← België

ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080131.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 31 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080131.6 Rolnummer: C.05.0372.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 489 - laatst gezien 2026-07-03 19:32 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080131.6 Fiche 1 Een procespartij kan in cassatie niet opkomen tegen een beslissing nopens de rechtspleging die in overeenstemming met haar conclusie werd gewezen

(1).
(1)Zie de concl. O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Belang UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang Fiche 2 Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 31 jan. 2008, AR C.05.0372.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Belang UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang Tekst van de conclusie C.05.0372.N Conclusie van de heer Advocaat-generaal Dubrulle.
  1. Het geschil heeft betrekking op drie overeenkomsten tussen partijen: een handelshuurovereenkomst, een overeenkomst tot overdracht van een handelsfonds en een franchising-overeenkomst. De voorziening is gericht tegen drie vonnissen. Het eerste cassatiemiddel is gericht tegen het vonnis van 18 september 1998 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent dat beslist dat deze rechtbank bevoegd is om in hoger beroep kennis te nemen van dit geschil tussen kooplieden betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt, waarover de vrederechter als eerste rechter had geoordeeld. Dit vonnis verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond in zoverre het betrekking heeft op een onderzoeksmaatregel en verwijst de zaak terug naar de vrederechter, die uitspraak doet bij vonnis van 13 januari
  2. De behandeling van de overige grieven wordt naar de bijzondere rol verwezen. De eiseres stelt dat de rechtbank van koophandel de bevoegde appelrechter is en dat de rechtbank van eerste aanleg haar bevoegdheid ambtshalve diende op te werpen en de zaak naar de arrondissementsrechtbank diende te verwijzen overeenkomstig artikel 640 van het Gerechtelijk Wetboek. Het tweede middel is gericht tegen het vonnis van 8 maart 2004 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent dat - in strijd met het vorig vonnis -ingaat op een exceptie van onbevoegdheid door alle partijen ingeroepen en, om proceseconomische en pragmatische redenen, de zaak, wat de overige grieven betreft, naar de rechtbank van koophandel te Gent verwijst. Het derde middel, tenslotte, is gericht tegen het vonnis van deze rechtbank van koophandel, van 22 april 2005, dat het geschil ten gronde beoordeelt.
  3. Het eerste en het tweede middel lijken me niet ontvankelijk, bij gebrek aan belang. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt immers dat: - voor de rechtbank van eerste aanleg in de zaak AR 03/858/A, de partijen, ter terechtzitting van 21 maart 2003, vroegen de betwisting te verwijzen naar de bevoegde rechtbank van koophandel, zonder andere beoordeling dan van haar bevoegdheid; - in de zaak AR 98/1373/A, waarin het bestreden vonnis van 18 september 1998 werd gewezen, de partijen op 29 december 2003 en verweersters in hun ter terechtzitting van 9 februari 2004 neergelegde conclusie "conform het akkoord tussen partijen op dit punt" de verwijzing naar de rechtbank van koophandel vroegen; - de rechtbank van eerste aanleg op deze verzoeken is ingegaan, respectievelijk bij het (niet bestreden) vonnis van 28 maart 2003 en bij het bestreden vonnis van 4 maart 2004 (over hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak); - de rechtbank van koophandel in het bestreden vonnis van 22 april 2005 het geschil in zijn geheel heeft beoordeeld. In het derde middel bekritiseert de eiseres dit laatste vonnis zelf niet in zoverre het oordeelt dat "reeds uitspraak gedaan werd in graad van beroep door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 18 september 1998 waarin expliciet gestatueerd werd dat in casu het bewijs door getuigen materieel en procesrechtelijk toelaatbaar is". De eiseres heeft aldus geen belang bij een kritiek op die vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg (gewezen overeenkomstig haar conclusies), ook al betreft de bevoegdheid (van de appelrechter) de openbare orde, nu deze vonnissen haar geen nadeel berokkenen: uiteindelijk heeft alleen de - volgens eenieder - bevoegde rechter het geschil in zijn geheel beoordeeld. Het vonnis van 18 september 1998 houdt de beslissing over de kosten aan en het vonnis van 8 maart 2004 laat deze beslissing aan de rechtbank van koophandel over. Om reden dat de bestreden beslissing de eiseressen geen nadeel toebracht, heeft het Hof, bij arrest van 22 oktober 2001
(1), hun middel als niet ontvankelijk afgewezen, dat kritiek had op het dictum van een arrest dat hun hoger beroep overeenkomstig hun conclusie ontvankelijk had verklaard. In een strafzaak beslist het arrest van 17 december 2003
