← België

ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080122.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080122.3 Rolnummer: P.07.0906.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 426 - laatst gezien 2026-07-03 19:36 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080122.3 Fiches 1 - 2 Wanneer een inbreuk op het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betrekking heeft op subsidies, vergoedingen en toelagen die uitgekeerd zijn krachtens de in artikel 580, 1°, Gerechtelijk Wetboek, bepaalde wetten en verordeningen, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 155, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zijn de leden van het arbeidsauditoraat bevoegd de strafvordering uit te oefenen wegens dergelijke inbreuken

(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie - Arbeidsauditeur Vrije woorden: Strafvordering - Uitoefening - Inbreuk op het K.B. van 31 mei 1933 - Subsidies, vergoedingen en toelagen uitgekeerd krachtens wetten en verordeningen bepaald in artikel 580, 1e, Gerechtelijk Wetboek - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 155, tweede lid, en 580, 1° en 2° Koninklijk Besluit - 31-05-1933 - Artt. 1, en 2, § 1 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie - Arbeidsauditeur Vrije woorden: Uitoefening - Inbreuk op het K.B. van 31 mei 1933 - Subsidies, vergoedingen en toelagen uitgekeerd krachtens wetten en verordeningen bepaald in artikel 580, 1e, Gerechtelijk Wetboek - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 155, tweede lid, en 580, 1° en 2° Koninklijk Besluit - 31-05-1933 - Artt. 1, en 2, § 1 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. TIMPERMAN, Cass., 22 jan. 2008, AR P.07.0906.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie - Arbeidsauditeur Vrije woorden: Strafvordering - Uitoefening - Inbreuk op het K.B. van 31 mei 1933 - Subsidies, vergoedingen en toelagen uitgekeerd krachtens wetten en verordeningen bepaald in artikel 580, 1e, Gerechtelijk Wetboek - Bevoegdheid Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie - Arbeidsauditeur Vrije woorden: Uitoefening - Inbreuk op het K.B. van 31 mei 1933 - Subsidies, vergoedingen en toelagen uitgekeerd krachtens wetten en verordeningen bepaald in artikel 580, 1e, Gerechtelijk Wetboek - Bevoegdheid Tekst van de conclusie P.07.0906.N Conclusie OM Advocaat-generaal Timperman heeft in substantie gezegd: 1. In deze zaak stelt zich de vraag naar de bevoegdheid van de arbeidsauditeur om de strafvordering uit te oefenen wegens inbreuken op het K.B. van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen
(1). Hoewel voormeld K.B. van 31 mei 1933 in principe toepasselijk is in aangelegenheden die niets te maken hebben met de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, kan dat K.B. natuurlijk wél betrekking hebben op een aangelegenheid die tot de bevoegdheid behoort van de arbeidsgerechten, wat in voorliggend dossier het geval is
(2). 2. Artikel 155 Ger. W. bepaalt: "Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 138, derde tot vijfde lid
(3), wordt de strafvordering wegens een overtreding van de wetten en de verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, voor de politierechtbanken en voor de rechtbanken van eerste aanleg uitgeoefend door de leden van het arbeidsauditoraat en voor de hoven van beroep door de leden van het arbeidsauditoraat generaal. In geval van samenloop of samenhang van genoemde overtredingen met een of meer overtredingen van andere wetsbepalingen die niet tot de bevoegdheid behoren van de arbeidsgerechten, wijst de procureur generaal het parket van de procureur des Konings of het arbeidsauditoraat aan, en, in voorkomend geval, het parket generaal of het arbeidsauditoraat generaal dat bevoegd is om de strafvordering uit te oefenen, onverminderd de toepassing van artikel 149
(4)." De aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten zoals bedoeld in de hierboven geciteerde wetsbepaling zijn deze die worden opgesomd in de artikelen 578 tot 583 Gerechtelijk Wetboek. Hoger gestelde vraag kan dan anders worden geformuleerd: dient in toepassing van artikel 155 Gerechtelijk Wetboek de strafvordering wegens overtreding van het K.B. van 31 mei 1933 te worden uitgeoefend door de arbeidsauditeur, indien de subsidiefraude betrekking heeft op een aangelegenheid die tot de bevoegdheid behoort van de arbeidsgerechten, of blijft ook in dat geval de bevoegdheid toebehoren aan de procureur des Konings? Zoals hierna zal blijken bestaan er twee tegengestelde visies. 3. Enerzijds is er onder meer DRUBBEL die van oordeel is dat het bevoegde openbaar ministerie voor de vervolging de procureur des Konings is, maar dat in vele gevallen de arbeidsauditeur wegens eendaadse of meerdaadse samenloop bevoegd wordt wanneer tevens een overtreding werd begaan op een wetgeving die onder diens bevoegdheid ressorteert
