id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081223.3 Rolnummer: P.08.1169.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-01-13 Raadplegingen: 174 - laatst gezien 2026-07-03 01:34 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechtsplegingsvergoeding bepaald bij artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, is verschuldigd, ook al is de rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij aan de beklaagde betekend vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet
(1).
(1)Zie I.Samoy en V. Sagaert, De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten, R.W., 2007-2008, 674 (nrs. 88 e.v.). Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij - Tijdstip Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Werking in de tijd - Rechtsplegingsvergoeding - Rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij - Tijdstip Tekst van de beslissing Nr. P.08.1169.N
- R G, burgerlijke partij,
- G B, burgerlijke partij, eisers, met als raadsman mr. Marie-Claire Suerickx, advocaat bij de balie te Antwerpen, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Liesbet Cottenie, advocaat bij de balie te Brussel, voor Marie-Claire Suerickx, tegen D A M C D S, beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 11 juni
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie
- De memorie is eveneens gericht tegen T D B, die evenwel geen partij was in hoger beroep en tegen wie het cassatieberoep niet gericht is. In zoverre de memorie eveneens tegen deze persoon is gericht, is ze niet ontvankelijk. De neergelegde stukken
- Op 3 oktober 2008 hebben de eisers een bundel met stukken neergelegd. De bundel is neergelegd meer dan twee maanden na de inschrijving van de zaak op de algemene rol op 22 juli 2008, dit is buiten de termijn bepaald in artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Het Hof slaat geen acht op die stukken. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen: het arrest is dubbelzinnig en tegenstrijdig gemotiveerd; het motiveert ook niet waarom het de verweerder vrijspreekt wegens het misdrijf bepaald in artikel 489ter Strafwetboek terwijl het beroepen vonnis dit misdrijf bewezen verklaard heeft.
- De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen is niet van toepassing op de motivering van vonnissen en arresten gewezen door de leden van de rechterlijke macht. In zoverre het schending van die wet aanvoert, faalt het middel naar recht.
- Het middel preciseert niet in welke lezing het arrest wettig en in welke andere lezing het niet wettig is. In zoverre het dubbelzinnigheid in de motivering aanvoert, is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Met de weergegeven motieven op het 15de en 16de blad van het arrest spreekt het arrest zich niet uit over het feit of de verweerder al dan niet schuldig is aan de hem ten laste gelegde feiten. Met die redenen oordeelt het enkel dat de verweerder de feitelijke bestuurder was van de vennootschap en bijgevolg strafrechtelijk kan aangesproken worden als bedoeld in artikel 489 Strafwetboek. Het is slechts na dit oordeel over de mogelijke strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de verweerder, dat het arrest de schuldvraag over de ten laste gelegde feiten onderzoekt. Die redenen zijn geenszins tegenstrijdig met deze vermeld op het 19de blad, waarbij het arrest met betrekking tot de rechtstreekse dagvaarding op verzoek van de eisers betekend, oordeelt dat de door de eisers voorgelegde gegevens en uitleg geen bewijs van enig misdrijf opleveren.
- Met het oordeel dat de door de eisers voorgelegde gegevens en uitleg geen bewijs van enig misdrijf opleveren, geeft het arrest de reden aan waarom het oordeelt dat het beroepen vonnis met betrekking tot de feiten die het voorwerp van de rechtstreekse dagvaarding van de eisers zijn, ten onrechte oordeelt dat dergelijk bewijs wel geleverd is. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert aan dat het arrest ten onrechte de verweerder vrijspreekt van het misdrijf bepaald in artikel 489ter Strafwetboek en geen toepassing maakt van de artikelen 489, 491 of 496 Strafwetboek.
- Het arrest oordeelt dat de door de eisers voorgelegde uitleg en gegevens niet van aard zijn om tegen de verweerder enig bewijs te leveren dat deze laatste zich aan enig misdrijf schuldig zou hebben gemaakt. Het middel dat aanvoert dat alle voorwaarden verenigd zijn om de verweerder schuldig te verklaren aan de misdrijven bepaald in de voormelde wetsartikelen, komt op tegen dit onaantastbare oordeel. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert aan dat het arrest de eisers ten onrechte veroordeelt tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 2.000 euro.
- Artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalt: "De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis".
- De omstandigheid dat de vordering van de eisers door de eerste rechter werd ingewilligd en dat de eisers zelf geen principaal hoger beroep hebben ingesteld, doet geen afbreuk aan de verschuldigdheid van de rechtsplegingsvergoeding. In hoger beroep zijn de eisers immers door het arrest in het ongelijk gesteld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Artikel 13 van de voormelde wet bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 van die wet van toepassing zijn op de zaken die aanhangig zijn op het ogenblik dat ze in werking treden. Hieruit volgt dat de rechtsplegingsvergoeding bepaald bij artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, verschuldigd is, ook al is de rechtstreekse dagvaarding aan de verweerder betekend vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet. In zoverre faalt het middel naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten op 113,69 euro waarvan 83,69 euro verschuldigd is en 30 euro betaald is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Huybrechts, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh en op de openbare rechtszitting van 23 december 2008 uitgesproken door waarnemend voorzitter Luc Huybrechts, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081223.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div