eiseres) de bewijslast draagt inzake de invulling van de vrijstellingsvoorwaarden gesteld door artikel 42, §4, BTW-Wetboek, los van welk strafonderzoek of in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke uitspraak". Grieven Krachtens de regel vervat in artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdend de Voorafgaande Titel aan het Wetboek van Strafvordering dient de beslissing over de vordering voor de burgerlijke rechter, daarin inbegrepen de vordering voor de fiscale rechter, die gesteund is op een misdrijf te worden uitgesteld tot een definitieve uitspraak over de ingestelde strafvordering is uitgesproken. Die verplichting bestaat van zodra er een gevaar van strijdigheid bestaat tussen de beslissingen over de beide vorderingen, nu de verplichting berust op het gezag van gewijsde dat kleeft aan de uitspraak op strafgebied op de punten die aan beide vorderingen gemeen zijn. De eiseres voerde in regelmatig genomen synthesebesluiten, gedateerd op 19 oktober 2005, aan onder nr. 13 op p. 6 -7: "In de dagvaarding werd de heer Gandi ten laste gelegd valsheid in geschrifte te hebben gepleegd met betrekking tot de door (de verweerder) bedoelde facturen: ... namelijk valselijk in - en uitgaande facturen te hebben opgesteld of doen opstellen, uitgaande of gericht aan hierna vermelde firma 's en vennootschappen, waarin - hetzij louter fictieve transacties worden beschreven -, hetzij valselijk een andere afnemer of leverancier wordt vermeld dan de werkelijke afnemer of leverancier, waarbij dient opgemerkt te worden dat het totaal bedrag van de inkomende facturen bij de (zogezegde) afnemer niet steeds gelijk is aan het bedrag van de uitgaande facturen bij de (zogezegde) leverancier, met het bedrieglijk opzet om enerzijds een gehele en/of gedeeltelijke fictieve boekhouding te creëren in hoofde van de hierna vermelde firma 's en/of vennootschappen en/anderzijds de werkelijke leveranciers of afnemers van de gefactureerde goederen verborgen te houden ..." (stuk nr. 6). De eiseres putte in dezelfde regelmatig genomen synthesebesluiten hieruit het verweer in nr. 22 op p. 10: "(De verweerder) kan niet tegelijkertijd het fictief karakter van een factuur inroepen, en zich toch beroepen op het bestaan van de transactie om die te belasten. Als men toch het bestaan van de transactie, volgens bestaande factuur, wil ontkennen door te stellen dat er een andere afnemer van de diamanten zou zijn dan diegene vermeld op de facturen, dan moet (de verweerder) aantonen wat de andere feitelijke elementen zijn van de ‘vermeende alternatieve transacties'". Aldus de definitieve beslissing van de strafrechter omtrent de aangehaalde tenlastelegging, dat in de litigieuze facturen "louter fictieve transacties worden beschreven" en niet "valselijk een andere afnemer (...) wordt vermeld dan de werkelijke afnemer", met gezag van het strafrechtelijk gewijsde een invloed zal hebben op de vordering van de verweerder. Immers, na dergelijk oordeel kunnen de appelrechters niet meer beslissen op p. 8 "dat op de door (de eiseres) opgestelde verkoopfacturen de opgegeven klant (Panorama
  1. nv)niet de werkelijke afnemer is van de goederen vermeld op deze facturen", maar wel dat op de fictieve transacties geen BTW verschuldigd is. Het gevaar op tegenstrijdige beslissingen is derhalve voorhanden en deze mogelijkheid kan niet uitgesloten worden. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat de fiscale betwisting onafhankelijk staat van de strafvordering en kan worden beoordeeld op basis van de wetgeving inzake de BTW, nu de strafrechter geroepen is uitspraak te moeten doen over de vraag of de litigieuze facturen in onderhavige betwisting louter fictieve transacties weergeven - in welk geval geen BTW op niet bestaande transacties kan worden geheven -, wat in strijd komt met de door de appelrechters weerhouden hypothese dat de transacties wel reëel waren, maar enkel de naam van de afnemer valselijk vermeld werd, wat de appelrechters noopte om de beslissing over de door de verweerder gevorderde BTW op te schorten in afwachting van de definitieve beslissing over voormelde strafvordering (schending van de regel neergelegd in artikel 4 dat de burgerlijke rechtsvordering die niet terzelfder tijd en voor dezelfde rechters als de strafvordering wordt vervolgd, geschorst moet worden zolang niet definitief is beslist over de strafvordering, "le criminel tient le civil en état" en van artikel 4 de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, hierna afgekort als EVRM; - de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 70, 72 en 84 van het BTW-Wetboek; - artikel 1, inzonderheid laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 21 oktober 1993. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt (de eiseres) tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van (de verweerder) op 475,96 euro, volgens opgave in de syntheseconclusie". op grond van de motieven op p. 9-11 "2.3.3. De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 van het BTW-Wetboek te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag hij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte, van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. (...) De rechter moet kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de overtreding en in voorkomend geval de administratieve sancties verminderen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen; als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelstellingen. De sanctiemaat mag dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de handhavings- en repressiedoelstelling, waarbij de ernst van de overtreding de eerste wegingsfactor van belang blijft. De beslissing kan wel op zorgvuldigheid (inclusief evenredigheid) worden getoetst, maar niet op loutere opportuniteit en billijkheid (bv. verzachtende omstandigheden) (...). Te dezen heeft (de eiseres) op haar uitgaande facturen de naam vermeld van de nv Panorama om goederen vrij van BTW te kunnen leveren zonder dat zij kan aantonen dat zij dit terecht heeft gedaan. Daarenboven verklaart de zaakvoerder van (de eiseres) dat de naam van de bestemmeling werd opgegeven door de genaamde D. U.. Het gebruiken van een willekeurige naam op de uitgaande facturen zonder te kunnen aantonen dat deze naam correct is, om belasting te ontduiken, mag beschouwd worden als een zware inbreuk. (De eiseres) werd nog geen andere sanctie opgelegd. Uit de door (de verweerder) voorgebrachte stukken blijkt dat in gelijkaardige gevallen telkens een boete van 200 pct. werd opgelegd. Blijkbaar hebben een aantal andere belastingplichtigen, die zich in dezelfde situatie bevonden als (de eiseres), een dading aangegaan met de administratie waarbij zij zich akkoord verklaarden met de in het proces-verbaal vermelde BTW, met betaling binnen de door de administratie opgelegde termijn en met een boete van 30 pct. Deze dadingen blijven evenwel beperkt tot hun voorwerp en de afstand van rechten die daarbij gedaan wordt, geldt alleen voor hetgeen betrekking heeft op het geschil dat tot de dading aanleiding heeft gegeven. (De eiseres), die zich in een andere situatie bevindt dan deze belastingplichtigen, kan zich niet op deze dadingen beroepen. Rekening houdend met de ernst van de overtreding, het feit dat nog geen andere sanctie aan (de eiseres) werd opgelegd en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld, heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat er geen reden is om de administratieve boete te verminderen". Grieven Krachtens artikel 70, §1, BTW-Wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84 van datzelfde wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Belastingschuldigen kunnen tegen een dwangbevel van de invorderingsambtenaar verzet doen. De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van het artikel 70 van het BTW-Wetboek, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken, en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag de rechter inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Daaruit volgt dat dit toetsingsrecht ook inhoudt dat de rechter, op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. Immers, de minister van Financiën of het bestuur in uitvoering van artikel 84, tweede lid, BTW-Wetboek treffen met de belastingschuldigen dadingen, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van belasting. Derhalve mag de rechter alles en moet toetsen wat in de mogelijkheden ligt van het bestuur, waaronder het matigen van de sanctie bij het aannemen van verzachtende omstandigheden. Het ontzeggen van deze bevoegdheid aan de rechter heeft tot gevolg dat, wanneer geen transactie aan de belastingschuldige wordt voorgesteld of deze door hem geweigerd wordt, de belastingschuldige nooit een rechter zal kunnen laten oordelen of er verzachtende omstandigheden bestaan die verantwoorden dat de geldboete wordt beperkt tot onder het bij de wet vastgestelde bedrag, welke mogelijkheid het bestuur wel heeft als zij middels een dading, die boete vermindert beneden het wettelijk minimum van 200 pct. wegens verzachtende omstandigheden. Indien het de rechter niet is toegelaten om op grond van verzachtende omstandigheden de bij wet bepaalde boete ad 200 pct. te herleiden, miskennen de artikelen 70, §1, en 84, tweede lid, van het BTW-Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De eiseres voerde aan in regelmatig genomen synthesebesluiten, gedateerd op 19 oktober 2005, op p. 17 onder de nrs. 42 en 44 als verzachtende omstandigheden: "42. Een boete van 200 pct. is buitenproportioneel, gelet op de grote omzetten die in de diamanthandel gerealiseerd worden met echter zeer beperkte winstmarges. 43. Een administratieve geldboete van 200 pct. bovenop de BTW in hoofdsom betekent dat bijna het twintigvoudige van een normale gemiddelde brutowinstmarge wordt nagevorderd terwijl (eiseres) in principe door de vrijstelling geen BTW verschuldigd was voor transacties tussen erkende diamanthandelaars. Ook de nv Panorama Internationaal waarvan de facturatie fictief werd bevonden, bezat een erkenningsnummer (E.T.-nummer). Daarenboven werd het opzet om BTW te ontduiken niet aangetoond zodat op dit vlak een geldboete van 200 pct. als buitensporig moet beschouwd worden. 44. Ten slotte paste de BBI-Administratie voor zij die een minnelijke regeling wensten of konden afsluiten slechts een administratieve geldboete van 30 pct. toe". Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig oordeelt dat er geen reden is om de administratieve boete te verminderen, die door de rechter niet kan getoetst worden op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, terwijl de rechter, net zoals het bestuur bij het aangaan van gebeurlijke dadingen houdende vermindering van de boete wegens verzachtende omstandigheden redenen van loutere opportuniteit of billijkheid in aanmerking kan nemen, ditzelfde kan (schending van de artikelen 70, §1, 72 en 84, van het BTW-Wetboek en artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987). Er anders over oordelen, dat die bepalingen de rechter niet toelaten de erin bepaalde geldboete ad 200 pct. op enigerlei wijze te matigen beneden het wettelijk minimum wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan, miskent artikel 6.1 EVRM hetwelk een toetsing met volle rechtsmacht vereist, waarin begrepen de matiging van de sanctie in aanwezigheid van verzachtende omstandigheden (Schending van artikel 6.1 EVRM, en miskent de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, door een onverantwoord verschil te maken tussen belastingschuldigen die een transactie sluiten om een mildere sanctie te bekomen in aanwezigheid van verzachtende omstandigheden en belastingschuldigen die dat niet doen, met het gevolg de mogelijkheid op matiging van de sanctie in aanwezigheid van verzachtende omstandigheden, te verliezen (schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Krachtens artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wordt de uitoefening van de burgerlijke rechtsvordering die afzonderlijk wordt ingesteld, geschorst zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld. 2. Krachtens artikel 85 van het BTW-Wetboek kan de met invordering van de BTW belaste ambtenaar een dwangbevel uitvaardigen zodra uit een door een ambtenaar van het Ministerie van Financiën opgemaakt proces-verbaal, dat bewijs oplevert zolang het tegendeel niet bewezen is, blijkt dat de bepalingen van het BTW-Wetboek zijn overtreden en dat het de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete kan aantonen De belastingplichtige kan hiertegen verzet aantekenen en de rechtbank van eerste aanleg is bevoegd om over die betwisting uitspraak te doen. 3. De invordering van de verschuldigde bedragen wordt niet noodzakelijk opgeschort doordat strafrechtelijke vervolgingen ingesteld zijn die ertoe kunnen leiden dat de strafrechter vaststelt dat facturaties door organen van een vennootschap fictief waren. De regel van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, is niet als dusdanig toepasselijk wanneer het bestuur een vordering instelt die strekt tot de betaling van de BTW en van een administratieve geldboete. Die vorderingen door het bestuur ingesteld zijn geen burgerlijke rechtsvorderingen in de zin van die bepaling. De rechter die uitspraak moet doen over het fiscaal geschil, is aldus niet verplicht de behandeling van de zaak op te schorten, maar mag die behandeling opschorten, ook al is hij ingevolge het gezag van het strafrechterlijk gewijsde door de beslissing van de strafrechter gebonden. 4. Het middel dat ervan uitgaat dat een absolute verplichting bestaat tot opschorting van de behandeling door de fiscale rechter zodra er een gevaar bestaat van strijdigheid met de beslissing door de strafrechter, faalt naar recht. Tweede middel 5. Krachtens artikel 70, §1, van het BTW-Wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84 van dat Wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. 6. De rechter aan wie gevraagd wordt een opgelegde administratieve sanctie met een repressief karakter te toetsen, heeft de volle rechtsmacht om na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Er is aldus geen grond om ter zake een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijke Hof. 7. Na inleidende beschouwingen over hun rechtsmacht bij de beoordeling van bij toepassing van artikel 70 BTW-Wetboek opgelegde administratieve sancties, oordelen de appelrechters onaantastbaar in feite dat het gebruik van een willekeurige naam op uitgaande facturen, zonder te kunnen aantonen dat deze naam correct is, zulks om belasting te ontduiken, mag worden beschouwd als een zware inbreuk. Ze overwegen vervolgens dat rekening houdend met de ernst van de overtreding, het feit dat nog geen andere sanctie aan de eiseres werd opgelegd en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld, de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat er geen reden is om de administratieve boete te verminderen. Deze redenen houden een volle beoordeling in, zo in feite als in rechte en met in achtneming van het evenredigheidsbeginsel, van de opgelegde administratieve sanctie. 8. Anders dan het middel aanvoert, kan de belastingschuldige, zelfs wanneer het bestuur hem geen dading voorstelt of wanneer hij een dading weigert, door de rechter laten nagaan of er omstandigheden bestaan die verantwoorden dat de administratieve geldboete wordt verminderd tot onder het door de wet bepaalde tarief. 9. Aangezien de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet berust op een onjuiste premisse, bestaat er geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 280,25 euro jegens de eisende partij en op de som van 138,10 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 12 december 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101112.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110311.3 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120622.1 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190117.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220516.3F.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230302.1F.6 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.7 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.4 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090213.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.