(2)hetzelfde over een middel van de veroordeelde gericht tegen de beslissing die zijn hoger beroep ontvankelijk verklaart. Dat men zich, voor de appreciatie van het belang om een beslissing te bestrijden, moet plaatsen op het ogenblik dat ze gewezen wordt, zodat een feit van latere datum daarop geen invloed kan hebben
(3), lijkt me geen reden om dat belang in dezen (d.i. bij het cassatiemiddel) toch te erkennen: enerzijds gaat het dan om het belang bij een cassatieberoep, dat niet betwistbaar is, anderzijds is een vonnis van latere datum (over een zelfde vordering) uiteraard geen feit dat aan de beoordeling van de vordering, in de bestreden beslissing, ten grondslag ligt. 3. Minstens is het eerste middel om een eigen reden niet ontvankelijk, bij gebrek aan belang. Dit gaat ook in de zin van de door de verweersters aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid van het middel: het vertoont geen belang vermits het een kritiek inhoudt op een beslissing die strookt met de conclusie van de eiseres; zij stelde immers zelf hoger beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg. Deze vraag naar het vereiste belang blijkt inderdaad voor betwisting vatbaar te zijn. Inzonderheid kan ook de vraag naar de verenigbaarheid van twee arresten van het Hof, waarnaar partijen in dat verband verwijzen, gesteld worden. Deze vraag heeft de behandeling in voltallige zitting van de kamer verantwoord. De eiseres verwijst, in de toelichting bij het eerste middel, naar het arrest van 7 september 2000
(4), waarin het Hof het middel gegrond en dus (impliciet) ontvankelijk verklaart: het Hof aanvaardt de kritiek dat de rechtbank van eerste aanleg zich als appelrechter bevoegd verklaarde, terwijl de rechtbank van koophandel bevoegd was. De verweersters verwijzen, in de memorie van antwoord, naar het arrest van 10 oktober 2002
(5), dat een middel van de eiser niet ontvankelijk verklaart omdat hij geen belang heeft bij de kritiek op het dictum van een arrest waarin de door hem bij de rechtbank van eerste aanleg ingestelde rechtsvordering, overeenkomstig zijn conclusie, ontvankelijk werd verklaard. In casu had de eiser zijn rechtsvordering (m.b.t. een verkeersongeval) voor die rechtbank ingesteld, in plaats van voor de op grond van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek (en volgens het overgangsrecht) bevoegde politierechtbank. Nochtans betreft deze bevoegdheid de openbare orde. Beide arresten verschillen evenwel (ook) wat twee thans relevante aspecten betreft. Het eerste oordeelt over de aangevoerde schending van een aantal algemene bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek m.b.t. de materiële bevoegdheid van de rechtbanken, terwijl het laatste alleen dat artikel 601bis (en het overgangsrecht) diende te toetsen. Bovendien werd, in de eerste zaak, het belang van de eiser beoordeeld om - zoals te dezen - de beslissing aan te vechten van de (door hemzelf geadieerde) appelrechters, zich bevoegd te verklaren om van zijn hoger beroep kennis te nemen en, in de tweede zaak, het belang van de eiser om de beslissing van de appelrechters over zijn oorspronkelijke vordering en de (impliciete) bevoegd verklaring van de eerste rechter (die hij nochtans ook zelf had geadieerd) te bekritiseren. Het besluit van de verweersters dat het laatste precedent "mutatis mutandis (ook) geldt met betrekking tot het hoger beroep" kan, mits enige nuancering, m.i., wel bijgetreden worden: er lijkt me geen reden te zijn om anders te oordelen in het geval dat de eiser zijn hoger beroep voor de onbevoegde rechter brengt. In beide gevallen gaat het om een kritiek van de eiser op een door hemzelf geschapen onjuiste procesvoering. In het actuele geval zijn uiteindelijk alle partijen en alle rechters het eens omtrent de bevoegde rechter. In dezelfde lijn beslist een arrest van 12 januari 2007
(6)dat een eiser geen belang heeft bij de kritiek dat de verweerder niet werd opgeroepen om tegenspraak te voeren betreffende de door de eiser gevorderde wraking. 4. Het derde middel mist feitelijke grondslag. (...) Conclusie: verwerping. (...) ________________
(1)A.R. S.00.0131.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011022.8, A.C., 2001, nr. 564.
(2)AR P.03.1450.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031217.22, nr. 655
(3)E. Faye, La Cour de cassation, Parijs, Marescq-Aîné, 1903, nr. 45.
(4)AR C.99.0514.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000907.8, nr. 452.
(5)AR C.01.0087.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021010.6., nr. 528.
(6)AR C.06.0012.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.4, met conclusie O.M., www.cass.be. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080131.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000907.8 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011022.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021010.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031217.22 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.