(5). Klaarblijkelijk is deze auteur van oordeel dat het gegeven dat enkel een specifiek strafrechtelijke overtreding
(6)is bepaald in het K.B. van 31 mei 1933 - en niet in de wetsbepaling betreffende een aangelegenheid waarvoor de arbeidsgerechten bevoegd zijn - de reden is om tot de bevoegdheid van de procureur des Konings te besluiten: "De gehandicapte die bedrieglijk uitkeringen opstrijkt als alleenstaande, terwijl hij of zij in werkelijkheid samenwoont, heeft een onjuiste verklaring afgelegd waardoor hij of zij onrechtmatig uitkeringen ontvangt. Hiervoor is geen specifieke strafrechtelijke overtreding bepaald in de wet van 27 februari 1987 betreffende tegemoetkomingen aan gehandicapten. Omdat deze gehandicapte echter - bij hypothese - wetens en willens "subsidies" ontvangt waarop hij geen recht heeft, begaat de betrokkene echter een overtreding van voormeld K.B. van 31 mei 1933. M.i. is in het gegeven voorbeeld dan ook enkel een overtreding van het K.B. van 31 mei 1933 in aanmerking te nemen en is de procureur des Konings bij gebrek aan aanknopingspunt met de bevoegdheden van de arbeidsauditeur het bevoegde openbaar ministerie
(7)." Ook VAN DER STEICHEL blijkt zich - minstens impliciet - te hebben uitgesproken voor deze visie daar hij een cassatiearrest van 22 januari 1973 lijkt goed te keuren waarin werd vastgesteld dat de tenlastelegging met betrekking tot het K.B. van 31 mei 1933 slaat op een overtreding van wetsbepalingen inzake aangelegenheden die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechter
(8). In het arrest van 22 januari 1973 werd inderdaad vastgesteld dat "eiser niet alleen vervolgd werd wegens overtreding van bepalingen inzake werkloosheid, maar bovendien, niet wegens de schending van artikel 508 van het Strafwetboek, maar om, wetende dat hij geen recht meer had op het gehele bedrag van een subsidie, vergoeding of toelage, bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 (...) Dat laatstgenoemde telastlegging betrekking heeft op een overtreding van wetsbepalingen inzake aangelegenheden die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechter. Dat, vermits de telastlegging wegens een overtreding van de wetten en verordeningen in een van de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren, samenloopt met of samenhangt met een gemeenrechtelijke telastelegging, de strafvordering voor de twee misdrijven terecht niet door de arbeidsauditeur, maar door de procureur des Konings werd ingesteld
(9)." Ook elders werd dit standpunt gehuldigd
(10). Volgens de opvatting van deze auteurs is er dus slechts sprake van een sociaalrechtelijk misdrijf wanneer de inbreuk is omschreven in een zuiver sociale wetsbepaling, "c'est-à-dire dans un texte qui ne peut en aucun cas s'appliquer à une situation juridique non sociale
(11)." Dergelijke zienswijze biedt onmiskenbaar het voordeel van de eenvoud en kan aldus wellicht afbakeningsproblemen vermijden; het enige criterium is immers of de strafsanctie is bepaald in de sociale wetgeving, zonder dat men moet nagaan of de verdachte de bedoeling had sociale fraude te plegen door bijvoorbeeld ten onrechte invaliditeitsuitkeringen of arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te ontvangen. 4. Anderzijds wordt de stelling verdedigd dat een sociaalrechtelijk misdrijf, een misdrijf is waarvan het burgerlijk aspect tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoort. Dit zou dan ook met zich meebrengen dat een inbreuk op het K.B. van 31 mei 1933 kan worden vervolgd door de arbeidsauditeur wanneer het gaat om fraude in de materie van de sociale zekerheid, ook al kan het K.B. op zich ook in andere, niet-sociale, materies toepassing vinden. De voorstanders van deze visie wijzen erop dat dergelijke opvatting beantwoordt aan de bedoeling van de wetgever doordat een gespecialiseerd parketmagistraat sociaalrechtelijke inbreuken zou kunnen gaan vervolgen
(12); een en ander geldt nog des te meer nu het K.B. van 31 mei 1933 als een soort van 'passe-partout' fungeert en deze tekst dikwijls de enige is "qui soit susceptible d'être appliqué en cas de fraude en matière de sécurité sociale
