id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081215.1 Rolnummer: S.08.0103.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 173 - laatst gezien 2026-07-03 01:42 Versie(s): Vertaling FR Fiche Onder gedeeltelijk afgewerkte producten in de zin van artikel 3, 4° van het koninklijk besluit van 28 november 1969, waarbij de toepassing van de RSZ-wet van 27 juni 1969 wordt verruimd, moeten de producten worden begrepen die nog niet klaar zijn om aan de consument te worden aangeboden en die nog een bepaalde bewerking vereisen alvorens ze verkoopbaar zijn, zodat het voorzien van een product van een aangepaste verpakking, van een laatste verpakking of van een aangepast etiket een bewerking is van een gedeeltelijk afgewerkt product in de zin van de genoemde wettelijke bepaling. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Toepassingsgebied Vrije woorden: Toepassingsgebied - Uitbreiding van de wet - Thuisarbeiders - Verrichten van arbeidsprestaties - Bewerken van een gedeeltelijk afgewerkt product Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - Art. 3, 4° Tekst van de beslissing Nr. S.08.0103.N PLASTINOVA, naamloze vennootschap, met zetel te 2100 Antwerpen - Deurne, Bisschoppenhoflaan 302, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, die keuze van woonplaats gedaan heeft bij gerechtsdeurwaarder A.L., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 december 2006 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1 en 2, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 1, §1, en 2, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers; - de artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Aangevochten beslissing Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van de eiseres gedeeltelijk gegrond, maar bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank voor zover de arbeidsrechtbank de eiseres veroordeelde tot betaling van de gevorderde bijdragen en de intresten, met dien verstande dat het arbeidshof de loop van de intresten schorst vanaf 29 juli 1999 tot op de dag van de mededeling van het onderzoeksverslag van 25 maart 1999. Het arbeidshof beslist aldus op volgende gronden (pag. 5-7 en 12 van het bestreden arrest): "De grond van de zaak (De eiseres) verwijt de eerste rechters dat zij ten onrechte toepassing hebben gemaakt van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid op arbeiders. Dit artikel bepaalt: de toepassing van de wet (27 juni 1969) wordt verruimd tot 4° de personen die, op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die een of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken en gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot de handelaars. Met name verwijt (de eiseres) de eerste rechters dat zij slechts oog hebben voor slechts één van de voorwaarden die moeten vervuld zijn om dit artikel toepasselijk te laten zijn, namelijk dat de prestaties moeten gebeuren op gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. Nochtans, zo vervolgt (de eiseres) moet het artikel in zijn geheel worden bekeken en moeten ook de andere voorwaarden van het artikel zijn vervuld vooraleer het van toepassing kan worden verklaard. In haar conclusies neemt (de eiseres) elk van deze voorwaarden onder de loep: - het bewerken van grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten Het verpakken is geen bewerking van een grondstof of van een gedeeltelijk afgewerkt product, aldus (de eiseres). De omgepakte goederen zijn immers al eindproducten op zich en door een laatste verpakking worden ze geen eindproduct. Een eindproduct wordt immers bekomen na het doorlopen van een productieproces, proces dat een einde neemt met het bekomen van het eindproduct. Bovendien moet men aan de termen van het koninklijk besluit een gebruikelijke betekenis toekennen, die deze begrippen hebben in hun economisch en dagelijks spraakgebruik, aldus nog (de eiseres). Zij vervolgt dat de eerste rechters er verkeerd van uitgingen dat datgene wat in de verpakking zit een gedeeltelijk afgewerkt product is en slechts een eindproduct wordt door de verpakking. Het (arbeidshof) is het met deze stellingname niet eens. Onder gedeeltelijk afgewerkte producten moeten worden begrepen de producten die niet klaar zijn om op de markt te worden gebracht. Zij vragen nog een bepaalde bewerking alvorens ze verkoopbaar zijn op de markt. Welke bewerking deze producten