id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081223.4 Rolnummer: P.08.1803.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2009-01-13 Raadplegingen: 490 - laatst gezien 2026-07-03 06:27 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De kamer van inbeschuldigingstelling die oordeelt over de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, is in beginsel enkel verplicht te motiveren waarom zij een van de in artikel 6 Wet Europees Aanhoudingsbevel vermelde facultatieve weigeringsgronden toepast; zij moet daarentegen niet de redenen vermelden waarom zij die gronden niet toepast; wanneer evenwel de persoon op wie een Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, de rechter vraagt een van de facultatieve weigeringsgronden van artikel 6 Wet Europees Aanhoudingsbevel toe te passen, moet de kamer van inbeschuldigingstelling daarop enkel een ter zake dienend antwoord geven dat steun vindt in gegevens waarover ze beschikt. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL UTU-thesaurus: STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES - Aanhoudingsbevel door een andere lidstaat Vrije woorden: Facultatieve weigeringsgrond - Kamer van inbeschuldigingstelling - Motiveringsverplichting Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES - Aanhoudingsbevel door een andere lidstaat Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Facultatieve weigeringsgrond - Kamer van inbeschuldigingstelling - Motiveringsverplichting Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES - Aanhoudingsbevel door een andere lidstaat Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Europees aanhoudingsbevel - Facultatieve weigeringsgrond - Motiveringsverplichting Tekst van de beslissing Nr. P.08.1803.N M C L B, verdachte, eiser, gedetineerd, met als raadsman mr. Sven Mary, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert aan: door te oordelen over de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6, 1°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingbevel, zonder kennis genomen te hebben van het Belgische strafdossier, waardoor er geen rekening werd gehouden met alle relevante omstandigheden, en zonder de eiser toegelaten te hebben zich te kunnen beroepen op deze stukken, schendt het bestreden arrest voormeld artikel 6, 1°, en de rechten van de verdediging van de eiser.
- De kamer van inbeschuldigingstelling die oordeelt over de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, is in beginsel enkel verplicht te motiveren waarom zij een van de in artikel 6 Wet Europees aanhoudingsbevel vermelde facultatieve weigeringsgronden toepast. Zij moet daarentegen niet de redenen vermelden waarom zij die gronden niet toepast. Wanneer evenwel de persoon op wie een Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, de rechter vraagt een van de facultatieve weigeringsgronden van artikel 6 Wet Europees Aanhoudingsbevel toe te passen, moet de kamer van inbeschuldingstelling daarop enkel een ter zake dienend antwoord geven dat steun vindt in gegevens waarover ze beschikt.
- Artikel 6 Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: "De tenuitvoerlegging kan worden geweigerd: 1° ingeval de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, in België wordt vervolgd wegens het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt; (...)". Het bestreden arrest overweegt: "Het kan niet ontkend worden dat de aan het Europees aanhoudingsbevel tot grondslag liggende feiten (beslag op de lading cocaïne in Rotterdam) in Nederland werden vastgesteld. Dit betekent dat de aan [de eiser] verweten feiten op het grondgebied van de Europese Unie werden gepleegd doch in de eerste plaats in Nederland werden geconstateerd. Gezien het onderzoek naar deze feiten door de Nederlandse autoriteiten werd opgestart en het dankzij deze autoriteiten is dat verdere vaststelling in Nederland en/of in België konden gebeuren komt het opportuun voor dat de strafvervolging/of beoordeling van deze feiten door de bodemrechter in Nederland zou kunnen worden voortgezet." Met deze redengeving beantwoordt de kamer van inbeschuldigingstelling eisers verzoek met ter zake dienende redenen, die afgeleid zijn uit de feitelijke gegevens vermeld in het aanhoudingsbevel zelf. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorge¬schreven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 63,39 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Huybrechts, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh en op de openbare rechtszitting van 23 december 2008 uitgesproken door waarnemend voorzitter Luc Huybrechts, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081223.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190724.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div