(13)." Daarnaast werd gezegd dat het begrip "aangelegenheid die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoort" uit artikel 155 Gerechtelijk Wetboek ruim dient te worden opgevat en niet mag worden beperkt tot de bepalingen uit die wetten die meer speciaal tot die bevoegdheid behoren
(14). Verder lijkt men zich te beroepen op een arrest van het Hof van Cassatie van 26 mei 1999
(15)om deze zienswijze te ondersteunen. Aldus stelde DEKKERS dat naar deze wettelijke bepalingen - bedoeld is het K.B. van 31 mei 1933 - teruggegrepen wordt voor de socialezekerheids- en sociale bijstandsprestaties waarvan de reglementering niet zelf in een strafbaarstelling voorziet in geval van frauduleuze inning ervan: "De bevoegdheid om de overtredingen op het K.B. van 31 mei 1933 te vervolgen wordt ontleend, onder verwijzing naar en geruggensteund door de rechtspraak van het Hof van Cassatie, aan het feit dat het gaat om sociale fraude, meer bepaald het onrechtmatig innen van socialezekerheidsprestaties, zijnde een overtreding van de wetten en de verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten
(16)." Ook uit de inhoud van een circulaire
(17)met betrekking tot artikel 155 Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij wet van 3 augustus 1992, zou een argument kunnen gehaald worden voor deze stelling. Immers, bij meerdaadse samenloop tussen overtredingen van sociaal recht en gemeen recht, zal de arbeidsauditeur bevoegd zijn wanneer het misdrijf in zijn geheel erop wijst dat het de bedoeling is om de sociale wetgeving te omzeilen en de gemeenrechtelijke misdrijven slechts een middel blijken te zijn om dat doel te bereiken of er onvermijdelijk uit voortvloeien. Dit standpunt zou ook reeds verschillende malen - soms eerder op impliciete wijze - navolging gekend hebben in de rechtspraak. In het arrest van het Hof van Cassatie van 26 mei 1999
(18)wordt immers gesteld, zulks in tegenstelling tot het arrest van 22 januari 1973
(19), dat een overtreding van het K.B. van 31 mei 1933 een misdrijf is dat tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoort. Verder is er ook nog rechtspraak die oordeelt dat de aangelegenheden die tot de bevoegdheid behoren van de arbeidsrechtbanken zoals vermeld in artikel 155 Gerechtelijk Wetboek, bepaald worden in de artikelen 578 tot 583 van het Gerechtelijk Wetboek
(20)en aangezien de ziekte- en invaliditeitsverzekering een aangelegenheid is die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoort, zoals blijkt uit art. 580, 1° tot 4°, Gerechtelijk Wetboek, moet de strafvordering wegens een overtreding van artikel 104 ZIV-wet derhalve voor de politierechtbanken en voor de rechtbanken van eerste aanleg worden uitgeoefend door de leden van het arbeidsauditoraat, overeenkomstig art. 155 Gerechtelijk Wetboek, zelfs als de aangelegenheid waarop die overtreding betrekking heeft, niet als zodanig behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten
(21). In zijn conclusie bij dit arrest wees advocaat-generaal KRINGS er ook op dat het begrip "een overtreding van de wetten (...) over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten", in zijn geheel dient te worden gelezen: men heeft niet te doen "met een overtreding van een 'wetsbepaling' over een van de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren. Het gaat om één overtreding van de wetten (...) dit wil zeggen. 'om het even welke overtreding van de wetten', zonder nadere bepaling. Dit is dus zeer algemeen. De klemtoon wordt bovendien gelegd op het einde van de zin, met name op wetten of verordeningen over een van de aangelegenheden de tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoort. Dit is ook zeer algemeen
(22)." Het arrest van 10 januari 1995
(23)ligt in dezelfde lijn; het is voldoende dat vervolging wordt ingesteld voor overtreding van EG-verordeningen met betrekking tot rij- en rusttijden om te besluiten dat het gaat om een aangelegenheid die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoort - in deze zaak de arbeidsreglementering - zodat men tot de bevoegdheid van de arbeidsauditeur kan besluiten. Er kan opgemerkt worden dat reeds in een arrest van 6 december 1971 werd gezegd dat art. 155 Gerechtelijk Wetboek de aangelegenheden vermeldt die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren, zonder een onderscheid te maken naargelang de misdrijven, omschreven in de desbetreffende wetten en verordeningen, aanleiding kunnen geven tot een burgerrechtelijk geschil voor deze rechtscolleges