daarbij nog moeten ondergaan, speelt geen rol. Dat kan een ingrijpende bewerking zijn of een minimale bewerking zoals het product voorzien van de aangepaste verpakking, van een laatste verpakking of van het aangepaste ticket. Destijds kwam artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot stand met in het achterhoofd vooral de thuisarbeid die gebruikelijk was in de diamantsector en de textielsector. De regelgever heeft evenwel de regeling niet beperkt tot deze sectoren. De rechterlijke macht behoort de wettelijke regel een eigentijdse zinvolle inhoud te geven en te oordelen of hij toepassing kan vinden op toestanden die de regelgever misschien niet rechtstreeks voor ogen stonden bij het maken van de regel, dit alles uiteraard binnen de grenzen van haar interpretatiebevoegdheid. Bovendien was de huisarbeid historisch gezien een buitenbeentje. Het heeft immers tot de wet van 6 december 1996 geduurd eer, met ingang van maart 1997, de tewerkstelling van huisarbeiders werd ondergebracht in de arbeidsovereenkomstenwet (Titel VI - artikel 119.1 e. v). Het was immers de bekommernis van de regelgever in deze historische context om de werknemers die thuis werkten niet de sociale bescherming (
- te)onthouden die in de RSZ-wetgeving besloten ligt, enkel omwille van het feit dat hun dienstverband niet als een arbeidsovereenkomst kon worden gekwalificeerd. Vanuit dit perspectief kan moeilijk worden verantwoord dat thuiswerkende medewerkers uit deze boot van sociale bescherming zouden vallen, enkel op basis van het product dat ze bewerken. Het (arbeidshof) is dus van oordeel dat het begrip ‘gedeeltelijk afgewerkt product' (
- in)ruime zin moet worden begrepen in de zin van: elk product dat niet klaar is om als dusdanig aan de consument te worden aangeboden" (bestreden arrest, blz. 5-7). (...) Eindconclusie: Na onderzoek komt het (arbeidshof) tot het besluit dat artikel 3, 4°, van het uitbreidingsKB van 28 november 1969 van toepassing was op de samenwerking tussen (de eiseres) en de huisarbeiders die zij tewerkstelden zodat de vordering van (de verweerder), die op dit artikel steunt, gegrond is" (bestreden arrest, blz. 12). Grieven Overeenkomstig artikel 1, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders vindt deze wet toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Op grond van artikel 2, §1, van dezelfde wet kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet uitbreiden tot de personen die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst; alsdan wijst de Koning de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd. De Koning heeft van de hem verleende bevoegdheid gebruik gemaakt om de toepassing van de wet te verruimen tot "de personen die, op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die één of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars" (artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Uit de samenlezing van deze wetsbepaling volgt dat personen die op een door hen gekozen plaats arbeid verrichten voor een handelaar slechts onder de toepassing van de wet van 27 juni 1969 vallen, voor zover zij ofwel een arbeidsovereenkomst hebben gesloten, ofwel voldoen aan alle voorwaarden tegelijk waarvan de Koning de uitbreiding van de wet tot die categorie van personen afhankelijk heeft gemaakt, met name: - op een door hen gekozen plaats; - in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst; - de hun door één of meer handelaars toevertrouwde grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken en - alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen. In haar appelconclusie (pag. 8-10) voerde de eiseres aan dat de betrokken personen een aannemingsovereenkomst en geen arbeidsovereenkomst hadden gesloten met de eiseres, dat hun activiteit voor de eiseres bestond in het in een kleiner aantal verpakken van reeds verpakte eindproducten, dat het eindproduct bestond uit de reeds individueel verpakte goederen, dat de activiteit van het verpakken geen bewerking is van een grondstof of gedeeltelijk afgewerkt product en dat artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet van toepassing is op personen die werken met eindproducten, zodat de betrokken personen niet als werknemer onder de toepassing van de wet van 27 juni 1969 vielen en de toepassing van die wet ook niet op grond van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot de betrokkenen mocht worden verruimd. Tot staving van haar verweer voerde de eiseres nog - met verwijzing naar van Dales Groot Nederlands Woordenboek en het proefschrift van J. Vermant - aan dat de termen "grondstoffen" en "gedeeltelijk afgewerkte producten" moeten worden uitgelegd in de betekenis die zij hebben in het economisch en dagelijks taalgebruik en dat het koninklijk besluit van 28 november 1969 slechts de typische huisarbeiders die bijvoorbeeld op patroon versneden kledingsstoffen ineenstikken of diamant klieven en facetteren, beoogt onder de toepassing van de wet van 27 juni 1969 te brengen. Het arbeidshof dat vaststelt dat het thuiswerk van de betrokken personen geschiedde op zelfstandige basis, beslist echter dat onder gedeeltelijk afgewerkte producten moet worden begrepen de producten die niet klaar zijn om op de markt te worden gebracht en dat producten ook als gedeeltelijk afgewerkte producten moeten worden beschouwd, als zij nog maar alleen moeten worden voorzien van een aangepaste verpakking, een laatste verpakking of zelfs een aangepast etiket, op grond dat het de bekommernis van de regelgever was om personen die thuis werkten zonder werknemer te zijn, onder de toepassing van de RSZ-wet te laten vallen. Niet alleen geeft het arbeidshof aldus van het begrip "gedeeltelijk afgewerkt product" een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969. Daarenboven schrijft het arbeidshof aan "de regelgever" een bedoeling toe die noch de wetgever, noch de Koning hebben gehad. Uit de bewoordingen van artikel 2, §1, van de wet van 27 juni 1969 en van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 volgt immers dat de wetgever geen algemene uitbreiding van de toepassing van de wet op personen die niet krachtens een arbeidsovereenkomst werkten beoogde, maar slechts aan de Koning de bevoegdheid verleende om bepaalde categorieën van personen onder de toepassing van de wet te brengen onder door Hemzelf bepaalde voorwaarden, en dit slechts na raadpleging van de Nationale Arbeidsraad en bij een in de ministerraad overlegd besluit. Uit artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 volgt dat de Koning de uitbreiding van de toepassing van de RSZ-wet heeft willen beperken tot welbepaalde categorieën van personen die aan op zeer gedetailleerde wijze omschreven voorwaarden voldoen. Personen die wel behoren tot een door de Koning beoogde categorie, maar niet voldoen aan de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot hen wordt uitgebreid, vallen bijgevolg slechts onder de toepassing van de wet, voor zover zij hun arbeidsprestaties verrichten krachtens een arbeidsovereenkomst. Door te beslissen dat de term "gedeeltelijk afgewerkte producten" ook moet worden begrepen als eindproducten die nog alleen moeten worden voorzien van een laatste verpakking, miskennen de appelrechters derhalve het begrip "gedeeltelijk afgewerkte producten" en beslissen zij niet naar recht dat artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 van toepassing was op de samenwerking tussen de eiseres en de huisarbeiders (schending van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders), zodat het arbeidshof dat vaststelt dat verweerders vordering steunt op die wetsbepaling, verweerders vordering niet naar recht gegrond verklaart (schending van alle in het middel aangeduide wetsbepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. De toepassing van de RSZ-wet van 27 juni 1969 wordt in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 verruimd tot de personen die, op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die een of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars. 2. Onder gedeeltelijk afgewerkte producten in de zin van voormeld artikel 3, 4°, moeten de producten worden begrepen die nog niet klaar zijn om aan de consument te worden aangeboden en die nog een bepaalde bewerking vereisen alvorens ze verkoopbaar zijn. Het product voorzien van een aangepaste verpakking, van een laatste verpakking of van een aangepast etiket is een bewerking van een gedeeltelijk afgewerkt product in de zin van de genoemde wettelijke bepaling. Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 116,74 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 15 december 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081215.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div