id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 43bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Bijzondere verbeurdverklaring - Vermogensvoordelen - Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie - Voorafgaande voeging aan de rechtspleging - Nazicht - Opdracht van de rechter - Bevoegdheid van het Hof Wettelijke bepalingen:
Art. 43bis
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Vermogensvoordelen - Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie - Voorafgaande voeging aan de rechtspleging - Nazicht door de rechter - Toetsing door het Hof Wettelijke bepalingen:
Art. 43bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.08.1268.N I L C, beklaagde, eiser. II F M C J, beklaagde, eiser. III R A G R, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar de eiser woonplaats kiest. IV W G D V G, beklaagde, eiser. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 juni
- De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De overige eisers voeren geen middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en schending van artikel 6 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek: de appelrechters konden uit de gegevens van het dossier en de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet afleiden dat de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring reeds voor de eerste rechter aan het dossier is toegevoegd en ter kennis gebracht van de verdediging; het staat immers niet vast dat de eiser zich omtrent deze schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring zowel voor de eerste rechter als voor de appelrechters heeft kunnen verdedigen.
- Artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek bepaalt: "Bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kan door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voorzover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd." Deze bepaling vereist aldus een voorafgaande schriftelijke vordering van het openbaar ministerie voor de erin bedoelde verbeurdverklaring, zodat de beklaagde zich ertegen kan verdedigen. Deze schriftelijke vordering maakt evenwel geen deel uit van de telastlegging. Ze kan dan ook, na een onbeperkt hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het vonnis over de strafvordering tegen de beklaagde, ingevolge de devolutieve werking daarvan voor het eerst in hoger beroep worden genomen. In zoverre het onderdeel een hiermede strijdige rechtsopvatting aankleeft, faalt het naar recht.
- De appelrechters oordelen dat het bestreden vonnis (p. 33) uitdrukkelijk melding maakt van de schriftelijke vordering zodat het aan te nemen is dat het stuk houdende die schriftelijke vordering aan de eerste rechter werd voorgelegd. Afgezien van de vraag of de eiser bij de eerste rechter wel van het bestaan van deze schriftelijke vordering verwittigd was, houdt de vaststelling die de appelrechters maken in dat de eiser alleszins bij de behandeling van de zaak in hoger beroep van het bestaan ervan kennis had. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 43bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring uitgaande van de procureur des Konings dient op de rechtszitting van de correctionele rechtbank of het hof van beroep te worden ingediend; dit impliceert dat dit stuk op de rechtszitting zelf aan de rechtbank of het hof wordt overhandigd en dat op dit stuk zelf wordt vermeld op welke datum het is ingediend zodat vaststaat dat dit stuk op die datum aan het dossier is toegevoegd.
- De schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring dient enkel voorafgaand aan het vonnis of arrest aan de rechtspleging te zijn toegevoegd, zodanig dat de beklaagde ervan kennis kan nemen en zich ertegen kan verdedigen. Het staat de rechter na te gaan of dit in feite is gebeurd. Het Hof toetst enkel of de feitelijke gegevens waarop de rechter zijn oordeel ter zake steunt, dit oordeel kunnen schragen. Dit is hier alleszins het geval wat de appelrechters betreft. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: daar de appelrechters oordelen dat aan te nemen is dat het stuk met de schriftelijke vordering regelmatig aan de eerste rechter werd overgelegd, enerzijds omdat het bestreden vonnis ervan melding maakt, anderzijds omdat deze verbeurdverklaring door de procureur des Konings werd gevorderd, geven de appelrechters van de processen-verbaal van de rechtszittingen van de correctionele rechtbank van 22, 23 en 24 november 2006 een uitlegging die niet met de bewoordingen ervan strookt.
- Uit het antwoord op het tweede onderdeel volgt dat de eiser alleszins bij de behandeling van de zaak voor het hof van beroep kennis had van de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten in het geheel op 275,28 euro waarvan de eisers I, II, III en IV elk 68,82 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh en op de openbare rechtszitting van 16 december 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081216.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130911.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030617.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080527.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160405.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190129.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div