(24). Er moet aldus niet noodzakelijk een verband worden gelegd tussen de bepaling waarvan de overtreding de toepassing van de strafsanctie uitlokt en de bepalingen die verband houden met de geschillen die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren; enkel is vereist dat het gaat om een overtreding van een wet over een aangelegenheid die behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten
(25). Ten gunste van deze zienswijze pleiten, naast de argumenten aangehaald door advocaat-generaal KRINGS in zijn conclusie bij het arrest van 20 januari 1981
(26), de klaarblijkelijke bedoeling van de wetgever om inbreuken op sociale wetgeving toe te vertrouwen aan gespecialiseerde parketmagistraten en het praktisch argument dat het K.B. van 31 mei 1933 in vele gevallen de enige mogelijkheid is om sociale fraude te bestraffen, zodat het ter zake beter is een beroep te doen op de meer gespecialiseerde kennis van de arbeidsauditeurs. 5. Welk standpunt dient thans tegenover deze twee, met elkaar strijdige visies, ingenomen worden? Geconfronteerd met de keuze zou ik opteren voor de eerste visie
(27). Het komt mij immers voor dat de misdrijven omschreven in artikel 2 K.B. 31 mei 1933, zelfstandige misdrijven zijn met een autonome delictsomschrijving waarvan de opsporing in de regel behoort tot de bevoegdheid van de Procureur des Konings, ongeacht de aard van de onrechtmatig aanvaarde of behouden subsidie, vergoeding of toelage. Er zo over oordelen, en dus anders dan eiser aanvoert, ondermijnt de bevoorrechte positie van de arbeidsauditeur als bestrijder van sociale fraude niet: al naargelang het concrete geval kan het bepaalde in artikel 155 Gerechtelijk Wetboek op dat punt soelaas brengen. Conclusie: Verwerping _____________
(1)B.S. 1 juni 1933.
(2)Inbreuk gepleegd met het oog op het verkrijgen van ziekte-uitkeringen.
(3)De bepalingen van artikel 138, derde en vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, hebben betrekking op de mogelijkheid om een magistraat van het parket van de procureur des Konings of van het arbeidsauditoraat de strafvordering te laten uitoefenen voor het hof van beroep; ze zijn hier verder niet relevant.
(4)Ook artikel 149 Gerechtelijk Wetboek is hier verder niet relevant vermits het betrekking heeft op de uitoefening van het ambt van openbaar ministerie bij het hof van assisen.
(5)L. DRUBBEL, "De rol, bevoegdheden en taken van de arbeidsauditoraten in de strijd tegen "de mensenhandel", R.W. 2003-04,
(841)84.
(6)Cfr. infra sub 5.
(7)L. DRUBBEL, l.c., 845-846.
(8)R. VAN DER STEICHEL, "Bevoegdheidsconflicten bij strafvervolging wegens overtreding van de werkloosheidsreglementering", in Liber Amicorum Marc Châtel, Deurne, Kluwer, 1991,
(407)412.
(9)Cass., 22 januari 1973, A.C. 1973, 523.
(10)Brussel 23 januari 1991, Pas. 1991, II, 104.
(11)H. BARTH, "L'incidence de la définition du droit pénal social sur la compétence répressive de l'auditeur de travail ", Soc. Kron. 1996,
(140)140.
(12)Zie daarover o.m.: H. BARTH, l.c., 141 en de verwijzingen aldaar.
(13)H. BARTH, l.c., 141.
(14)J. KRINGS, "Tien jaar arbeidsgerechten. Ervaring en evaluatie", R.W. 1981-82,
(705)717.
(15)Cass., 26 mei 1999, A.R. P.99.0597.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990526.18, nr. 313
(16)C. DEKKERS, "Het sociaal strafrecht en de strafgerechten: een verstandshuwelijk?", R.W. 2006-07,
(1382)1399.
(17)Circulaire nr. 43/92-15/92 van 15 december 1992 van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep en het Arbeidshof te Antwerpen, zoals aangehaald door: R. VAN STRYDONCK, "Enkele aspecten van de bevoegdheden van het openbaar ministerie bij de arbeidsgerechten", R.W. 1993-94,
(689)701.
(18)Cfr. supra: voetnoot 15
(19)Cfr. supra: voetnoot 9
(20)Zie: Cass., 28 januari 1975, A.C. 1974-75, 594. In dezelfde zin: Cass., 9 maart 1976, A.C. 1976, 788; Cass., 25 mei 1976, A.C. 1976, 1063.
(21)Cass. 20 januari 1981, A.C. 1980-81, nr. 290.
(22)Zie conclusie Krings voor Cass. 20 januari 1981, A.C. 190-81, p. 543.
(23)Cass., 10 januari 1995, A.R. P.94.1393.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950110.16, nr. 20.
(24)Cass. 6 december 1971, A.C. 1972, 333.
(25)Conclusie advocaat-generaal Krings voor Cass., 20 januari 1981, A.C. 190-81, p. 544.
(26)Cfr. supra: voetnoot 21
(27)Cfr. supra sub nr. 3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080122.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950110.16 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990526.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.