id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081216.3 Rolnummer: P.08.1210.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-01-07 Raadplegingen: 628 - laatst gezien 2026-07-03 08:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De enkele omstandigheid dat de telastlegging die ter beoordeling van de strafrechter staat, de wetsbepaling die het feit omschrijft en strafbaar stelt, niet of onjuist vermeldt, miskent nog niet het recht van verdediging; het volstaat inderdaad dat de beklaagde met voldoende zekerheid weet waaromtrent hij zich moet verdedigen
(1)Zie Cass., 18 jan. 1977, A.C., 1977, 553; 23 dec. 1998, AR A.94.0001.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9, A.C., 1998, nr 534; 29 maart 2000, AR P.99.1857.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000329.11, A.C., 2000, nr. 211; 12 nov. 2002, AR P.01.0962.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021112.10, A.C., 2002, nr 597; 4 feb. 2003, AR P.02.0615.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.4, A.C., 2003, nr 83; DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4° ed. 2007, nrs 1901 en 1902; VERSTRAETEN, R, "Het recht op informatie van de verdachte of beklaagde in het strafproces", in Om deze redenen, Liber Amicorum Armand Vandeplas, 1994, p. 475, nr
- Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Telastlegging - Niet of onjuiste vermelding van de wetsbepaling die het feit omschrijft of strafbaar stelt - Inhoud van de telastlegging voldoende voor de beklaagde om te weten waaromtrent hij zich moet verdedigen Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.3 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Recht van verdediging - Telastlegging - Niet of onjuiste vermelding van de wetsbepaling die het feit omschrijft of strafbaar stelt - Inhoud van de telastlegging voldoende voor de beklaagde om te weten waaromtrent hij zich moet verdedigen Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.3 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: Telastlegging - Niet of onjuiste vermelding van de wetsbepaling die het feit omschrijft of strafbaar stelt - Inhoud van de telastlegging voldoende voor de beklaagde om te weten waaromtrent hij zich moet verdedigen Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.3 Tekst van de beslissing Nr. P.08.1210.N C V V, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der Douane en Accijnzen te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-43-45, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, alwaar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 juni
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en schending van artikel 6 EVRM: de appelrechters hebben nagelaten de eiseres vooraf ervan te verwittigen dat het haar ten laste gelegde feit niet langer bestraft wordt door de initieel in de dagvaarding en door de eerste rechter aangeduide wetsbepalingen, maar door de nieuwe bepalingen die het bestreden arrest slechts voor het eerst aanduidt.
- De omstandigheid dat de telastlegging die ter beoordeling van de strafrechter staat, de wetsbepaling die het feit omschrijft en strafbaar stelt, niet of onjuist vermeldt, miskent nog niet het recht van verdediging. Het volstaat inderdaad dat de beklaagde met voldoende zekerheid weet waartegen hij zich moet verdedigen.
- De dagvaarding legde de eiseres ten laste: "Het voorhanden hebben en het gebruik van vloeibare carburant, bevattende solvent yellow 124 voor het aandrijven van de verbrandingsmotor van een motorvoertuig (...), dat op de openbare weg reed en dat geen machine of tractor was, gebruikt bij de exploitatie van landbouw- en tuinbouwbedrijven, in de bosbouw en de zoetwatervisteelt. Dat voormeld feit een overtreding uitmaakt die wordt voorzien door en gestraft krachtens artikel 30 van het Ministerieel Besluit van 28 december 1993 betreffende het accijnsstelsel van minerale olie (Belgisch Staatsblad van 7 januari 1994); artikel 20, 25 en 26 van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit (Belgisch Staatsblad van 20 november 1997), de artikelen 40, 65, 66 en 67 van het Strafwetboek; de artikelen 162-186 en 194 van het Wetboek van Strafvordering, onverminderd alle andere feitelijke en rechtsmiddelen te gelegener tijd te doen gelden." Het bestreden arrest overweegt: "De tenlastelegging wordt geactualiseerd door deze aan te vullen met: ‘en thans gestraft krachtens artikel 47 van het Ministerieel Besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit (B.S. 9 november 2005) en de artikelen 433 en 437 van de programmawet van 27 december 2004 (B.S. 31 december 2004), het genoemde Ministerieel Besluit van 28 december 1993 en de genoemde wet van 22 oktober 1997, opgeheven zijnde'. Door deze verbeteringen en precisering wordt niet geraakt aan de ten laste gelegde feiten, noch aan de misdrijfomschrijving."
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres bij de appelrechters de principiële strafbaarheid van het haar precies ten laste gelegde feit heeft betwist. In die omstandigheid hebben de appelrechters, door slechts voor het eerst in hun arrest de toepasselijke wettelijke bepalingen te preciseren en te actualiseren, het recht van verdediging van de eiseres niet miskend. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 433 en 437 van de Programmawet van 27 december 2004 en van artikel 47 ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit: de appelrechters laten na vast te stellen dat de eiseres weet had van het feit van de overtreding.
- Het bestreden arrest overweegt: "De schuld van [de eiseres] aan het haar te laste gelegde feit, zoals hoger aangevuld, is door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting bewezen geworden. De tijdens het strafonderzoek door [de eiseres] afgelegde verklaringen zijn niet geloofwaardig. [De eiseres] bewijst geen onoverwinnelijke dwaling, noch overmacht. De haar ten laste gelegde feiten zijn haar toerekenbaar. [De eiseres] maakt het niet aannemelijk en het is derhalve niet bewezen dat zij het slachtoffer zou zijn geworden van handelingen van derden. Een bijzonder opzet is ten deze niet vereist. Geen overmacht noch bewijs van enig[e] schuld kan immers spruiten uit de omstandigheid dat zij steeds bij dezelfde tankstations tankte en deze maar weken na de ten haren laste op 11 augustus 2003 gedane vaststelling werden gecontroleerd. De daartoe overgelegde parlementaire vraagstelling is evenmin relevant." Deze overweging houdt in dat de appelrechters van oordeel zijn dat de eiseres weet had van de tegen haar vastgestelde inbreuk. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters oordelen dat de eiseres geen onoverwinnelijke dwaling noch overmacht bewijst, en vervolgens dat de eiseres niet aannemelijk maakt dat zij het slachtoffer zou zijn geworden van handelingen van derden; deze motivering is dubbelzinnig, zo niet onwettig.
- In de context van de hoger aangehaalde motivering van het bestreden arrest is de overweging dat de eiseres geen onoverwinnelijke dwaling noch overmacht bewijst, een - hier overtollige - voorafgaande beschouwing van algemene aard. Met de daarop volgende overweging dat de eiseres niet aannemelijk maakt dat zij het slachtoffer zou zijn geworden van handelingen van derden, verwerpt het bestreden arrest het specifieke verweer van de eiseres. Hierbij zegt het niet dat de eiseres dit verweer niet bewijst, maar dat ze het niet aannemelijk maakt. Met deze laatste overweging verwerpt het bestreden arrest wettig het specifieke verweer van de eiseres. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Begroot de kosten op 60,26 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh en op de openbare rechtszitting van 16 december 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081216.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000329.11 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021112.10 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div